The vision of Daniel chapter eleven, is the main point of reference for all the visions of Bible prophecy, and the vision of chapter eleven is established by the symbol of Rome.

Het visioen van Daniël hoofdstuk elf is het voornaamste referentiepunt voor alle visioenen van de Bijbelse profetie, en het visioen van hoofdstuk elf wordt gevestigd door het symbool van Rome.

And in those times there shall many stand up against the king of the south: also the robbers of thy people shall exalt themselves to establish the vision; but they shall fall. Daniel 11:14.

En in die tijden zullen velen opstaan tegen de koning van het zuiden; ook de geweldenaars uit uw volk zullen zich verheffen om het gezicht te bevestigen; maar zij zullen vallen. Daniël 11:14.

Jones addresses the previous verse as follows:

Jones bespreekt het voorgaande vers als volgt:

“When the Amorites had filled up the measure of their iniquity, their place was given to Israel, the people of God. When Israel, following the way of the heathen, filled also the cup of iniquity, God brought up the kingdom of Babylon, and took all away. When Babylon had filled up the cup of its iniquity, the power was transferred to Persia. And when the angel was turned away by the wickedness of the Persians, then the prince of Grecia comes in and sweeps it away.”

‘Toen de Amorieten de maat van hun ongerechtigheid vol hadden gemaakt, werd hun plaats gegeven aan Israël, het volk van God. Toen Israël, de weg van de heidenen volgende, eveneens de beker van ongerechtigheid vulde, deed God het koninkrijk van Babylon opkomen en nam alles weg. Toen Babylon de beker van zijn ongerechtigheid had gevuld, werd de heerschappij overgedragen aan Perzië. En wanneer de engel door de goddeloosheid van de Perzen werd afgewend, dan komt de vorst van Griekenland binnen en vaagt het weg.’

“And how long was the power of Grecia to continue? When was it to be broken? ‘When the transgressors were come to the full.’ That nation stands until it has filled up the measure of its iniquity, and then the power is transferred to another kingdom. That power to which it was transferred was the Roman, as we learn from Daniel 11:14. ‘And in those times there shall many stand up against the king of the south; also the robbers of thy people shall exalt themselves to establish the vision; but they shall fall.’ This nation is pointed out as a nation of robbers—the children of robbers, as says the margin of the text.

„En hoelang zou de macht van Griekenland voortduren? Wanneer zou zij worden verbroken? ‘Wanneer de overtreders de maat vol hebben gemaakt.’ Dat volk blijft bestaan totdat het de maat van zijn ongerechtigheid heeft volgemaakt, en dan wordt de macht overgedragen aan een ander koninkrijk. Die macht, waaraan zij werd overgedragen, was de Romeinse, zoals wij leren uit Daniël 11:14. ‘En in die tijden zullen velen opstaan tegen de koning van het zuiden; ook de rovers van uw volk zullen zich verheffen om het gezicht te bevestigen; maar zij zullen vallen.’ Deze natie wordt aangeduid als een natie van rovers—de kinderen van rovers, zoals de kanttekening bij de tekst zegt.

“These are the ones to whom the kingdom is now given, and what for?—‘The children of robbers shall exalt themselves to establish the vision.’ When this nation comes upon the scene, then there enters that which establishes the vision, that which is one great object of the vision, the one chief landmark in the line of vision which God has given through the prophets for all time.” A. T. Jones, The Columbian Year and the Meaning of the Four Centuries, 6.

‘Dit zijn degenen aan wie het koninkrijk nu wordt gegeven, en waartoe?—“De kinderen der rovers zullen zichzelf verheffen om het gezicht te bevestigen.” Wanneer deze natie op het toneel verschijnt, treedt datgene binnen wat het gezicht bevestigt, datgene wat een groot voorwerp van het gezicht is, het ene voornaamste merkteken in de lijn van het gezicht die God door de profeten voor alle tijden heeft gegeven.’ A. T. Jones, The Columbian Year and the Meaning of the Four Centuries, 6.

Jones says when the Roman power “comes upon the scene, then there enters that which establishes the” … “line of vision which God has given through the prophets for all time.” In Miller’s history the Protestants taught, as Laodicea Adventism now does, that the robbers of thy people represent Antiochus Epiphanes, a Seleucid king who ruled from 175 to 164 BC. He was a member of the Seleucid dynasty, which was one of the Greek successor states which came out of the breakup of Alexander the Great’s empire. The disagreement over this issue was so specific in Millerite history, that the identification of Antiochus Epiphanes is represented upon the 1843 pioneer chart.

Jones zegt dat wanneer de Romeinse macht „op het toneel verschijnt, dan treedt dat binnen wat de” … „gezichtslijn vestigt die God door de profeten voor alle tijd heeft gegeven.” In Millers geschiedenis leerden de protestanten, evenals het adventisme van Laodicea nu doet, dat de rovers van uw volk Antiochus Epiphanes voorstellen, een Seleucidische koning die regeerde van 175 tot 164 v.Chr. Hij was een lid van de Seleucidische dynastie, die een van de Griekse opvolgerstaten was die voortkwamen uit het uiteenvallen van het rijk van Alexander de Grote. Het meningsverschil over deze kwestie was in de Milleritische geschiedenis zo specifiek, dat de identificatie van Antiochus Epiphanes op de pionierskaart van 1843 is weergegeven.

