In the third year of Cyrus king of Persia a thing was revealed unto Daniel, whose name was called Belteshazzar; and the thing was true, but the time appointed was long: and he understood the thing, and had understanding of the vision. In those days I Daniel was mourning three full weeks. I ate no pleasant bread, neither came flesh nor wine in my mouth, neither did I anoint myself at all, till three whole weeks were fulfilled. And in the four and twentieth day of the first month, as I was by the side of the great river, which is Hiddekel. Daniel 10:1–4.

In het derde jaar van Kores, de koning van Perzië, werd aan Daniël, wiens naam Beltsazar genoemd werd, een zaak geopenbaard; en die zaak was waar, maar de vastgestelde tijd was lang; en hij verstond die zaak en had inzicht in het gezicht. In die dagen was ik, Daniël, drie volle weken in rouw. Ik at geen smakelijk brood, noch kwam vlees of wijn in mijn mond, noch zalfde ik mijzelf geheel niet, totdat drie volle weken vervuld waren. En op de vierentwintigste dag van de eerste maand, terwijl ik mij bevond aan de oever van de grote rivier, die de Hiddekel is. Daniël 10:1–4.

During the symbolic three and a half days of Revelation chapter eleven, when the two witnesses are dead in the street, a “thing” is revealed to Belteshazzar. He had previously understood the “vision” (mareh), for in chapter nine, Gabriel had already come and given him understanding of the vision.

Gedurende de symbolische drieënhalve dagen van Openbaring hoofdstuk elf, wanneer de twee getuigen dood op de straat liggen, wordt aan Beltsassar een „zaak” geopenbaard. Eerder had hij het „gezicht” (mareh) verstaan, want in hoofdstuk negen was Gabriël reeds gekomen en had hij hem inzicht in het gezicht gegeven.

Yea, whiles I was speaking in prayer, even the man Gabriel, whom I had seen in the vision at the beginning, being caused to fly swiftly, touched me about the time of the evening oblation. And he informed me, and talked with me, and said, O Daniel, I am now come forth to give thee skill and understanding. At the beginning of thy supplications the commandment came forth, and I am come to show thee; for thou art greatly beloved: therefore understand the matter, and consider the vision. Daniel 9:21–23.

Ja, terwijl ik nog sprak in het gebed, raakte de man Gabriël, die ik in het begin in het visioen gezien had, mij, snel vliegende, omtrent de tijd van het avondoffer aan. En hij onderwees mij, sprak met mij en zei: O Daniël, nu ben ik uitgegaan om u inzicht en verstand te geven. Bij het begin van uw smeekbeden ging het woord uit, en ik ben gekomen om het u bekend te maken; want gij zijt zeer geliefd. Versta daarom de zaak en let op het visioen. Daniël 9:21–23.

The “man Gabriel, whom” Daniel “had seen in the vision at the beginning,” is referencing the “chazon,” vision of prophetic history, which was referring to Gabriel interpreting the vision of the kingdoms of Bible prophecy for Daniel in chapter eight. But the “vision,” which Daniel was then to consider in chapter nine, was the “mareh,” vision of the appearance. Gabriel then provides the historical breakdown of the twenty-three hundred year prophecy for Daniel.

De „man Gabriël, die” Daniël „in het begin in het visioen had gezien”, verwijst naar de „chazon”, het visioen van de profetische geschiedenis, waarmee werd gedoeld op Gabriëls uitleg aan Daniël van het visioen van de koninkrijken uit de Bijbelprofetie in hoofdstuk acht. Maar het „visioen” dat Daniël vervolgens in hoofdstuk negen moest overwegen, was de „mareh”, het visioen van de verschijning. Vervolgens geeft Gabriël Daniël de historische uiteenzetting van de profetie van de tweeduizend driehonderd jaar.

Chapter nine, was fulfilled in the first year of Darius. When Belteshazzar states that he “had understanding of the vision,” in “the third year of Cyrus,” he had understood the “mareh,” vision for two years. What Belteshazzar came to understand in “those days” of mourning was the “thing,” that is the Hebrew word “dabar,” and it was long, for the time appointed was twenty-five hundred and twenty years.

Hoofdstuk negen werd vervuld in het eerste jaar van Darius. Wanneer Belteshazzar verklaart dat hij „het gezicht verstond” in „het derde jaar van Kores”, had hij het „mareh”-gezicht reeds twee jaar verstaan. Wat Belteshazzar in „die dagen” van rouw ging verstaan, was de „zaak”, dat is het Hebreeuwse woord „dabar”, en zij was langdurig, want de vastgestelde tijd was tweeduizend vijfhonderd en twintig jaar.

Daniel had already understood some of the “thing,” for he was accomplishing the Leviticus twenty-six prayer in chapter nine, and that is the prayer of the “thing.” There was increased light upon the “seven times,” that Belteshazzar came to understand during the twenty-one days of mourning, and the increase of light on the “seven times,” during those days of mourning, typified the increased light upon the “seven times” in 1856. The Millerites also previously knew of the “seven times,” for they had proclaimed it, but there was added light that was to test them at the very point in their history when they transitioned from the Philadelphian to Laodicean movement.

Daniël had reeds iets van de „zaak” begrepen, want in hoofdstuk negen volbracht hij het gebed van Leviticus zesentwintig, en dat is het gebed van de „zaak”. Er kwam vermeerderd licht op de „zeven tijden”, dat Beltsazar gedurende de eenentwintig dagen van rouw ging verstaan, en de vermeerdering van licht op de „zeven tijden” gedurende die dagen van rouw was een voorafbeelding van het vermeerderde licht op de „zeven tijden” in 1856. Ook de Millerieten kenden tevoren de „zeven tijden”, want zij hadden die verkondigd, maar er was toegevoegd licht dat hen moest beproeven juist op het punt in hun geschiedenis waarop zij de overgang maakten van de Filadelfische naar de Laodiceïsche beweging.

