We are considering the line of Ezekiel chapter thirty-seven, which first identifies the sounding of the seventh trumpet and the message to Laodicea, that brings about the army of the one hundred and forty-four thousand. Then Ezekiel repeats and enlarges upon that line by introducing the joining of the two sticks of the northern and southern kingdoms of Israel, as an illustration of the process by-which Divinity and humanity are joined during the time of the sounding of the Seventh Trumpet. Once the two nations are joined together as one nation, Ezekiel identifies that they have a king over them, and then he addresses the everlasting covenant that is the covenant accomplished with the one hundred and forty-four thousand, while emphasizing those last day covenant people would have God’s sanctuary in their midst for eternity.
Wij beschouwen de lijn van Ezechiël hoofdstuk zevenendertig, die eerst het klinken van de zevende bazuin en de boodschap aan Laodicea aanduidt, hetgeen het leger van de honderd vierenveertigduizend voortbrengt. Vervolgens herhaalt Ezechiël die lijn en werkt haar verder uit door de vereniging van de twee stokken van de noordelijke en zuidelijke koninkrijken van Israël in te voeren als een illustratie van het proces waardoor goddelijkheid en menselijkheid worden verenigd gedurende de tijd van het klinken van de Zevende Bazuin. Zodra de twee naties als één natie zijn samengevoegd, geeft Ezechiël aan dat zij een koning over zich hebben, en vervolgens behandelt hij het eeuwige verbond, dat het verbond is dat met de honderd vierenveertigduizend wordt vervuld, terwijl hij benadrukt dat die verbondsvolken van de laatste dagen Gods heiligdom tot in eeuwigheid in hun midden zouden hebben.
We have added to that line, the work of John measuring the temple in 1844, thus typifying the final measuring that began on September 11, 2001. That measuring is also addressed by Zechariah, who includes that the measuring takes place when God once again chooses Jerusalem as the city to place His name. We are drawing a simile between the components that make up the temple, and the two sticks of the northern and southern kingdoms of Israel. The work of Christ in bringing together His Divinity with the humanity of the one hundred and forty-four thousand is represented in the two prophecies of the twenty-five hundred and twenty years of scattering brought upon the northern and southern kingdoms, in conjunction with the prophecy of twenty-three hundred years.
Aan die lijn hebben wij het werk van Johannes toegevoegd, die in 1844 de tempel meet, en zo het laatste meten uitbeeldt dat op 11 september 2001 begon. Dat meten wordt ook behandeld door Zacharia, die daarbij vermeldt dat het meten plaatsvindt wanneer God Jeruzalem opnieuw verkiest als de stad om Zijn naam daar te vestigen. Wij trekken een vergelijking tussen de bestanddelen waaruit de tempel is opgebouwd en de twee stokken van de noordelijke en zuidelijke koninkrijken van Israël. Het werk van Christus in het samenbrengen van Zijn Goddelijkheid met de mensheid van de honderd vierenveertigduizend wordt voorgesteld in de twee profetieën van de tweeduizend vijfhonderd twintig jaren van verstrooiing die over de noordelijke en zuidelijke koninkrijken zijn gebracht, in samenhang met de profetie van tweeduizend driehonderd jaren.
To identify what the sticks of Ezekiel represent in the work of the gospel requires a basic understanding of the gospel. Christ accepted our fallen flesh after four thousand years of inherited weakness, which were passed unto Him through Mary. As our Example, He demonstrated that by the exercising of His will, to be surrendered unto His Father’s will, we can overcome as He overcame, by exercising our will in subjection to His will. Our will is employed, either for good or evil in our brain, which is the citadel of the soul.
Om vast te stellen wat de stokken van Ezechiël in het werk van het evangelie vertegenwoordigen, is een fundamenteel begrip van het evangelie vereist. Christus nam ons gevallen vlees op Zich na vierduizend jaar van overgeërfde zwakheid, die via Maria op Hem was overgegaan. Als ons Voorbeeld toonde Hij aan dat wij, door de uitoefening van onze wil in overgave aan de wil van Zijn Vader, kunnen overwinnen zoals Hij overwon, door onze wil te oefenen in onderwerping aan Zijn wil. Onze wil wordt in onze hersenen, die de vesting van de ziel zijn, aangewend, hetzij ten goede, hetzij ten kwade.
“The student who desires to put the work of two terms into one, should not be permitted to have his own way in this matter. To undertake to do double work means with many, overtaxation of the mind, and a neglect of proper physical exercise. It is not reasonable to suppose that the mind can grasp and digest an oversupply of mental food, and it is as great a sin to overfeed the mind as it is to load the digestive organs, giving the stomach no periods of rest. The brain is the citadel of the whole man, and wrong habits of eating, dressing, or sleeping, affect the brain, and prevent the attaining of that which the student desires,—a good mental discipline. Any part of the body that is not treated with consideration will telegraph its injury to the brain. There should be exercised much patience and perseverance in instructing the youth how to preserve their health. They should become well informed on this matter, that every muscle and organ may be so strengthened and disciplined that in voluntary or involuntary action, the best of health may result, and the brain be invigorated to sustain the taxation of study.” Christian Education, 124.
