In the final generation of a people that are being passed by, certain prophetic characteristics are identified. They are then a generation of vipers, for they have formed the character of Satan. They are a generation of adulterers, for they have formed unsanctified connections with the enemies of God. They have reached a point where they see, but cannot understand, they hear, but cannot perceive, for they are unconverted, which is represented as their hearts growing fat. Moses first addressed this very phenomenon.
In de laatste generatie van een volk dat wordt voorbijgegaan, worden bepaalde profetische kenmerken aangewezen. Zij zijn dan een adderengebroed, want zij hebben het karakter van Satan gevormd. Zij zijn een overspelig geslacht, want zij hebben ongeheiligde verbindingen aangeknoopt met de vijanden van God. Zij zijn gekomen tot een punt waarop zij wel zien, maar niet kunnen begrijpen; zij horen wel, maar kunnen niet waarnemen, want zij zijn onbekeerd, hetgeen wordt voorgesteld als hun hart dat vet is geworden. Mozes sprak ditzelfde verschijnsel het eerst aan.
And Moses called unto all Israel, and said unto them, Ye have seen all that the Lord did before your eyes in the land of Egypt unto Pharaoh, and unto all his servants, and unto all his land; The great temptations which thine eyes have seen, the signs, and those great miracles: Yet the Lord hath not given you an heart to perceive, and eyes to see, and ears to hear, unto this day. Deuteronomy 29:2–4.
En Mozes riep geheel Israël bijeen en zei tot hen: Gij hebt alles gezien wat de HEERE voor uw ogen in het land Egypte gedaan heeft aan Farao, aan al zijn dienaren en aan heel zijn land; de grote beproevingen die uw ogen gezien hebben, de tekenen en die grote wonderen. Toch heeft de HEERE u tot op deze dag geen hart gegeven om te verstaan, geen ogen om te zien en geen oren om te horen. Deuteronomium 29:2–4.
In the first mention of the Laodicean phenomenon of seeing and hearing, that which God’s people are unable to see is the signs and wonders of their foundational history. Jeremiah identifies the phenomenon as an attribute of the “foolish virgins,” in the last days, and as a representation of the foolish virgins’ refusal to accept the three angels’ messages, that begins with the first angel’s announcement to fear the Creator God. Because of this rebellion they do not receive the latter rain.
Bij de eerste vermelding van het Laodiceïsche verschijnsel van zien en horen, is datgene wat Gods volk niet kan zien de tekenen en wonderen van hun fundamentele geschiedenis. Jeremia duidt dit verschijnsel aan als een kenmerk van de „dwaze maagden” in de laatste dagen, en als een voorstelling van de weigering van de dwaze maagden om de boodschappen van de drie engelen te aanvaarden, die begint met de verkondiging van de eerste engel om de Schepper-God te vrezen. Vanwege deze opstand ontvangen zij de late regen niet.
Declare this in the house of Jacob, and publish it in Judah, saying, Hear now this, O foolish people, and without understanding; which have eyes, and see not; which have ears, and hear not: Fear ye not me? saith the Lord: will ye not tremble at my presence, which have placed the sand for the bound of the sea by a perpetual decree, that it cannot pass it: and though the waves thereof toss themselves, yet can they not prevail; though they roar, yet can they not pass over it? But this people hath a revolting and a rebellious heart; they are revolted and gone. Neither say they in their heart, Let us now fear the Lord our God, that giveth rain, both the former and the latter, in his season: he reserveth unto us the appointed weeks of the harvest. Your iniquities have turned away these things, and your sins have withholden good things from you. Jeremiah 5:20–25.
Verkondig dit in het huis van Jakob, en laat het horen in Juda, zeggende: Hoort nu dit, gij dwaas volk en zonder verstand; die ogen hebt en niet ziet; die oren hebt en niet hoort. Zult gij Mij niet vrezen? spreekt de HEERE; zult gij niet beven voor Mijn aangezicht, Ik, die het zand tot grens van de zee gesteld heb door een eeuwige inzetting, zodat zij die niet kan overschrijden? En al verheffen haar golven zich, zij vermogen niets; al bruisen zij, zij kunnen er niet overheen gaan. Maar dit volk heeft een afvallig en weerspannig hart; zij zijn afgevallen en heengegaan. Ook zeggen zij niet in hun hart: Laat ons toch de HEERE, onze God, vrezen, Die regen geeft, zowel de vroege als de late regen, op zijn tijd; Hij bewaart voor ons de bestemde weken van de oogst. Uw ongerechtigheden hebben deze dingen afgewend, en uw zonden hebben het goede van u teruggehouden. Jeremia 5:20–25.
Ezekiel identifies those who manifest the characteristics represented by seeing and not understanding as a rebellious house. They are a rebellious house who will not see the history of their foundations, who are foolish virgins, that are unconverted because they refuse the first angel’s message, which is to refuse them all, for if you do not accept the first angel’s message, you cannot accept the second nor the third. In this condition the latter rain is withheld from these virgins during the time of the latter rain. After Jesus addressed this characteristic in His narrative, He then proceeded to present the parable of the sower.