Belteshazzar’s days of mourning parallel the prophetic history of when the Philadelphian movement transitioned to the Laodicean movement in 1856, and then to the Laodicean Adventist church in 1863. Both Belteshazzar’s and the Millerite’s history of the increased light upon the “seven times,” aligns with the transition of the Laodicean movement of the third angel unto the Philadelphian movement of the one hundred and forty-four thousand, and in the days of mourning, which is during the tarrying time, when increased light upon the “seven times,” was to be revealed.

Belteshazzars dagen van rouw lopen parallel met de profetische geschiedenis van het moment waarop de Philadelphische beweging in 1856 overging in de Laodiceaanse beweging, en vervolgens in 1863 in de Laodiceaanse Adventkerk. Zowel Belteshazzars geschiedenis als die van de Millerieten, betreffende het toegenomen licht op de „zeven tijden”, stemt overeen met de overgang van de Laodiceaanse beweging van de derde engel naar de Philadelphische beweging van de honderd vierenveertigduizend, en met de dagen van rouw, dat wil zeggen gedurende de vertoeftijd, wanneer toegenomen licht op de „zeven tijden” geopenbaard zou worden.

Belteshazzar represents both a messenger and a movement. In the days of his mourning the messenger is to understand the “thing,” which is Truth, and he is then to present the “thing” to a movement, when Michael resurrects the two witnesses in 2023.

Beltsazar vertegenwoordigt zowel een boodschapper als een beweging. In de dagen van zijn rouw moet de boodschapper de „zaak”, die de Waarheid is, verstaan, en vervolgens moet hij de „zaak” aan een beweging voorleggen, wanneer Michaël in 2023 de twee getuigen opwekt.

The Hebrew word “mareh” (vision of Christ’s appearance), that Daniel is identified as understanding in verse one, is presented four times in Daniel’s last vision. Twice it is translated as “vision,” and twice as “appearance.” The first time Daniel employs the word in verse one, he is identifying that he understood the “vision,” but the other three references identify Daniel experiencing the vision. In verse six, Christ’s face was “as the ‘appearance’ of lightning.”

Het Hebreeuwse woord “mareh” (visioen van Christus’ verschijning), waarvan in vers één wordt vastgesteld dat Daniël het verstond, komt viermaal voor in Daniëls laatste visioen. Tweemaal wordt het vertaald als “visioen” en tweemaal als “verschijning”. De eerste keer dat Daniël het woord in vers één gebruikt, geeft hij aan dat hij het “visioen” verstond, maar de andere drie verwijzingen duiden erop dat Daniël het visioen ervoer. In vers zes was Christus’ gelaat “als de ‘verschijning’ van de bliksem.”

And in the four and twentieth day of the first month, as I was by the side of the great river, which is Hiddekel; Then I lifted up mine eyes, and looked, and behold a certain man clothed in linen, whose loins were girded with fine gold of Uphaz: His body also was like the beryl, and his face as the appearance of lightning, and his eyes as lamps of fire, and his arms and his feet like in colour to polished brass, and the voice of his words like the voice of a multitude. And I Daniel alone saw the vision: for the men that were with me saw not the vision; but a great quaking fell upon them, so that they fled to hide themselves. Therefore I was left alone, and saw this great vision, and there remained no strength in me: for my comeliness was turned in me into corruption, and I retained no strength. Daniel 10:4–8.

En op de vierentwintigste dag van de eerste maand, toen ik aan de oever van de grote rivier was, namelijk de Hiddekel, sloeg ik mijn ogen op en zag, en zie, een man, in linnen gekleed, wiens lendenen omgord waren met fijn goud van Ufaz. Ook was zijn lichaam als turkoois, en zijn aangezicht als de verschijning van de bliksem, en zijn ogen als vurige fakkels, en zijn armen en zijn voeten als de glans van gepolijst koper, en de stem van zijn woorden als het geluid van een menigte. En ik, Daniël, zag alleen het gezicht; want de mannen die bij mij waren, zagen het gezicht niet; maar een grote beving viel op hen, zodat zij vluchtten om zich te verbergen. Daarom bleef ik alleen over, en zag dit grote gezicht, en er bleef in mij geen kracht over; want mijn luister werd in mij verkeerd tot verderf, en ik behield geen kracht. Daniël 10:4–8.

There is another Hebrew word translated as “vision,” that we will address after we set forth some characteristics of the Hebrew word “mareh.” In the previous verses it is the word “appearance,” that is the Hebrew word “mareh.” The same word is translated as “vision” in verse sixteen. In verse sixteen, the vision of Christ has made Daniel sorrowful.

Er is nog een ander Hebreeuws woord dat met „visioen” wordt vertaald, waarop wij zullen ingaan nadat wij enkele kenmerken van het Hebreeuwse woord „mareh” hebben uiteengezet. In de voorgaande verzen is het woord „verschijning” het Hebreeuwse woord „mareh”. Datzelfde woord wordt in vers zestien met „visioen” vertaald. In vers zestien heeft het visioen van Christus Daniël bedroefd gemaakt.

And, behold, one like the similitude of the sons of men touched my lips: then I opened my mouth, and spake, and said unto him that stood before me, O my lord, by the vision my sorrows are turned upon me, and I have retained no strength. Daniel 10:16.