The reference to Antiochus on the chart represents the only reference to something that is not found in God’s prophetic Word. It is there to refute the false teachings of the Protestants of that period, which is now the false teaching of Laodicean Adventism. Whether William Miller understood the depth of importance in understanding that Rome is the earthly power that establishes the “line of vision which God has given through the prophets for all time,” is doubtful, but it was clear enough to soundly defend the fact that Rome establishes the vision.

De verwijzing naar Antiochus op de kaart vormt de enige verwijzing naar iets wat niet in Gods profetisch Woord wordt aangetroffen. Zij is daar opgenomen om de valse leringen van de protestanten van die periode te weerleggen, hetgeen thans de valse leer van het Laodiceïsche adventisme is. Of William Miller de volle diepte van het belang begreep van het inzicht dat Rome de aardse macht is die de „gezichtslijn die God door de profeten voor alle tijden heeft gegeven” vaststelt, is twijfelachtig; maar het was duidelijk genoeg om de waarheid dat Rome het gezicht vaststelt, deugdelijk te verdedigen.

Where there is no vision, the people perish: but he that keepeth the law, happy is he. Proverbs 28:14.

Waar geen visioen is, verwildert het volk; maar welgelukzalig is hij die de wet onderhoudt. Spreuken 28:14.

Solomon recorded that where there is no vision, the people perish, and the Hebrew word “vision,” in verse fourteen is the same as in Solomon’s proverb. The vision is a life-or-death proposition, and the “vision” is established by the symbol of Rome. The word “vision” in verse fourteen, is the same word for vision in Habakkuk, chapter two.

Salomo legde vast dat waar geen visioen is, het volk te gronde gaat, en het Hebreeuwse woord „visioen” in vers veertien is hetzelfde als in Salomo’s spreuk. Het visioen is een zaak van leven of dood, en het „visioen” wordt bevestigd door het symbool van Rome. Het woord „visioen” in vers veertien is hetzelfde woord voor visioen als in Habakuk, hoofdstuk twee.

I will stand upon my watch, and set me upon the tower, and will watch to see what he will say unto me, and what I shall answer when I am reproved. And the Lord answered me, and said, Write the vision, and make it plain upon tables, that he may run that readeth it. For the vision is yet for an appointed time, but at the end it shall speak, and not lie: though it tarry, wait for it; because it will surely come, it will not tarry. Habakkuk 2:1–3.

Ik zal op mijn wachtpost staan en mij op de toren opstellen, en uitzien om te vernemen wat Hij tot mij spreken zal, en wat ik antwoorden zal wanneer ik bestraft word. En de HEERE antwoordde mij en zei: Schrijf het gezicht op en stel het duidelijk op tafelen, opdat men al lopende het lezen kan. Want het gezicht wacht nog op de vastgestelde tijd, maar aan het einde zal het spreken en niet liegen; al vertoeft het, verbeid het; want het zal gewis komen, het zal niet uitblijven. Habakuk 2:1–3.

The word “reproved” in verse one, means “argued with”. William Miller was the watchman that was set upon the tower in the history of the movement of the first and second angels, and when in prophetic symbolism he asked what he should answer in the debate of his history, he was told to write the vision, which is established by the symbol of Rome. In agreement with this fact, when the Millerites produced the 1843 pioneer chart in fulfillment of these three verses of Habakkuk, they gave reference to the very heart of the debate they engaged in. They no doubt, did not understand that their referencing to the foolish argument that Antiochus Epiphanes was the power who established the vision represents the debate of Habakkuk chapter two, but Sister White said that chart was “directed by the hand of the Lord, and should not be altered,” so the reference to the debate on the chart was from God’s hand.

Het woord „bestraft” in vers één betekent „redetwistte met”. William Miller was de wachter die op de toren was gesteld in de geschiedenis van de beweging van de eerste en tweede engel, en toen hij in profetische symboliek vroeg wat hij zou antwoorden in het twistgesprek van zijn geschiedenis, werd hem gezegd het gezicht op te schrijven, dat bevestigd wordt door het symbool van Rome. In overeenstemming met dit feit gaven de Millerieten, toen zij in vervulling van deze drie verzen van Habakuk de pionierskaart van 1843 vervaardigden, verwijzing naar juist het hart van het twistgesprek waarin zij verwikkeld waren. Zij begrepen ongetwijfeld niet dat hun verwijzing naar het dwaze betoog dat Antiochus Epiphanes de macht was die het gezicht bevestigde, het twistgesprek van Habakuk hoofdstuk twee vertegenwoordigt, maar zuster White zei dat die kaart „geleid werd door de hand des Heren, en niet veranderd moest worden”, zodat de verwijzing naar het twistgesprek op de kaart uit Gods hand was.

The Millerites came to correctly understand that the first disappointment on April 19, 1844 initiated the tarrying time, referenced by Habakkuk and also Matthew’s parable of the ten virgins. They also came to understand that those two prophecies were directly connected with Ezekiel chapter twelve, where Ezekiel identifies a period of time where the effect of every vision will occur. That word “vision”, is the same Hebrew word we are now considering. This is why Jones is correct when he states, “When” Rome “comes upon the scene, then there enters that which establishes the vision, that which is one great object of the vision, the one chief landmark in the line of vision which God has given through the prophets for all time.” Rome establishes the entire vision of God’s prophetic Word, and more specifically it is Rome that the entire structure of chapter eleven is built upon.

