In the prophetic history of the first Woe, the leader who followed Mohammed was Abu Bakr Abdullah ibn Abi Quhafa, father-in-law of Mohammed. We will refer to him as Abubakar. Both he and Mohammed are referenced in the first four verses. Abubakar was the first Islamic ruler after Mohammed, and history records a command that he gave to his soldiers, that is represented in verse four of Revelation chapter nine. The command represents the sealing process that began at the arrival of the third woe, which was also the Seventh Trumpet, which was also the arrival of the third angel.

In de profetische geschiedenis van het eerste Wee was de leider die Mohammed opvolgde Abu Bakr Abdullah ibn Abi Quhafa, de schoonvader van Mohammed. Wij zullen naar hem verwijzen als Abubakar. Zowel hij als Mohammed worden genoemd in de eerste vier verzen. Abubakar was de eerste islamitische heerser na Mohammed, en de geschiedenis vermeldt een bevel dat hij aan zijn soldaten gaf, dat wordt voorgesteld in het vierde vers van Openbaring hoofdstuk negen. Het bevel stelt het verzegelingsproces voor dat begon bij de komst van het derde wee, dat tevens de Zevende Bazuin was, die tevens de komst van de derde engel was.

And the fifth angel sounded, and I saw a star fall from heaven unto the earth: and to him was given the key of the bottomless pit. And he opened the bottomless pit; and there arose a smoke out of the pit, as the smoke of a great furnace; and the sun and the air were darkened by reason of the smoke of the pit. And there came out of the smoke locusts upon the earth: and unto them was given power, as the scorpions of the earth have power. And it was commanded them that they should not hurt the grass of the earth, neither any green thing, neither any tree; but only those men which have not the seal of God in their foreheads. Revelation 9:1–4.

En de vijfde engel blies, en ik zag een ster uit de hemel op de aarde vallen; en hem werd de sleutel van de bodemloze put gegeven. En hij opende de bodemloze put; en er steeg rook op uit de put, als de rook van een grote oven; en de zon en de lucht werden verduisterd door de rook van de put. En uit de rook kwamen sprinkhanen voort op de aarde; en aan hen werd macht gegeven, gelijk de schorpioenen der aarde macht hebben. En hun werd bevolen dat zij het gras der aarde niet zouden beschadigen, noch enig groen gewas, noch enige boom; maar alleen die mensen die het zegel van God niet op hun voorhoofden hebben. Openbaring 9:1–4.

The “star” that fell from heaven was Mohammed, who began his ministry in the year 606. Mohammed was given a “key” that was to “open” the “bottomless pit” allowing “smoke” to darken the “sun and the air,” and brought forth “locusts” who were given “power” as the power of “scorpions.” The key was a military battle that produced weakness in the Roman’s military strength, thus allowing the rise of the warfare of Islam. The bottomless pit is a symbol of Arabia, the birthplace of Islam, and the smoke represented the false religion of Islam that was to spread across the earth and take possession of the same geography that would be swarmed by the swarms of locusts that sweep across northern Africa, southern Europe and Arabia. The locusts are a symbol of Islam, and power prophetically represents military power. Their power was to be as scorpions, which strike unexpectedly. Uriah Smith states:

De „ster” die uit de hemel viel, was Mohammed, die zijn bediening begon in het jaar 606. Aan Mohammed werd een „sleutel” gegeven om de „bodemloze put” te „openen”, waardoor „rook” de „zon en de lucht” zou verduisteren en „sprinkhanen” zouden voortkomen aan wie „macht” gegeven werd als de macht van „schorpioenen”. De sleutel was een militaire strijd die een verzwakking in de militaire kracht van de Romeinen teweegbracht, en aldus de opkomst van de oorlogvoering van de islam mogelijk maakte. De bodemloze put is een symbool van Arabië, de geboorteplaats van de islam, en de rook stelde de valse godsdienst van de islam voor, die zich over de aarde zou verspreiden en bezit zou nemen van hetzelfde geografische gebied dat overspoeld zou worden door de zwermen sprinkhanen die over Noord-Afrika, Zuid-Europa en Arabië trekken. De sprinkhanen zijn een symbool van de islam, en macht vertegenwoordigt profetisch militaire macht. Hun macht zou zijn als die van schorpioenen, die onverwachts toeslaan. Uriah Smith verklaart:

“A star fell from heaven unto the earth; and to him was given the key of the bottomless pit.