En zie, iemand gelijk de gelijkenis van de mensenkinderen raakte mijn lippen aan; toen opende ik mijn mond en sprak, en zei tot hem die tegenover mij stond: O mijn heer, door het gezicht hebben mijn smarten mij overvallen, en ik heb geen kracht behouden. Daniël 10:16.

The Hebrew word translated as “sorrows,” means a hinge, and the “vision” of Christ’s appearance that Daniel saw in the verse turned a hinge. A “hinge” in prophecy represents a turning point.

Het Hebreeuwse woord dat als „smarten” is vertaald, betekent een scharnier, en het „visioen” van Christus’ verschijning dat Daniël in het vers zag, draaide om een scharnier. Een „scharnier” vertegenwoordigt in de profetie een keerpunt.

“There are lessons to be learned from the history of the past; and attention is called to these, that all may understand that God works on the same lines now that He ever has done. His hand is seen in His work and among the nations now, just the same as it has been ever since the gospel was first proclaimed to Adam in Eden.

“Er zijn lessen te leren uit de geschiedenis van het verleden; en de aandacht wordt daarop gevestigd, opdat allen mogen begrijpen dat God thans volgens dezelfde lijnen werkt als Hij altijd heeft gedaan. Zijn hand wordt gezien in Zijn werk en onder de volken nu, precies zoals dat het geval is geweest sinds het evangelie voor het eerst aan Adam in Eden werd verkondigd.

“There are periods which are turning points in the history of nations and of the church. In the providence of God, when these different crises arrive, the light for that time is given. If it is received, there is spiritual progress; if it is rejected, spiritual declension and shipwreck follow. The Lord in His word has opened up the aggressive work of the gospel as it has been carried on in the past, and will be in the future, even to the closing conflict, when Satanic agencies will make their last wonderful movement.” Bible Echo, August 26, 1895.

‘Er zijn perioden die keerpunten vormen in de geschiedenis van naties en van de kerk. In de voorzienigheid van God wordt, wanneer deze verschillende crises aanbreken, het licht voor die tijd gegeven. Indien het wordt aangenomen, is er geestelijke vooruitgang; indien het wordt verworpen, volgen geestelijke achteruitgang en schipbreuk. De Heere heeft in Zijn Woord het aanvallende werk van het evangelie geopenbaard zoals het in het verleden is voortgezet en in de toekomst zal worden voortgezet, ja, tot aan het afsluitende conflict, wanneer satanische machten hun laatste wonderlijke beweging zullen maken.’ Bible Echo, 26 augustus 1895.

Verse sixteen represents a turning point in the history that Belteshazzar is representing. It is a turning point for both the Republican horn (the nation) and the Protestant horn (the church). It represents a crisis, and it represents the point where special light for that history is given. The turning point for Daniel occurred when Daniel had been “touched,” the second time of three times. Daniel would be touched three times, and the second time he was touched, was a turning point for Daniel, and that turning point was the second of three times which Daniel saw the “mareh” vision.

Vers zestien vertegenwoordigt een keerpunt in de geschiedenis die Beltsassar vertegenwoordigt. Het is een keerpunt zowel voor de Republikeinse hoorn (de natie) als voor de Protestantse hoorn (de kerk). Het vertegenwoordigt een crisis, en het vertegenwoordigt het punt waarop bijzonder licht voor die geschiedenis wordt gegeven. Het keerpunt voor Daniël vond plaats toen Daniël voor de tweede van drie keer was „aangeraakt”. Daniël zou driemaal worden aangeraakt, en de tweede keer dat hij werd aangeraakt, was een keerpunt voor Daniël; en dat keerpunt was de tweede van drie keer dat Daniël het „mareh”-visioen zag.

And, behold, one like the similitude of the sons of men touched my lips: then I opened my mouth, and spake, and said unto him that stood before me, O my lord, by the vision my sorrows are turned upon me, and I have retained no strength. Daniel 10:16.

En zie, iemand, gelijk de gedaante van de zonen der mensen, raakte mijn lippen aan; toen opende ik mijn mond, sprak en zei tot hem die tegenover mij stond: O mijn heer, door het visioen hebben smarten mij overvallen, en ik heb geen kracht overgehouden. Daniël 10:16.

We will address the three touches shortly. The first of the four times the word “mareh” is employed by Daniel, was his testimony that he understood the vision, and the final three references identify his experience when he actually saw the appearance. The third time he identifies the vision of the appearance is verse eighteen, where he is touched for the third time.

Wij zullen de drie aanrakingen binnenkort behandelen. De eerste van de vier keren dat Daniël het woord „mareh” gebruikt, was zijn getuigenis dat hij het visioen begreep, en de laatste drie verwijzingen duiden op zijn ervaring toen hij de verschijning daadwerkelijk zag. De derde keer dat hij het visioen van de verschijning aanduidt, is in vers achttien, waar hij voor de derde keer wordt aangeraakt.

Then there came again and touched me one like the appearance of a man, and he strengthened me. Daniel 10:18.

Toen kwam opnieuw iemand tot mij, die mij aanraakte, iemand als in de gedaante van een mens, en hij sterkte mij. Daniël 10:18.

At the second touch, in verse sixteen, which is the second reference to the “marah” vision, his strength is gone, but at the third touch, his strength is restored. In verses ten, sixteen and eighteen Daniel is touched. In verse six, Daniel sees the appearance of Christ, and then Gabriel, and in verse ten, Gabriel touches Daniel for the first time.