De millerieten kwamen tot het juiste inzicht dat de eerste teleurstelling op 19 april 1844 de vertoeftijd inluidde, waarnaar Habakuk en ook de gelijkenis van Mattheüs over de tien maagden verwijzen. Zij kwamen ook tot het inzicht dat die twee profetieën rechtstreeks verbonden waren met Ezechiël hoofdstuk twaalf, waar Ezechiël een tijdsperiode aanwijst waarin de uitwerking van elk gezicht zal plaatsvinden. Dat woord „gezicht” is hetzelfde Hebreeuwse woord dat wij nu beschouwen. Daarom heeft Jones gelijk wanneer hij stelt: „Wanneer” Rome „ten tonele verschijnt, dan treedt datgene binnen wat het gezicht bevestigt, datgene wat een groot voorwerp van het gezicht is, het ene voornaamste merkteken in de lijn van het gezicht die God door de profeten voor alle tijden heeft gegeven.” Rome bevestigt het gehele gezicht van Gods profetische Woord, en meer in het bijzonder is het Rome waarop de gehele structuur van hoofdstuk elf gebouwd is.

When Sister White refers to the final fulfillment of chapter eleven of Daniel and states that “much of the history that has taken place in fulfillment of this prophecy will be repeated,” she is identifying that the histories of chapter eleven that had already been fulfilled typified the final verses of Daniel chapter eleven. The subject of the final verses of chapter eleven is the king of the north, who there represents modern Rome. Therefore, the histories of Daniel chapter eleven, that are repeated, are histories that represent Rome.

Wanneer zuster White verwijst naar de uiteindelijke vervulling van Daniël, hoofdstuk elf, en verklaart dat „veel van de geschiedenis die heeft plaatsgevonden ter vervulling van deze profetie, herhaald zal worden”, wijst zij erop dat de geschiedenissen van hoofdstuk elf die reeds vervuld waren, een voorafbeelding vormden van de laatste verzen van Daniël, hoofdstuk elf. Het onderwerp van de laatste verzen van hoofdstuk elf is de koning van het noorden, die daar het moderne Rome vertegenwoordigt. Daarom zijn de geschiedenissen van Daniël, hoofdstuk elf, die worden herhaald, geschiedenissen die Rome vertegenwoordigen.

In the last six verses of chapter eleven modern Rome (the king of the north), conquers three geographical powers. In verse forty he conquers the king of the south (the former Soviet Union in 1989), the glorious land (the United States at the soon coming Sunday law), and Egypt (the entire world as represented by the United Nations.) In Daniel eleven pagan Rome is represented as conquering three geographical powers in order to capture the then-known world, and then papal Rome is represented as conquering three geographical powers in order to capture the earth.

In de laatste zes verzen van hoofdstuk elf overwint het moderne Rome (de koning van het noorden) drie geografische machten. In vers veertig overwint het de koning van het zuiden (de voormalige Sovjet-Unie in 1989), het luisterrijke land (de Verenigde Staten bij de spoedig komende zondagwet), en Egypte (de gehele wereld zoals vertegenwoordigd door de Verenigde Naties). In Daniël elf wordt het heidense Rome voorgesteld als het overwinnen van drie geografische machten om de toen bekende wereld in bezit te nemen, en vervolgens wordt het pauselijke Rome voorgesteld als het overwinnen van drie geografische machten om de aarde in bezit te nemen.

Pagan Rome is first mentioned in the chapter in verse fourteen, in order to identify it as the symbol that establishes the vision, but its rise to power is not addressed until verse sixteen. Alexander the Great’s kingdom was divided into four parts in fulfillment of God’s prophetic Word, but those four parts quickly consolidated into two primary antagonists that are identified as either the king of the south or the king of the north in the prophetic narrative that continues to the conclusion of the chapter. In verse fourteen the rising power of Rome is mentioned as the power that would establish the vision, but the subjects that are being addressed are the struggles between the remnants of Alexander’s kingdom as represented by the kings of the north and the south.

Het heidense Rome wordt in het hoofdstuk voor het eerst genoemd in vers veertien, om het te identificeren als het symbool dat het gezicht bevestigt, maar zijn opkomst tot macht komt pas in vers zestien ter sprake. Het koninkrijk van Alexander de Grote werd in vervulling van Gods profetische Woord in vier delen verdeeld, maar die vier delen verenigden zich spoedig tot twee voornaamste tegenstanders, die in het profetische verhaal dat doorgaat tot aan het einde van het hoofdstuk worden aangeduid als de koning van het zuiden of de koning van het noorden. In vers veertien wordt de opkomende macht van Rome genoemd als de macht die het gezicht zou bevestigen, maar de onderwerpen die worden behandeld zijn de worstelingen tussen de overblijfselen van Alexanders koninkrijk, vertegenwoordigd door de koningen van het noorden en van het zuiden.

In verse fifteen, those two kings are still engaged in their struggle, and the king of the north is prevailing. But in verse sixteen Rome arrives and the verse says, “But he that cometh against him,” meaning that when Rome comes against the northern king who has just been prevailing over the southern king, the king of the north will be unable to stand against Rome. Rome prevails, and in verse sixteen, Rome was also to stand in the glorious land of Judah. In verse seventeen Rome shall “set his face to enter with the strength of his whole kingdom.” He took the northern king who was unable to stand before him, then he took Judah, then he entered into Egypt.