„De student die het werk van twee studietermijnen in één wenst te volbrengen, behoort in deze zaak niet zijn zin te krijgen. Voor velen betekent het ondernemen van dubbel werk een overbelasting van de geest en een veronachtzaming van de nodige lichamelijke oefening. Het is niet redelijk te veronderstellen dat de geest een overmaat aan geestelijk voedsel kan opnemen en verwerken, en het is evenzeer een zonde de geest te overvoeden als de spijsverteringsorganen te belasten en de maag geen perioden van rust te gunnen. De hersenen zijn de citadel van de gehele mens, en verkeerde gewoonten in eten, kleden of slapen tasten de hersenen aan en verhinderen het bereiken van datgene wat de student verlangt,—een goede verstandelijke vorming. Elk deel van het lichaam dat niet met zorg wordt behandeld, zal zijn letsel aan de hersenen doorgeven. Bij het onderwijzen van de jeugd hoe zij hun gezondheid kunnen bewaren, behoren veel geduld en volharding te worden betracht. Zij behoren in deze zaak grondig te worden onderricht, opdat elke spier en elk orgaan zó versterkt en geoefend moge worden dat, zowel in vrijwillige als in onwillekeurige werking, de best mogelijke gezondheid het gevolg moge zijn en de hersenen versterkt worden om de belasting van de studie te kunnen dragen.” Christian Education, 124.
The work of the everlasting covenant is to write God’s law upon our hearts and our minds, and both our heart and our mind is located in the “citadel of our souls,” which is our brain.
Het werk van het eeuwige verbond is Gods wet op ons hart en in ons verstand te schrijven, en zowel ons hart als ons verstand bevindt zich in de „burcht van onze ziel”, namelijk onze hersenen.
“The mind of a man or woman does not come down in a moment from purity and holiness to depravity, corruption, and crime. It takes time to transform the human to the divine, or to degrade those formed in the image of God to the brutal or the satanic. By beholding we become changed. Though formed in the image of his Maker, man can so educate his mind that sin which he once loathed will become pleasant to him. As he ceases to watch and pray, he ceases to guard the citadel, the heart, and engages in sin and crime. The mind is debased, and it is impossible to elevate it from corruption while it is being educated to enslave the moral and intellectual powers and bring them in subjection to grosser passions. Constant war against the carnal mind must be maintained; and we must be aided by the refining influence of the grace of God, which will attract the mind upward and habituate it to meditate upon pure and holy things.” Adventist Home, 330.
“De geest van een man of vrouw daalt niet in één ogenblik af van reinheid en heiligheid tot verdorvenheid, corruptie en misdaad. Er is tijd voor nodig om het menselijke tot het goddelijke om te vormen, of om hen die naar het beeld van God zijn gevormd te verlagen tot het beestachtige of het satanische. Door te aanschouwen worden wij veranderd. Hoewel de mens naar het beeld van zijn Maker is gevormd, kan hij zijn geest zó opvoeden dat de zonde die hij eens verfoeide, hem aangenaam wordt. Wanneer hij ophoudt te waken en te bidden, houdt hij op de citadel, het hart, te bewaken en geeft hij zich over aan zonde en misdaad. De geest wordt ontaard, en het is onmogelijk hem uit de verdorvenheid op te heffen terwijl hij wordt geoefend om de zedelijke en verstandelijke vermogens te knechten en deze onderwerping aan grovere hartstochten te brengen. Er moet voortdurend oorlog worden gevoerd tegen het vleselijke denken; en wij moeten worden bijgestaan door de verfijnende invloed van de genade van God, die de geest omhoog zal trekken en hem zal gewennen te peinzen over reine en heilige dingen.” Adventist Home, 330.
The “mind,” the “heart,” the “brain” is the “citadel of the soul.” A citadel is a fortress that is to be guarded from the entrance of sin.
De „geest”, het „hart”, de „hersenen” vormen de „burcht van de ziel”. Een burcht is een vesting die bewaakt moet worden tegen het binnendringen van de zonde.
“In His prayer to the Father, Christ gave to the world a lesson which should be graven on mind and soul. ‘This is life eternal,’ He said, ‘that they might know Thee the only true God, and Jesus Christ, whom Thou hast sent.’ John 17:3. This is true education. It imparts power. The experimental knowledge of God and of Jesus Christ whom He has sent, transforms man into the image of God. It gives to man the mastery of himself, bringing every impulse and passion of the lower nature under the control of the higher powers of the mind. It makes its possessor a son of God and an heir of heaven. It brings him into communion with the mind of the Infinite, and opens to him the rich treasures of the universe.” Christ’s Object Lessons, 114.