Bij de tweede aanraking, in vers zestien, die de tweede verwijzing naar het „marah”-visioen is, is zijn kracht geweken; maar bij de derde aanraking wordt zijn kracht hersteld. In de verzen tien, zestien en achttien wordt Daniël aangeraakt. In vers zes ziet Daniël de verschijning van Christus, en vervolgens Gabriël, en in vers tien raakt Gabriël Daniël voor de eerste maal aan.

Then I lifted up mine eyes, and looked, and behold a certain man clothed in linen, whose loins were girded with fine gold of Uphaz: His body also was like the beryl, and his face as the appearance of lightning, and his eyes as lamps of fire, and his arms and his feet like in colour to polished brass, and the voice of his words like the voice of a multitude. And I Daniel alone saw the vision: for the men that were with me saw not the vision; but a great quaking fell upon them, so that they fled to hide themselves. Therefore I was left alone, and saw this great vision, and there remained no strength in me: for my comeliness was turned in me into corruption, and I retained no strength.

Toen sloeg ik mijn ogen op en zag, en zie, een zekere man, gekleed in linnen, wiens lendenen omgord waren met fijn goud van Ufaz. Ook was zijn lichaam als turkoois, en zijn gezicht als de aanblik van de bliksem, en zijn ogen als vurige fakkels, en zijn armen en zijn voeten als de glans van gepolijst koper, en de stem van zijn woorden als het geluid van een menigte. En ik, Daniël, zag als enige het gezicht; want de mannen die bij mij waren, zagen het gezicht niet; maar een grote beving viel op hen, zodat zij vluchtten om zich te verbergen. Daarom bleef ik alleen over, en zag dit grote gezicht, en er bleef geen kracht in mij over; want mijn schoonheid veranderde in mij in verval, en ik behield geen kracht.

Yet heard I the voice of his words: and when I heard the voice of his words, then was I in a deep sleep on my face, and my face toward the ground. And, behold, an hand touched me, which set me upon my knees and upon the palms of my hands. And he said unto me, O Daniel, a man greatly beloved, understand the words that I speak unto thee, and stand upright: for unto thee am I now sent. And when he had spoken this word unto me, I stood trembling. Then said he unto me, Fear not, Daniel: for from the first day that thou didst set thine heart to understand, and to chasten thyself before thy God, thy words were heard, and I am come for thy words. But the prince of the kingdom of Persia withstood me one and twenty days: but, lo, Michael, one of the chief princes, came to help me; and I remained there with the kings of Persia. Now I am come to make thee understand what shall befall thy people in the latter days: for yet the vision is for many days. Daniel 10:5–14.

Doch ik hoorde de stem van zijn woorden; en toen ik de stem van zijn woorden hoorde, viel ik in een diepe slaap op mijn aangezicht, met mijn aangezicht ter aarde. En zie, een hand raakte mij aan, en deed mij opstaan op mijn knieën en op de handpalmen van mijn handen. En hij zei tot mij: O Daniël, gij zeer beminde man, versta de woorden die ik tot u spreek, en sta rechtop; want tot u ben ik nu gezonden. En toen hij dit woord tot mij gesproken had, stond ik bevende op. Toen zei hij tot mij: Vrees niet, Daniël; want vanaf de eerste dag dat gij uw hart erop gezet hebt om inzicht te verkrijgen en uzelf te verootmoedigen voor het aangezicht van uw God, zijn uw woorden gehoord, en omwille van uw woorden ben ik gekomen. Maar de vorst van het koninkrijk van Perzië stond mij eenentwintig dagen tegen; doch zie, Michaël, een van de voornaamste vorsten, kwam mij te hulp; en ik bleef daar bij de koningen van Perzië. Nu ben ik gekomen om u te doen verstaan wat uw volk in de laatste dagen zal overkomen; want het gezicht is nog voor vele dagen. Daniël 10:5–14.

Then in verse sixteen, Daniel is touched a second time, when he sees the vision of Christ.

Dan wordt Daniël in vers zestien voor de tweede keer aangeraakt, wanneer hij het visioen van Christus ziet.

And when he had spoken such words unto me, I set my face toward the ground, and I became dumb. And, behold, one like the similitude of the sons of men touched my lips: then I opened my mouth, and spake, and said unto him that stood before me, O my lord, by the vision my sorrows are turned upon me, and I have retained no strength. For how can the servant of this my lord talk with this my lord? for as for me, straightway there remained no strength in me, neither is there breath left in me. Daniel 10:15–17.

En toen hij zulke woorden tot mij gesproken had, richtte ik mijn aangezicht ter aarde, en ik werd sprakeloos. En zie, iemand als de gelijkenis van de zonen der mensen raakte mijn lippen aan; toen opende ik mijn mond en sprak, en zei tot hem die vóór mij stond: O mijn heer, door het gezicht zijn mijn smarten over mij gekomen, en ik heb geen kracht behouden. Want hoe zou de knecht van deze mijn heer met deze mijn heer kunnen spreken? Want wat mij aangaat, terstond bleef er in mij geen kracht over, en ook is er geen adem in mij overgebleven. Daniël 10:15–17.

Then Daniel is touched for the third time, at the appearance of Gabriel, not Christ.

Dan wordt Daniël voor de derde maal aangeraakt, bij de verschijning van Gabriël, niet van Christus.

Then there came again and touched me one like the appearance of a man, and he strengthened me, And said, O man greatly beloved, fear not: peace be unto thee, be strong, yea, be strong. And when he had spoken unto me, I was strengthened, and said, Let my lord speak; for thou hast strengthened me. Then said he, Knowest thou wherefore I come unto thee? and now will I return to fight with the prince of Persia: and when I am gone forth, lo, the prince of Grecia shall come. But I will show thee that which is noted in the scripture of truth: and there is none that holdeth with me in these things, but Michael your prince. Daniel 10:18–21.

