The generation that witnessed the arrival of the third woe, on September 11, 2001 is the last generation of earth’s history. The passage from Ezekiel which confirms this truth was understood by the Millerites as directly connected with the parable of the ten virgins, and therefore Habakkuk chapter two. In that history, the vision of Habakkuk chapter two, that would “no longer tarry,” and which was fulfilled on October 22, 1844, prefigured the soon-coming Sunday law in the United States. But Ezekiel’s prediction of the vision that would no longer be prolonged is perfectly fulfilled in the history of the sealing of the one hundred and forty-four thousand, which began with the arrival of the third woe, on September 11, 2001.

De generatie die getuige was van de komst van het derde wee, op 11 september 2001, is de laatste generatie van de geschiedenis der aarde. De passage uit Ezechiël die deze waarheid bevestigt, werd door de Millerieten begrepen als rechtstreeks verbonden met de gelijkenis van de tien maagden, en derhalve met Habakuk hoofdstuk twee. In die geschiedenis stond het visioen van Habakuk hoofdstuk twee, dat „niet langer zou dralen”, en dat op 22 oktober 1844 werd vervuld, model voor de spoedig komende zondagswet in de Verenigde Staten. Maar Ezechiëls voorspelling van het visioen dat niet langer zou worden uitgesteld, wordt volmaakt vervuld in de geschiedenis van de verzegeling van de honderd vierenveertigduizend, die begon met de komst van het derde wee, op 11 september 2001.

And the word of the Lord came unto me, saying, Son of man, what is that proverb that ye have in the land of Israel, saying, The days are prolonged, and every vision faileth? Tell them therefore, Thus saith the Lord God; I will make this proverb to cease, and they shall no more use it as a proverb in Israel; but say unto them, The days are at hand, and the effect of every vision. For there shall be no more any vain vision nor flattering divination within the house of Israel. For I am the Lord: I will speak, and the word that I shall speak shall come to pass; it shall be no more prolonged: for in your days, O rebellious house, will I say the word, and will perform it, saith the Lord God. Again the word of the Lord came to me, saying, Son of man, behold, they of the house of Israel say, The vision that he seeth is for many days to come, and he prophesieth of the times that are far off. Therefore say unto them, Thus saith the Lord God; There shall none of my words be prolonged any more, but the word which I have spoken shall be done, saith the Lord God. Ezekiel 12:21–28.

En het woord des Heren kwam tot mij, zeggende: Mensenkind, wat is dat voor een spreekwoord dat gij in het land van Israël hebt, zeggende: De dagen worden verlengd, en elk gezicht faalt? Zeg hun daarom: Zo zegt de Heere Heere; Ik zal dit spreekwoord doen ophouden, en zij zullen het in Israël niet meer als spreekwoord gebruiken; maar zeg tot hen: De dagen zijn nabij, en de vervulling van elk gezicht. Want er zal geen enkel ijdel gezicht noch vleiende waarzeggerij meer zijn binnen het huis van Israël. Want Ik ben de Heere: Ik zal spreken, en het woord dat Ik zal spreken, zal geschieden; het zal niet langer worden uitgesteld; want in uw dagen, o wederspannig huis, zal Ik het woord spreken en het volbrengen, spreekt de Heere Heere. Wederom kwam het woord des Heren tot mij, zeggende: Mensenkind, zie, die van het huis van Israël zeggen: Het gezicht dat hij ziet, is voor vele dagen die nog komen moeten, en hij profeteert van tijden die verre zijn. Daarom zeg tot hen: Zo zegt de Heere Heere; Geen van Mijn woorden zal nog langer worden uitgesteld, maar het woord dat Ik gesproken heb, zal volbracht worden, spreekt de Heere Heere. Ezechiël 12:21–28.

All the prophets speak of the last days, and the “vain vision” and “flattering divination” “within the house of Israel,” is the counterfeit latter rain, a “peace and safety” message, which argues that “the vision that he seeth is for many days to come, and he prophesieth of the times that are far off.” This is the “debate” of Habakkuk, for those who present the “vain vision,” argue against “the vision he seeth”. They claim that “The vision that he seeth is for many days to come, and he prophesieth of the times that are far off.” The messengers of the peace and safety message claim, “the days are prolonged, and every vision faileth,” after all did not he predict July 18, 2020? The messengers of the “vain vision” are also identified by Ezekiel in the first two verses of the chapter.