In vers vijftien zijn die twee koningen nog steeds in hun strijd verwikkeld, en de koning van het noorden heeft de overhand. Maar in vers zestien komt Rome ten tonele en zegt het vers: „Maar hij die tegen hem komt,” waarmee wordt bedoeld dat, wanneer Rome optrekt tegen de koning van het noorden, die juist de overhand had behaald op de koning van het zuiden, de koning van het noorden niet in staat zal zijn tegen Rome stand te houden. Rome behaalt de overwinning, en in vers zestien zou Rome ook standhouden in het heerlijke land Juda. In vers zeventien zal Rome „zijn aangezicht richten om binnen te trekken met de sterkte van zijn gehele koninkrijk.” Hij nam de koning van het noorden, die niet in staat was voor hem stand te houden, vervolgens nam hij Juda, daarna trok hij Egypte binnen.

And in those times there shall many stand up against the king of the south: also the robbers of thy people shall exalt themselves to establish the vision; but they shall fall. So the king of the north shall come, and cast up a mount, and take the most fenced cities: and the arms of the south shall not withstand, neither his chosen people, neither shall there be any strength to withstand. But he that cometh against him shall do according to his own will, and none shall stand before him: and he shall stand in the glorious land, which by his hand shall be consumed. He shall also set his face to enter with the strength of his whole kingdom, and upright ones with him; thus shall he do: and he shall give him the daughter of women, corrupting her: but she shall not stand on his side, neither be for him. Daniel 11:14–17.

En in die tijden zullen velen opstaan tegen de koning van het zuiden; ook de geweldenaars uit uw volk zullen zich verheffen om het gezicht te bevestigen; maar zij zullen vallen. Dan zal de koning van het noorden komen, een wal opwerpen en de sterkst versterkte steden innemen; en de strijdkrachten van het zuiden zullen geen standhouden, evenmin als zijn uitgelezen volk, en er zal geen kracht zijn om stand te houden. Maar hij die tegen hem komt, zal handelen naar zijn eigen wil, en niemand zal voor hem standhouden; en hij zal staan in het heerlijke land, dat door zijn hand verteerd zal worden. Hij zal ook zijn aangezicht daarop richten om binnen te trekken met de macht van zijn gehele koninkrijk, en oprechten met hem; aldus zal hij doen; en hij zal hem de dochter der vrouwen geven, om haar te verderven; maar zij zal niet aan zijn zijde standhouden, noch voor hem zijn. Daniël 11:14–17.

The conquering illustrated in these verses is a fulfillment of Daniel chapter eight.

Het overwinnen dat in deze verzen wordt geïllustreerd, is een vervulling van Daniël hoofdstuk acht.

And out of one of them came forth a little horn, which waxed exceeding great, toward the south, and toward the east, and toward the pleasant land. Daniel 8:9.

En uit een van die kwam een kleine hoorn voort, die uitermate groot werd, naar het zuiden en naar het oosten en naar het Sieraadland. Daniël 8:9.

The little horn of verse nine is pagan Rome, and verse nine identifies, in agreement with verses fourteen through seventeen of chapter eleven, that pagan Rome would conquer three geographical entities as it took control of the world. Those entities were the south (Egypt), the east (Syria, the king of the north) and the pleasant land (Judah). The history of verses sixteen and seventeen are typifying the historical three-step conquering of modern Rome in verses forty through forty-three, for as Sister White stated, “Much of the history that has taken place in fulfillment of this prophecy will be repeated.”

De kleine hoorn van vers negen is het heidense Rome, en vers negen geeft, in overeenstemming met de verzen veertien tot en met zeventien van hoofdstuk elf, aan dat het heidense Rome drie geografische gebieden zou veroveren toen het de heerschappij over de wereld op zich nam. Die gebieden waren het zuiden (Egypte), het oosten (Syrië, de koning van het noorden) en het Sieraadland (Juda). De geschiedenis van verzen zestien en zeventien is een voorafschaduwing van de historische drievoudige verovering van het moderne Rome in de verzen veertig tot en met drieënveertig, want zoals zuster White verklaarde: „Veel van de geschiedenis die heeft plaatsgevonden in de vervulling van deze profetie, zal worden herhaald.”

“Although Egypt could not stand before Antiochus, the king of the north, Antiochus could not stand before the Romans, who now came against him. No kingdoms were longer able to resist this rising power. Syria was conquered, and added to the Roman empire, when Pompey, BC 65, deprived Antiochus Asiaticus of his possessions, and reduced Syria to a Roman province.

“Hoewel Egypte niet kon standhouden tegenover Antiochus, de koning van het noorden, kon Antiochus niet standhouden tegenover de Romeinen, die nu tegen hem optrokken. Geen koninkrijken waren nog langer in staat deze opkomende macht te weerstaan. Syrië werd veroverd en aan het Romeinse rijk toegevoegd, toen Pompejus in 65 v.Chr. Antiochus Asiaticus van zijn bezittingen beroofde en Syrië tot een Romeinse provincie maakte.

“The same power was also to stand in the Holy Land, and consume it. Rome became connected with the people of God, the Jews, by alliance, BC 162, from which date it holds a prominent place in the prophetic calendar. It did not, however, acquire jurisdiction over Judea by actual conquest till BC 63; and then in the following manner.