Toen kwam er opnieuw iemand die mij aanraakte, iemand met het aanzien van een mens, en hij sterkte mij. En hij zei: O gij zeer beminde man, vrees niet; vrede zij u, wees sterk, ja, wees sterk. En toen hij tot mij gesproken had, werd ik gesterkt, en ik zei: Mijn heer spreke; want gij hebt mij gesterkt. Toen zei hij: Weet gij waarom ik tot u kom? En nu zal ik terugkeren om te strijden tegen de vorst van Perzië; en wanneer ik zal zijn uitgegaan, zie, dan zal de vorst van Griekenland komen. Maar ik zal u tonen wat opgetekend is in het boek der waarheid; en er is niemand die mij in deze dingen bijstaat dan Michaël, uw vorst. Daniël 10:18–21.

Daniel is touched three times, and the first and third time he is touched by the angel Gabriel. The second time he is touched, it is by Christ. Daniel employed the same Hebrew word four times, but the first of the four times, in verse one, he was stating that he understood the “vision.” Understanding a truth is important, but it is not the same as experiencing the truth, as he did the other three times.

Daniël wordt driemaal aangeraakt, en de eerste en de derde keer wordt hij aangeraakt door de engel Gabriël. De tweede keer dat hij wordt aangeraakt, is het door Christus. Daniël gebruikte viermaal hetzelfde Hebreeuwse woord, maar de eerste van die vier keren, in vers één, gaf hij aan dat hij het „gezicht” begreep. Een waarheid begrijpen is belangrijk, maar het is niet hetzelfde als de waarheid ervaren, zoals hij de andere drie keren deed.

When Daniel’s days of mourning concluded he was given an experience of the vision, which he had an understanding of before the days of his mourning concluded. The experience is made up of three steps, represented by three touches. The first and the last touches were accomplished by Gabriel, and the middle touch was by Christ. The first and the last touches, were the first and last letters of the Hebrew alphabet. In that second step, Daniel recognizes his condition as a rebellious sinner in relation to his Lord, and thus the middle touch represents rebellion, as represented by the thirteenth letter of the Hebrew alphabet.

Toen Daniëls dagen van rouw ten einde waren gekomen, werd hem een ervaring van het visioen gegeven, waarvan hij reeds vóór het einde van zijn dagen van rouw begrip had. De ervaring bestaat uit drie stappen, voorgesteld door drie aanrakingen. De eerste en de laatste aanraking werden verricht door Gabriël, en de middelste aanraking door Christus. De eerste en de laatste aanraking waren de eerste en de laatste letters van het Hebreeuwse alfabet. In die tweede stap erkent Daniël zijn toestand als een opstandige zondaar tegenover zijn Heer, en daarom stelt de middelste aanraking opstand voor, zoals weergegeven door de dertiende letter van het Hebreeuwse alfabet.

“But Peter was unmindful now of boats or lading. This miracle, above any other he had ever witnessed, was to him a manifestation of divine power. In Jesus he saw One who held all nature under His control. The presence of divinity revealed his own unholiness. Love for his Master, shame for his own unbelief, gratitude for the condescension of Christ, above all, the sense of his uncleanness in the presence of infinite purity, overwhelmed him. While his companions were securing the contents of the net, Peter fell at the Saviour’s feet, exclaiming, ‘Depart from me; for I am a sinful man, O Lord.’

„Maar Petrus dacht nu niet aan boten of lading. Dit wonder was voor hem, meer dan enig ander dat hij ooit had aanschouwd, een openbaring van goddelijke macht. In Jezus zag hij Iemand die de gehele natuur onder Zijn heerschappij hield. De tegenwoordigheid van de Godheid openbaarde hem zijn eigen onheiligheid. Liefde voor zijn Meester, schaamte over zijn eigen ongeloof, dankbaarheid voor de neerbuigendheid van Christus, en bovenal het besef van zijn onreinheid in de tegenwoordigheid van oneindige reinheid, overweldigden hem. Terwijl zijn metgezellen de inhoud van het net veiligstelden, viel Petrus aan de voeten van de Heiland neer en riep uit: ‘Ga weg van mij, want ik ben een zondig mens, Heere.’”

“It was the same presence of divine holiness that had caused the prophet Daniel to fall as one dead before the angel of God. He said, ‘My comeliness was turned in me into corruption, and I retained no strength.’ So when Isaiah beheld the glory of the Lord, he exclaimed, ‘Woe is me! for I am undone; because I am a man of unclean lips, and I dwell in the midst of a people of unclean lips: for mine eyes have seen the King, the Lord of hosts.’ Daniel 10:8; Isaiah 6:5. Humanity, with its weakness and sin, was brought in contrast with the perfection of divinity, and he felt altogether deficient and unholy. Thus it has been with all who have been granted a view of God’s greatness and majesty.

„Het was dezelfde tegenwoordigheid van goddelijke heiligheid die de profeet Daniël als dood deed neervallen voor de engel van God. Hij zei: ‘Mijn sierlijkheid werd in mij in verderf verkeerd, en ik behield geen kracht.’ Zo riep Jesaja, toen hij de heerlijkheid des Heren aanschouwde, uit: ‘Wee mij! want ik verga; omdat ik een man van onreine lippen ben, en ik woon te midden van een volk van onreine lippen: want mijn ogen hebben de Koning, de Here der heirscharen, gezien.’ Daniël 10:8; Jesaja 6:5. De mensheid, met haar zwakheid en zonde, werd gesteld tegenover de volmaaktheid van de godheid, en hij gevoelde zich ten enenmale ontoereikend en onheilig. Zo is het geweest met allen aan wie een blik op Gods grootheid en majesteit is vergund.”