“In Zijn gebed tot de Vader gaf Christus aan de wereld een les die in verstand en ziel gegrift behoort te worden. ‘En dit is het eeuwige leven,’ zei Hij, ‘dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, Die Gij gezonden hebt.’ Johannes 17:3. Dit is ware opvoeding. Zij verleent kracht. De ervaringskennis van God en van Jezus Christus, Die Hij gezonden heeft, verandert de mens naar het beeld van God. Zij geeft de mens de heerschappij over zichzelf en brengt elke aandrift en hartstocht van de lagere natuur onder de beheersing van de hogere vermogens van de geest. Zij maakt haar bezitter tot een zoon van God en een erfgenaam van de hemel. Zij brengt hem in gemeenschap met de gedachte van de Oneindige en opent voor hem de rijke schatten van het heelal.” Lessen uit het Leven van Alledag, 114.
The “higher powers” are to be employed to control and bring into subjection the “impulses and passions of the lower nature.” The higher powers are located in the mind, and it is “communion with the mind of the Infinite,” that “transforms man into the image of God.” In the sealing time of the one hundred and forty-four thousand the image of the beast is formed in one class and the image of Christ in the other class. What accomplishes the transformation is the connection of minds. Those who have a carnal or fleshly mind as Paul identifies it, form the image of the flesh—the beast. Those who have attained the mind of Christ, form the image of Christ. The promise of the covenant is that we can attain to the mind of Christ at conversion, though we were all born with a carnal mind.
De „hogere vermogens” moeten worden aangewend om de „impulsen en hartstochten van de lagere natuur” te beheersen en te onderwerpen. De hogere vermogens bevinden zich in het verstand, en het is „gemeenschap met de Geest van de Oneindige” die „de mens naar het beeld van God omvormt.” In de verzegelingstijd van de honderdvierenvijftigduizend wordt in de ene klasse het beeld van het beest gevormd en in de andere klasse het beeld van Christus. Wat deze omvorming tot stand brengt, is de verbinding van geesten. Zij die een vleselijk of vleeslijk gezind denken hebben, zoals Paulus het aanduidt, vormen het beeld van het vlees—het beest. Zij die het denken van Christus hebben verkregen, vormen het beeld van Christus. De belofte van het verbond is dat wij bij de bekering het denken van Christus kunnen verkrijgen, hoewel wij allen met een vleselijk denken geboren zijn.
Let this mind be in you, which was also in Christ Jesus: Who, being in the form of God, thought it not robbery to be equal with God: But made himself of no reputation, and took upon him the form of a servant, and was made in the likeness of men: And being found in fashion as a man, he humbled himself, and became obedient unto death, even the death of the cross. Philippians 2:5–8.
Laat die gezindheid in u zijn die ook in Christus Jezus was: Hij, die in de gestalte van God was, heeft het niet als een roof geacht aan God gelijk te zijn; maar heeft Zichzelf ontledigd, de gestalte van een dienstknecht aangenomen en is de mensen gelijk geworden; en in gedaante als een mens bevonden, heeft Hij Zichzelf vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de dood des kruises. Filippenzen 2:5–8.
We are to have the mind of Christ in us, as it was also in Christ, for we were created in His image. But we do not have that mind, we have a carnal mind, sold under sin.
Wij behoren de gezindheid van Christus in ons te hebben, zoals die ook in Christus was, want wij zijn naar Zijn beeld geschapen. Maar wij hebben die gezindheid niet; wij hebben een vleselijke gezindheid, verkocht onder de zonde.
There is therefore now no condemnation to them which are in Christ Jesus, who walk not after the flesh, but after the Spirit. For the law of the Spirit of life in Christ Jesus hath made me free from the law of sin and death. For what the law could not do, in that it was weak through the flesh, God sending his own Son in the likeness of sinful flesh, and for sin, condemned sin in the flesh: That the righteousness of the law might be fulfilled in us, who walk not after the flesh, but after the Spirit. For they that are after the flesh do mind the things of the flesh; but they that are after the Spirit the things of the Spirit. For to be carnally minded is death; but to be spiritually minded is life and peace. Because the carnal mind is enmity against God: for it is not subject to the law of God, neither indeed can be. So then they that are in the flesh cannot please God. But ye are not in the flesh, but in the Spirit, if so be that the Spirit of God dwell in you. Now if any man have not the Spirit of Christ, he is none of his. And if Christ be in you, the body is dead because of sin; but the Spirit is life because of righteousness. Romans 8:1–10.
Zo is er dan nu geen verdoemenis voor hen die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest. Want de wet van de Geest des levens in Christus Jezus heeft mij vrijgemaakt van de wet der zonde en des doods. Want wat de wet niet vermocht, omdat zij zwak was door het vlees, dat heeft God gedaan, door Zijn eigen Zoon te zenden in de gelijkheid van het zondige vlees, en om der zonde wil de zonde in het vlees te veroordelen; opdat de rechtvaardige eis der wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest. Want zij die naar het vlees zijn, bedenken de dingen van het vlees; maar zij die naar de Geest zijn, de dingen van de Geest. Want het bedenken van het vlees is de dood, maar het bedenken van de Geest is leven en vrede. Daarom dat het bedenken van het vlees vijandschap is tegen God; want het onderwerpt zich niet aan de wet Gods, want het kan dat ook niet. Daarom kunnen zij die in het vlees zijn, Gode niet behagen. Gij echter zijt niet in het vlees, maar in de Geest, indien althans de Geest Gods in u woont. Maar indien iemand de Geest van Christus niet heeft, die behoort Hem niet toe. En indien Christus in u is, dan is wel het lichaam dood om der zonde wil, maar de Geest is leven om der gerechtigheid wil. Romeinen 8:1–10.
