Sister White often identifies that the prophetic lessons that are needed to be understood are portrayed with the rise and fall of kingdoms.
Zuster White geeft vaak aan dat de profetische lessen die begrepen moeten worden, worden uitgebeeld in de opkomst en de ondergang van koninkrijken.
“From the rise and fall of nations as made plain in the books of Daniel and the Revelation, we need to learn how worthless is mere outward and worldly glory. Babylon, with all its power and magnificence, the like of which our world has never since beheld,—power and magnificence which to the people of that day seemed so stable and enduring,—how completely has it passed away! As ‘the flower of the grass,’ it has perished. James 1:10. So perished the Medo-Persian kingdom, and the kingdoms of Grecia and Rome. And so perishes all that has not God for its foundation. Only that which is bound up with His purpose, and expresses His character, can endure. His principles are the only steadfast things our world knows.” Prophets and Kings, 548.
‘Uit de opkomst en ondergang van volken, zoals duidelijk uiteengezet in de boeken Daniël en Openbaring, moeten wij leren hoe waardeloos louter uiterlijke en wereldse heerlijkheid is. Babylon, met al zijn macht en pracht, waarvan onze wereld sindsdien nooit meer het gelijke heeft aanschouwd,—macht en pracht die de mensen van die tijd zo vast en blijvend toeschenen,—hoe volkomen is het verdwenen! Als “de bloem van het gras” is het vergaan. Jakobus 1:10. Zo verging het Medo-Perzische rijk, en de rijken van Griekenland en Rome. En zo vergaat alles wat God niet tot grondslag heeft. Alleen datgene wat met Zijn voornemen verbonden is en Zijn karakter uitdrukt, kan standhouden. Zijn beginselen zijn de enige vaste dingen die onze wereld kent.’ Profeten en Koningen, 548.
The “rise and fall” of the kingdoms that are represented in the books of Daniel and Revelation are the focal point of a correct approach to the study of prophecy. The fall of Babylon is typified by the fall of Nimrod’s Babel in Genesis eleven. Then in Daniel chapter five, Babylon falls again. The papacy’s history of its rise to power in the year 538, and its subsequent fall in 1798, also typifies the final fall of Babylon, for the papal power is prophetically spiritual Babylon. The papacy fell in 1798, and Revelation chapter eighteen outlines its final fall. In Daniel chapter eleven, and verse forty-five, the papacy, represented there as the king of the north, comes to its end with none to help. This takes place when probation closes, for verses forty-five of chapter eleven, and verse one of chapter twelve, represent the same history.
De „opkomst en ondergang” van de koninkrijken die in de boeken Daniël en Openbaring worden voorgesteld, vormen het brandpunt van een juiste benadering van de studie der profetie. De val van Babylon wordt getypeerd door de val van Nimrods Babel in Genesis elf. Vervolgens valt Babylon in Daniël hoofdstuk vijf opnieuw. De geschiedenis van het pausdom, van zijn opkomst tot macht in het jaar 538 en zijn daaropvolgende val in 1798, typeert eveneens de uiteindelijke val van Babylon, want de pauselijke macht is profetisch het geestelijke Babylon. Het pausdom viel in 1798, en Openbaring hoofdstuk achttien schetst zijn uiteindelijke val. In Daniël hoofdstuk elf, vers vijfenveertig, komt het pausdom, daar voorgesteld als de koning van het noorden, tot zijn einde, zonder dat iemand hem helpt. Dit vindt plaats wanneer de genadetijd sluit, want vers vijfenveertig van hoofdstuk elf en vers één van hoofdstuk twaalf stellen dezelfde geschiedenis voor.
And he shall plant the tabernacles of his palace between the seas in the glorious holy mountain; yet he shall come to his end, and none shall help him. And at that time shall Michael stand up, the great prince which standeth for the children of thy people: and there shall be a time of trouble, such as never was since there was a nation even to that same time: and at that time thy people shall be delivered, every one that shall be found written in the book. Daniel 11:45, 12:1.
En hij zal de tenten van zijn paleis opslaan tussen de zeeën op de heerlijke heilige berg; toch zal hij aan zijn einde komen, en niemand zal hem helpen. En in die tijd zal Michaël opstaan, de grote vorst die staat voor de kinderen van uw volk; en er zal een tijd van benauwdheid zijn, zoals er niet geweest is sinds er een volk bestaat tot op diezelfde tijd; en in die tijd zal uw volk verlost worden, ieder die geschreven gevonden wordt in het boek. Daniël 11:45, 12:1.
The message of the second angel is structured upon the fact that Babylon has fallen twice. Literal Babylon, represented by Nimrod and Belshazzar fell twice, and spiritual Babylon fell in 1798, and does so again, when human probation closes.
De boodschap van de tweede engel is gegrond op het feit dat Babylon tweemaal is gevallen. Het letterlijke Babylon, vertegenwoordigd door Nimrod en Belsazar, viel tweemaal, en het geestelijke Babylon viel in 1798 en doet dit opnieuw wanneer de genadetijd voor de mensheid wordt afgesloten.
And there followed another angel, saying, Babylon is fallen, is fallen, that great city, because she made all nations drink of the wine of the wrath of her fornication. Revelation 14:8.