“Peter exclaimed, ‘Depart from me; for I am a sinful man;’ yet he clung to the feet of Jesus, feeling that he could not be parted from Him. The Saviour answered, ‘Fear not; from henceforth thou shalt catch men.’ It was after Isaiah had beheld the holiness of God and his own unworthiness that he was entrusted with the divine message. It was after Peter had been led to self-renunciation and dependence upon divine power that he received the call to his work for Christ.” The Desire of Ages, 246.

„Petrus riep uit: ‘Ga uit van mij; want ik ben een zondig mens;’ en toch klemde hij zich vast aan de voeten van Jezus, omdat hij voelde dat hij niet van Hem gescheiden kon worden. De Heiland antwoordde: ‘Vrees niet; van nu aan zult gij mensen vangen.’ Het was nadat Jesaja de heiligheid van God en zijn eigen onwaardigheid had aanschouwd, dat hem de goddelijke boodschap werd toevertrouwd. Het was nadat Petrus tot zelfverloochening en afhankelijkheid van goddelijke kracht was gebracht, dat hij de roeping ontving tot zijn werk voor Christus.” The Desire of Ages, 246.

The “mareh” vision is the vision of Christ’s appearance, but the angel Gabriel is represented by the second and fourth time Daniel employed the word. The first time was a statement that Belteshazzar understood the vision, but the last three represent Daniel experiencing the vision. The three times Daniel experiences the vision, he is also touched.

Het visioen van de „mareh” is het visioen van de verschijning van Christus, maar de engel Gabriël wordt weergegeven door de tweede en vierde keer dat Daniël het woord gebruikte. De eerste keer was een verklaring dat Beltesassar het visioen begreep, maar de laatste drie keren stellen voor dat Daniël het visioen ervoer. De drie keren dat Daniël het visioen ervaart, wordt hij ook aangeraakt.

The first time he was touched by Gabriel was after he had seen the appearance of the glorified Christ, and the experience left him in “a deep sleep on my face, and my face toward the ground.” The vision had produced a separation, for those who had been with him “saw not the vision; but a great quaking fell upon them, so that they fled to hide themselves.” In the first disappointment, Jeremiah “sat alone, because of God’s hand,” and in Belteshazzar “there remained no strength” “for” his “comeliness was turned in me into corruption, and” he “retained no strength.”

De eerste keer dat hij door Gabriël werd aangeraakt, was nadat hij de verschijning van de verheerlijkte Christus had gezien, en deze ervaring liet hem achter in „een diepen slaap op mijn aangezicht, en mijn aangezicht ter aarde”. Het visioen had een scheiding teweeggebracht, want zij die bij hem waren geweest, „zagen het gezicht niet; maar een grote beving viel op hen, zodat zij vluchtten om zich te verbergen.” In de eerste teleurstelling „zat” Jeremia „alleen, vanwege Gods hand,” en in Beltsazar „bleef geen kracht over”, „want” zijn „sierlijkheid werd in” hem „veranderd in verderving, en” hij „behield geen kracht.”

Once Gabriel touched him for the first time, Gabriel then sat Daniel upon his knees and the palms of his hands. He then commanded Daniel to understand the words he spoke and stand up, which he did, though he was trembling. Gabriel then provides Daniel a breakdown of what has occurred during the twenty-one days of Daniel’s mourning. He identified that after struggling with the kings of Persia for the twenty-one days, that Michael came down out of heaven to engage in the battle, and then Gabriel came to answer Daniel’s prayers and explain to Daniel “what shall befall thy people in the latter days.” When Michael came down out of heaven Gabriel was sent to explain the last days to Daniel.

Zodra Gabriël hem voor de eerste maal had aangeraakt, zette Gabriël Daniël neer op zijn knieën en op de handpalmen van zijn handen. Vervolgens gebood hij Daniël de woorden die hij sprak te verstaan en op te staan, wat hij deed, hoewel hij beefde. Daarna geeft Gabriël Daniël een uiteenzetting van wat zich gedurende de eenentwintig dagen van Daniëls rouw heeft voorgedaan. Hij maakte bekend dat, nadat hij gedurende de eenentwintig dagen met de koningen van Perzië had gestreden, Michaël uit de hemel neerdaalde om aan de strijd deel te nemen, en dat vervolgens Gabriël kwam om Daniëls gebeden te verhoren en aan Daniël uit te leggen “wat uw volk in het laatste der dagen zal overkomen.” Toen Michaël uit de hemel neerdaalde, werd Gabriël gezonden om de laatste dagen aan Daniël uit te leggen.

Gabriel’s explanation was given to Daniel at the end of the twenty-one days of mourning, which, in the line upon line application of Revelation chapter eleven, represents when Ezekiel in chapter thirty-seven is twice commanded to prophesy to the dead bones, in order to raise the two prophets out of their graves. It occurs when Michael comes down out of heaven and resurrects the body of Moses, while refusing to interact with Satan in the book of Jude. Daniel is still going to be touched twice more after Gabriel had given him the overview of the days of mourning.

Gabriëls uitleg werd aan Daniël gegeven aan het einde van de eenentwintig dagen van rouw, die in de regel-op-regeltoepassing van Openbaring hoofdstuk elf voorstellen wanneer Ezechiël in hoofdstuk zevenendertig tweemaal wordt bevolen tot de dode beenderen te profeteren, om de twee profeten uit hun graven op te wekken. Dit vindt plaats wanneer Michaël uit de hemel neerdaalt en het lichaam van Mozes opwekt, terwijl hij in het boek Judas weigert met Satan in gesprek te treden. Daniël zal nog tweemaal worden aangeraakt nadat Gabriël hem het overzicht van de dagen van rouw had gegeven.