To be of the Spirit is life, and to be of the flesh is death. The flesh is the lower nature, it is the source of our feelings. The fleshly lower nature is to be governed by the higher nature, which is accomplished by the exercise of our wills in subjection to the Holy Spirit. Our higher carnal minds can be transformed here and now, but our lower nature must wait for the Second Coming to be changed.
Van de Geest te zijn is leven, en van het vlees te zijn is dood. Het vlees is de lagere natuur; het is de bron van onze gevoelens. De vleselijke lagere natuur dient beheerst te worden door de hogere natuur, hetgeen wordt volbracht door de uitoefening van onze wil in onderwerping aan de Heilige Geest. Ons hogere vleselijke verstand kan hier en nu worden getransformeerd, maar onze lagere natuur moet wachten op de Tweede Komst om veranderd te worden.
Ezekiel’s two sticks identify a stick that is represented as the courtyard, and that stick reached its conclusion in 1798. It had been perfectly divided by twelve hundred and sixty years of paganism trampling down the host, and twelve hundred and sixty years of papalism trampling down the host. That stick did not represent the trampling down of God’s sanctuary, for God’s sanctuary was located in the southern kingdom. The host that was trampled down by paganism and papalism, was a human temple, but in relation to the southern kingdom it was the body, and the southern kingdom was where God chose to place the head. The northern kingdom was the body, the southern kingdom was the head.
Ezechiëls twee stokken duiden een stok aan die wordt voorgesteld als de voorhof, en die stok bereikte zijn einde in 1798. Hij was volmaakt in tweeën gedeeld door twaalfhonderd zestig jaren waarin het heidendom het heerleger vertrapte, en twaalfhonderd zestig jaren waarin het pausdom het heerleger vertrapte. Die stok stelde niet het vertrappen van Gods heiligdom voor, want Gods heiligdom bevond zich in het zuidelijke koninkrijk. Het heerleger dat door het heidendom en het pausdom werd vertrapt, was een menselijke tempel, maar met betrekking tot het zuidelijke koninkrijk was het het lichaam, en het zuidelijke koninkrijk was de plaats waar God verkoos het hoofd te stellen. Het noordelijke koninkrijk was het lichaam, het zuidelijke koninkrijk was het hoofd.
The northern kingdom’s two divisions of twelve hundred and sixty years, represented the two various tendencies to sin in the body temple, as represented by inherited and cultivated tendencies. Paganism was a symbol of the inherited tendencies of sin in the body temple, and papalism’s adoption of the religion of paganism, represents the cultivated tendencies to sin. In either case, the body temple could not be transformed until the Second Coming, so the stick of the northern kingdom extended only to 1798, and when John was told to measure the temple, that stick was to be left off.
De twee perioden van twaalfhonderdzestig jaar van het noordelijke koninkrijk vertegenwoordigden de twee onderscheiden neigingen tot zonde in de lichaamstempel, voorgesteld door geërfde en aangekweekte neigingen. Het heidendom was een symbool van de geërfde neigingen tot zonde in de lichaamstempel, en de aanneming door het pausdom van de godsdienst van het heidendom vertegenwoordigt de aangekweekte neigingen tot zonde. In geen van beide gevallen kon de lichaamstempel vóór de Wederkomst worden veranderd, zodat de staf van het noordelijke koninkrijk zich slechts uitstrekte tot 1798, en toen Johannes werd opgedragen de tempel te meten, moest die staf buiten beschouwing worden gelaten.
The word “conversion,” means a transformation or change from one state or condition to another. When Adam and Eve sinned, they were “converted” from their original state, for they had been created perfect, in the image of God, with the higher powers controlling the lower powers. When they sinned, they were “converted” into a being where the lower powers took ascendancy over the higher powers. They transmitted that condition to all their descendants.
Het woord „bekering” betekent een omzetting of verandering van de ene toestand of gesteldheid in een andere. Toen Adam en Eva zondigden, werden zij „bekeerd” uit hun oorspronkelijke staat, want zij waren volmaakt geschapen, naar het beeld van God, waarbij de hogere vermogens de lagere vermogens beheersten. Toen zij zondigden, werden zij „bekeerd” tot een wezenstoestand waarin de lagere vermogens de overhand kregen over de hogere vermogens. Zij droegen die toestand over op al hun nakomelingen.
In the prophetic relation of Ezekiel’s two sticks, the Lord chose Jerusalem to be the head, the capital where the king resided. It was to be the higher power. In the simile of the two sticks the southern kingdom was the lower power in relation to the higher kingdom in the north. The conversion that is represented when the two sticks were to be joined, required that the southern kingdom was returned to its position as the head. It was to be converted unto the northern kingdom, for it was then joined with the true king of the north, and connected with the throne room of the true northern kingdom.