Alle profeten spreken over de laatste dagen, en het „valse gezicht” en de „vleiende waarzeggerij” „in het huis Israëls” is de vervalste late regen, een boodschap van „vrede en veiligheid”, die betoogt dat „het gezicht dat hij ziet voor vele dagen is, en hij profeteert van tijden die ver weg zijn.” Dit is het „twistgeding” van Habakuk, want zij die het „valse gezicht” brengen, redetwisten tegen „het gezicht dat hij ziet”. Zij beweren dat „Het gezicht dat hij ziet voor vele dagen is, en hij profeteert van tijden die ver weg zijn.” De boodschappers van de boodschap van vrede en veiligheid beweren: „de dagen worden verlengd, en elk gezicht faalt,” want heeft hij tenslotte niet 18 juli 2020 voorspeld? De boodschappers van het „valse gezicht” worden door Ezechiël ook in de eerste twee verzen van het hoofdstuk geïdentificeerd.

The word of the Lord also came unto me, saying, Son of man, thou dwellest in the midst of a rebellious house, which have eyes to see, and see not; they have ears to hear, and hear not: for they are a rebellious house. Ezekiel 12:1, 2.

Het woord des HEEREN kwam ook tot mij, zeggende: Mensenkind, gij woont te midden van een wederspannig huis, dat ogen heeft om te zien en niet ziet, dat oren heeft om te horen en niet hoort; want zij zijn een wederspannig huis. Ezechiël 12:1, 2.

The prophets all agree with each other, and all speak of the last days, and when Christ addressed the quibbling Jews in the history of His ministry He quoted Isaiah to identify the quibbling Jews who were then being divorced from God, as having eyes to see, yet seeing not, and ears to hear, yet hearing not. Now as then, Ezekiel is addressing Laodicean Adventism’s scornful men, the quibbling Jews of our day, who propose a peace and safety message in opposition to the message of the latter rain. Jesus was governed by the rules He placed into His Word, so His predictions are also addressing the last days more specifically than the days in which he addressed the quibbling Jews.

De profeten stemmen allen met elkaar overeen en spreken allen over de laatste dagen; en toen Christus zich in de geschiedenis van Zijn bediening richtte tot de haarklovende Joden, citeerde Hij Jesaja om die haarklovende Joden, die toen van God werden verstoten, aan te duiden als mensen die ogen hebben om te zien, maar niet zien, en oren hebben om te horen, maar niet horen. Nu, evenals toen, richt Ezechiël zich tot de spotters van het Laodiceaanse Adventisme, de haarklovende Joden van onze tijd, die een boodschap van vrede en veiligheid voorstellen in tegenstelling tot de boodschap van de late regen. Jezus werd geleid door de regels die Hij in Zijn Woord heeft neergelegd, zodat ook Zijn voorzeggingen zich op de laatste dagen richten, en wel specifieker dan op de dagen waarin Hij zich tot de haarklovende Joden richtte.

Therefore speak I to them in parables: because they seeing see not; and hearing they hear not, neither do they understand. And in them is fulfilled the prophecy of Esaias, which saith, By hearing ye shall hear, and shall not understand; and seeing ye shall see, and shall not perceive: For this people’s heart is waxed gross, and their ears are dull of hearing, and their eyes they have closed; lest at any time they should see with their eyes and hear with their ears, and should understand with their heart, and should be converted, and I should heal them. But blessed are your eyes, for they see: and your ears, for they hear. For verily I say unto you, That many prophets and righteous men have desired to see those things which ye see, and have not seen them; and to hear those things which ye hear, and have not heard them. Matthew 13:13–17.

Daarom spreek Ik tot hen in gelijkenissen, omdat zij ziende niet zien en horende niet horen, noch ook verstaan. En in hen wordt de profetie van Jesaja vervuld, die zegt: Met het gehoor zult gij horen en geenszins verstaan; en ziende zult gij zien en geenszins bemerken. Want het hart van dit volk is vet geworden, en hun oren horen zwaar, en hun ogen hebben zij gesloten; opdat zij niet te eniger tijd met de ogen zouden zien en met de oren horen en met het hart verstaan en zich bekeren, en Ik hen zou genezen. Maar zalig zijn uw ogen, omdat zij zien, en uw oren, omdat zij horen. Want voorwaar, Ik zeg u, dat vele profeten en rechtvaardigen begeerd hebben te zien hetgeen gij ziet, en het niet hebben gezien; en te horen hetgeen gij hoort, en het niet hebben gehoord. Mattheüs 13:13–17.

The phenomenon of a people who hear, yet don’t hear, and see, but don’t see, is the characteristic of a former people of God who are in the process of being passed by. That prophetic phenomenon is a fulfillment of Isaiah’s prophecy of such a situation. As with all prophets, Isaiah, along with Christ, is speaking of the last days.