En een andere engel volgde, die zei: Gevallen, gevallen is Babylon, die grote stad, omdat zij al de volken heeft doen drinken van de wijn van de toorn van haar hoererij. Openbaring 14:8.
The repetition of the fall of Babylon in the second angel provides the prophetic justification for identifying the doubling of words and phrases within the Scriptures as a symbol of the combined messages of the second angel and the Midnight Cry. It also upholds the principle identified by Sister White, concerning the study of prophecy being based upon the rise and fall of the kingdoms represented in the books of Daniel and Revelation. It illustrates the concept that to understand the fall of Babylon, the student of prophecy must bring together all of Babylon’s falls, “line upon line,” to establish the correct prophetic message of the final fall of Babylon.
De herhaling van de val van Babylon in de boodschap van de tweede engel verschaft de profetische rechtvaardiging om de verdubbeling van woorden en uitdrukkingen binnen de Schrift te identificeren als een symbool van de gecombineerde boodschappen van de tweede engel en de Middernachtsroep. Zij bevestigt tevens het beginsel dat door Zuster White is aangeduid, namelijk dat de studie van profetie gebaseerd is op de opkomst en ondergang van de koninkrijken die in de boeken Daniël en Openbaring worden voorgesteld. Zij illustreert het concept dat, om de val van Babylon te begrijpen, de student van de profetie alle vallen van Babylon, „regel op regel”, moet samenbrengen om de juiste profetische boodschap van de uiteindelijke val van Babylon vast te stellen.
Babylon falling twice in the message of the second angel, is based upon the prophetic rule which identifies that truth is established upon the testimony of two witnesses. The doubling of Babylon’s fall within the message, represents the prophetic methodology that is identified in the Bible as the latter rain. That sacred methodology, which is the latter rain, is the application of bringing various lines of prophecy together “line upon line.” When employed by the student of prophecy, the methodology establishes the “message” of the latter rain. The latter rain message that is established through the application of the sacred methodology, is thereafter proclaimed in the combined prophetic histories of the second angel and the Midnight Cry. This was true in the history of the movement of the first angel, and it is true today, in the history of the movement of the third angel.
Dat Babylon tweemaal valt in de boodschap van de tweede engel, is gebaseerd op de profetische regel die vaststelt dat waarheid bevestigd wordt op het getuigenis van twee getuigen. De verdubbeling van Babylons val binnen de boodschap vertegenwoordigt de profetische methodologie die in de Bijbel wordt aangeduid als de late regen. Die heilige methodologie, die de late regen is, is de toepassing van het samenbrengen van verschillende profetische lijnen, „regel op regel”. Wanneer zij door de student van de profetie wordt toegepast, stelt de methodologie de „boodschap” van de late regen vast. De boodschap van de late regen, die door de toepassing van de heilige methodologie wordt vastgesteld, wordt vervolgens verkondigd in de samengevoegde profetische geschiedenissen van de tweede engel en de Middernachtsroep. Dit was waar in de geschiedenis van de beweging van de eerste engel, en het is vandaag waar, in de geschiedenis van de beweging van de derde engel.
Chapters four and five of the book of Daniel, represent the line of history which covers the rise and beginning of Babylon, represented by Nebuchadnezzar in chapter four, and then the fall and ending of Babylon, represented by Belshazzar in chapter five. Together they produce one prophetic line. The prophetic line produced by those two chapters is to be laid over the top of Daniel chapters one through three, in order to establish the latter rain message.
De hoofdstukken vier en vijf van het boek Daniël vertegenwoordigen de historische lijn die de opkomst en het begin van Babylon omvat, voorgesteld door Nebukadnezar in hoofdstuk vier, en vervolgens de val en het einde van Babylon, voorgesteld door Belsazar in hoofdstuk vijf. Samen vormen zij één profetische lijn. De profetische lijn die door die twee hoofdstukken wordt voortgebracht, moet over Daniël, hoofdstukken één tot en met drie, worden gelegd om de boodschap van de late regen vast te stellen.
The two chapters present the fall and rising again of Nebuchadnezzar and the fall and destruction of Belshazzar, and therefore present the fall of Babylon in the beginning and ending of the line. The line of prophecy created by the two chapters is structured upon Babylon falling, rising, and then falling again. That fact alone identifies that those two chapters represent the message of the second angel. The two chapters represent the history of the earth beast of Revelation thirteen, and in that history the message of the second angel and Midnight Cry is twice proclaimed.
De twee hoofdstukken stellen de val en de wederoprichting van Nebukadnezar voor, en de val en vernietiging van Belsazar, en stellen derhalve de val van Babylon voor aan het begin en aan het einde van de lijn. De profetische lijn die door de twee hoofdstukken wordt gevormd, is opgebouwd op Babylon dat valt, opstaat en vervolgens opnieuw valt. Alleen dat feit al toont aan dat deze twee hoofdstukken de boodschap van de tweede engel vertegenwoordigen. De twee hoofdstukken vertegenwoordigen de geschiedenis van het beest uit de aarde van Openbaring dertien, en in die geschiedenis worden de boodschap van de tweede engel en de Middernachtsroep tweemaal verkondigd.