“Dezelfde macht zou ook in het Heilige Land staan en het verteren. Rome raakte verbonden met het volk van God, de Joden, door een verbond, in 162 v.Chr., vanaf welke datum het een vooraanstaande plaats inneemt in de profetische kalender. Het verkreeg echter niet eerder rechtsmacht over Judea door daadwerkelijke verovering dan in 63 v.Chr.; en wel op de volgende wijze.

“On Pompey’s return from his expedition against Mithridates, king of Pontus, two competitors, Hyrcanus and Aristobulus, were struggling for the crown of Judea. Their cause came before Pompey, who soon perceived the injustice of the claims of Aristobulus, but wished to defer decision in the matter till after his long-desired expedition into Arabia, promising then to return, and settle their affairs as should seem just and proper. Aristobulus, fathoming Pompey’s real sentiments, hastened back to Judea, armed his subjects, and prepared for a vigorous defense, determined, at all hazards, to keep the crown, which he foresaw would be adjudicated to another. Pompey closely followed the fugitive. As he approached Jerusalem, Aristobulus, beginning to repent of his course, came out to meet him, and endeavored to accommodate matters by promising entire submission and large sums of money. Pompey, accepting this offer, sent Gabinius, at the head of a detachment of soldiers, to receive the money. But when that lieutenant-general arrived at Jerusalem, he found the gates shut against him, and was told from the top of the walls that the city would not stand to the agreement.

„Bij Pompejus’ terugkeer van zijn veldtocht tegen Mithridates, koning van Pontus, streden twee mededingers, Hyrcanus en Aristobulus, om de kroon van Judea. Hun zaak werd aan Pompejus voorgelegd, die weldra de onrechtvaardigheid van de aanspraken van Aristobulus inzag, maar de beslissing in deze zaak wenste uit te stellen tot na zijn lang begeerde expeditie naar Arabië, met de belofte daarna terug te keren en hun aangelegenheden te regelen zoals rechtvaardig en gepast zou schijnen. Aristobulus, die Pompejus’ werkelijke gezindheid doorgrondde, haastte zich terug naar Judea, bewapende zijn onderdanen en bereidde zich voor op een krachtige verdediging, vastbesloten, wat het ook mocht kosten, de kroon te behouden, waarvan hij voorzag dat zij aan een ander zou worden toegewezen. Pompejus volgde de vluchteling op de voet. Toen hij Jeruzalem naderde, kwam Aristobulus, die berouw begon te krijgen over zijn handelwijze, hem tegemoet en trachtte de zaak te schikken door volledige onderwerping en grote sommen geld te beloven. Pompejus nam dit aanbod aan en zond Gabinius aan het hoofd van een afdeling soldaten om het geld in ontvangst te nemen. Maar toen die luitenant-generaal in Jeruzalem aankwam, vond hij de poorten voor hem gesloten, en vanaf de top van de muren werd hem meegedeeld dat de stad zich niet aan de overeenkomst zou houden.”

“Pompey, not to be deceived in this way with impunity, put Aristobulus, whom he had retained with him, in irons, and immediately marched against Jerusalem with his whole army. The partisans of Aristobulus were for defending the place; those of Hyrcanus, for opening the gates. The latter being in the majority, and prevailing, Pompey was given free entrance into the city. Whereupon the adherents of Aristobulus retired to the mountain of the temple, as fully determined to defend that place as Pompey was to reduce it. At the end of three months a breach was made in the wall sufficient for an assault, and the place was carried at the point of the sword. In the terrible slaughter that ensued, twelve thousand persons were slain. It was an affecting sight, observes the historian, to see the priests, engaged at the time in divine service, with calm hand and steady purpose pursue their accustomed work, apparently unconscious of the wild tumult, though all around them their friends were given to the slaughter, and though often their own blood mingled with that of their sacrifices.

“Pompejus, om niet straffeloos op deze wijze misleid te worden, sloeg Aristobulus, die hij bij zich had gehouden, in boeien en rukte onmiddellijk met zijn gehele leger tegen Jeruzalem op. De aanhangers van Aristobulus waren ervoor de plaats te verdedigen; die van Hyrcanus ervoor de poorten te openen. Daar de laatsten in de meerderheid waren en de overhand behielden, werd aan Pompejus vrije toegang tot de stad verleend. Daarop trokken de aanhangers van Aristobulus zich terug op de tempelberg, even vastbesloten die plaats te verdedigen als Pompejus haar in te nemen. Na verloop van drie maanden werd in de muur een bres geslagen, voldoende voor een bestorming, en de plaats werd met het zwaard genomen. In het verschrikkelijke bloedbad dat daarop volgde, werden twaalfduizend personen gedood. Het was een aangrijpend schouwspel, merkt de geschiedschrijver op, te zien hoe de priesters, die op dat ogenblik met de goddelijke dienst bezig waren, met kalme hand en standvastig voornemen hun gebruikelijke arbeid voortzetten, blijkbaar onbewust van het wilde tumult, hoewel rondom hen hun vrienden aan de slachting werden prijsgegeven, en hoewel dikwijls hun eigen bloed zich mengde met dat van hun offers.”

“Having put an end to the war, Pompey demolished the walls of Jerusalem, transferred several cities from the jurisdiction of Judea to that of Syria, and imposed tribute on the Jews. Thus for the first time was Jerusalem placed by conquest in the hands of that power which was to hold the ‘glorious land’ in its iron grasp till it had utterly consumed it.