After Gabriel finished, Daniel, “set his face toward the ground, and he became dumb”, and then Christ Himself “touched” Daniel’s “lips,” and then Daniel “opened” his “mouth, and spake, and said unto him that stood before me, O my lord, by the vision my sorrows are turned upon me, and I have retained no strength. For how can the servant of this my lord talk with this my lord? for as for me, straightway there remained no strength in me, neither is there breath left in me.”

Nadat Gabriël geëindigd had, „keerde Daniël zijn aangezicht naar de grond, en hij werd stom”, en vervolgens „raakte” Christus Zelf de „lippen” van Daniël aan; daarop „opende” Daniël zijn „mond, sprak, en zei tot hem die vóór mij stond: O mijn heer, door het gezicht hebben de smarten mij overvallen, en ik heb geen kracht behouden. Want hoe kan de knecht van deze mijn heer spreken met deze mijn heer? Want wat mij betreft, terstond bleef er geen kracht in mij over, en er is geen adem in mij overgebleven.”

The experience of seeing and speaking with Christ humbles Daniel into the dust. He was dumb, and would have remained so if Christ had not touched his lips, as Isaiah’s lips had been touched by the coal from the altar.

De ervaring Christus te zien en met Hem te spreken vernedert Daniël tot in het stof. Hij was stom, en hij zou dat gebleven zijn indien Christus zijn lippen niet had aangeraakt, zoals de lippen van Jesaja waren aangeraakt door de kool van het altaar.

We will continue this study in the next article.

Wij zullen deze studie in het volgende artikel voortzetten.

“As Isaiah beheld this revelation of the glory and majesty of his Lord, he was overwhelmed with a sense of the purity and holiness of God. How sharp the contrast between the matchless perfection of his Creator, and the sinful course of those who, with himself, had long been numbered among the chosen people of Israel and Judah! ‘Woe is me!’ he cried; ‘for I am undone; because I am a man of unclean lips, and I dwell in the midst of a people of unclean lips: for mine eyes have seen the King, the Lord of hosts.’ Verse 5. Standing, as it were, in the full light of the divine presence within the inner sanctuary, he realized that if left to his own imperfection and inefficiency, he would be utterly unable to accomplish the mission to which he had been called. But a seraph was sent to relieve him of his distress and to fit him for his great mission. A living coal from the altar was laid upon his lips, with the words, ‘Lo, this hath touched thy lips; and thine iniquity is taken away, and thy sin purged.’ Then the voice of God was heard saying, ‘Whom shall I send, and who will go for Us?’ and Isaiah responded, ‘Here am I; send me.’ Verses 7, 8.

“Toen Jesaja deze openbaring van de heerlijkheid en majesteit van zijn Heer aanschouwde, werd hij overweldigd door een besef van de reinheid en heiligheid van God. Hoe scherp was het contrast tussen de weergaloze volmaaktheid van zijn Schepper en de zondige wandel van hen die, samen met hemzelf, lange tijd gerekend waren onder het uitverkoren volk van Israël en Juda! ‘Wee mij!’ riep hij uit; ‘want ik verga; omdat ik een man ben onrein van lippen, en ik woon te midden van een volk dat onrein van lippen is; want mijn ogen hebben de Koning, de HEERE der heerscharen, gezien.’ Vers 5. Terwijl hij als het ware in het volle licht van de goddelijke tegenwoordigheid binnen het innerlijke heiligdom stond, besefte hij dat hij, indien aan zijn eigen onvolmaaktheid en onbekwaamheid overgelaten, volstrekt niet in staat zou zijn de zending te volbrengen waartoe hij geroepen was. Maar een seraf werd gezonden om hem van zijn benauwdheid te verlossen en hem toe te rusten voor zijn grote zending. Een gloeiende kool van het altaar werd op zijn lippen gelegd, met de woorden: ‘Zie, deze heeft uw lippen aangeraakt; zo is uw ongerechtigheid geweken en uw zonde verzoend.’ Toen werd de stem van God gehoord, die zei: ‘Wie zal Ik zenden, en wie zal voor Ons gaan?’ en Jesaja antwoordde: ‘Zie, hier ben ik; zend mij.’ Verzen 7, 8.”

“The heavenly visitant bade the waiting messenger, ‘Go, and tell this people, Hear ye indeed, but understand not; And see ye indeed, but perceive not. Make the heart of this people fat, And make their ears heavy, and shut their eyes; Lest they see with their eyes, and hear with their ears, And understand with their heart, And convert, and be healed.” Verses 9, 10.

„De hemelse bezoeker droeg de wachtende boodschapper op: ‘Ga heen en zeg tot dit volk: Hoort gij wel, maar verstaat niet; en ziet gij wel, maar merkt niet op. Maak het hart van dit volk vet, en maak hun oren zwaar, en sluit hun ogen; opdat zij niet met hun ogen zien en met hun oren horen, en met hun hart verstaan, en zich bekeren, en genezen worden.’ Verzen 9, 10.

“The prophet’s duty was plain; he was to lift his voice in protest against the prevailing evils. But he dreaded to undertake the work without some assurance of hope. ‘Lord, how long?’ he inquired. Verse 11. Are none of Thy chosen people ever to understand and repent and be healed?