Ezechiël duidt hen die de kenmerken openbaren welke worden voorgesteld door te zien en niet te begrijpen, aan als een weerspannig huis. Zij zijn een weerspannig huis dat de geschiedenis van zijn grondslagen niet wil zien, dat dwaze maagden zijn, die onbekeerd zijn omdat zij de boodschap van de eerste engel verwerpen, hetgeen neerkomt op de verwerping van hen allen; want indien u de boodschap van de eerste engel niet aanneemt, kunt u noch de tweede noch de derde aanvaarden. In deze toestand wordt de late regen aan deze maagden onthouden gedurende de tijd van de late regen. Nadat Jezus dit kenmerk in Zijn vertelling had behandeld, ging Hij vervolgens ertoe over de gelijkenis van de zaaier voor te stellen.
But blessed are your eyes, for they see: and your ears, for they hear. For verily I say unto you, That many prophets and righteous men have desired to see those things which ye see, and have not seen them; and to hear those things which ye hear, and have not heard them. Hear ye therefore the parable of the sower. When any one heareth the word of the kingdom, and understandeth it not, then cometh the wicked one, and catcheth away that which was sown in his heart. This is he which received seed by the way side. But he that received the seed into stony places, the same is he that heareth the word, and anon with joy receiveth it; Yet hath he not root in himself, but dureth for a while: for when tribulation or persecution ariseth because of the word, by and by he is offended. He also that received seed among the thorns is he that heareth the word; and the care of this world, and the deceitfulness of riches, choke the word, and he becometh unfruitful. But he that received seed into the good ground is he that heareth the word, and understandeth it; which also beareth fruit, and bringeth forth, some an hundredfold, some sixty, some thirty. Another parable put he forth unto them, saying, The kingdom of heaven is likened unto a man which sowed good seed in his field: But while men slept, his enemy came and sowed tares among the wheat, and went his way. But when the blade was sprung up, and brought forth fruit, then appeared the tares also. So the servants of the householder came and said unto him, Sir, didst not thou sow good seed in thy field? from whence then hath it tares? He said unto them, An enemy hath done this. The servants said unto him, Wilt thou then that we go and gather them up? But he said, Nay; lest while ye gather up the tares, ye root up also the wheat with them. Let both grow together until the harvest: and in the time of harvest I will say to the reapers, Gather ye together first the tares, and bind them in bundles to burn them: but gather the wheat into my barn. Matthew 13:16–30.
Maar zalig zijn uw ogen, omdat zij zien; en uw oren, omdat zij horen. Want voorwaar, Ik zeg u, dat vele profeten en rechtvaardigen begeerd hebben te zien de dingen die gij ziet, en zij hebben ze niet gezien; en te horen de dingen die gij hoort, en zij hebben ze niet gehoord. Hoort gij dan de gelijkenis van de zaaier. Wanneer iemand het woord van het Koninkrijk hoort en het niet verstaat, dan komt de boze en rooft weg wat in zijn hart gezaaid was. Dit is hij bij wie aan de weg gezaaid is. Maar hij bij wie op steenachtige plaatsen gezaaid is, dat is hij die het woord hoort en het terstond met blijdschap ontvangt; toch heeft hij geen wortel in zichzelf, maar hij is van korte duur; want wanneer verdrukking of vervolging ontstaat om des woords wil, dan komt hij terstond ten val. En hij bij wie onder de doornen gezaaid is, dat is hij die het woord hoort; maar de zorg van deze wereld en het bedrog van de rijkdom verstikken het woord, en hij wordt onvruchtbaar. Maar hij bij wie in de goede aarde gezaaid is, dat is hij die het woord hoort en verstaat; die ook vrucht draagt en voortbrengt, de één honderdvoudig, de ander zestigvoudig, de ander dertigvoudig. Een andere gelijkenis hield Hij hun voor en zei: Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een mens die goed zaad in zijn akker zaaide. Maar terwijl de mensen sliepen, kwam zijn vijand en zaaide onkruid midden tussen de tarwe, en ging weg. Toen echter het halmgewas opschoot en vrucht voortbracht, kwam ook het onkruid tevoorschijn. Daarop kwamen de dienstknechten van de heer des huizes en zeiden tot hem: Heer, hebt gij niet goed zaad in uw akker gezaaid? Vanwaar heeft hij dan onkruid? En hij zei tot hen: Een vijandig mens heeft dat gedaan. De dienstknechten zeiden tot hem: Wilt gij dan dat wij het bijeenhalen? Maar hij zei: Neen, opdat gij niet misschien bij het bijeenhalen van het onkruid tegelijk ook de tarwe met wortel en al uittrekt. Laat beide tezamen opgroeien tot de oogst, en in de tijd van de oogst zal ik tot de maaiers zeggen: Haalt eerst het onkruid bijeen en bindt het in bundels om het te verbranden; maar brengt de tarwe bijeen in mijn schuur. Mattheüs 13:16–30.
The foolish are the tares, and the wise are the wheat. In the parable of the ten virgins the possession of oil is what manifests the distinction between the two classes, and with the wheat and tares its based upon whether the seed, which is the word, is understood. The first mention of a class that will not see and therefore understand by Moses, places the message that is to be understood as the signs and wonders of the foundational history. The last prophetic reference to the elements of the blindness of the rebellious house by Ellen White identifies that the eyes that were blessed to see what all the righteous men wished to see was the history of the Millerite movement.
De dwazen zijn het onkruid, en de wijzen zijn de tarwe. In de gelijkenis van de tien maagden is het bezit van olie hetgeen het onderscheid tussen de twee klassen openbaart, en bij de tarwe en het onkruid is dit gebaseerd op de vraag of het zaad, dat het woord is, wordt verstaan. De eerste vermelding door Mozes van een klasse die niet zal zien en daarom niet zal verstaan, plaatst de boodschap die verstaan moet worden in de tekenen en wonderen van de fundamentele geschiedenis. De laatste profetische verwijzing door Ellen White naar de elementen van de blindheid van het opstandige huis duidt aan dat hetgeen de ogen, die gezegend waren te zien wat alle rechtvaardige mannen wensten te zien, mochten aanschouwen, de geschiedenis van de Milleritische beweging was.