„Nadat Pompejus een einde aan de oorlog had gemaakt, slechtte hij de muren van Jeruzalem, bracht verscheidene steden over van het rechtsgebied van Judea naar dat van Syrië, en legde de Joden schatting op. Zo werd Jeruzalem voor het eerst door verovering in de handen geplaatst van die macht die het ‘heerlijke land’ in haar ijzeren greep zou houden totdat zij het volkomen had verteerd.

“‘VERSE 17. He shall also set his face to enter with the strength of his whole kingdom, and upright ones with him; thus shall he do: and he shall give him the daughter of women, corrupting her: but she shall not stand on his side, neither be for him.’

“‘VERS 17. Hij zal ook zijn aangezicht erop richten binnen te trekken met de kracht van zijn gehele koninkrijk, en oprechten met hem; aldus zal hij doen; en hij zal hem de dochter der vrouwen geven, om haar te verderven; maar zij zal niet aan zijn zijde standhouden, noch voor hem zijn.’”

“Bishop Newton furnishes another reading for this verse, which seems more clearly to express the sense, as follows: ‘He shall also set his face to enter by force the whole kingdom.’ Verse 16 brought us down to the conquest of Syria and Judea by the Romans. Rome had previously conquered Macedon and Thrace. Egypt was now all that remained of the ‘whole kingdom’ of Alexander, not brought into subjection to the Roman power, which power now set its face to enter by force into that country.” Uriah Smith, Daniel and the Revelation, 258–260.

„Bisschop Newton geeft voor dit vers een andere lezing, die de betekenis helderder schijnt weer te geven, als volgt: ‘Hij zal ook zijn aangezicht richten om met geweld het gehele koninkrijk binnen te trekken.’ Vers 16 bracht ons tot aan de verovering van Syrië en Judea door de Romeinen. Rome had voordien Macedonië en Thracië veroverd. Egypte was nu al wat er overbleef van het ‘gehele koninkrijk’ van Alexander, dat niet onderworpen was aan de Romeinse macht, welke macht nu haar aangezicht richtte om met geweld dat land binnen te trekken.” Uriah Smith, Daniël en de Openbaring, 258–260.

We have already noted, more than once in these articles, how verse thirty and thirty-one of Daniel eleven align with verses forty and forty-one, and the history of verses thirty and thirty-one also aligns with the plucking up of three horns.

Wij hebben in deze artikelen reeds meer dan eens opgemerkt hoe vers dertig en eenendertig van Daniël elf overeenstemmen met vers veertig en eenenveertig, en de geschiedenis van vers dertig en eenendertig stemt eveneens overeen met het uitrukken van drie horens.

I considered the horns, and, behold, there came up among them another little horn, before whom there were three of the first horns plucked up by the roots: and, behold, in this horn were eyes like the eyes of man, and a mouth speaking great things. … And of the ten horns that were in his head, and of the other which came up, and before whom three fell; even of that horn that had eyes, and a mouth that spake very great things, whose look was more stout than his fellows. Daniel 7:8, 20.

Ik sloeg acht op de horens, en zie, daartussen kwam een andere kleine horen op, waarvoor drie van de eerste horens met wortel en al werden uitgerukt; en zie, in deze horen waren ogen als mensenogen, en een mond die grote dingen sprak. … En aangaande de tien horens die op zijn kop waren, en aangaande die andere, die opkwam, en waarvoor er drie vielen; namelijk die horen die ogen had, en een mond die zeer grote dingen sprak, en welks uiterlijk forser was dan dat van zijn metgezellen. Daniël 7:8, 20.

Just as Daniel chapter eight, verse nine, represents the three geographical areas of conquering that established pagan Rome on the throne, so too, the plucking up of the horns (representing the Heruli, Ostrogoths and Vandals) represented the three geographical areas of conquering that established papal Rome on the throne. Both those histories align with verses forty to forty-three of Daniel eleven, and the plucking up of the three horns aligns with the history of verses thirty and thirty-one.

Zoals Daniël hoofdstuk acht, vers negen, de drie geografische gebieden van verovering voorstelt waardoor het heidense Rome op de troon werd gevestigd, zo stelde ook het uitrukken van de horens (die de Herulen, Ostrogoten en Vandalen voorstellen) de drie geografische gebieden van verovering voor waardoor het pauselijke Rome op de troon werd gevestigd. Beide geschiedenissen stemmen overeen met de verzen veertig tot en met drieënveertig van Daniël elf, en het uitrukken van de drie horens stemt overeen met de geschiedenis van de verzen dertig en eenendertig.

“‘VERSE 8. I considered the horns, and, behold, there came up among them another little horn, before whom there were three of the first horns plucked up by the roots; and, behold, in this horn were eyes like the eyes of man, and a mouth speaking great things.’

„‘VERS 8. Ik sloeg acht op de horens, en zie, er kwam een andere, kleine horen op in hun midden, waarvoor drie van de eerste horens met wortel en al werden uitgerukt; en zie, deze horen had ogen als mensenogen, en een mond die grote dingen sprak.’”

“Daniel considered the horns. Indications of a strange movement appeared among them. A little horn (at first little, but afterward more stout than its fellows) thrust itself up among them. It was not content quietly to find a place of its own, and fill it; it must thrust aside some of the others, and usurp their places. Three kingdoms were plucked up before it. This little horn, as we shall have occasion to notice more fully hereafter, was the papacy. The three horns plucked up before it were the Heruli, the Ostrogoths, and the Vandals. And the reason why they were plucked up was because they were opposed to the teaching and claims of the papal hierarchy, and hence to the supremacy in the church of the bishop of Rome.