Het verschijnsel van een volk dat wel hoort, maar niet hoort, en wel ziet, maar niet ziet, is het kenmerk van een voormalig volk van God dat bezig is voorbijgegaan te worden. Dat profetische verschijnsel is een vervulling van Jesaja’s profetie over een dergelijke situatie. Zoals bij alle profeten spreekt Jesaja, samen met Christus, over de laatste dagen.

In the year that king Uzziah died I saw also the Lord sitting upon a throne, high and lifted up, and his train filled the temple. Above it stood the seraphims: each one had six wings; with twain he covered his face, and with twain he covered his feet, and with twain he did fly. And one cried unto another, and said, Holy, holy, holy, is the Lord of hosts: the whole earth is full of his glory. And the posts of the door moved at the voice of him that cried, and the house was filled with smoke. Then said I, Woe is me! for I am undone; because I am a man of unclean lips, and I dwell in the midst of a people of unclean lips: for mine eyes have seen the King, the Lord of hosts. Then flew one of the seraphims unto me, having a live coal in his hand, which he had taken with the tongs from off the altar: And he laid it upon my mouth, and said, Lo, this hath touched thy lips; and thine iniquity is taken away, and thy sin purged. Also I heard the voice of the Lord, saying, Whom shall I send, and who will go for us? Then said I, Here am I; send me. And he said, Go, and tell this people, Hear ye indeed, but understand not; and see ye indeed, but perceive not. Make the heart of this people fat, and make their ears heavy, and shut their eyes; lest they see with their eyes, and hear with their ears, and understand with their heart, and convert, and be healed. Isaiah 6:1–10.

In het jaar dat koning Uzzia stierf, zag ik ook de Heere, zittende op een troon, hoog en verheven, en de zomen van Zijn gewaad vervulden de tempel. Serafs stonden boven Hem; ieder had zes vleugels: met twee bedekte hij zijn aangezicht, en met twee bedekte hij zijn voeten, en met twee vloog hij. En de een riep tot de ander en zei: Heilig, heilig, heilig is de HEERE van de heerscharen; de ganse aarde is vol van Zijn heerlijkheid. En de dorpelposten bewogen door de stem van hem die riep, en het huis werd vervuld met rook. Toen zei ik: Wee mij, want ik verga! omdat ik een man van onreine lippen ben, en ik woon te midden van een volk met onreine lippen; want mijn ogen hebben de Koning, de HEERE van de heerscharen, gezien. Toen vloog een van de serafs naar mij toe, met een gloeiende kool in zijn hand, die hij met de tang van het altaar genomen had. En hij legde die op mijn mond en zei: Zie, deze heeft uw lippen aangeraakt; zo is uw ongerechtigheid geweken en uw zonde verzoend. Daarna hoorde ik de stem van de Heere, Die zei: Wie zal Ik zenden, en wie zal voor Ons gaan? Toen zei ik: Zie, hier ben ik, zend mij. En Hij zei: Ga, en zeg tot dit volk: Hoort aldoor, maar verstaat niet; en ziet aldoor, maar merkt niet op. Maak het hart van dit volk vet, maak hun oren zwaar en sluit hun ogen; opdat het niet met zijn ogen ziet, en met zijn oren hoort, en met zijn hart verstaat, en zich bekeert, en genezen wordt. Jesaja 6:1–10.

Isaiah, Ezekiel and Christ are all representing those who are being sealed in the last days, during the latter rain, when the true and false message of the latter rain is being debated, in fulfillment of Habakkuk chapter two. According to Jesus, in the time period when this is fulfilled, the righteous are “seeing” the parables, which is a symbol of prophecy. The “wise” are understanding the prophetic message of the latter rain, but those represented by the quibbling Jews do not see or hear, and according to Ezekiel they present a peace and safety message arguing that the fulfillment of the predictions are far off in the future. They do not deny the predictions; the quibbling Jews gave lip-service to the prediction of the coming Messiah; but they simply placed the event into the far-off future. Yet Jesus pronounced a blessing upon those who would “see” the prophetic message of their time.