„Een ster viel uit de hemel op de aarde; en hem werd de sleutel van de bodemloze put gegeven.״

“While the Persian monarch contemplated the wonders of his art and power, he received an epistle from an obscure citizen of Mecca, inviting him to acknowledge Mohammed as the apostle of God. He rejected the invitation, and tore the epistle. ‘It is thus,’ exclaimed the Arabian prophet, ‘that God will tear the kingdom, and reject the supplication of Chosroes.’ Placed on the verge of these two empires of the East, Mohammed observed with secret joy the progress of mutual destruction; and in the midst of the Persian triumphs he ventured to foretell, that, before many years should elapse, victory would again return to the banners of the Romans. ‘At the time when this prediction is said to have been delivered, no prophecy could be more distant from its accomplishment since the first twelve years of Heraclius announced the approaching dissolution of the empire.’. ..

‘Terwijl de Perzische monarch de wonderen van zijn kunst en macht overwoog, ontving hij een brief van een onbekende burger van Mekka, waarin hij werd uitgenodigd Mohammed te erkennen als de apostel van God. Hij verwierp de uitnodiging en scheurde de brief uiteen. “Zo,” riep de Arabische profeet uit, “zal God het koninkrijk verscheuren en de smeekbede van Chosroes verwerpen.” Geplaatst aan de grens van deze twee rijken van het Oosten, sloeg Mohammed met verborgen vreugde de voortgang van de wederzijdse verwoesting gade; en te midden van de Perzische triomfen waagde hij het te voorspellen dat, voordat vele jaren zouden zijn verstreken, de overwinning opnieuw zou terugkeren tot de banieren van de Romeinen. “Ten tijde waarop deze voorspelling gezegd wordt te zijn uitgesproken, kon geen profetie verder van haar vervulling verwijderd zijn, aangezien de eerste twaalf jaren van Heraclius de naderende ontbinding van het rijk aankondigden.”...

“Chosroes subjugated the Roman possession [in] Asia and Africa. And ‘the Roman empire,’ at that period, ‘was reduced to the walls of Constantinople, with the remnant of Greece, Italy, and Africa, and some maritime cities, from Tyre to Trebizond, of the Asiatic coast. The experience of six years at length persuaded the Persian monarch to renounce the conquest of Constantinople, and to specify the annual tribute of the ransom of the Roman empire,—a thousand talents of gold, a thousand talents of silver, a thousand silk robes, a thousand horses, and a thousand virgins. Heraclius subscribed to these ignominious terms. But the time and space which he obtained to collect those treasures from the poverty of the East were industriously employed in the preparation of a bold and desperate attack.’

“Chosroes onderwierp het Romeinse bezit in Azië en Afrika. En ‘het Romeinse rijk’ was in die periode ‘teruggebracht tot de muren van Constantinopel, met het overblijfsel van Griekenland, Italië en Afrika, en enige maritieme steden langs de Aziatische kust, van Tyrus tot Trebizonde. De ervaring van zes jaar bewoog de Perzische monarch er uiteindelijk toe af te zien van de verovering van Constantinopel en de jaarlijkse schatting vast te stellen als losprijs van het Romeinse rijk,—duizend talenten goud, duizend talenten zilver, duizend zijden gewaden, duizend paarden en duizend maagden. Heraclius stemde in met deze smadelijke voorwaarden. Maar de tijd en ruimte die hij verkreeg om die schatten bijeen te brengen uit de armoede van het Oosten, werden naarstig benut ter voorbereiding van een stoutmoedige en wanhopige aanval.’”

“The king of Persia despised the obscure Saracen, and derided the message of the pretended prophet of Mecca. Even the overthrow of the Roman empire would not have opened a door for Mohammedanism, or for the progress of the Saracenic armed propagators of an imposture, though the monarch of the Persians and chagan of the Avars (the successor of Attila) had divided between them the remains of the kingdoms of the Caesars. Chosroes himself fell. The Persian and Roman monarchies exhausted each other’s strength. And before a sword was put into the hands of the false prophet, it was smitten from the hands of those who would have checked his career and crushed his power.

‘De koning van Perzië verachtte de onbekende Saraceen en bespotte de boodschap van de vermeende profeet van Mekka. Zelfs de ondergang van het Romeinse rijk zou voor het mohammedanisme, of voor de opmars van de Saraceense gewapende verspreiders van een bedriegerij, geen toegang hebben geopend, ook al hadden de monarch van de Perzen en de chagan van de Avaren (de opvolger van Attila) de overblijfselen van de koninkrijken der Caesars onder elkaar verdeeld. Chosroes zelf kwam ten val. De Perzische en Romeinse monarchieën putten elkanders kracht uit. En voordat een zwaard in de hand van de valse profeet was gelegd, werd het uit de handen geslagen van hen die zijn loopbaan zouden hebben gestuit en zijn macht verpletterd.’

“‘Since the days of Scipio and Hannibal, no bolder enterprise has been attempted than that which Heraclius achieved for the deliverance of the empire. He explored his perilous way through the Black Sea and the mountains of Armenia, penetrated into the heart of Persia, and recalled the armies of the great king to the defense of their bleeding country.’