Therefore, before we begin our consideration of chapters four and five of Daniel, we will identify the sacred methodology which is the latter rain, and then by employing that methodology we will identify the message of the latter rain.
Daarom zullen wij, voordat wij onze beschouwing van Daniël hoofdstuk vier en vijf beginnen, de heilige methodologie vaststellen die de late regen is, en vervolgens zullen wij, door die methodologie toe te passen, de boodschap van de late regen vaststellen.
A significant waymark of the history of the first and second angel was the methodology represented by William Miller’s rules of prophetic interpretation. Those rules were used by men to identify the message of the Midnight Cry, and that message was the latter rain message for that history. A significant waymark of the history of the third angel is the methodology represented as “Prophetic Keys”. Those rules are to be used in conjunction with the rules of William Miller to identify the message of the Midnight Cry in our current history, and the message that is now being established by those rules is the latter rain message of the last days. Miller’s rules represent the early rain in the prophetic history of the earth beast, and those rules combined with the “Prophetic Keys” represent the latter rain in the prophetic history of the earth beast.
Een belangrijke wegmarkering in de geschiedenis van de eerste en de tweede engel was de methodologie die werd weergegeven door William Millers regels voor profetische uitleg. Die regels werden door mensen gebruikt om de boodschap van de Middernachtsroep te identificeren, en die boodschap was de laat-regenboodschap voor die geschiedenis. Een belangrijke wegmarkering in de geschiedenis van de derde engel is de methodologie die wordt aangeduid als “Profetische Sleutels”. Die regels moeten in samenhang met de regels van William Miller worden gebruikt om de boodschap van de Middernachtsroep in onze huidige geschiedenis te identificeren, en de boodschap die nu door die regels wordt gevestigd, is de laat-regenboodschap van de laatste dagen. Millers regels vertegenwoordigen de vroege regen in de profetische geschiedenis van het beest uit de aarde, en die regels, gecombineerd met de “Profetische Sleutels”, vertegenwoordigen de late regen in de profetische geschiedenis van het beest uit de aarde.
The latter rain is the methodology employed to produce the message. There are those who are deceived because they seek for the latter rain experience, without first seeking the message that produces the experience. The Pentecostal churches of Christianity are a clear example of that deception. That same type of misguided direction is available to those who do seek for the latter rain message, but refuse to seek for the methodology that identifies and establishes the latter rain message. Without the correct methodology, the correct message cannot be identified. Without the correct message, the correct experience is an impossibility.
De late regen is de methodologie die wordt aangewend om de boodschap voort te brengen. Er zijn mensen die misleid worden omdat zij de ervaring van de late regen zoeken, zonder eerst de boodschap te zoeken die die ervaring voortbrengt. De pinksterkerken van het christendom zijn een duidelijk voorbeeld van die misleiding. Datzelfde soort misgerichte koers ligt ook open voor hen die wél de boodschap van de late regen zoeken, maar weigeren de methodologie te zoeken die de boodschap van de late regen identificeert en bevestigt. Zonder de juiste methodologie kan de juiste boodschap niet worden geïdentificeerd. Zonder de juiste boodschap is de juiste ervaring een onmogelijkheid.
The significance of this biblical fact goes unrecognized by most, for they have never considered the possibility that there is one right way to study the Bible, and that there are many wrong ways to study the Bible. The wrong way to study the Bible, that is by far the most often chosen, is to trust other men’s opinions of what the Bible teaches. It is such a common issue with men, that every church organizes a system to address this falsely perceived need of their flocks. That false need, produces the false work of establishing a system of leaders who are identified as the spiritual experts of biblical understanding that will correctly direct the understanding of the untrained flock. The Bible does identify a very organized system for the structure of a church, which includes elders, prophets and teachers, but the Bible never endorses the corruption of church organization that produces a system of leaders who have been ordained to identify what is or what isn’t truth, and thereafter, who is and who isn’t a heretic.
De betekenis van dit bijbelse feit wordt door de meesten niet onderkend, want zij hebben nooit de mogelijkheid overwogen dat er één juiste manier is om de Bijbel te bestuderen, en dat er vele verkeerde manieren zijn om de Bijbel te bestuderen. De verkeerde manier om de Bijbel te bestuderen, die verreweg het vaakst wordt gekozen, is te vertrouwen op de opvattingen van andere mensen over wat de Bijbel leert. Dit is onder mensen zó algemeen, dat iedere kerk een stelsel organiseert om in deze ten onrechte veronderstelde behoefte van haar kudde te voorzien. Die valse behoefte brengt het valse werk voort van het opzetten van een systeem van leiders die worden aangemerkt als de geestelijke deskundigen in het verstaan van de Bijbel, die het begrip van de ongeschoolde kudde op juiste wijze zullen sturen. De Bijbel duidt wel een zeer geordend stelsel aan voor de inrichting van een kerk, waarin ouderlingen, profeten en leraars zijn begrepen, maar de Bijbel bekrachtigt nooit de verdorvenheid van kerkelijke organisatie die een systeem van leiders voortbrengt die zijn geordineerd om vast te stellen wat wel of niet de waarheid is, en vervolgens wie wel en wie geen ketter is.