Jesaja, Ezechiël en Christus vertegenwoordigen allen hen die in de laatste dagen worden verzegeld, tijdens de late regen, wanneer de ware en valse boodschap van de late regen wordt bediscussieerd, ter vervulling van Habakuk hoofdstuk twee. Volgens Jezus zien de rechtvaardigen in de tijdsperiode waarin dit wordt vervuld de gelijkenissen, hetgeen een symbool van profetie is. De „wijzen” verstaan de profetische boodschap van de late regen, maar zij die door de kibbelende Joden worden voorgesteld, zien noch horen; en volgens Ezechiël brengen zij een boodschap van vrede en veiligheid en betogen zij dat de vervulling van de voorzeggingen nog ver in de toekomst ligt. Zij ontkennen de voorzeggingen niet; de kibbelende Joden betuigden lippendienst aan de voorzegging van de komende Messias; maar zij plaatsten de gebeurtenis eenvoudigweg in de verre toekomst. Toch sprak Jezus een zegen uit over hen die de profetische boodschap van hun tijd zouden „zien”.

In Christ’s day it was the message that arrived at His baptism, when the Holy Spirit descended. The descent of the Holy Spirit at His baptism prefigured the descent of the angel of Revelation ten on August 11, 1840. The divine descent in either history marked the arrival of the present truth message of that age, for Jesus it was the message of His death and resurrection, as represented by His baptism. For the Millerites it was the message of Islam of the first and second woes that confirmed the testing message of time-prophecy. Both of those histories align with the arrival of the testing message of the latter rain on September 11, 2001. This is why Sister White records the following:

In Christus’ dagen was het de boodschap die bij Zijn doop kwam, toen de Heilige Geest nederdaalde. De nederdaling van de Heilige Geest bij Zijn doop was een voorafschaduwing van de nederdaling van de engel van Openbaring tien op 11 augustus 1840. De goddelijke nederdaling in elk van beide geschiedenissen markeerde de komst van de tegenwoordige-waarheidsboodschap van dat tijdperk; voor Jezus was het de boodschap van Zijn dood en opstanding, zoals voorgesteld door Zijn doop. Voor de Millerieten was het de boodschap van de islam van het eerste en tweede wee, die de beproevende boodschap van de tijdprofetie bevestigde. Beide geschiedenissen stemmen overeen met de komst van de beproevende boodschap van de late regen op 11 september 2001. Daarom tekent Zuster White het volgende op:

“All the messages given from 1840–1844 are to be made forcible now, for there are many people who have lost their bearings. The messages are to go to all the churches.

„Alle boodschappen die van 1840–1844 werden gegeven, moeten nu met kracht worden gebracht, want er zijn velen die hun houvast hebben verloren. De boodschappen moeten naar alle kerken uitgaan.״

“Christ said, ‘Blessed are your eyes, for they see; and your ears, for they hear. For verily I say unto you, That many prophets and righteous men have desired to see those things which ye see, and have not seen them; and to hear those things which ye hear, and have not heard them’ [Matthew 13:16, 17]. Blessed are the eyes which saw the things that were seen in 1843 and 1844.

“Christus zei: ‘Zalig zijn uw ogen, omdat zij zien; en uw oren, omdat zij horen. Want voorwaar, Ik zeg u, dat vele profeten en rechtvaardigen hebben begeerd te zien hetgeen gij ziet, en het niet hebben gezien; en te horen hetgeen gij hoort, en het niet hebben gehoord’ [Mattheüs 13:16, 17]. Zalig zijn de ogen die de dingen hebben gezien die in 1843 en 1844 werden gezien.

“The message was given. And there should be no delay in repeating the message, for the signs of the times are fulfilling; the closing work must be done. A great work will be done in a short time. A message will soon be given by God’s appointment that will swell into a loud cry. Then Daniel will stand in his lot, to give his testimony.

“De boodschap werd gegeven. En er behoort geen uitstel te zijn in het herhalen van de boodschap, want de tekenen der tijden gaan in vervulling; het afsluitende werk moet worden gedaan. Een groot werk zal in korte tijd worden verricht. Weldra zal naar Gods beschikking een boodschap worden gegeven die zal aanzwellen tot een luide roep. Dan zal Daniël opstaan in zijn erfdeel, om zijn getuigenis te geven.

“The attention of our churches must be aroused. We are standing upon the borders of the greatest event in the world’s history, and Satan must not have power over the people of God, causing them to sleep on. The papacy will appear in its power. All must now arouse and search the Scriptures, for God will make known to His faithful ones what shall be in the last time. The word of the Lord is to come to His people in power. . . .

„De aandacht van onze gemeenten moet worden gewekt. Wij staan aan de grenzen van de grootste gebeurtenis in de geschiedenis van de wereld, en Satan mag geen macht hebben over het volk van God om hen te doen slapen. Het pausdom zal in zijn macht verschijnen. Allen moeten nu ontwaken en de Schriften onderzoeken, want God zal aan Zijn getrouwen bekendmaken wat er in de laatste tijd zal zijn. Het woord des Heeren moet in kracht tot Zijn volk komen....”