“‘Sinds de dagen van Scipio en Hannibal is geen stoutmoediger onderneming gewaagd dan die welke Heraclius volbracht tot verlossing van het rijk. Hij baande zich een weg vol gevaren door de Zwarte Zee en de bergen van Armenië, drong door tot in het hart van Perzië en riep de legers van de grote koning terug ter verdediging van hun bloedende land.’”

“In the battle of Nineveh, which was fiercely fought from daybreak to the eleventh hour, twenty-eight standards, besides those which might be broken or torn, were taken from the Persians; the greatest part of their army was cut in pieces, and the victors, concealing their own loss, passed the night on the field. The cities and palaces of Assyria were opened for the first time to the Romans.’

‘In de slag bij Ninevé, die van het aanbreken van de dag tot het elfde uur met grote felheid werd uitgevochten, werden achtentwintig vaandels op de Perzen buitgemaakt, afgezien van die welke mogelijk gebroken of verscheurd waren; het grootste deel van hun leger werd in stukken gehouwen, en de overwinnaars brachten, terwijl zij hun eigen verlies verborgen hielden, de nacht op het slagveld door. De steden en paleizen van Assyrië werden voor het eerst voor de Romeinen geopend.’

“The Roman emperor was not strengthened by the conquests which he achieved; and a way was prepared at the same time, and by the same means, for the multitudes of Saracens from Arabia, like locusts from the same region, who, propagating in their course the dark and delusive Mohammedan creed, speedily overspread both the Persian and the Roman empire.

„De Romeinse keizer werd niet versterkt door de veroveringen die hij behaalde; en tegelijkertijd, en door dezelfde middelen, werd de weg gebaand voor de menigten Saracenen uit Arabië, als sprinkhanen uit diezelfde streek, die, terwijl zij op hun tocht de duistere en bedrieglijke mohammedaanse geloofsleer verbreidden, weldra zowel het Perzische als het Romeinse rijk overspoelden.

“More complete illustration of this fact could not be desired than is supplied in the concluding words of the chapter from Gibbon, from which the preceding extracts are taken. ‘Although a victorious army had been formed under the standard of Heraclius, the unnatural effort seems to have exhausted rather than exercised their strength. While the emperor triumphed at Constantinople or Jerusalem, an obscure town on the confines of Syria was pillaged by the Saracens, and they cut in pieces some troops who advanced to its relief,—an ordinary and trifling occurrence, had it not been the prelude of a mighty revolution. These robbers were the apostles of Mohammed; their frantic valor had emerged from the desert; and in the last eight years of his reign, Heraclius lost to the Arabs the same provinces which he had rescued from the Persians.

Een vollediger illustratie van dit feit zou nauwelijks te wensen zijn dan die welke wordt geboden in de slotwoorden van het hoofdstuk van Gibbon, waaruit de voorgaande uittreksels zijn genomen. ‘Hoewel onder de banier van Heraclius een zegevierend leger was gevormd, schijnt die onnatuurlijke inspanning hun kracht veeleer te hebben uitgeput dan geoefend. Terwijl de keizer triomfeerde te Constantinopel of Jeruzalem, werd een onbeduidende stad aan de grenzen van Syrië door de Saracenen geplunderd, en zij hieuwen enige troepen, die tot haar ontzet oprukten, in stukken,—een gewone en onbeduidende gebeurtenis, ware zij niet het voorspel geweest van een machtige omwenteling. Deze rovers waren de apostelen van Mohammed; hun waanzinnige dapperheid was uit de woestijn tevoorschijn getreden; en in de laatste acht jaren van zijn regering verloor Heraclius aan de Arabieren dezelfde provinciën die hij op de Perzen had heroverd.

“‘The spirit of fraud and enthusiasm, whose abode is not in the heavens,’ was let loose on earth. The bottomless pit needed but a key to open it, and that key was the fall of Chosroes. He had contemptuously torn the letter of an obscure citizen of Mecca. But when from his ‘blaze of glory’ he sunk into the ‘tower of darkness’ which no eye could penetrate, the name of Chosroes was suddenly to pass into oblivion before that of Mohammed; and the crescent seemed but to wait its rising till the falling of the star. Chosroes, after his entire discomfiture and loss of empire, was murdered in the year 628; and the year 629 is marked by ‘the conquest of Arabia,’ and ‘the first war of the Mohammedans against the Roman empire.’ ‘And the fifth angel sounded, and I saw a star fall from heaven unto the earth; and to him was given the key of the bottomless pit. And he opened the bottomless pit.’ He fell unto the earth. When the strength of the Roman empire was exhausted, and the great king of the East lay dead in his tower of darkness, the pillage of an obscure town on the borders of Syria was ‘the prelude of a mighty revolution.’ ‘’The robbers were the apostles of Mohammed, and their frantic valor emerged from the desert.’