“All the messages given from 1840–1844 are to be made forcible now, for there are many people who have lost their bearings. The messages are to go to all the churches.
„Alle boodschappen die van 1840–1844 zijn gegeven, moeten thans met kracht worden gebracht, want er zijn velen die hun oriëntatie hebben verloren. De boodschappen moeten tot alle kerken uitgaan.
“Christ said, ‘Blessed are your eyes, for they see; and your ears, for they hear. For verily I say unto you, That many prophets and righteous men have desired to see those things which ye see, and have not seen them; and to hear those things which ye hear, and have not heard them’ [Matthew 13:16, 17]. Blessed are the eyes which saw the things that were seen in 1843 and 1844.” Manuscript Releases, volume 21, 436, 437.
“Christus zei: ‘Zalig zijn uw ogen, omdat zij zien; en uw oren, omdat zij horen. Want voorwaar, Ik zeg u, dat vele profeten en rechtvaardige mensen hebben begeerd die dingen te zien die gij ziet, en zij hebben ze niet gezien; en die dingen te horen die gij hoort, en zij hebben ze niet gehoord’ [Mattheüs 13:16, 17]. Zalig zijn de ogen die de dingen hebben gezien die in 1843 en 1844 werden gezien.” Manuscript Releases, volume 21, 436, 437.
Jesus always illustrates the end with the beginning, and the first reference to those who have eyes, but do not see or understand, and the last reference identify that the foundational history of the rebellious house is what is not seen, and is therefore rejected, and thus prevents the foolish from recognizing the latter rain. The history of 1840–1844 was typified by the deliverance of ancient Israel from Egyptian bondage. Ancient Israel’s failure to pass the initial testing process brought them to Kadesh, where they accepted the false report of the ten spies and selected a new captain to lead them back to Egypt. Forty years later they were brought back to Kadesh, and Moses failed by striking the Rock a second time.
Jezus illustreert het einde altijd met het begin, en de eerste verwijzing naar hen die ogen hebben, maar niet zien of verstaan, en de laatste verwijzing identificeren dat de fundamentele geschiedenis van het opstandige huis datgene is wat niet wordt gezien en daarom wordt verworpen, en aldus verhindert dat de dwazen de late regen herkennen. De geschiedenis van 1840–1844 werd getypeerd door de bevrijding van het oude Israël uit de Egyptische slavernij. Het falen van het oude Israël om het aanvankelijke beproevingsproces te doorstaan, bracht hen naar Kades, waar zij het valse verslag van de tien verspieders aannamen en een nieuwe aanvoerder kozen om hen terug naar Egypte te leiden. Veertig jaar later werden zij teruggebracht naar Kades, en Mozes faalde door de Rots een tweede maal te slaan.
Though Moses failed, Joshua still proceeded to lead them into the Promised Land. The last test at Kadesh had a serious rebellion associated with it, for Jesus always illustrates the end with the beginning, and the rebellion of the ten spies at Kadesh in the beginning of the forty years, and at the ending of the forty years also illustrates a great rebellion at Kadesh. Yet in spite of the rebellion of Moses at Kadesh, the vision of entering into the Promised Land was no longer delayed.
Hoewel Mozes faalde, ging Jozua toch voort om hen het Beloofde Land binnen te leiden. De laatste beproeving te Kades was verbonden met een ernstige opstand, want Jezus beeldt het einde altijd af met het begin, en de opstand van de tien verspieders te Kades aan het begin van de veertig jaren, en aan het einde van de veertig jaren, beeldt eveneens een grote opstand te Kades af. Toch werd, ondanks de opstand van Mozes te Kades, het visioen van het binnengaan in het Beloofde Land niet langer uitgesteld.
In the rebellion of 1863, that led to the increased rebellion of 1888, that led to the increased rebellion of 1919, which culminated in the rebellion of 1957, Jesus brought Laodicean Adventism back to Kadesh. He brought them back to the history where the third angel arrived and began a testing process that ultimately manifested the rebellion of 1863, and the banishment of wandering in the wilderness of Laodicea. The third angel entered into the ending history of Laodicean Adventism on September 11, 2001 when the mighty angel of Revelation eighteen, which is the third angel, came down. He then announced that Babylon was fallen, as typified by the casting down of Nimrod’s tower, when the towers of New York City were brought down.
In de opstand van 1863, die leidde tot de toegenomen opstand van 1888, die leidde tot de toegenomen opstand van 1919, welke culmineerde in de opstand van 1957, bracht Jezus het Laodiceïsche Adventisme terug naar Kades. Hij bracht hen terug naar de geschiedenis waarin de derde engel verscheen en een beproevingsproces begon dat uiteindelijk de opstand van 1863 en de verbanning tot omzwerving in de woestijn van Laodicea openbaarde. De derde engel trad de eindgeschiedenis van het Laodiceïsche Adventisme binnen op 11 september 2001, toen de machtige engel van Openbaring achttien, die de derde engel is, neerdaalde. Vervolgens verkondigde hij dat Babylon gevallen was, zoals getypeerd door het neerwerpen van de toren van Nimrod, toen de torens van New York City werden neergehaald.