“This is what has been presented to me—that we are asleep, and do not know the time of our visitation. But if we humble ourselves before God, and seek Him with the whole heart, He will be found of us.” Manuscript Releases, volume 21, 436–438.

„Dit is wat mij is voorgehouden—dat wij slapen en de tijd van onze bezoeking niet kennen. Maar indien wij ons voor God vernederen en Hem met ons gehele hart zoeken, zal Hij Zich door ons laten vinden.” Manuscript Releases, deel 21, 436–438.

The message that has been typified by the present truth message of the Messiah in Christ’s history, and the present truth message of 1840 to 1844, point forward to the last days when the Millerite message is repeated. Those in the histories represented as being unable to “see and hear” “do not know the time of their visitation.” When Isaiah presents the first reference of the messengers of the counterfeit message of the latter rain, who see, but don’t see, he marks the time when this period begins, the period which Sister White said, “a message of God’s appointment that will swell into a loud cry.” “God’s appointment” represents a specific time when the message would arrive, and in verse three of Isaiah chapter six, Isaiah pinpoints that time.

De boodschap die is voorgesteld in de tegenwoordige-waarheidsboodschap van de Messias in de geschiedenis van Christus, en in de tegenwoordige-waarheidsboodschap van 1840 tot 1844, wijst vooruit naar de laatste dagen, wanneer de Milleritische boodschap wordt herhaald. Degenen die in de geschiedenissen worden voorgesteld als niet in staat om te “zien en horen”, “kennen de tijd van hun bezoeking niet”. Wanneer Jesaja de eerste verwijzing geeft naar de boodschappers van de vervalste boodschap van de late regen, die zien, maar niet zien, markeert hij de tijd waarop deze periode begint, de periode waarvan zuster White zei: “een door God bepaalde boodschap die zal aanzwellen tot een luide roep.” “Door God bepaald” duidt op een specifieke tijd waarop de boodschap zou komen, en in vers drie van Jesaja hoofdstuk zes bepaalt Jesaja die tijd nauwkeurig.

And one cried unto another, and said, Holy, holy, holy, is the Lord of hosts: the whole earth is full of his glory. Isaiah 6:3.

En de een riep tot de ander en zei: Heilig, heilig, heilig is de HEERE der heirscharen; de ganse aarde is vol van Zijn heerlijkheid. Jesaja 6:3.

Sister White identifies that when the angels cry one to another, “Holy, Holy, Holy” in the passage where Isaiah represents those who have eyes, that see, but do not see, it is fulfilled on September 11, 2001.

Zuster White geeft aan dat, wanneer de engelen elkaar toeroepen: „Heilig, Heilig, Heilig” in de passage waarin Jesaja hen voorstelt die ogen hebben, die zien, maar niet zien, dit op 11 september 2001 in vervulling gaat.

“As they [the angels] see the future, when the whole earth shall be filled with His glory, the triumphant song of praise is echoed from one to another in melodious chant, ‘Holy, holy, holy, is the Lord of Hosts.’ They are fully satisfied to glorify God; and in His presence, beneath His smile of approbation, they wish for nothing more. In bearing His image, in doing His service and worshiping Him, their highest ambition is fully reached.” Review and Herald, December 22, 1896.

“Wanneer zij [de engelen] de toekomst zien, wanneer de gehele aarde vervuld zal zijn van Zijn heerlijkheid, wordt het triomferende loflied van de een op de ander in welluidende zang weerklonken: ‘Heilig, heilig, heilig is de HEERE der heirscharen.’ Zij zijn ten volle tevreden God te verheerlijken; en in Zijn tegenwoordigheid, onder de glimlach van Zijn goedkeuring, verlangen zij naar niets meer. In het dragen van Zijn beeld, in het verrichten van Zijn dienst en in het aanbidden van Hem, wordt hun hoogste eerzucht ten volle verwezenlijkt.” Review and Herald, 22 december 1896.

On September 11, 2001 the sealing of the one hundred and forty-four thousand began, and the latter rain began to sprinkle, and Habakkuk’s debate began as the parable of the ten virgins was being repeated. At that point Ezekiel’s prophecy met its perfect fulfillment. The prophetic Word will no longer be delayed, and the generation that witnessed September 11, 2001 is the last generation of planet earth, for the vision at the end of Adventism announces the close of probation at the second coming of Christ. A second witness to this fact is found in the book of Luke, chapter twenty-one.