“‘De geest van bedrog en geestdrijverij, wiens verblijf niet in de hemelen is,’ werd op de aarde losgelaten. De bodemloze put behoefde slechts een sleutel om haar te openen, en die sleutel was de val van Chosroes. Hij had de brief van een onbekende burger van Mekka minachtend verscheurd. Maar toen hij uit zijn ‘gloed van heerlijkheid’ wegzonk in de ‘toren der duisternis’ die geen oog kon doordringen, stond de naam van Chosroes plotseling op het punt in vergetelheid te raken vóór die van Mohammed; en de wassende maan scheen slechts op haar opgang te wachten tot de ster was gevallen. Chosroes werd, na zijn volkomen nederlaag en het verlies van zijn rijk, in het jaar 628 vermoord; en het jaar 629 wordt gekenmerkt door ‘de verovering van Arabië’ en ‘de eerste oorlog van de Mohammedanen tegen het Romeinse rijk.’ ‘En de vijfde engel blies de bazuin, en ik zag een ster uit de hemel op de aarde vallen; en hem werd de sleutel van de bodemloze put gegeven. En hij opende de bodemloze put.’ Hij viel op de aarde. Toen de kracht van het Romeinse rijk uitgeput was en de grote koning van het Oosten dood lag in zijn toren der duisternis, was de plundering van een onbekende stad aan de grenzen van Syrië ‘de voorbode van een machtige omwenteling.’ ‘’De rovers waren de apostelen van Mohammed, en hun uitzinnige dapperheid kwam voort uit de woestijn.’’

“The Bottomless Pit.—The meaning of this term may be learned from the Greek , which is defined ‘deep, bottomless, profound,’ and may refer to any waste, desolate, and uncultivated place. It is applied to the earth in its original state of chaos. Gen.1:2. In this instance it may appropriately refer to the unknown wastes of the Arabian desert, from the borders of which issued the hordes of Saracens like swarms of locusts. And the fall of Chosroes, the Persian king, may well be represented as the opening of the bottomless pit, inasmuch as it prepared the way for the followers of Mohammed to issue from their obscure country, and propagate their delusive doctrines with fire and sword, till they had spread their darkness over all the Eastern empire.” Uriah Smith, Daniel and Revelation, 495–498.

„De afgrond.—De betekenis van deze term kan uit het Grieks worden afgeleid, dat wordt omschreven als ‘diep, bodemloos, onmetelijk’, en kan betrekking hebben op elke woeste, verlaten en onbebouwde plaats. Hij wordt toegepast op de aarde in haar oorspronkelijke staat van chaos. Gen. 1:2. In dit geval kan hij terecht verwijzen naar de onbekende wildernissen van de Arabische woestijn, van de grenzen waarvan de horden van Saracenen voortkwamen als zwermen sprinkhanen. En de val van Chosroes, de Perzische koning, kan terecht worden voorgesteld als het openen van de afgrond, aangezien zij de weg baande voor de volgelingen van Mohammed om uit hun obscure land tevoorschijn te komen en hun misleidende leerstellingen met vuur en zwaard te verbreiden, totdat zij hun duisternis over het gehele Oosterse rijk hadden verspreid.” Uriah Smith, Daniel and Revelation, 495–498.

The first woe, which is the fifth trumpet identifies the beginning of the warfare of Islam against Rome, and it identifies a battle between Rome and Persia where Rome prevailed, but in doing so expended its military strength to the extent that it could not prevent the rise of the Islamic power. The prophetic characteristics of the first woe and the second woe, identify the prophetic characteristics of the third woe, and it is important to recognize the first two woes as symbols of the history of the third woe, for that history represents the period of the sealing of the one hundred and forty-four thousand, which began on September 11, 2001. After the prophetic history represented by Mohammed in the first three verses, verse four introduces Abubakar, the first leader after Mohammed.

Het eerste wee, dat de vijfde bazuin is, duidt het begin aan van de oorlogvoering van de islam tegen Rome, en het duidt op een strijd tussen Rome en Perzië waarin Rome de overhand behaalde, maar daarbij zijn militaire kracht zodanig uitputte dat het de opkomst van de islamitische macht niet kon verhinderen. De profetische kenmerken van het eerste wee en het tweede wee duiden de profetische kenmerken van het derde wee aan, en het is belangrijk de eerste twee weeën te herkennen als symbolen van de geschiedenis van het derde wee, want die geschiedenis stelt de periode van de verzegeling van de honderd vierenveertigduizend voor, die begon op 11 september 2001. Na de profetische geschiedenis die in de eerste drie verzen door Mohammed wordt voorgesteld, voert vers vier Abubakar in als de eerste leider na Mohammed.