Study to show thyself approved unto God, a workman that needeth not to be ashamed, rightly dividing the word of truth. 2 Timothy 2:15.
Benaarstig u om uzelf Gode beproefd voor te stellen, als een arbeider die zich niet behoeft te schamen en die het woord der waarheid recht snijdt. 2 Timotheüs 2:15.
A church leader is to exhort, rebuke, teach and guard against false doctrines and those who promote the false doctrines, but we are each to “study to show” ourselves “approved unto God,” by “rightly dividing the word of truth.” In doing so, we must know the methodology that the Bible identifies as the correct way to rightly divide the word of truth. The book of Isaiah sets forth these issues in the context of the latter rain, so it is there that we will begin.
Een kerkleider dient te vermanen, te bestraffen, te onderwijzen en te waken tegen valse leringen en tegen hen die de valse leringen bevorderen, maar ieder van ons dient zich erop toe te leggen zich „beproefd voor God” te betonen door „het woord der waarheid recht te snijden”. Daarbij moeten wij de methodologie kennen die de Bijbel aanwijst als de juiste wijze om het woord der waarheid recht te snijden. Het boek Jesaja zet deze kwesties uiteen in de context van de late regen; daarom zullen wij daar beginnen.
In that day the Lord with his sore and great and strong sword shall punish leviathan the piercing serpent, even leviathan that crooked serpent; and he shall slay the dragon that is in the sea. In that day sing ye unto her, A vineyard of red wine. I the Lord do keep it; I will water it every moment: lest any hurt it, I will keep it night and day. Fury is not in me: who would set the briers and thorns against me in battle? I would go through them, I would burn them together. Or let him take hold of my strength, that he may make peace with me; and he shall make peace with me. He shall cause them that come of Jacob to take root: Israel shall blossom and bud, and fill the face of the world with fruit. Hath he smitten him, as he smote those that smote him? or is he slain according to the slaughter of them that are slain by him? In measure, when it shooteth forth, thou wilt debate with it: he stayeth his rough wind in the day of the east wind. By this therefore shall the iniquity of Jacob be purged; and this is all the fruit to take away his sin; when he maketh all the stones of the altar as chalkstones that are beaten in sunder, the groves and images shall not stand up. Yet the defenced city shall be desolate, and the habitation forsaken, and left like a wilderness: there shall the calf feed, and there shall he lie down, and consume the branches thereof. When the boughs thereof are withered, they shall be broken off: the women come, and set them on fire: for it is a people of no understanding: therefore he that made them will not have mercy on them, and he that formed them will shew them no favour. And it shall come to pass in that day, that the Lord shall beat off from the channel of the river unto the stream of Egypt, and ye shall be gathered one by one, O ye children of Israel. And it shall come to pass in that day, that the great trumpet shall be blown, and they shall come which were ready to perish in the land of Assyria, and the outcasts in the land of Egypt, and shall worship the Lord in the holy mount at Jerusalem. Isaiah 27:1–13.
Te dien dage zal de HEERE met Zijn hard, groot en sterk zwaard bezoeking doen over Leviathan, de snelle slang, ja, over Leviathan, de kronkelende slang; en Hij zal de draak doden die in de zee is. Te dien dage: zingt van haar, een wijngaard van rode wijn. Ik, de HEERE, behoed die; Ik zal hem te allen tijde begieten; opdat niemand hem beschadige, zal Ik hem nacht en dag bewaren. Grimmigheid is in Mij niet; wie zou Mij in de strijd doornen en distelen tegenoverstellen? Ik zou erdoorheen trekken, Ik zou ze tezamen verbranden. Of laat hij Mijn sterkte aangrijpen, opdat hij vrede met Mij make; ja, vrede zal hij met Mij maken. Hij zal maken dat wie uit Jakob voortkomen, wortel schieten; Israël zal bloeien en uitspruiten, en de aardbodem met vrucht vervullen. Heeft Hij hem geslagen, zoals Hij hen geslagen heeft die hem sloegen? Of is hij gedood naar de slachting van hen die door Hem gedood zijn? Met mate, wanneer het uitspruit, zult Gij met hem rechten; Hij beteugelt Zijn harde wind ten dage van de oostenwind. Daarom zal hierdoor de ongerechtigheid van Jakob verzoend worden; en dit is al de vrucht: het wegnemen van zijn zonde; wanneer hij al de stenen van het altaar zal maken als kalkstenen die in stukken geslagen zijn, zullen de gewijde palen en de beelden niet overeind blijven staan. Toch zal de versterkte stad woest worden, en de woonplaats verlaten en prijsgegeven als een wildernis; daar zal het kalf weiden, daar zal het neerliggen en haar takken afvreten. Wanneer haar twijgen verdord zijn, zullen zij afgebroken worden; de vrouwen komen en steken ze in brand; want het is een volk zonder inzicht; daarom zal Hij Die het gemaakt heeft, Zich er niet over ontfermen, en Hij Die het geformeerd heeft, zal het geen genade bewijzen. En het zal geschieden te dien dage, dat de HEERE aren zal afslaan van de stroom der rivier af tot aan de beek van Egypte; en gij zult één voor één verzameld worden, gij kinderen Israëls. En het zal geschieden te dien dage, dat op de grote bazuin geblazen zal worden; en zij zullen komen, die gereed waren om om te komen in het land Assyrië, en de verdrevenen in het land Egypte, en zij zullen de HEERE aanbidden op de heilige berg te Jeruzalem. Jesaja 27:1–13.