Op 11 september 2001 begon de verzegeling van de honderd vierenveertigduizend, en de late regen begon te sprenkelen, en Habakuks twistgesprek begon terwijl de gelijkenis van de tien maagden werd herhaald. Op dat moment vond Ezechiëls profetie haar volmaakte vervulling. Het profetische Woord zal niet langer worden uitgesteld, en de generatie die getuige was van 11 september 2001 is de laatste generatie van planeet aarde, want het visioen aan het einde van het adventisme kondigt de sluiting van de genadetijd aan bij de tweede komst van Christus. Een tweede getuige van dit feit wordt gevonden in het boek Lukas, hoofdstuk eenentwintig.

Verily I say unto you, This generation shall not pass away, till all be fulfilled. Heaven and earth shall pass away: but my words shall not pass away. Luke 21:32, 33.

Voorwaar, Ik zeg u: dit geslacht zal geenszins voorbijgaan, totdat alles vervuld zal zijn. De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan. Lukas 21:32, 33.

In Luke chapter twenty-one Jesus identifies the last generation of earth’s history. He has just given an overview of a progressive history from the destruction of Jerusalem in the year 70, all the way through Millerite history. He then drops out of the narrative of directly identifying prophetic history and presents a parable that simply repeats and enlarges upon the prophetic history He presented. He thus provided two internal witnesses to the same narrative, and He concluded by identifying that the “generation” that witnessed these events would live until His return, thus by context identifying the generation that is represented by the one hundred and forty-four thousand.

In Lucas hoofdstuk eenentwintig identificeert Jezus de laatste generatie van de geschiedenis der aarde. Zojuist heeft Hij een overzicht gegeven van een voortschrijdende geschiedenis, vanaf de verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70, helemaal door tot aan de Milleritische geschiedenis. Vervolgens treedt Hij uit het relaas van het rechtstreeks aanduiden van de profetische geschiedenis en geeft Hij een gelijkenis die eenvoudigweg de door Hem gepresenteerde profetische geschiedenis herhaalt en nader uitwerkt. Aldus verschafte Hij twee interne getuigen van hetzelfde relaas, en Hij besloot met te identificeren dat de “generatie” die getuige was van deze gebeurtenissen, zou leven tot aan Zijn wederkomst, en zo identificeerde Hij in de context de generatie die wordt voorgesteld door de honderdvierenveertigduizend.

The history of the sealing of the one hundred and forty-four thousand is the final generation, and they do not taste death, even though they live in the time when heaven and earth pass away.

De geschiedenis van de verzegeling van de honderdvierenveertigduizend betreft de laatste generatie, en zij smaken de dood niet, hoewel zij leven in de tijd waarin hemel en aarde voorbijgaan.

But the day of the Lord will come as a thief in the night; in the which the heavens shall pass away with a great noise, and the elements shall melt with fervent heat, the earth also and the works that are therein shall be burned up. Seeing then that all these things shall be dissolved, what manner of persons ought ye to be in all holy conversation and godliness, Looking for and hasting unto the coming of the day of God, wherein the heavens being on fire shall be dissolved, and the elements shall melt with fervent heat? 2 Peter 3:10–12.

Maar de dag des Heren zal komen als een dief in de nacht, waarin de hemelen met gedruis zullen voorbijgaan, en de elementen brandende zullen vergaan, en ook de aarde en de werken die daarin zijn, zullen verbranden. Daar dan al deze dingen zullen vergaan, hoedanigen behoort gij te zijn in heilige wandel en godsvrucht, verwachtende en verhaastende de komst van de dag Gods, waarin de hemelen, door vuur ontstoken, zullen vergaan, en de elementen brandende zullen smelten? 2 Petrus 3:10–12.

The second coming of Christ was represented at the transfiguration of Christ.

De tweede komst van Christus werd uitgebeeld bij de verheerlijking van Christus.

“Moses upon the mount of transfiguration was a witness to Christ’s victory over sin and death. He represented those who shall come forth from the grave at the resurrection of the just. Elijah, who had been translated to heaven without seeing death, represented those who will be living upon the earth at Christ’s second coming, and who will be ‘changed, in a moment, in the twinkling of an eye, at the last trump;’ when ‘this mortal must put on immortality,’ and ‘this corruptible must put on incorruption.’ 1 Corinthians 15:51–53. Jesus was clothed with the light of heaven, as He will appear when He shall come ‘the second time without sin unto salvation.’ For He will come ‘in the glory of His Father with the holy angels.’ Hebrews 9:28; Mark 8:38. The Saviour’s promise to the disciples was now fulfilled. Upon the mount the future kingdom of glory was represented in miniature,—Christ the King, Moses a representative of the risen saints, and Elijah of the translated ones.” The Desire of Ages, 421.