“The third angel’s message will not be comprehended, the light which will lighten the earth with its glory will be called a false light, by those who refuse to walk in its advancing glory.” Review and Herald, May 27, 1890.
„De boodschap van de derde engel zal niet begrepen worden; het licht dat de aarde met zijn heerlijkheid zal verlichten, zal door hen die weigeren te wandelen in haar voortschrijdende heerlijkheid, een vals licht genoemd worden.” Review and Herald, 27 mei 1890.
As with ancient Israel, so too with modern Israel. The generation that witnesses September 11, 2001 is the last generation. Jesus said in Luke chapter twenty-one that “this generation,” and He identified that generation as those living when the heavens and earth shall pass away, which occurs at the Second Coming. That generation who live to witness Christ’s return will have recognized a sign that proves to them that they are the final generation. They will know and understand that they are those living when the “effect of every vision” is no longer “prolonged.”
Zoals met het oude Israël, zo ook met het moderne Israël. De generatie die 11 september 2001 meemaakt, is de laatste generatie. Jezus zei in Lukas hoofdstuk eenentwintig dat „dit geslacht” — en Hij duidde dat geslacht aan als degenen die leven wanneer hemel en aarde voorbijgaan, wat plaatsvindt bij de Tweede Komst. Dat geslacht dat leeft om de wederkomst van Christus mee te maken, zal een teken hebben herkend dat hun bewijst dat zij de laatste generatie zijn. Zij zullen weten en begrijpen dat zij degenen zijn die leven wanneer de „uitwerking van elk gezicht” niet langer wordt „uitgesteld”.
As Jesus was leaving the temple with the disciples they asked Him to explain what He had meant by His description of the destruction of the temple. That conversation was representing the conversation which His disciples have during the final generation. The disciples wished to understand what He meant when He has repeatedly taught that the Laodicean Adventist church is to be swept away at the soon-coming Sunday law, as the worshippers therein are spewed out of His mouth, and are no longer those who speak for Him.
Toen Jezus met de discipelen de tempel verliet, vroegen zij Hem uit te leggen wat Hij had bedoeld met Zijn beschrijving van de verwoesting van de tempel. Dat gesprek stelde het gesprek voor dat Zijn discipelen voeren gedurende de laatste generatie. De discipelen wensten te begrijpen wat Hij bedoelde wanneer Hij herhaaldelijk heeft onderwezen dat de Laodiceaanse Adventkerk bij de spoedig komende zondagswet zal worden weggevaagd, zoals de aanbidders daarin uit Zijn mond worden uitgespuwd en niet langer degenen zijn die voor Hem spreken.
In answering the disciples Jesus described the destruction of Jerusalem and the history that followed, all the way through to the end of the world. After laying out the historical overview up to verse nineteen, He then addresses the destruction of Jerusalem, a destruction which could have occurred at the cross, but that in God’s mercy and longsuffering was postponed for about forty years. At the end of the forty years there would be a remnant that would escape the destruction, but only if they recognized the sign that He then gave.
Bij het beantwoorden van de discipelen beschreef Jezus de verwoesting van Jeruzalem en de geschiedenis die daarop volgde, helemaal tot aan het einde van de wereld. Nadat Hij het historische overzicht tot en met vers negentien had uiteengezet, richt Hij Zich vervolgens tot de verwoesting van Jeruzalem, een verwoesting die ten tijde van het kruis had kunnen plaatsvinden, maar die in Gods barmhartigheid en lankmoedigheid ongeveer veertig jaar werd uitgesteld. Aan het einde van de veertig jaar zou er een overblijfsel zijn dat aan de verwoesting zou ontkomen, maar alleen als het het teken herkende dat Hij toen gaf.
In the beginning of ancient Israel there was a forty-year period, which started with a judgment upon the rebellion of the ten spies that was deferred for forty years, due to the intercession of Moses. At the end of ancient Israel there was a judgment upon the rebellion of the cross that was deferred for forty years, due to the intercession of Christ’s longsuffering and mercy. In both histories there was a remnant that escaped. Jesus always illustrates the end of a thing with the beginning of a thing.
Aan het begin van het oude Israël was er een periode van veertig jaar, die begon met een oordeel over de opstand van de tien verspieders, dat wegens de voorbede van Mozes veertig jaar werd uitgesteld. Aan het einde van het oude Israël was er een oordeel over de opstand van het kruis, dat wegens de lankmoedigheid en barmhartigheid van Christus veertig jaar werd uitgesteld. In beide geschiedenissen was er een overblijfsel dat ontkwam. Jezus illustreert altijd het einde van een zaak met het begin van een zaak.
Jesus addressed the sign associated with the destruction of Jerusalem and identified it as “the days of vengeance.”
Jezus sprak over het teken dat met de verwoesting van Jeruzalem gepaard ging en duidde het aan als „de dagen van vergelding”.
And when ye shall see Jerusalem compassed with armies, then know that the desolation thereof is nigh. Then let them which are in Judaea flee to the mountains; and let them which are in the midst of it depart out; and let not them that are in the countries enter thereinto. For these be the days of vengeance, that all things which are written may be fulfilled. Luke 21:20–22.
En wanneer gij Jeruzalem door legers omsingeld zult zien, weet dan dat zijn verwoesting nabij is. Laten dan zij die in Judea zijn, vluchten naar de bergen; en laten zij die zich in het midden ervan bevinden, wegtrekken; en laten zij die op het land zijn, daar niet binnengaan. Want dit zijn de dagen der wraak, opdat al wat geschreven is, vervuld worde. Lukas 21:20–22.