In de profetische verhouding van Ezechiëls twee stokken koos de Heer Jeruzalem om het hoofd te zijn, de hoofdstad waar de koning verbleef. Het moest de hogere macht zijn. In de gelijkenis van de twee stokken was het zuidelijke koninkrijk de lagere macht ten opzichte van het hogere koninkrijk in het noorden. De bekering die wordt voorgesteld wanneer de twee stokken samengevoegd moesten worden, vereiste dat het zuidelijke koninkrijk werd teruggebracht tot zijn positie als het hoofd. Het moest zich tot het noordelijke koninkrijk bekeren, want het werd toen verenigd met de ware koning van het noorden en verbonden met de troonzaal van het ware noordelijke koninkrijk.
For this reason, the northern kingdom only reached to 1798, and John was told to leave off the courtyard, which only reached to 1798. The southern kingdom would be joined to the stick of the twenty-three hundred years with the arrival of the third angel, but the northern kingdom would end as the combination of divinity and humanity was accomplished within the two apartments of the temple which John then measured. The northern kingdom was connected by the link of forty-six with the southern kingdom, at the arrival of the third angel, but it did not directly connect with 1844, as did the southern kingdom.
Om deze reden reikte het noordelijke koninkrijk slechts tot 1798, en Johannes werd opgedragen de voorhof buiten beschouwing te laten, die slechts tot 1798 reikte. Het zuidelijke koninkrijk zou bij de komst van de derde engel verbonden worden met de staf van de drieëntwintighonderd jaren, maar het noordelijke koninkrijk zou eindigen wanneer de vereniging van goddelijkheid en menselijkheid tot stand was gebracht binnen de twee afdelingen van de tempel die Johannes vervolgens mat. Het noordelijke koninkrijk was door de schakel van zesenveertig verbonden met het zuidelijke koninkrijk bij de komst van de derde engel, maar het had geen rechtstreekse verbinding met 1844, zoals het zuidelijke koninkrijk die wel had.
The southern kingdom was linked with both the temple of forty-six years, and the combination of divinity with humanity represented by the two hundred and twenty years. The northern kingdom in 1798, marked the foundation of the temple of forty-six years, but it there ended, for as the foundation, it represented the flesh which Christ had taken upon Himself, and His flesh was slain from the foundation of the world. All the temples are interchangeable symbols, and the foundation of the forty-six years in 1798, identifies His human flesh, and the conclusion of those forty-six years in 1844, identifies His Divinity.
Het zuidelijke koninkrijk was verbonden met zowel de tempel van zesenveertig jaren als met de vereniging van goddelijkheid en menselijkheid, voorgesteld door de tweehonderdtwintig jaren. Het noordelijke koninkrijk markeerde in 1798 het fundament van de tempel van zesenveertig jaren, maar daar eindigde het ook, want als fundament stelde het het vlees voor dat Christus op Zich had genomen, en Zijn vlees was geslacht van de grondlegging der wereld af. Al de tempels zijn onderling verwisselbare symbolen, en het fundament van de zesenveertig jaren in 1798 duidt Zijn menselijke vlees aan, en de voltooiing van die zesenveertig jaren in 1844 duidt Zijn Goddelijkheid aan.
The host that was trampled down until 1798 was not God’s sanctuary, though God’s sanctuary was represented as being trampled down in that period of time, but that trampling down was being carried out in the southern kingdom, where God had chosen Jerusalem, to place His sanctuary and name. The host that had been trampled down, represented the Gentiles, it represented the body.
De schare die tot 1798 vertrapt werd, was niet Gods heiligdom, hoewel Gods heiligdom in die periode werd voorgesteld als vertrapt; maar dat vertrappen vond plaats in het zuidelijke koninkrijk, waar God Jeruzalem had verkozen om Zijn heiligdom en Zijn Naam te vestigen. De schare die vertrapt was, stelde de heidenen voor; zij stelde het lichaam voor.
When Adam and Eve sinned, the “seven times” of seven thousand years of humanity being trampled down by sin began. At that point, the Lamb who was slain from the foundation of the world provided skins of lamb to cover the sinful nakedness of humanity. When the trampling down of humanity concluded in 1798, the Lamb, who is the foundation and builder of every sanctified representation of a temple, was again slain. There the northern kingdom, and the human temple represented therein, ended.
Toen Adam en Eva zondigden, begon de „zeven tijden” van zevenduizend jaren waarin de mensheid door de zonde werd vertreden. Op dat moment verschafte het Lam, dat geslacht is van de grondlegging der wereld af, vellen van lammeren om de zondige naaktheid van de mensheid te bedekken. Toen het vertreden van de mensheid in 1798 ten einde kwam, werd het Lam, dat het fundament en de bouwer is van elke geheiligde voorstelling van een tempel, opnieuw geslacht. Daar kwam het noordelijke koninkrijk, en de daarin vertegenwoordigde menselijke tempel, ten einde.