In the previous articles, we have repeatedly addressed the “ensign” that is lifted up to call God’s other children out of Babylon. The last verse of Isaiah chapter twenty-seven, addresses the work of the ensign when it says “the great trumpet shall be blown, and they shall come which were ready to perish in the land of Assyria.” Assyria is a symbol of Babylon in the last days, and those that hear the warning message to come out of Babylon in the verse, come and worship with those represented as the one hundred and forty-four thousand who are prophetically located at “the holy mount at Jerusalem.”
In de voorgaande artikelen hebben wij herhaaldelijk aandacht besteed aan het „vaandel” dat wordt opgeheven om Gods andere kinderen uit Babylon te roepen. Het laatste vers van Jesaja, hoofdstuk zevenentwintig, behandelt het werk van het vaandel wanneer het zegt: „de grote bazuin zal geblazen worden, en zij zullen komen die gereed waren om te vergaan in het land van Assyrië.” Assyrië is een symbool van Babylon in de laatste dagen, en zij die in het vers de waarschuwingsboodschap horen om uit Babylon te komen, komen en aanbidden met hen die worden voorgesteld als de honderdvierendertigduizend, die profetisch gelokaliseerd zijn op „de heilige berg te Jeruzalem.”
The verse says, “and it shall come to pass in that day.” “That day,” which is the day when the second voice of Revelation chapter eighteen, calls God’s other children out of Babylon, is the setting for the entire chapter. The second voice of Revelation chapter eighteen, cries at the Sunday law, when the whore of Tyre is remembered.
Het vers zegt: „en het zal geschieden te dien dage.” „Die dag”, namelijk de dag waarop de tweede stem van Openbaring hoofdstuk achttien Gods andere kinderen uit Babylon roept, vormt het decor voor het gehele hoofdstuk. De tweede stem van Openbaring hoofdstuk achttien roept bij de zondagswet, wanneer de hoer van Tyrus in gedachtenis wordt gebracht.
And I heard another voice from heaven, saying, Come out of her, my people, that ye be not partakers of her sins, and that ye receive not of her plagues. For her sins have reached unto heaven, and God hath remembered her iniquities. Revelation 18:4, 5.
En ik hoorde een andere stem uit de hemel, die zei: Gaat uit van haar, Mijn volk, opdat gij geen gemeenschap hebt aan haar zonden en opdat gij niet ontvangt van haar plagen. Want haar zonden zijn opgestapeld tot aan de hemel, en God heeft haar ongerechtigheden in gedachtenis gebracht. Openbaring 18:4, 5.
Isaiah chapter twenty-seven, begins by identifying the same day that the chapter ends with, when it says, “In that day the Lord with his sore and great and strong sword shall punish leviathan the piercing serpent, even leviathan that crooked serpent; and he shall slay the dragon that is in the sea.”
Jesaja hoofdstuk zevenentwintig begint met de aanduiding van dezelfde dag waarmee het hoofdstuk eindigt, wanneer het zegt: „Te dien dage zal de HEERE met Zijn harde en grote en sterke zwaard bezoeking doen over Leviathan, de snelle slang, ja, over Leviathan, de kronkelende slang; en Hij zal de draak doden die in de zee is.”
At the Sunday law God’s executive, retributive judgment begins upon the kingdoms of the dragon (the United Nations), the beast (the papacy) and the false prophet (the United States). At the Sunday law the false prophet is overthrown as the sixth kingdom of Bible prophecy, and national apostasy produces national ruin. The Sunday law is where God’s executive judgments begin to fall upon the dragon, who is Satan (and whose earthly kingdom is represented as the dragon), the beast and the false prophet. It is a progressive punishment, that begins at the Sunday law. The beginning and the ending of chapter twenty-seven of Isaiah is the Sunday law, and the chapter represents specific issues that are directly connected with the history that leads up to and follows after the Sunday law.
Bij de zondagswet begint Gods uitvoerende, vergeldende oordeel over de koninkrijken van de draak (de Verenigde Naties), het beest (het pausdom) en de valse profeet (de Verenigde Staten). Bij de zondagswet wordt de valse profeet ten val gebracht als het zesde koninkrijk van de Bijbelse profetie, en nationale afval brengt nationale ondergang voort. De zondagswet is het punt waarop Gods uitvoerende oordelen beginnen neer te komen op de draak, die Satan is (en wiens aardse koninkrijk wordt voorgesteld als de draak), het beest en de valse profeet. Het is een voortschrijdende bestraffing, die bij de zondagswet begint. Het begin en het einde van hoofdstuk zevenentwintig van Jesaja is de zondagswet, en het hoofdstuk stelt specifieke kwesties voor die rechtstreeks verbonden zijn met de geschiedenis die voert tot en volgt op de zondagswet.