And it was commanded them that they should not hurt the grass of the earth, neither any green thing, neither any tree; but only those men which have not the seal of God in their foreheads. Revelation 9:4.

En hun werd bevolen dat zij het gras van de aarde, noch enig groen gewas, noch enige boom zouden beschadigen, maar alleen die mensen die het zegel van God niet op hun voorhoofden hebben. Openbaring 9:4.

The command of Abubakar instructed the Islamic warriors to make a distinction between two types of worshippers that existed in the Roman territories at that time. One class was the Catholics, who had some religious orders that shaved the back of their heads (the tonsure), and observed the worship of Sunday. The other class were seventh-day Sabbath keepers, and the Sabbath is the seal of God.

Het bevel van Abubakar droeg de islamitische strijders op onderscheid te maken tussen twee soorten aanbidders die zich destijds in de Romeinse gebieden bevonden. De ene klasse bestond uit de katholieken, die bepaalde religieuze orden hadden die de achterkant van hun hoofd schoren (de tonsuur), en de zondagsverering in acht namen. De andere klasse bestond uit degenen die de sabbat van de zevende dag hielden, en de sabbat is het zegel van God.

“After the death of Mohammed, he was succeeded in the command by Abubekr, A.D. 632, who, as soon as he had fairly established his authority and government, dispatched a circular letter to the Arabian tribes, from which the following is an extract:—

„Na de dood van Mohammed werd hij in het bevel opgevolgd door Abubekr, in het jaar 632 na Chr., die, zodra hij zijn gezag en regering behoorlijk had gevestigd, een rondschrijven zond aan de Arabische stammen, waaruit het volgende een uittreksel is:—

“‘When you fight the battles of the Lord, acquit yourselves like men, without turning your backs; but let not your victory be stained with the blood of women and children. Destroy no palm-trees, nor burn any fields of corn. Cut down no fruit-trees, nor do any mischief to cattle, only such as you kill to eat. When you make any covenant or article, stand to it, and be as good as your word. And as you go, you will find some religious persons who live retired in monasteries, and propose to themselves to serve God that way; let them alone, and neither kill them nor destroy their monasteries. And you will find another sort of people that belong to the synagogue of Satan, who have shaven crowns; be sure you cleave their skulls, and give them no quarter till they either turn Mohammedans or pay tribute.’

„Wanneer gij de oorlogen des Heeren voert, gedraagt u dan als mannen, zonder de rug toe te keren; maar laat uw overwinning niet bevlekt worden met het bloed van vrouwen en kinderen. Vernielt geen palmbomen en verbrandt geen korenvelden. Hakt geen vruchtbomen om en richt geen schade aan aan het vee, behalve aan datgene wat gij doodt om te eten. En wanneer gij enig verbond of enige bepaling aangaat, houdt u daaraan en doet wat gij belooft. En terwijl gij voorttrekt, zult gij enige godsdienstige personen aantreffen die afgezonderd in kloosters leven en zich hebben voorgenomen God op die wijze te dienen; laat hen met rust, en doodt hen niet en verwoest hun kloosters niet. En gij zult nog een andere soort mensen aantreffen, die behoren tot de synagoge van Satan en geschoren kruinen hebben; zorgt ervoor dat gij hun schedels klieft, en bewijst hun geen genade totdat zij hetzij Mohammedanen worden, hetzij schatting betalen.”

“It is not said in prophecy or in history that the more humane injunctions were as scrupulously obeyed as the ferocious mandate; but it was so commanded them. And the preceding are the only instructions recorded by Gibbon, as given by Abubekr to the chiefs whose duty it was to issue the commands to all the Saracen hosts. The commands are alike discriminating with the prediction, as if the caliph himself had been acting in known as well as direct obedience to a higher mandate than that of mortal man; and in the very act of going forth to fight against the religion of Jesus, and to propagate Mohammedanism in its stead, he repeated the words which it was foretold in the Revelation of Jesus Christ that he would say.

„In de profetie noch in de geschiedenis wordt gezegd dat de meer humane bevelen even nauwgezet werden gehoorzaamd als het woeste gebod; maar aldus was het hun bevolen. En het voorgaande zijn de enige instructies die door Gibbon zijn opgetekend als door Abubekr gegeven aan de hoofden wier plicht het was de bevelen uit te vaardigen aan alle Saraceense legerscharen. De bevelen stemmen in gelijke mate overeen met de voorspelling, alsof de kalief zelf had gehandeld in een bekende zowel als rechtstreekse gehoorzaamheid aan een hoger bevel dan dat van de sterfelijke mens; en juist in de daad van uit te trekken om te strijden tegen de godsdienst van Jezus, en om daarvoor in de plaats het Mohammedanisme te verbreiden, herhaalde hij de woorden waarvan in de Openbaring van Jezus Christus was voorzegd dat hij ze zou spreken.