The “day of vengeance” is the seven last plagues, and for this reason Sister White aligns the destruction of Jerusalem with God’s executive judgment in the last days.
De „dag van de wraak” zijn de zeven laatste plagen, en om deze reden stelt zuster White de verwoesting van Jeruzalem gelijk met Gods uitvoerende oordeel in de laatste dagen.
Come near, ye nations, to hear; and hearken, ye people: let the earth hear, and all that is therein; the world, and all things that come forth of it. For the indignation of the Lord is upon all nations, and his fury upon all their armies: he hath utterly destroyed them, he hath delivered them to the slaughter. Their slain also shall be cast out, and their stink shall come up out of their carcases, and the mountains shall be melted with their blood. And all the host of heaven shall be dissolved, and the heavens shall be rolled together as a scroll: and all their host shall fall down, as the leaf falleth off from the vine, and as a falling fig from the fig tree. For my sword shall be bathed in heaven: behold, it shall come down upon Idumea, and upon the people of my curse, to judgment. The sword of the Lord is filled with blood, it is made fat with fatness, and with the blood of lambs and goats, with the fat of the kidneys of rams: for the Lord hath a sacrifice in Bozrah, and a great slaughter in the land of Idumea. And the unicorns shall come down with them, and the bullocks with the bulls; and their land shall be soaked with blood, and their dust made fat with fatness. For it is the day of the Lord’s vengeance, and the year of recompenses for the controversy of Zion. Isaiah 34:1–8.
Nadert, gij volken, om te horen; en luistert, gij natiën: de aarde hore, en al wat daarin is; de wereld, en al wat daaruit voortkomt. Want de verbolgenheid des Heeren is over alle volken, en Zijn grimmigheid over al hun heirlegers; Hij heeft hen met de ban geslagen, Hij heeft hen ter slachting overgegeven. Ook hun verslagenen zullen uitgeworpen worden, en de stank van hun kadavers zal opstijgen; en de bergen zullen wegsmelten van hun bloed. En al het heer des hemels zal vergaan, en de hemelen zullen opgerold worden als een boekrol; en al hun heer zal neervallen, gelijk een blad afvalt van de wijnstok, en gelijk een afvallende vijg van de vijgenboom. Want Mijn zwaard is dronken geworden in de hemel; zie, het zal neerdalen op Edom, en op het volk van Mijn banvloek, ten gerichte. Het zwaard des Heeren is vol bloed, het is vet geworden van vetheid, van het bloed der lammeren en bokken, van het vet der nieren van rammen; want de Heere heeft een slachtoffer te Bozra, en een grote slachting in het land van Edom. En de wilde ossen zullen met hen neerdalen, en de jonge stieren met de machtigen; en hun land zal doordrenkt worden met bloed, en hun stof zal vet worden van vetheid. Want het is de dag der wrake des Heeren, het jaar der vergeldingen om Sions twistzaak. Jesaja 34:1–8.
Jesus gave His first public presentation at Nazareth, announcing Himself as the Messiah. That presentation was prophetically governed by the rule of first mention. The reading He selected identified that His work included announcing the “day of the Lord’s vengeance.” Which according to Isaiah is also “the year of recompenses for the controversy of Zion.”
Jezus gaf Zijn eerste openbare optreden in Nazareth, waarbij Hij Zichzelf als de Messias bekendmaakte. Dat optreden werd profetisch beheerst door de wet van de eerste vermelding. De lezing die Hij koos, maakte duidelijk dat Zijn werk ook het uitroepen van „de dag van de wraak des Heeren” omvatte. Die volgens Jesaja ook „het jaar van vergeldingen voor de twistzaak van Sion” is.
It was at Nazareth that Christ began His public ministry and announced Himself as the Messiah. It was then that those who heard His words, but did not perceive, attempted to kill Him by casting him off a mountain. The beginning of His ministry was marked by the people of His home town attempting to kill Him, and the ending of His ministry His people did kill Him. His ministry was to identify Himself as the Messiah, which He became when He was anointed at His baptism. At His baptism a divine symbol descended to endorse the fulfillment of the prediction of the coming Messiah. On August 11, 1840 a divine symbol descended to endorse the prediction of the testing message of that history. And on September 11, 2001 a divine symbol came down to endorse the predicted message of that history, which is the message of the latter rain.
Het was in Nazareth dat Christus Zijn openbare bediening begon en Zichzelf als de Messias bekendmaakte. Het was toen dat zij die Zijn woorden hoorden, maar niet verstonden, trachtten Hem te doden door Hem van een berg te werpen. Het begin van Zijn bediening werd gekenmerkt doordat de mensen van Zijn woonplaats Hem trachtten te doden, en aan het einde van Zijn bediening hebben Zijn volk Hem gedood. Zijn bediening was erop gericht Zichzelf als de Messias te identificeren, wat Hij werd toen Hij bij Zijn doop werd gezalfd. Bij Zijn doop daalde een goddelijk symbool neer om de vervulling van de voorzegging van de komende Messias te bekrachtigen. Op 11 augustus 1840 daalde een goddelijk symbool neer om de voorzegging van de beproevende boodschap van die geschiedenis te bekrachtigen. En op 11 september 2001 kwam een goddelijk symbool neer om de voorzegde boodschap van die geschiedenis te bekrachtigen, welke de boodschap van de late regen is.