„Mozes op de berg der verheerlijking was een getuige van Christus’ overwinning over zonde en dood. Hij vertegenwoordigde hen die uit het graf zullen voortkomen bij de opstanding der rechtvaardigen. Elia, die zonder de dood te zien naar de hemel was opgenomen, vertegenwoordigde hen die bij Christus’ wederkomst levend op de aarde zullen zijn, en die ‘in een ondeelbaar ogenblik, in een oogwenk, bij de laatste bazuin’ zullen worden ‘veranderd’; wanneer ‘dit sterfelijke onsterfelijkheid moet aandoen’ en ‘dit vergankelijke onvergankelijkheid moet aandoen’. 1 Korinthe 15:51–53. Jezus was bekleed met het licht des hemels, zoals Hij zal verschijnen wanneer Hij ‘ten tweeden male zonder zonde gezien [zal] worden door hen, die Hem verwachten tot zaligheid’. Want Hij zal komen ‘in de heerlijkheid van Zijn Vader met de heilige engelen’. Hebreeën 9:28; Markus 8:38. De belofte van de Heiland aan de discipelen werd nu vervuld. Op de berg werd het toekomstige koninkrijk der heerlijkheid in het klein voorgesteld,—Christus de Koning, Mozes als vertegenwoordiger van de opgewekte heiligen, en Elia van hen die zonder de dood te zien opgenomen zijn.” The Desire of Ages, 421.

Elijah, who did not die, represents the one hundred and forty-four thousand who do not die, and Moses represents those that do die. In the last days those two classes are represented in Revelation chapter seven, as the one hundred and forty-four thousand and the great multitude. When the fifth seal is opened in Revelation chapter six, those that were murdered by the papacy during the Dark Ages are given white robes.

Elia, die niet stierf, vertegenwoordigt de honderdvierenveertigduizend die niet sterven, en Mozes vertegenwoordigt hen die wel sterven. In de laatste dagen worden deze twee groepen in Openbaring hoofdstuk zeven voorgesteld als de honderdvierenveertigduizend en de grote schare. Wanneer het vijfde zegel in Openbaring hoofdstuk zes wordt geopend, worden hun die gedurende de Donkere Middeleeuwen door het pausdom zijn vermoord, witte gewaden gegeven.

“‘And when he had opened the fifth seal, I saw under the altar the souls of them that were slain for the word of God, and for the testimony which they held: and they cried with a loud voice, saying, How long, O Lord, Holy and true, doest Thou not judge and avenge our blood on them that dwell on the earth? And white robes were given unto every one of them [They were pronounced pure and holy]; and it was said unto them, that they should rest yet for a little season, until their fellowservants also and their brethren, that should be killed as they were, should be fulfilled’ [Revelation 6:9–11]. Here were scenes presented to John that were not in reality but that which would be in a period of time in the future.” Manuscript Releases, volume 20, 197.

“‘En toen Het het vijfde zegel had geopend, zag ik onder het altaar de zielen van hen die gedood waren om het woord van God en om het getuigenis dat zij hadden vastgehouden; en zij riepen met luide stem, zeggende: Hoe lang, o Heere, Heilig en Waarachtig, oordeelt en wreekt Gij ons bloed niet aan hen die op de aarde wonen? En aan ieder van hen werden witte gewaden gegeven [Zij werden rein en heilig verklaard]; en tot hen werd gezegd dat zij nog een korte tijd zouden rusten, totdat ook hun mededienstknechten en hun broeders, die gedood zouden worden evenals zij, voltallig zouden zijn’ [Openbaring 6:9–11]. Hier werden aan Johannes taferelen getoond die niet in werkelijkheid waren, maar datgene wat in een toekomstige tijdsperiode zou zijn.” Manuscript Releases, deel 20, 197.

The martyrs are asking when God would avenge their murder. A martyr had the faith of Jesus before he was murdered, for it was the manifestation of that very faith that prompted the papacy to murder him. White robes represent the righteousness of Christ, but the white robes given to these souls who had been murdered, was given to them after their martyrdom. The robes are a symbol of martyrdom, not simply the righteousness of Christ. A martyr has the robe of Christ righteousness before he is murdered. The great multitude in Revelation seven are given white robes, thus representing those who die during the coming Sunday law bloodbath. Thus the one hundred and forty-four thousand are represented by Elijah and the faithful who die in the Lord by Moses at the mount of transfiguration.