We are considering chapter twenty-seven, for it establishes the prophetic setting for chapters twenty-eight and twenty-nine. In those chapters we will find the definition of the latter rain as a methodology, which will allow us to understand the significance of laying chapters four and five of Daniel over the top of chapters one through three of Daniel. After Isaiah chapter twenty-seven, identifies the beginning of the progressive punishment of the dragon’s kingdom, he records that in that period of time, God’s people are commanded to “sing unto her.” Sing unto who?
Wij beschouwen hoofdstuk zevenentwintig, want het bepaalt het profetische kader voor de hoofdstukken achtentwintig en negenentwintig. In die hoofdstukken zullen wij de definitie van de late regen als een methodologie aantreffen, hetgeen ons in staat zal stellen de betekenis te begrijpen van het leggen van de hoofdstukken vier en vijf van Daniël over de hoofdstukken één tot en met drie van Daniël. Nadat Jesaja in hoofdstuk zevenentwintig het begin van de voortschrijdende bestraffing van het koninkrijk van de draak heeft aangeduid, vermeldt hij dat in die periode Gods volk bevolen wordt haar toe te zingen. Aan wie zingen?
The answer of who is to be sung to is in the title of the song, for they are to sing “a vineyard of red wine, that the Lord keeps.” The story of the vineyard is the story of God’s people, and it is first mentioned by Isaiah in chapter five.
Het antwoord op de vraag voor wie gezongen moet worden, ligt in de titel van het lied, want zij moeten zingen over „een wijngaard van rode wijn, die de HEERE bewaart.” Het verhaal van de wijngaard is het verhaal van Gods volk, en het wordt door Jesaja voor het eerst genoemd in hoofdstuk vijf.
Now will I sing to my wellbeloved a song of my beloved touching his vineyard. My wellbeloved hath a vineyard in a very fruitful hill: And he fenced it, and gathered out the stones thereof, and planted it with the choicest vine, and built a tower in the midst of it, and also made a winepress therein: and he looked that it should bring forth grapes, and it brought forth wild grapes. And now, O inhabitants of Jerusalem, and men of Judah, judge, I pray you, betwixt me and my vineyard. What could have been done more to my vineyard, that I have not done in it? wherefore, when I looked that it should bring forth grapes, brought it forth wild grapes? And now go to; I will tell you what I will do to my vineyard: I will take away the hedge thereof, and it shall be eaten up; and break down the wall thereof, and it shall be trodden down: And I will lay it waste: it shall not be pruned, nor digged; but there shall come up briers and thorns: I will also command the clouds that they rain no rain upon it. For the vineyard of the Lord of hosts is the house of Israel, and the men of Judah his pleasant plant: and he looked for judgment, but behold oppression; for righteousness, but behold a cry. Isaiah 5:1–5.
Nu wil ik voor mijn zeer geliefde een lied zingen van mijn beminde aangaande zijn wijngaard. Mijn zeer geliefde had een wijngaard op een zeer vruchtbare heuvel: En hij omheinde die, en verwijderde de stenen daaruit, en beplantte hem met de edelste wijnstok, en bouwde een toren in het midden ervan, en hieuw ook daarin een wijnpers uit; en hij verwachtte dat hij druiven zou voortbrengen, maar hij bracht wilde druiven voort. En nu dan, gij inwoners van Jeruzalem en mannen van Juda, oordeelt toch tussen Mij en mijn wijngaard. Wat had er nog meer aan mijn wijngaard gedaan kunnen worden, dat Ik er niet aan gedaan heb? Waarom heeft hij, toen Ik verwachtte dat hij druiven zou voortbrengen, wilde druiven voortgebracht? En nu dan, kom, Ik zal u bekendmaken wat Ik met mijn wijngaard zal doen: Ik zal zijn omheining wegnemen, en hij zal afgegraasd worden; en zijn muur afbreken, en hij zal vertreden worden: En Ik zal hem tot een woestenij maken; hij zal niet gesnoeid noch omgespit worden; maar distels en doornen zullen daarin opschieten: Ik zal ook de wolken bevel geven dat zij geen regen op hem doen neerdalen. Want de wijngaard van de HEERE der heerscharen is het huis van Israël, en de mannen van Juda zijn zijn liefelijke planting; en Hij zag uit naar recht, maar zie, bloedvergieten; naar gerechtigheid, maar zie, geschreeuw. Jesaja 5:1–5.
In the history of the Sunday law crisis, God’s people are to sing the song of the vineyard to God’s people, for the song says, “And now, O inhabitants of Jerusalem, and men of Judah, judge, I pray you, betwixt me and my vineyard.” The song of the vineyard is the song identifying the passing by of a former covenant people, while God enters into covenant with those whom Peter says were “in time past were not a people, but are now the people of God.” It identifies that no rain has fallen upon the vineyard, thus identifying the work of Elijah who comes in that period of time, and who alone can produce rain during that period. We know the song is about the passing by of a covenant people, for the song of the vineyard was sung by Christ to ancient Israel, in the period that ancient Israel was being passed by, while God was simultaneously entering into covenant with spiritual Israel.