„Daniël sloeg acht op de horens. Onder hen verschenen aanwijzingen van een vreemde beweging. Een kleine horen (aanvankelijk klein, maar later forser dan zijn metgezellen) drong zich onder hen omhoog. Hij was er niet mee tevreden stilletjes een eigen plaats te vinden en die te vervullen; hij moest enige van de anderen terzijde stoten en hun plaatsen usurperen. Drie koninkrijken werden vóór hem uitgerukt. Deze kleine horen was, zoals wij later gelegenheid zullen hebben uitvoeriger op te merken, het pausdom. De drie horens die vóór hem uitgerukt werden, waren de Herulen, de Ostrogoten en de Vandalen. En de reden waarom zij uitgerukt werden, was dat zij zich verzetten tegen de leer en aanspraken van de pauselijke hiërarchie, en derhalve tegen de opperheerschappij in de kerk van de bisschop van Rome.”

“And ‘in this horn were eyes like the eyes of man, and a mouth speaking great things,’ the eyes, a fit emblem of the shrewdness, penetration, cunning, and foresight of the papal hierarchy; and the mouth speaking great things, a fit symbol of the arrogant claims of the bishops of Rome.” Uriah Smith, Daniel and the Revelation, 132–134.

“En ‘in deze hoorn waren ogen als mensenogen, en een mond die grote dingen sprak’: de ogen, een passend embleem van de schranderheid, scherpzinnigheid, sluwheid en vooruitziende blik van de pauselijke hiërarchie; en de mond die grote dingen sprak, een passend symbool van de hoogmoedige aanspraken van de bisschoppen van Rome.” Uriah Smith, Daniël and de Openbaring, 132–134.

It is Rome that establishes the vision of Bible prophecy, and especially the vision of Daniel chapter eleven. In that chapter much of the prophetic history that had been fulfilled before the Millerite movement was to be repeated in the last six verses of Daniel eleven. The conquering of three geographical obstacles that established both pagan and papal Rome upon the throne is represented in chapter eleven, and those two representations typify the time when modern Rome is again established upon the throne. It is Rome that establishes the vision, and Paul identifies that papal Rome is revealed in its time.

Rome is het die het gezicht van de Bijbelse profetie vestigt, en in het bijzonder het gezicht van Daniël hoofdstuk elf. In dat hoofdstuk moest een groot deel van de profetische geschiedenis die vóór de Milleritische beweging reeds was vervuld, in de laatste zes verzen van Daniël elf worden herhaald. De verovering van drie geografische hindernissen, waardoor zowel het heidense als het pauselijke Rome op de troon werd gevestigd, wordt in hoofdstuk elf voorgesteld, en deze twee voorstellingen zijn een zinnebeeld van de tijd waarin het moderne Rome opnieuw op de troon wordt gevestigd. Het is Rome dat het gezicht vestigt, en Paulus duidt aan dat het pauselijke Rome in zijn tijd wordt geopenbaard.

Let no man deceive you by any means: for that day shall not come, except there come a falling away first, and that man of sin be revealed, the son of perdition; Who opposeth and exalteth himself above all that is called God, or that is worshipped; so that he as God sitteth in the temple of God, showing himself that he is God. Remember ye not, that, when I was yet with you, I told you these things? And now ye know what withholdeth that he might be revealed in his time. 2 Thessalonians 2:3–6.

Laat niemand u op enigerlei wijze misleiden; want die dag zal niet komen, tenzij eerst de afval gekomen is en de mens der zonde geopenbaard is, de zoon des verderfs; hij die zich verzet en zich verheft boven al wat God genoemd wordt of als God vereerd wordt, zodat hij als God in de tempel Gods zit en van zichzelf te kennen geeft dat hij God is. Herinnert gij u niet dat ik u deze dingen gezegd heb, toen ik nog bij u was? En nu weet gij wat hem wederhoudt, opdat hij geopenbaard worde op zijn eigen tijd. 2 Thessalonicenzen 2:3–6.

The papacy took the throne as the fifth kingdom of Bible prophecy in the year 538, and many who consider verse six, would no doubt assume that Paul means that “the Papacy would be revealed in 538.” This may be correct, but it is at minimum a secondary truth of what Paul was identifying. Paul, like all prophets is speaking more about the last days, than his own time period. He was referring to how the papacy would be revealed prophetically, for as a prophet he was in agreement with all the other prophets. Line upon line, those who have not the vision perish, and those who have not the vision, have not the vision because they do not know what establishes the vision. Knowing that Rome establishes the vision is a life-or-death understanding. Paul, in agreement with the other prophets is identifying that what reveals papal Rome, who is the Rome of the last days is “his time.” The prophetic “time” associated with Rome, is what reveals what and who Rome is.