“After laboring two days with the Samaritans, Jesus left them to continue his journey to Galilee. He made no tarry at Nazareth, where he had spent his youth and early manhood. His reception in the synagogue there, when he announced himself as the Anointed One, was so unfavorable that he decided to seek more fruitful fields, to preach to ears that would listen, and to hearts that would receive his message. He declared to his disciples that a prophet hath no honor in his own country. This saying sets forth that natural reluctance which many people have to acknowledge any wonderfully admirable development in one who has unostentatiously lived in their midst, and whom they have intimately known from childhood. At the same time, these same persons might become wildly excited over the pretensions of a stranger and an adventurer.” The Spirit of Prophecy, volume 2, 151.
„Nadat Jezus twee dagen onder de Samaritanen had gearbeid, verliet Hij hen om zijn reis naar Galilea voort te zetten. Hij hield geen oponthoud in Nazareth, waar Hij zijn jeugd en vroege mannelijkheid had doorgebracht. De ontvangst die Hem daar in de synagoge ten deel viel, toen Hij Zichzelf als de Gezalfde bekendmaakte, was zo ongunstig dat Hij besloot vruchtbaarder velden te zoeken, om te prediken tot oren die zouden luisteren en tot harten die zijn boodschap zouden aannemen. Hij verklaarde tot zijn discipelen dat een profeet geen eer heeft in zijn eigen land. Deze uitspraak brengt die natuurlijke terughoudendheid onder woorden die velen hebben om enige wonderlijk bewonderenswaardige ontwikkeling te erkennen in iemand die onopvallend in hun midden heeft geleefd en die zij van kindsbeen af van nabij hebben gekend. Tegelijkertijd zouden diezelfde personen hevig opgewonden kunnen raken over de aanspraken van een vreemdeling en een avonturier.” The Spirit of Prophecy, deel 2, 151.
In Luke chapter twenty-one, Christ identifies the one hundred and forty-four thousand, the final generation that does not die. He does so by presenting the history that began with His last visit to what had formerly been His father’s house, but then had become the Jew’s house. In the narrative of the history which Jesus began to present He reached the point where Jerusalem, and the temple the disciples wanted to know about, was to be destroyed (70 AD). He identified the destruction as the days of vengeance, which was part of His opening announcement of His ministry. The “days of vengeance” represented not only the destruction of Jerusalem in the year 70, but also the time of God’s wrath as represented in the seven last plagues.
In Lukas hoofdstuk eenentwintig identificeert Christus de honderdvierenveertigduizend, de laatste generatie die niet sterft. Hij doet dit door de geschiedenis voor te stellen die begon met Zijn laatste bezoek aan wat voorheen het huis van Zijn Vader was geweest, maar toen het huis van de Joden was geworden. In het relaas van de geschiedenis die Jezus begon uiteen te zetten, bereikte Hij het punt waarop Jeruzalem, en de tempel waarover de discipelen wilden weten, verwoest zou worden (70 n.Chr.). Hij duidde die verwoesting aan als de dagen van wraak, hetgeen deel uitmaakte van Zijn openingsverkondiging van Zijn bediening. De “dagen van wraak” vertegenwoordigden niet alleen de verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70, maar ook de tijd van Gods toorn zoals voorgesteld in de zeven laatste plagen.
For this is the day of the Lord God of hosts, a day of vengeance, that he may avenge him of his adversaries: and the sword shall devour, and it shall be satiate and made drunk with their blood: for the Lord God of hosts hath a sacrifice in the north country by the river Euphrates. Jeremiah 46:10.
Want dit is de dag van de Heere, de HEERE der heerscharen, een dag van wraak, opdat Hij Zich wreke op Zijn tegenstanders; en het zwaard zal verslinden, en het zal verzadigd en dronken worden van hun bloed; want de Heere, de HEERE der heerscharen, heeft een slachtoffer in het land van het noorden, aan de rivier de Eufraat. Jeremia 46:10.
The “day of vengeance” upon Babylon, represented by the “sacrifice in the north country by the river Euphrates,” begins at the soon-coming Sunday law.
De „dag der wraak” over Babylon, voorgesteld door het „slachtoffer in het land van het noorden aan de rivier de Eufraat”, begint bij de spoedig komende zondagwet.
Because of the wrath of the Lord it shall not be inhabited, but it shall be wholly desolate: every one that goeth by Babylon shall be astonished, and hiss at all her plagues. Put yourselves in array against Babylon round about: all ye that bend the bow, shoot at her, spare no arrows: for she hath sinned against the Lord. Shout against her round about: she hath given her hand: her foundations are fallen, her walls are thrown down: for it is the vengeance of the Lord: take vengeance upon her; as she hath done, do unto her. Cut off the sower from Babylon, and him that handleth the sickle in the time of harvest: for fear of the oppressing sword they shall turn everyone to his people, and they shall flee everyone to his own land. Israel is a scattered sheep; the lions have driven him away: first the king of Assyria hath devoured him; and last this Nebuchadnezzar king of Babylon hath broken his bones. Therefore thus saith the Lord of hosts, the God of Israel; Behold, I will punish the king of Babylon and his land, as I have punished the king of Assyria. And I will bring Israel again to his habitation, and he shall feed on Carmel and Bashan, and his soul shall be satisfied upon mount Ephraim and Gilead. In those days, and in that time, saith the Lord, the iniquity of Israel shall be sought for, and there shall be none; and the sins of Judah, and they shall not be found: for I will pardon them whom I reserve. Go up against the land of Merathaim, even against it, and against the inhabitants of Pekod: waste and utterly destroy after them, saith the Lord, and do according to all that I have commanded thee. A sound of battle is in the land, and of great destruction. How is the hammer of the whole earth cut asunder and broken! how is Babylon become a desolation among the nations! I have laid a snare for thee, and thou art also taken, O Babylon, and thou wast not aware: thou art found, and also caught, because thou hast striven against the Lord. The Lord hath opened his armoury, and hath brought forth the weapons of his indignation: for this is the work of the Lord God of hosts in the land of the Chaldeans. Come against her from the utmost border, open her storehouses: cast her up as heaps, and destroy her utterly: let nothing of her be left. Slay all her bullocks; let them go down to the slaughter: woe unto them! for their day is come, the time of their visitation. The voice of them that flee and escape out of the land of Babylon, to declare in Zion the vengeance of the Lord our God, the vengeance of his temple. Call together the archers against Babylon: all ye that bend the bow, camp against it round about; let none thereof escape: recompense her according to her work; according to all that she hath done, do unto her: for she hath been proud against the Lord, against the Holy One of Israel. Jeremiah 50:13–29.