1798 was when the counterfeit antichrist was slain after he had given his satanic witness of three and a half prophetic years, which began with his empowerment in the year 538, which was preceded by thirty years of preparation beginning in the year 508. That was a satanic counterfeit of Christ’s thirty years of preparation that began at His birth, which ended at His empowerment, when He was baptized, and thereafter He gave His testimony for three and a half literal years until He reached the point where the Lamb slain from the foundation of the world was crucified. Then was fulfilled His promise that once the temple was destroyed, He would raise it up in three days.
1798 was het jaar waarin de vervalste antichrist werd gedood, nadat hij gedurende drie en een half profetische jaren zijn satanisch getuigenis had gegeven, dat begon met zijn machtiging in het jaar 538, welke werd voorafgegaan door dertig jaren van voorbereiding, beginnend in het jaar 508. Dat was een satanische vervalsing van Christus’ dertig jaren van voorbereiding die bij Zijn geboorte begonnen, die eindigden bij Zijn machtiging, toen Hij werd gedoopt, en daarna gaf Hij gedurende drie en een half letterlijke jaren Zijn getuigenis, totdat Hij het punt bereikte waarop het Lam dat geslacht is vanaf de grondlegging der wereld, werd gekruisigd. Toen werd Zijn belofte vervuld dat Hij, zodra de tempel was afgebroken, die in drie dagen zou oprichten.
He would be the one that raised up His body temple, for it was the power of His divinity that accomplished the resurrection, for His divinity did not die at the crucifixion, it was His humanity that died on the cross, for it is impossible for God to die.
Hij zou Degene zijn die de tempel van Zijn lichaam zou doen verrijzen, want het was de kracht van Zijn goddelijkheid die de opstanding tot stand bracht; want Zijn goddelijkheid stierf niet bij de kruisiging, het was Zijn menselijkheid die aan het kruis stierf, want het is onmogelijk dat God sterft.
“‘I am the resurrection, and the life’ (John 11:25). He who had said, ‘I lay down my life, that I might take it again’ (John 10:17), came forth from the grave to life that was in Himself. Humanity died; divinity did not die. In His divinity, Christ possessed the power to break the bonds of death. He declares that He has life in Himself to quicken whom He will.” Selected Messages, book 1, 301.
“‘Ik ben de opstanding en het leven’ (Johannes 11:25). Hij die had gezegd: ‘Ik leg Mijn leven af, opdat Ik het wederom neme’ (Johannes 10:17), kwam uit het graf tevoorschijn tot leven dat in Hemzelf was. De mensheid stierf; de godheid stierf niet. In Zijn godheid bezat Christus de macht om de banden van de dood te verbreken. Hij verklaart dat Hij leven in Zichzelf heeft om levend te maken wie Hij wil.” Selected Messages, boek 1, 301.
In 1798, the human temple, the host of the “northern kingdom”, came to a conclusion, for as the symbol of the lower nature, it could not be changed until the resurrection at the Second Coming. It did however identify the foundation of the forty-six years when Christ raised up the temple which could be transformed, represented by the southern kingdom, which was a symbol of the higher powers of the mind, which is transformed the moment a sinner is justified.
In 1798 kwam de menselijke tempel, de schare van het „noorderkoninkrijk”, tot een einde, want als symbool van de lagere natuur kon zij niet veranderd worden vóór de opstanding bij de Tweede Komst. Zij wees echter wel op het fundament van de zesenveertig jaren waarin Christus de tempel oprichtte die wél kon worden veranderd, voorgesteld door het zuiderkoninkrijk, dat een symbool was van de hogere vermogens van de geest, die worden veranderd op het ogenblik dat een zondaar gerechtvaardigd wordt.
“Upon the foundation that Christ Himself had laid, the apostles built the church of God. In the Scriptures the figure of the erection of a temple is frequently used to illustrate the building of the church. Zechariah refers to Christ as the Branch that should build the temple of the Lord. He speaks of the Gentiles as helping in the work: ‘They that are far off shall come and build in the temple of the Lord;’ and Isaiah declares, ‘The sons of strangers shall build up thy walls.’ Zechariah 6:12, 15; Isaiah 60:10.
„Op het fundament dat Christus Zelf had gelegd, bouwden de apostelen de gemeente van God. In de Schriften wordt het beeld van de oprichting van een tempel dikwijls gebruikt om de opbouw van de gemeente te illustreren. Zacharia verwijst naar Christus als de Spruit die de tempel des HEEREN zal bouwen. Hij spreekt over de heidenen als helpers in het werk: ‘En wie veraf zijn, zullen komen en bouwen aan de tempel des HEEREN;’ en Jesaja verklaart: ‘En de zonen van vreemdelingen zullen uw muren opbouwen.’ Zacharia 6:12, 15; Jesaja 60:10.”