“The Seal of God in Their Foreheads.—In remarks upon chapter 7:1–3, we have shown that the seal of God is the Sabbath of the fourth commandment; and history is not silent upon the fact that there have been observers of the true Sabbath all through the present dispensation. But the question has here arisen with many, who were those men who at this time had the seal of God in their foreheads, and who thereby became exempt from Mohammedan oppression? Let the reader bear in mind the fact, already alluded to, that there have been those all through this dispensation who have had the seal of God in their foreheads, or have been intelligent observers of the true Sabbath; and let them consider further that what the prophecy asserts is that the attacks of this desolating Turkish power are not directed against them, but against another class. The subject is thus freed from all difficulty; for this is all that the prophecy really asserts. Only one class of persons is directly brought to view in the text; namely, those who have not the seal of God in their foreheads; and the preservation of those who have the seal of God is brought in only by implication. Accordingly, we do not learn from history that any of these were involved in any of the calamities inflicted by the Saracens upon the objects of their hate. They were commissioned against another class of men. And the destruction to come upon this class of men is not put in contrast with the preservation of other men, but only with that of the fruits and verdure of the earth; thus, Hurt not the grass, trees, nor any green thing, but only a certain class of men. And in fulfilment, we have the strange spectacle of an army of invaders sparing those things which such armies usually destroy, namely, the face and productions of nature; and, in pursuance of their permission to hurt those men who had not the seal of God in their foreheads, cleaving the skulls of a class of religionists with shaven crowns, who belonged to the synagogue of Satan.

„Het Zegel van God op Hun Voorhoofden.—In de opmerkingen over hoofdstuk 7:1–3 hebben wij aangetoond dat het zegel van God de sabbat van het vierde gebod is; en de geschiedenis zwijgt niet over het feit dat er gedurende deze gehele bedeling waarnemers van de ware sabbat zijn geweest. Maar hier is bij velen de vraag gerezen wie de mannen waren die in die tijd het zegel van God op hun voorhoofd hadden en daardoor van de Mohammedaanse onderdrukking waren vrijgesteld. Laat de lezer indachtig zijn aan het reeds vermelde feit dat er gedurende deze gehele bedeling mensen zijn geweest die het zegel van God op hun voorhoofd hadden, of verstandige onderhouders van de ware sabbat waren; en laat men verder overwegen dat hetgeen de profetie stelt, is dat de aanvallen van deze verwoestende Turkse macht niet tegen hen gericht zijn, maar tegen een andere klasse. Daarmee wordt het onderwerp van alle moeilijkheid ontdaan; want dit is alles wat de profetie werkelijk verklaart. Slechts één klasse van personen wordt in de tekst rechtstreeks in het oog gebracht; namelijk zij die het zegel van God niet op hun voorhoofd hebben; en de bewaring van hen die het zegel van God hebben, wordt slechts bij wijze van gevolgtrekking ingevoerd. Dienovereenkomstig vernemen wij uit de geschiedenis niet dat enigen van dezen betrokken waren bij enige van de rampen die de Saracenen over de voorwerpen van hun haat brachten. Zij waren tegen een andere klasse van mensen gemachtigd. En de verderving die over deze klasse van mensen zou komen, wordt niet in tegenstelling geplaatst tot de bewaring van andere mensen, maar alleen tot die van de vruchten en het groen der aarde; aldus: Beschadig het gras, de bomen, noch enig groen ding niet, maar alleen een bepaalde klasse van mensen. En in de vervulling daarvan zien wij het vreemde schouwspel van een leger van indringers dat die dingen spaart welke zulke legers gewoonlijk vernietigen, namelijk het aangezicht en de voortbrengselen van de natuur; en dat, overeenkomstig hun toestemming om die mensen schade toe te brengen die het zegel van God niet op hun voorhoofd hadden, de schedels klieft van een klasse van religieuzen met geschoren kruinen, die tot de synagoge des satans behoorden.“

“These were doubtless a class of monks, or some other division of the Roman Catholic Church. Against these the arms of the Mohammedans were directed. And it seems to us that there is a peculiar fitness, if not design, in describing them as those who had not the seal of God in their foreheads; inasmuch as that is the very church which has robbed the law of God of its seal, by tearing away the true Sabbath, and erecting a counterfeit in its place. And we do not understand, either from the prophecy or from history, that those persons whom Abubekr charged his followers not to molest were in possession of the seal of God, or necessarily constituted the people of God. Who they were, and for what reason they were spared, the meager testimony of Gibbon does not inform us, and we have no other means of knowing; but we have every reason to believe that none of these who had the seal of God were molested, while another class, who emphatically had it not, were put to the sword; and thus the specifications of the prophecy are amply met.” Uriah Smith, Daniel and Revelation, 500–502.