Door de toorn des HEEREN zal zij niet bewoond worden, maar geheel woest zijn; ieder die Babel voorbijgaat, zal zich ontzetten en sissen over al haar plagen. Stelt u op tegen Babel rondom; gij allen die de boog spant, schiet op haar, spaart geen pijlen, want zij heeft gezondigd tegen den HEERE. Heft rondom een krijgsgeschrei tegen haar aan; zij heeft zich overgegeven; haar grondvesten zijn gevallen, haar muren zijn neergehaald; want dit is de wraak des HEEREN: oefent wraak aan haar; zoals zij gedaan heeft, doet haar alzo. Roeit uit Babel den zaaier uit en hem die de sikkel hanteert ten tijde van den oogst; uit vrees voor het verdrukkende zwaard zullen zij zich ieder tot zijn volk wenden en zullen zij ieder naar zijn eigen land vluchten. Israël is een verstrooid schaap; de leeuwen hebben het verdreven; eerst heeft de koning van Assyrië het verslonden, en ten laatste heeft deze Nebukadnezar, koning van Babel, het de beenderen verbrijzeld. Daarom, zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israëls: Zie, Ik zal den koning van Babel en zijn land straffen, zoals Ik den koning van Assyrië gestraft heb. En Ik zal Israël terugbrengen naar zijn weidegrond, en het zal weiden op Karmel en Basan, en zijn ziel zal verzadigd worden op het gebergte van Efraïm en Gilead. In die dagen en te dier tijd, spreekt de HEERE, zal naar de ongerechtigheid van Israël gezocht worden, maar zij zal er niet zijn; en naar de zonden van Juda, maar zij zullen niet gevonden worden; want Ik zal hen vergeven die Ik doe overblijven. Trek op tegen het land Merathaim, tegen hetzelve, en tegen de inwoners van Pekod; verwoest en verdelg achter hen aan, spreekt de HEERE, en doe naar alles wat Ik u geboden heb. Krijgsrumoer is in het land, en grote verwoesting. Hoe is de hamer der ganse aarde stukgeslagen en gebroken! Hoe is Babel tot een ontzetting geworden onder de volken! Ik heb u een strik gelegd, en ook zijt gij gevangen, o Babel, zonder dat gij het wist; gij zijt gevonden en ook gegrepen, omdat gij tegen den HEERE gestreden hebt. De HEERE heeft zijn wapenhuis geopend en de wapenen van zijn gramschap tevoorschijn gebracht; want dit is het werk van den Heere, den HEERE der heirscharen, in het land der Chaldeeën. Kom tegen haar op van het uiterste der landpalen, opent haar voorraadschuren; hoopt haar op als korenhopen en verdelgt haar volkomen; laat niets van haar overblijven. Doodt al haar stieren; laat hen ter slachting nederdalen; wee hun, want hun dag is gekomen, de tijd van hun bezoeking. Hoor de stem van hen die vluchten en ontkomen uit het land van Babel, om in Sion de wraak van den HEERE, onzen God, te verkondigen, de wraak van zijn tempel. Roept de boogschutters samen tegen Babel; gij allen die de boog spant, legert u rondom tegen haar; laat niemand daarvan ontkomen; vergeld haar naar haar werk; doet haar naar alles wat zij gedaan heeft; want zij is overmoedig geweest tegen den HEERE, tegen den Heilige Israëls. Jeremia 50:13–29.
The destruction of Jerusalem in the year 70 AD represents the executive judgment of the whore of Babylon, that begins at the soon-coming Sunday law in the United States. Jesus knew that He was identifying the year 70 AD as the soon-coming Sunday law, for He is the author of His Word, and He is the Word. It is important to recognize the setting of the prophecy that Jesus sets forth in Luke chapter twenty-one, in order to understand what the sign is that identifies that the last generation has arrived.
De verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70 n.Chr. vertegenwoordigt het uitvoerende oordeel over de hoer van Babylon, dat begint bij de spoedig komende zondagswet in de Verenigde Staten. Jezus wist dat Hij het jaar 70 n.Chr. aanwees als de spoedig komende zondagswet, want Hij is de Auteur van Zijn Woord, en Hij is het Woord. Het is van belang de context te onderkennen van de profetie die Jezus uiteenzet in Lukas hoofdstuk eenentwintig, om te begrijpen wat het teken is dat aanduidt dat de laatste generatie is aangebroken.