“Writing of the building of this temple, Peter says, ‘To whom coming, as unto a living stone, disallowed indeed of men, but chosen of God, and precious, ye also, as lively stones, are built up a spiritual house, an holy priesthood, to offer up spiritual sacrifices, acceptable to God by Jesus Christ.’ 1 Peter 2:4, 5.
Over de bouw van deze tempel schrijft Petrus: ‘Tot Wie komende, als tot een levende steen, wel door de mensen verworpen, maar bij God uitverkoren en kostbaar, wordt ook gij, als levende stenen, opgebouwd tot een geestelijk huis, een heilig priesterschap, om geestelijke offers te brengen, die Gode welgevallig zijn door Jezus Christus.’ 1 Petrus 2:4, 5.
“In the quarry of the Jewish and the Gentile world the apostles labored, bringing out stones to lay upon the foundation. In his letter to the believers at Ephesus, Paul said, ‘Now therefore ye are no more strangers and foreigners, but fellow citizens with the saints, and of the household of God; and are built upon the foundation of the apostles and prophets, Jesus Christ Himself being the Chief Cornerstone; in whom all the building fitly framed together groweth unto an holy temple in the Lord: in whom ye also are builded together for an habitation of God through the Spirit.’ Ephesians 2:19–22.
“In de steengroeve van de Joodse en de heidense wereld arbeidden de apostelen en brachten zij stenen naar voren om op het fundament te leggen. In zijn brief aan de gelovigen te Efeze zei Paulus: ‘Zo zijt gij dan niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods; gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus Zelf de uiterste Hoeksteen is; op Wie het gehele gebouw, goed samengevoegd, verrijst tot een heilige tempel in de Heere; op Wie ook gij mede gebouwd wordt tot een woning Gods in de Geest.’ Efeziërs 2:19–22.
“And to the Corinthians he wrote: ‘According to the grace of God which is given unto me, as a wise master builder, I have laid the foundation, and another buildeth thereon. But let every man take heed how he buildeth thereupon. For other foundation can no man lay than that is laid, which is Jesus Christ. Now if any man build upon this foundation gold, silver, precious stones, wood, hay, stubble; every man’s work shall be made manifest: for the day shall declare it, because it shall be revealed by fire; and the fire shall try every man’s work of what sort it is.’ 1 Corinthians 3:10–13.
En aan de Korinthiërs schreef hij: „Naar de genade Gods, die mij gegeven is, heb ik als een wijs bouwmeester het fundament gelegd, en een ander bouwt daarop voort. Maar ieder zie toe, hoe hij daarop bouwt. Want niemand kan een ander fundament leggen dan hetgeen gelegd is, hetwelk is Jezus Christus. En indien iemand op dit fundament bouwt goud, zilver, kostbare stenen, hout, hooi, stoppelen; ieders werk zal openbaar worden; want de dag zal het aan het licht brengen, omdat hij door vuur geopenbaard wordt; en het vuur zal ieders werk beproeven, hoedanig het is.” 1 Korinthiërs 3:10–13.
“The apostles built upon a sure foundation, even the Rock of Ages. To this foundation they brought the stones that they quarried from the world. Not without hindrance did the builders labor. Their work was made exceedingly difficult by the opposition of the enemies of Christ. They had to contend against the bigotry, prejudice, and hatred of those who were building upon a false foundation. Many who wrought as builders of the church could be likened to the builders of the wall in Nehemiah’s day, of whom it is written: ‘They which builded on the wall, and they that bare burdens, with those that laded, everyone with one of his hands wrought in the work, and with the other hand held a weapon.’ Nehemiah 4:17.” Acts of the Apostles, 595, 596.
„De apostelen bouwden op een hecht fundament, namelijk de Rots der eeuwen. Tot dit fundament brachten zij de stenen die zij uit de wereld hadden uitgehouwen. Niet zonder belemmering verrichtten de bouwlieden hun arbeid. Hun werk werd buitengewoon bemoeilijkt door de tegenstand van de vijanden van Christus. Zij moesten strijden tegen de bekrompenheid, het vooroordeel en de haat van hen die bouwden op een vals fundament. Velen die als bouwlieden van de gemeente arbeidden, konden worden vergeleken met de bouwers van de muur in de dagen van Nehemia, van wie geschreven staat: ‘Die aan de muur bouwden, en die lasten droegen, met hen die laadden, verrichtte ieder met de ene hand het werk, en hield met de andere hand een wapen vast.’ Nehemia 4:17.” Handelingen van de Apostelen, 595, 596.
We will continue this study in the next article.
Wij zullen deze studie in het volgende artikel voortzetten.
“The fall of man filled all heaven with sorrow. The world that God had made was blighted with the curse of sin and inhabited by beings doomed to misery and death. There appeared no escape for those who had transgressed the law. Angels ceased their songs of praise. Throughout the heavenly courts there was mourning for the ruin that sin had wrought.
„De val van de mens vervulde de gehele hemel met droefheid. De wereld die God had gemaakt, werd geteisterd door de vloek van de zonde en bewoond door wezens die tot ellende en dood gedoemd waren. Er scheen geen ontkoming te zijn voor hen die de wet hadden overtreden. De engelen staakten hun lofzangen. In de hemelse hoven was alom rouw over de verwoesting die de zonde had aangericht.