„Dit waren ongetwijfeld een klasse monniken, of een andere afdeling van de Rooms-Katholieke Kerk. Tegen dezen waren de wapenen der Mohammedanen gericht. En het komt ons voor dat er een bijzondere gepastheid, zo niet opzet, in gelegen is hen te beschrijven als degenen die het zegel Gods niet op hun voorhoofden hadden; aangezien dit juist die kerk is die de wet Gods van haar zegel heeft beroofd, door de ware sabbat weg te nemen en in haar plaats een vervalsing op te richten. En wij begrijpen noch uit de profetie noch uit de geschiedenis dat die personen, ten aanzien van wie Abubekr zijn volgelingen gelastte hen niet lastig te vallen, in het bezit waren van het zegel Gods, of noodzakelijkerwijs het volk van God vormden. Wie zij waren, en om welke reden zij gespaard werden, deelt het karige getuigenis van Gibbon ons niet mee, en wij hebben geen andere middelen om dit te weten; maar wij hebben alle reden te geloven dat geen van hen die het zegel Gods hadden, werd lastiggevallen, terwijl een andere klasse, die het nadrukkelijk niet had, aan het zwaard werd overgeleverd; en aldus wordt ruimschoots voldaan aan de bijzonderheden van de profetie.” Uriah Smith, Daniel and Revelation, 500–502.

Abubakar consolidated Mohammed’s followers into a Caliphate after Mohammed’s death, so even though they are two different historical figures, taken together they represent the beginning of the testimony of Islam of the first woe, and the historical figure who marks the history of the first woe is Mohammed.

Abubakar bracht na Mohammeds dood de volgelingen van Mohammed samen in een Kalifaat; daarom vertegenwoordigen zij, hoewel zij twee verschillende historische figuren zijn, tezamen het begin van het getuigenis van de islam van het eerste wee, en de historische figuur die de geschiedenis van het eerste wee markeert, is Mohammed.

In the beginning history of the second woe, Mohammed II conquered Constantinople in 1453. In 1449, four angels, representing Islam were loosed. The beginning and ending of the first woe, is marked by a Mohammed, the first and second respectively. Prophetically the beginning and ending of the history of the first woe, bears the signature of Alpha and Omega.

Aan het begin van de geschiedenis van de tweede wee veroverde Mohammed II in 1453 Constantinopel. In 1449 werden vier engelen, die de islam vertegenwoordigden, losgelaten. Het begin en het einde van de eerste wee worden respectievelijk gemarkeerd door een Mohammed, de eerste en de tweede. Profetisch draagt het begin en het einde van de geschiedenis van de eerste wee de signatuur van Alfa en Omega.

The beginning of the second woe includes a time prophecy of four angels, who represent Islam who were then loosed, and then restrained on August 11, 1840. From that point until October 22, 1844, the sealing of the one hundred and forty-four thousand is illustrated. The beginning of the second woe identifies the loosing of Islam, and the ending marks the restraining of Islam. Both the first and second woe have precise prophetic markers tying their beginnings to the endings.

Het begin van de tweede wee omvat een tijdsprofetie van vier engelen, die de islam vertegenwoordigen, die toen werden losgelaten en vervolgens op 11 augustus 1840 werden teruggehouden. Vanaf dat moment tot 22 oktober 1844 wordt de verzegeling van de honderdvier-en-veertigduizend uitgebeeld. Het begin van de tweede wee duidt het loslaten van de islam aan, en het einde markeert het terughouden van de islam. Zowel de eerste als de tweede wee hebben nauwkeurige profetische merktekenen die hun begin met hun einde verbinden.

The first two woes are to be placed upon one another, “line upon line,” in order to identify the third woe. One of the prophetic characteristics that is identified by the first two witnesses of Islam is that they represent a specific period of time that marks the beginning and ending with the signature of Alpha and Omega. They also possess a secondary signature, for the beginning of the first woe, identifies the sealing of God’s people, and the ending of the second woe, also identifies the sealing of God’s people.

De eerste twee weeën moeten op elkaar worden gelegd, „regel op regel”, om de derde wee te kunnen identificeren. Een van de profetische kenmerken die door de eerste twee getuigen van de islam worden aangeduid, is dat zij een specifieke tijdsperiode vertegenwoordigen die het begin en het einde markeert met het kenteken van Alfa en Omega. Zij bezitten ook een secundair kenteken, want het begin van de eerste wee duidt de verzegeling van Gods volk aan, en het einde van de tweede wee duidt eveneens de verzegeling van Gods volk aan.