In de geschiedenis van de crisis van de zondagwet moet Gods volk het lied van de wijngaard zingen tot Gods volk, want het lied zegt: „En nu dan, gij inwoners van Jeruzalem en mannen van Juda, oordeelt toch tussen Mij en Mijn wijngaard.” Het lied van de wijngaard is het lied dat het voorbijgaan van een voormalig verbondsvolk aanduidt, terwijl God een verbond aangaat met hen van wie Petrus zegt dat zij „eertijds geen volk waart, maar nu Gods volk zijt.” Het maakt duidelijk dat er geen regen op de wijngaard is gevallen, en duidt aldus het werk aan van Elia, die in die tijdsperiode komt, en die alleen gedurende die periode regen kan voortbrengen. Wij weten dat het lied handelt over het voorbijgaan van een verbondsvolk, want het lied van de wijngaard werd door Christus gezongen tot het oude Israël in de periode waarin aan het oude Israël werd voorbijgegaan, terwijl God tegelijkertijd een verbond aanging met het geestelijke Israël.
Hear another parable: There was a certain householder, which planted a vineyard, and hedged it round about, and digged a winepress in it, and built a tower, and let it out to husbandmen, and went into a far country: And when the time of the fruit drew near, he sent his servants to the husbandmen, that they might receive the fruits of it. And the husbandmen took his servants, and beat one, and killed another, and stoned another. Again, he sent other servants more than the first: and they did unto them likewise. But last of all he sent unto them his son, saying, They will reverence my son. But when the husbandmen saw the son, they said among themselves, This is the heir; come, let us kill him, and let us seize on his inheritance. And they caught him, and cast him out of the vineyard, and slew him. When the lord therefore of the vineyard cometh, what will he do unto those husbandmen? They say unto him, He will miserably destroy those wicked men, and will let out his vineyard unto other husbandmen, which shall render him the fruits in their seasons. Jesus saith unto them, Did ye never read in the scriptures, The stone which the builders rejected, the same is become the head of the corner: this is the Lord’s doing, and it is marvellous in our eyes? Therefore say I unto you, The kingdom of God shall be taken from you, and given to a nation bringing forth the fruits thereof. And whosoever shall fall on this stone shall be broken: but on whomsoever it shall fall, it will grind him to powder. And when the chief priests and Pharisees had heard his parables, they perceived that he spake of them. Matthew 21:33–45.
Hoort een andere gelijkenis: Er was een zeker heer des huizes, die een wijngaard plantte, en die van rondom omheinde, en daarin een wijnpers groef, en een toren bouwde, en hem verhuurde aan landlieden, en naar een ver land reisde. En toen de tijd van de vrucht naderde, zond hij zijn dienstknechten tot de landlieden, opdat zij de vruchten daarvan zouden ontvangen. En de landlieden namen zijn dienstknechten, en sloegen de een, doodden de ander, en stenigden een ander. Wederom zond hij andere dienstknechten, meer in getal dan de eersten; en zij deden hun evenzo. Maar ten laatste zond hij zijn zoon tot hen, zeggende: Zij zullen mijn zoon ontzien. Maar toen de landlieden de zoon zagen, zeiden zij onder elkander: Deze is de erfgenaam; komt, laat ons hem doden, en zijn erfenis in bezit nemen. En zij grepen hem, wierpen hem buiten de wijngaard, en doodden hem. Wanneer dan de heer van de wijngaard komt, wat zal hij met die landlieden doen? Zij zeiden tot Hem: Hij zal die boze mensen een ellendig einde doen vinden, en zijn wijngaard aan andere landlieden verhuren, die hem de vruchten op hun tijden zullen afdragen. Jezus zeide tot hen: Hebt gij nooit in de Schriften gelezen: De steen die de bouwlieden verworpen hebben, deze is geworden tot een hoofd des hoeks; van de Heere is dit geschied, en het is wonderlijk in onze ogen? Daarom zeg Ik u, dat het Koninkrijk Gods van u zal worden weggenomen en aan een volk gegeven, dat de vruchten daarvan voortbrengt. En wie op deze steen valt, zal verpletterd worden; maar op wie hij valt, die zal hij vermorzelen. En toen de overpriesters en Farizeeën zijn gelijkenissen hoorden, bemerkten zij dat Hij over hen sprak. Mattheüs 21:33–45.
When Jesus sang the song of God’s vineyard to ancient Israel, they were so drawn into the logic and strength of the message, that when Jesus asked the quibbling Jews, what the Lord of the vineyard would do to those who slew the Son, they could not help but provide the correct answer, when they said, “He will miserably destroy those wicked men, and will let out his vineyard unto other husbandmen, which shall render him the fruits in their seasons.”
Toen Jezus het lied van Gods wijngaard voor het oude Israël zong, werden zij zozeer meegevoerd in de logica en de kracht van de boodschap, dat zij, toen Jezus de kibbelende Joden vroeg wat de Heer van de wijngaard zou doen met hen die de Zoon hadden gedood, niet anders konden dan het juiste antwoord geven, toen zij zeiden: „Hij zal die boze mensen een ellendig einde doen ondergaan en zijn wijngaard aan andere pachters verhuren, die hem op hun tijd de vruchten zullen afdragen.”