We will continue this study in the next article.
Wij zullen deze studie in het volgende artikel voortzetten.
“The coming of Christ will take place in the darkest period of this earth’s history. The days of Noah and of Lot picture the condition of the world just before the coming of the Son of man. The Scriptures, pointing forward to this time, declare that Satan will work with all power and ‘with all deceivableness of unrighteousness.’ 2 Thessalonians 2:9, 10. His working is plainly revealed by the rapidly increasing darkness, the multitudinous errors, heresies, and delusions of these last days. Not only is Satan leading the world captive, but his deceptions are leavening the professed churches of our Lord Jesus Christ. The great apostasy will develop into darkness deep as midnight. To God’s people it will be a night of trial, a night of weeping, a night of persecution for the truth’s sake. But out of that night of darkness God’s light will shine.
„De komst van Christus zal plaatsvinden in de donkerste periode van de geschiedenis van deze aarde. De dagen van Noach en van Lot geven een beeld van de toestand van de wereld vlak vóór de komst van de Zoon des mensen. De Schriften, vooruitwijzend naar deze tijd, verklaren dat Satan zal werken met alle kracht en ‘met allerlei verleiding der ongerechtigheid’. 2 Thessalonicenzen 2:9, 10. Zijn werkzaamheid wordt duidelijk geopenbaard door de snel toenemende duisternis, de talloze dwalingen, ketterijen en misleidingen van deze laatste dagen. Niet alleen voert Satan de wereld in gevangenschap, maar zijn misleidingen doordesemen ook de belijdende kerken van onze Here Jezus Christus. De grote afval zal zich ontwikkelen tot een duisternis, diep als middernacht. Voor Gods volk zal het een nacht van beproeving zijn, een nacht van geween, een nacht van vervolging om der waarheid wil. Maar uit die nacht van duisternis zal Gods licht schijnen.”
“He causes ‘the light to shine out of darkness.’ 2 Corinthians 4:6. When ‘the earth was without form, and void; and darkness was upon the face of the deep,’ ‘the Spirit of God moved upon the face of the waters. And God said, Let there be light: and there was light.’ Genesis 1:2, 3. So in the night of spiritual darkness, God’s word goes forth, ‘Let there be light.’ To His people He says, ‘Arise, shine; for thy light is come, and the glory of the Lord is risen upon thee.’ Isaiah 60:1.
Hij doet ‘het licht schijnen uit de duisternis’. 2 Korinthiërs 4:6. Toen ‘de aarde nu woest en ledig was, en duisternis op den afgrond lag’, ‘zweefde de Geest Gods op de wateren. En God zeide: Er zij licht; en er was licht.’ Genesis 1:2, 3. Zo gaat in de nacht van geestelijke duisternis Gods woord uit: ‘Er zij licht.’ Tot Zijn volk zegt Hij: ‘Sta op, word verlicht; want uw licht komt, en de heerlijkheid des HEEREN gaat over u op.’ Jesaja 60:1.
“‘Behold,’ says the Scripture, ‘the darkness shall cover the earth, and gross darkness the people: but the Lord shall arise upon thee, and His glory shall be seen upon thee.’ Verse 2. Christ, the outshining of the Father’s glory, came to the world as its light. He came to represent God to men, and of Him it is written that He was anointed ‘with the Holy Ghost and with power,’ and ‘went about doing good.’ Acts 10:38. In the synagogue at Nazareth He said, ‘The Spirit of the Lord is upon Me, because He hath anointed Me to preach the gospel to the poor; He hath sent Me to heal the brokenhearted, to preach deliverance to the captives, and recovering of sight to the blind, to set at liberty them that are bruised, to preach the acceptable year of the Lord.’ Luke 4:18, 19. This was the work He commissioned His disciples to do. ‘Ye are the light of the world,’ He said. ‘Let your light so shine before men, that they may see your good works, and glorify your Father which is in heaven.’ Matthew 5:14, 16.” Prophets and Kings, 217, 218.
“‘Zie,’ zegt de Schrift, ‘duisternis zal de aarde bedekken, en donkere nacht de volken; maar over u zal de HEERE opgaan, en Zijn heerlijkheid zal over u gezien worden.’ Vers 2. Christus, de uitstraling van de heerlijkheid van de Vader, kwam tot de wereld als haar licht. Hij kwam om God aan de mensen te openbaren, en van Hem staat geschreven dat Hij gezalfd was ‘met de Heilige Geest en met kracht’, en dat Hij ‘het land doorging, weldoende’. Handelingen 10:38. In de synagoge te Nazareth zei Hij: ‘De Geest des Heeren is op Mij, daarom heeft Hij Mij gezalfd om aan armen het evangelie te verkondigen; Hij heeft Mij gezonden om te genezen die gebroken zijn van hart, om aan gevangenen vrijlating te prediken en aan blinden het gezicht te herstellen, om verslagenen heen te zenden in vrijheid, om het welbehagen des Heeren te prediken.’ Lukas 4:18, 19. Dit was het werk dat Hij Zijn discipelen opdroeg te doen. ‘Gij zijt het licht der wereld,’ zei Hij. ‘Laat uw licht alzo schijnen voor de mensen, opdat zij uw goede werken mogen zien en uw Vader, Die in de hemelen is, verheerlijken.’ Mattheüs 5:14, 16.” Prophets and Kings, 217, 218.