Het pausdom besteeg in het jaar 538 de troon als het vijfde koninkrijk van de Bijbelse profetie, en velen die vers zes in overweging nemen, zouden ongetwijfeld aannemen dat Paulus bedoelt dat „het pausdom in 538 geopenbaard zou worden”. Dit kan juist zijn, maar het is ten minste een secundaire waarheid van wat Paulus aanduidde. Paulus spreekt, zoals alle profeten, meer over de laatste dagen dan over zijn eigen tijdsperiode. Hij verwees naar de wijze waarop het pausdom profetisch geopenbaard zou worden; want als profeet was hij in overeenstemming met alle andere profeten. Gebod op gebod: wie het gezicht niet heeft, gaat te gronde, en wie het gezicht niet heeft, heeft het niet omdat hij niet weet wat het gezicht vaststelt. Het besef dat Rome het gezicht vaststelt, is een inzicht van leven of dood. Paulus duidt, in overeenstemming met de andere profeten, aan dat wat het pauselijke Rome openbaart, dat het Rome van de laatste dagen is, „zijn tijd” is. De profetische „tijd” die met Rome verbonden is, openbaart wat en wie Rome is.

We will continue this study in the next article.

Wij zullen deze studie in het volgende artikel voortzetten.

“The apostle Paul, in his second letter to the Thessalonians, foretold the great apostasy which would result in the establishment of the papal power. He declared that the day of Christ should not come, ‘except there come a falling away first, and that man of sin be revealed, the son of perdition; who opposeth and exalteth himself above all that is called God, or that is worshiped; so that he as God sitteth in the temple of God, showing himself that he is God.’ And furthermore, the apostle warns his brethren that ‘the mystery of iniquity doth already work.’ 2 Thessalonians 2:3, 4, 7. Even at that early date he saw, creeping into the church, errors that would prepare the way for the development of the papacy.

„De apostel Paulus heeft in zijn tweede brief aan de Thessalonicenzen de grote afval voorzegd die zou uitlopen op de vestiging van de pauselijke macht. Hij verklaarde dat de dag van Christus niet zou komen, ‘tenzij eerst de afval gekomen is en de mens der zonde geopenbaard is, de zoon des verderfs; de tegenstander, die zich verheft boven al wat God genoemd of als God vereerd wordt, zodat hij als God in de tempel Gods zit en zichzelf vertoont dat hij God is.’ En voorts waarschuwt de apostel zijn broeders dat ‘de verborgenheid der ongerechtigheid reeds werkzaam is.’ 2 Thessalonicenzen 2:3, 4, 7. Reeds in die vroege tijd zag hij dwalingen de kerk binnensluipen die de weg zouden bereiden voor de ontwikkeling van het pausdom.

“Little by little, at first in stealth and silence, and then more openly as it increased in strength and gained control of the minds of men, ‘the mystery of iniquity’ carried forward its deceptive and blasphemous work. Almost imperceptibly the customs of heathenism found their way into the Christian church. The spirit of compromise and conformity was restrained for a time by the fierce persecutions which the church endured under paganism. But as persecution ceased, and Christianity entered the courts and palaces of kings, she laid aside the humble simplicity of Christ and His apostles for the pomp and pride of pagan priests and rulers; and in place of the requirements of God, she substituted human theories and traditions. The nominal conversion of Constantine, in the early part of the fourth century, caused great rejoicing; and the world, cloaked with a form of righteousness, walked into the church. Now the work of corruption rapidly progressed. Paganism, while appearing to be vanquished, became the conqueror. Her spirit controlled the church. Her doctrines, ceremonies, and superstitions were incorporated into the faith and worship of the professed followers of Christ.

„Beetje bij beetje, eerst in het verborgene en in stilte, en vervolgens openlijker naarmate zij in kracht toenam en de geesten van de mensen in haar macht kreeg, zette ‘het geheimenis der ongerechtigheid’ zijn misleidende en godslasterlijke werk voort. Bijna ongemerkt vonden de gebruiken van het heidendom hun weg in de christelijke kerk. De geest van compromis en gelijkvormigheid werd een tijdlang beteugeld door de felle vervolgingen die de kerk onder het heidendom te verduren had. Maar toen de vervolging ophield en het christendom de hoven en paleizen der koningen binnentrad, legde zij de nederige eenvoud van Christus en Zijn apostelen af voor de pracht en hoogmoed van heidense priesters en machthebbers; en in plaats van de vereisten van God stelde zij menselijke theorieën en overleveringen. De naamchristelijke bekering van Constantijn, in het begin van de vierde eeuw, veroorzaakte grote vreugde; en de wereld, gehuld in een schijn van gerechtigheid, trad de kerk binnen. Nu ging het werk der verdorvenheid snel voort. Het heidendom werd, terwijl het scheen overwonnen te zijn, de overwinnaar. Haar geest beheerste de kerk. Haar leerstellingen, ceremoniën en bijgelovigheden werden opgenomen in het geloof en de eredienst van de belijdende volgelingen van Christus.

“This compromise between paganism and Christianity resulted in the development of ‘the man of sin’ foretold in prophecy as opposing and exalting himself above God. That gigantic system of false religion is a masterpiece of Satan’s power—a monument of his efforts to seat himself upon the throne to rule the earth according to his will.” The Great Controversy, 49, 50.

“Dit compromis tussen heidendom en christendom leidde tot de ontwikkeling van ‘de mens der zonde’ die in de profetie werd voorzegd als iemand die zich tegen God verzet en zich boven God verheft. Dat gigantische stelsel van valse godsdienst is een meesterwerk van Satans macht — een monument van zijn pogingen zich op de troon te zetten om de aarde naar zijn wil te regeren.” The Great Controversy, 49, 50.