Jesus then immediately added another verse to the song, when he sang about the rejected stone, and pulled their answer together with the closing stanza when he stated, “Therefore say I unto you, The kingdom of God shall be taken from you, and given to a nation bringing forth the fruits thereof. And whosoever shall fall on this stone shall be broken: but on whomsoever it shall fall, it will grind him to powder.” The “grinding him to powder,” echoes Isaiah twenty-seven making “all the stones of the altar as chalkstones that are beaten in sunder, the groves and images shall not stand up.” Both are references to the work of revival carried out by Josiah, who symbolized those in the last days that rediscover the “seven times”, which is the stumbling stone that crushes those who refuse to find it precious.
Jezus voegde daarop onmiddellijk nog een vers aan het lied toe, toen Hij zong over de verworpen steen, en bracht hun antwoord samen met de slotstrofe toen Hij verklaarde: „Daarom zeg Ik u: het Koninkrijk Gods zal van u weggenomen en gegeven worden aan een volk dat de vruchten daarvan voortbrengt. En wie op deze steen valt, zal verpletterd worden; maar op wie hij valt, die zal hij tot stof vermalen.” Het „tot stof vermalen” weerklinkt Jesaja zevenentwintig, waar „al de stenen van het altaar als kalkstenen, die aan stukken geslagen zijn”, worden gemaakt, en „de gewijde palen en beelden niet overeind zullen blijven staan.” Beide zijn verwijzingen naar het werk van opwekking dat door Josia werd verricht, die een zinnebeeld was van hen in de laatste dagen die de „zeven tijden” herontdekken, hetgeen de steen des aanstoots is die hen verplettert die weigeren hem kostbaar te achten.
In the day of the Sunday law, as represented in Isaiah chapter twenty-seven, those who “in time past were not a people,” are to sing the song of the Lord’s vineyard of red wine. These articles have often identified that there is no third message, without a first and a second message. The Sunday law is the third message, and the day of the Sunday law includes the history of the first and second messages. In chapter twenty-seven of Isaiah, the Sunday law is identifying the period represented in Daniel chapter one, and then again in Daniel chapters one through three. Prophetically, the day of the Sunday law in chapter twenty-seven is identifying the history of September 11, 2001, when the first message was empowered through to the soon-coming Sunday law.
Op de dag van de zondagswet, zoals voorgesteld in Jesaja hoofdstuk zevenentwintig, zullen zij die „eertijds geen volk waren” het lied zingen van de wijngaard des HEEREN van rode wijn. Deze artikelen hebben herhaaldelijk vastgesteld dat er geen derde boodschap is zonder een eerste en een tweede boodschap. De zondagswet is de derde boodschap, en de dag van de zondagswet omvat de geschiedenis van de eerste en de tweede boodschap. In hoofdstuk zevenentwintig van Jesaja duidt de zondagswet de periode aan die in Daniël hoofdstuk één wordt voorgesteld, en vervolgens opnieuw in Daniël hoofdstukken één tot en met drie. Profetisch duidt de dag van de zondagswet in hoofdstuk zevenentwintig de geschiedenis aan vanaf 11 september 2001, toen de eerste boodschap bekrachtigd werd, tot aan de spoedig komende zondagswet.
We will continue on in our consideration of the song that the redeemed are to proclaim in the time leading up to the point where the whore of Rome will begin to sing her song, in the next article.
In het volgende artikel zullen wij voortgaan met onze beschouwing van het lied dat de verlosten behoren te verkondigen in de tijd die voorafgaat aan het moment waarop de hoer van Rome haar lied zal beginnen te zingen.
And I looked, and, lo, a Lamb stood on the mount Sion, and with him an hundred forty and four thousand, having his Father’s name written in their foreheads. And I heard a voice from heaven, as the voice of many waters, and as the voice of a great thunder: and I heard the voice of harpers harping with their harps: And they sung as it were a new song before the throne, and before the four beasts, and the elders: and no man could learn that song but the hundred and forty and four thousand, which were redeemed from the earth. These are they which were not defiled with women; for they are virgins. These are they which follow the Lamb whithersoever he goeth. These were redeemed from among men, being the firstfruits unto God and to the Lamb. And in their mouth was found no guile: for they are without fault before the throne of God. Revelation 14:1–5.
En ik zag, en zie, het Lam stond op de berg Sion, en met Hem honderd vierenveertigduizend, die de naam van Zijn Vader op hun voorhoofden geschreven hadden. En ik hoorde een stem uit de hemel als een stem van vele wateren en als een stem van een grote donderslag; en ik hoorde de stem van citerspelers, die op hun citers speelden. En zij zongen als het ware een nieuw lied voor de troon en voor de vier dieren en de ouderlingen; en niemand kon dat lied leren dan de honderd vierenveertigduizend, die van de aarde gekocht waren. Dezen zijn het die zich met vrouwen niet hebben verontreinigd, want zij zijn maagden. Dezen zijn het die het Lam volgen, waarheen Het ook gaat. Dezen zijn gekocht uit de mensen, als eerstelingen voor God en het Lam. En in hun mond is geen bedrog gevonden, want zij zijn zonder smet voor de troon van God. Openbaring 14:1–5.