De martelaren vragen wanneer God hun moord zou wreken. Een martelaar bezat het geloof van Jezus voordat hij werd vermoord, want het was juist de openbaring van datzelfde geloof die het pausdom ertoe bracht hem te vermoorden. Witte gewaden vertegenwoordigen de gerechtigheid van Christus, maar de witte gewaden die aan deze zielen, die waren vermoord, werden gegeven, werden hun na hun martelaarschap gegeven. De gewaden zijn een symbool van martelaarschap, niet eenvoudigweg van de gerechtigheid van Christus. Een martelaar heeft het gewaad van Christus’ gerechtigheid voordat hij wordt vermoord. De grote schare in Openbaring zeven ontvangt witte gewaden en vertegenwoordigt aldus hen die sterven tijdens het komende bloedbad van de zondagswet. Zo worden de honderd vierenveertigduizend door Elia voorgesteld en de getrouwen die in de Heer sterven door Mozes op de berg der verheerlijking.

The one hundred and forty-four thousand are the generation that does not die, and they are the generation which Christ is referring to that are alive when the heavens and earth pass away in Luke chapter twenty-one.

De honderdvierenveertigduizend zijn de generatie die niet sterft, en zij zijn de generatie waarop Christus doelt, die in leven is wanneer de hemel en de aarde voorbijgaan in Lukas hoofdstuk eenentwintig.

We will continue this study in the next article.

Wij zullen deze studie in het volgende artikel voortzetten.

“The murder of Abel was the first example of the enmity that God had declared would exist between the serpent and the seed of the woman—between Satan and his subjects and Christ and His followers. Through man’s sin, Satan had gained control of the human race, but Christ would enable them to cast off his yoke. Whenever, through faith in the Lamb of God, a soul renounces the service of sin, Satan’s wrath is kindled. The holy life of Abel testified against Satan’s claim that it is impossible for man to keep God’s law. When Cain, moved by the spirit of the wicked one, saw that he could not control Abel, he was so enraged that he destroyed his life. And wherever there are any who will stand in vindication of the righteousness of the law of God, the same spirit will be manifested against them. It is the spirit that through all the ages has set up the stake and kindled the burning pile for the disciples of Christ. But the cruelties heaped upon the follower of Jesus are instigated by Satan and his hosts because they cannot force him to submit to their control. It is the rage of a vanquished foe. Every martyr of Jesus has died a conqueror. Says the prophet, “They overcame him [‘that old serpent, called the devil, and Satan’] by the blood of the Lamb, and by the word of their testimony; and they loved not their lives unto the death.’ Revelation 12:11, 9.” Patriarchs and Prophets, 77.

„De moord op Abel was het eerste voorbeeld van de vijandschap waarvan God had verklaard dat zij zou bestaan tussen de slang en het zaad van de vrouw—tussen Satan en zijn onderdanen, en Christus en Zijn volgelingen. Door de zonde van de mens had Satan de heerschappij over het menselijk geslacht verkregen, maar Christus zou hen in staat stellen zijn juk af te werpen. Telkens wanneer een ziel, door het geloof in het Lam Gods, de dienst van de zonde verzaakt, wordt Satans toorn ontstoken. Het heilige leven van Abel getuigde tegen Satans bewering dat het voor de mens onmogelijk is Gods wet te houden. Toen Kaïn, gedreven door de geest van de boze, zag dat hij Abel niet kon beheersen, werd hij zó vertoornd dat hij hem van het leven beroofde. En overal waar er mensen zijn die zullen opstaan ter rechtvaardiging van de gerechtigheid van de wet van God, zal dezelfde geest zich tegen hen openbaren. Het is de geest die door alle eeuwen heen voor de discipelen van Christus de paal heeft opgericht en de brandstapel heeft ontstoken. Maar de wreedheden die op de volgeling van Jezus worden gestapeld, worden ingegeven door Satan en zijn legermachten, omdat zij hem niet kunnen dwingen zich aan hun heerschappij te onderwerpen. Het is de woede van een overwonnen vijand. Iedere martelaar van Jezus is als overwinnaar gestorven. De profeet zegt: „Zij hebben hem [‘de oude slang, genaamd duivel en Satan’] overwonnen door het bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis; en zij hebben hun leven niet liefgehad tot in de dood.” Openbaring 12:11, 9.” Patriarchen en Profeten, 77.