De plicht van de profeet was duidelijk; hij moest zijn stem verheffen in protest tegen de heersende boosheden. Maar hij schroomde het werk op zich te nemen zonder enige verzekering van hoop. ‘Heere, hoe lang?’ vroeg hij. Vers 11. Zullen dan geen van Uw uitverkoren volk ooit verstaan en zich bekeren en genezen worden?

“His burden of soul in behalf of erring Judah was not to be borne in vain. His mission was not to be wholly fruitless. Yet the evils that had been multiplying for many generations could not be removed in his day. Throughout his lifetime he must be a patient, courageous teacher—a prophet of hope as well as of doom. The divine purpose finally accomplished, the full fruitage of his efforts, and of the labors of all God’s faithful messengers, would appear. A remnant should be saved. That this might be brought about, the messages of warning and entreaty were to be delivered to the rebellious nation, the Lord declared: ‘Until the cities be wasted without inhabitant, And the houses without man, And the land be utterly desolate, And the Lord have removed men far away, And there be a great forsaking in the midst of the land.’ Verse 11, 12.

“Zijn zieledrang ten behoeve van het dwalende Juda zou niet tevergeefs gedragen worden. Zijn zending zou niet geheel zonder vrucht zijn. Toch konden de kwaadheden die zich gedurende vele geslachten hadden vermenigvuldigd, in zijn dagen niet worden weggenomen. Gedurende zijn hele leven moest hij een geduldige, moedige leraar zijn—een profeet van hoop zowel als van ondergang. Wanneer het goddelijke voornemen ten slotte vervuld zou zijn, zou de volle vrucht van zijn inspanningen, en van de arbeid van al Gods getrouwe boodschappers, openbaar worden. Een overblijfsel zou behouden worden. Opdat dit tot stand mocht komen, moesten de boodschappen van waarschuwing en smeking aan het weerspannige volk worden verkondigd, verklaarde de Heere: ‘Totdat de steden verwoest worden, zodat er geen inwoner is, en de huizen, zodat er geen mens is, en het land volkomen verwoest wordt, en de Heere de mensen ver weg heeft verwijderd, en er een grote verlatenheid is in het midden van het land.’ Vers 11, 12.

“The heavy judgments that were to befall the impenitent,—war, exile, oppression, the loss of power and prestige among the nations,—all these were to come in order that those who would recognize in them the hand of an offended God might be led to repent. The ten tribes of the northern kingdom were soon to be scattered among the nations and their cities left desolate; the destroying armies of hostile nations were to sweep over their land again and again; even Jerusalem was finally to fall, and Judah was to be carried away captive; yet the Promised Land was not to remain wholly forsaken forever. The assurance of the heavenly visitant to Isaiah was: ‘In it shall be a tenth, And it shall return, and shall be eaten: As a teil tree, and as an oak, Whose substance is in them, when they cast their leaves: So the holy seed shall be the substance thereof.’ Verse 13.

„De zware oordelen die de onboetvaardigen zouden treffen — oorlog, ballingschap, onderdrukking, het verlies van macht en aanzien onder de volken — dit alles zou komen opdat zij die daarin de hand van een vertoornde God zouden herkennen, tot berouw mochten worden gebracht. De tien stammen van het noordelijke koninkrijk zouden weldra onder de volken worden verstrooid en hun steden zouden woest worden achtergelaten; de verwoestende legers van vijandige naties zouden keer op keer over hun land trekken; zelfs Jeruzalem zou ten slotte vallen, en Juda zou in gevangenschap worden weggevoerd; toch zou het Beloofde Land niet voor altijd geheel verlaten blijven. De verzekering van de hemelse bezoeker aan Jesaja luidde: ‘Doch daarin zal een tiende deel zijn, En het zal wederkeren en afgeweid worden: Gelijk een terebint en als een eik, Waarvan de tronk in hen is, wanneer zij hun bladeren afwerpen: Alzo zal het heilige zaad zijn stam zijn.’ Vers 13.”

“This assurance of the final fulfillment of God’s purpose brought courage to the heart of Isaiah. What though earthly powers array themselves against Judah? What though the Lord’s messenger meet with opposition and resistance? Isaiah had seen the King, the Lord of hosts; he had heard the song of the seraphim, ‘The whole earth is full of His glory;’ he had the promise that the messages of Jehovah to backsliding Judah would be accompanied by the convicting power of the Holy Spirit; and the prophet was nerved for the work before him. Verse 3. Throughout his long and arduous mission he carried with him the memory of this vision. For sixty years or more he stood before the children of Judah as a prophet of hope, waxing bolder and still bolder in his predictions of the future triumph of the church.” Prophets and Kings, 307–310.

„Deze verzekering van de uiteindelijke vervulling van Gods voornemen schonk moed aan het hart van Jesaja. Wat deed het ertoe, al stelden aardse machten zich tegen Juda op? Wat deed het ertoe, al ontmoette de boodschapper des Heren tegenstand en verzet? Jesaja had de Koning, de Here der heirscharen, gezien; hij had het lied van de serafs gehoord: ‘De ganse aarde is vol van Zijn heerlijkheid;’ hij bezat de belofte dat de boodschappen van Jehovah aan het afvallige Juda vergezeld zouden gaan van de overtuigende kracht van de Heilige Geest; en de profeet werd gesterkt voor het werk dat voor hem lag. Vers 3. Gedurende zijn lange en zware zending droeg hij de herinnering aan dit gezicht met zich mee. Zestig jaar of langer stond hij voor de kinderen van Juda als een profeet der hoop, steeds vrijmoediger wordend in zijn voorspellingen van de toekomstige overwinning van de gemeente.” Profeten en Koningen, 307–310.