The third woe arrived when Islam suddenly and unexpectedly attacked the earth beast of Revelation thirteen, thus beginning the period of the sealing. The sealing of the one-hundred and forty-four thousand ends at the soon-coming Sunday law, and in response to that apostasy national apostasy is followed by national ruin. As typified with pagan Rome and papal Rome national ruin is accomplished by God’s trumpet judgments. The three woes are also trumpets. Islam of the third woe, will strike suddenly and unexpectedly again at the soon coming Sunday law in the United States, when the period of the sealing of the one hundred and forty-four thousand ends. That period has been typified by the beginning period of the first woe, and also by the ending period of the second woe.

Het derde wee brak aan toen de islam plotseling en onverwacht het aardbeest van Openbaring dertien aanviel, waarmee de periode van de verzegeling begon. De verzegeling van de honderd vierenveertigduizend eindigt bij de spoedig komende zondagswet, en als antwoord op die afval wordt nationale afval gevolgd door nationaal verderf. Zoals getypeerd door het heidense Rome en het pauselijke Rome, wordt nationaal verderf voltrokken door Gods bazuinoordelen. De drie weeën zijn ook bazuinen. De islam van het derde wee zal opnieuw plotseling en onverwacht toeslaan bij de spoedig komende zondagswet in de Verenigde Staten, wanneer de periode van de verzegeling van de honderd vierenveertigduizend eindigt. Die periode is getypeerd door de beginperiode van het eerste wee, en ook door de eindperiode van het tweede wee.

We will continue this study in the next article.

Wij zullen deze studie in het volgende artikel voortzetten.

And Sarah saw the son of Hagar the Egyptian, which she had born unto Abraham, mocking. Wherefore she said unto Abraham, Cast out this bondwoman and her son: for the son of this bondwoman shall not be heir with my son, even with Isaac. And the thing was very grievous in Abraham’s sight because of his son. And God said unto Abraham, Let it not be grievous in thy sight because of the lad, and because of thy bondwoman; in all that Sarah hath said unto thee, hearken unto her voice; for in Isaac shall thy seed be called. And also of the son of the bondwoman will I make a nation, because he is thy seed. And Abraham rose up early in the morning, and took bread, and a bottle of water, and gave it unto Hagar, putting it on her shoulder, and the child, and sent her away: and she departed, and wandered in the wilderness of Beersheba. And the water was spent in the bottle, and she cast the child under one of the shrubs. And she went, and sat her down over against him a good way off, as it were a bowshot: for she said, Let me not see the death of the child. And she sat over against him, and lift up her voice, and wept. And God heard the voice of the lad; and the angel of God called to Hagar out of heaven, and said unto her, What aileth thee, Hagar? fear not; for God hath heard the voice of the lad where he is. Arise, lift up the lad, and hold him in thine hand; for I will make him a great nation. And God opened her eyes, and she saw a well of water; and she went, and filled the bottle with water, and gave the lad drink. And God was with the lad; and he grew, and dwelt in the wilderness, and became an archer. Genesis 21:9–20.

En Sara zag de zoon van Hagar, de Egyptische, die zij Abraham gebaard had, spotten. Daarom zei zij tot Abraham: Drijf deze slavin en haar zoon uit; want de zoon van deze slavin zal niet erven met mijn zoon, namelijk met Isaak. En deze zaak was zeer grievend in Abrahams ogen vanwege zijn zoon. Maar God zei tot Abraham: Laat het niet grievend zijn in uw ogen vanwege de jongen en vanwege uw slavin; luister in alles wat Sara tot u gezegd heeft naar haar stem, want in Isaak zal uw nageslacht genoemd worden. Maar ook van de zoon van de slavin zal Ik een volk maken, omdat hij uw nageslacht is. Toen stond Abraham ’s morgens vroeg op, nam brood en een kruik water, en gaf die aan Hagar, legde ze op haar schouder, alsook het kind, en zond haar weg; en zij vertrok en dwaalde rond in de woestijn van Berseba. Toen het water uit de kruik op was, wierp zij het kind onder een van de struiken. Daarna ging zij heen en zette zich neer op een afstand, zover als men met een boog schiet; want zij zei: Laat mij de dood van het kind niet zien. En zij zat daar op een afstand tegenover hem, hief haar stem op en weende. En God hoorde de stem van de jongen; en de engel van God riep Hagar uit de hemel toe en zei tot haar: Wat scheelt u, Hagar? Vrees niet, want God heeft de stem van de jongen gehoord, daar waar hij is. Sta op, hef de jongen op en houd hem met uw hand vast, want Ik zal hem tot een groot volk maken. Toen opende God haar ogen, en zij zag een waterput; en zij ging erheen, vulde de kruik met water en gaf de jongen te drinken. En God was met de jongen; en hij groeide op, woonde in de woestijn en werd een boogschutter. Genesis 21:9–20.