“The Son of God, heaven’s glorious Commander, was touched with pity for the fallen race. His heart was moved with infinite compassion as the woes of the lost world rose up before Him. But divine love had conceived a plan whereby man might be redeemed. The broken law of God demanded the life of the sinner. In all the universe there was but one who could, in behalf of man, satisfy its claims. Since the divine law is as sacred as God Himself, only one equal with God could make atonement for its transgression. None but Christ could redeem fallen man from the curse of the law and bring him again into harmony with Heaven. Christ would take upon Himself the guilt and shame of sin—sin so offensive to a holy God that it must separate the Father and His Son. Christ would reach to the depths of misery to rescue the ruined race.
“De Zoon van God, de heerlijke Bevelhebber des hemels, werd met medelijden bewogen over het gevallen mensengeslacht. Zijn hart werd bewogen met oneindig mededogen toen de ellenden van de verloren wereld voor Hem oprezen. Maar de goddelijke liefde had een plan ontworpen waardoor de mens verlost kon worden. De geschonden wet van God eiste het leven van de zondaar. In het hele heelal was er slechts Eén die, ten behoeve van de mens, aan haar eisen kon voldoen. Aangezien de goddelijke wet even heilig is als God Zelf, kon alleen Eén die aan God gelijk was, verzoening doen voor haar overtreding. Niemand dan Christus kon de gevallen mens verlossen van de vloek van de wet en hem opnieuw in overeenstemming met de hemel brengen. Christus zou de schuld en schande van de zonde op Zich nemen—zonde die voor een heilig God zo aanstootgevend is dat zij de Vader en Zijn Zoon moet scheiden. Christus zou afdalen tot in de diepten van de ellende om het te gronde gerichte mensengeslacht te redden.
“Before the Father He pleaded in the sinner’s behalf, while the host of heaven awaited the result with an intensity of interest that words cannot express. Long continued was that mysterious communing—’the counsel of peace’ (Zechariah 6:13) for the fallen sons of men. The plan of salvation had been laid before the creation of the earth; for Christ is ‘the Lamb slain from the foundation of the world’ (Revelation 13:8); yet it was a struggle, even with the King of the universe, to yield up His Son to die for the guilty race. But ‘God so loved the world, that He gave His only-begotten Son, that whosoever believeth in Him should not perish, but have everlasting life.’ John 3:16. Oh, the mystery of redemption! the love of God for a world that did not love Him! Who can know the depths of that love which ‘passeth knowledge’? Through endless ages immortal minds, seeking to comprehend the mystery of that incomprehensible love, will wonder and adore.
“Voor de Vader pleitte Hij ten behoeve van de zondaar, terwijl de hemelse heirscharen de uitkomst afwachtten met een intensiteit van belangstelling die geen woorden kunnen uitdrukken. Lang duurde dat geheimzinnige samenzijn voort — ‘de raad des vredes’ (Zacharia 6:13) ten behoeve van de gevallen zonen der mensen. Het verlossingsplan was vastgesteld vóór de schepping der aarde; want Christus is ‘het Lam, Dat geslacht is van de grondlegging der wereld af’ (Openbaring 13:8); toch was het, zelfs voor de Koning van het heelal, een worsteling om Zijn Zoon over te geven om te sterven voor het schuldige mensengeslacht. Maar ‘Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe.’ Johannes 3:16. O, het mysterie der verlossing! de liefde van God voor een wereld die Hem niet liefhad! Wie kan de diepten kennen van die liefde, die ‘de kennis te boven gaat’? Door eindeloze eeuwen heen zullen onsterfelijke geesten, in hun streven het mysterie van die onbegrijpelijke liefde te verstaan, zich verwonderen en aanbidden.”
“God was to be manifest in Christ, ‘reconciling the world unto Himself.’ 2 Corinthians 5:19. Man had become so degraded by sin that it was impossible for him, in himself, to come into harmony with Him whose nature is purity and goodness. But Christ, after having redeemed man from the condemnation of the law, could impart divine power to unite with human effort. Thus by repentance toward God and faith in Christ the fallen children of Adam might once more become ‘sons of God.’ 1 John 3:2.” Patriarchs and Prophets, 63, 64.
“God zou geopenbaard worden in Christus, ‘de wereld met Zichzelf verzoenende.’ 2 Korinthe 5:19. De mens was door de zonde zó diep gezonken dat het hem uit zichzelf onmogelijk was in harmonie te komen met Hem wiens natuur reinheid en goedheid is. Maar Christus kon, nadat Hij de mens had verlost van de veroordeling der wet, goddelijke kracht meedelen om zich met menselijke inspanning te verenigen. Zo konden door berouw jegens God en geloof in Christus de gevallen kinderen van Adam opnieuw ‘kinderen Gods’ worden. 1 Johannes 3:2.” Patriarchen en Profeten, 63, 64.