In Daniel chapter eight, Daniel is given a vision of the kingdoms of Bible prophecy, and thereafter he hears a heavenly dialogue represented by a question and an answer.
In Daniël hoofdstuk acht wordt aan Daniël een visioen gegeven van de koninkrijken van de Bijbelse profetie, en daarna hoort hij een hemelse dialoog, weergegeven in de vorm van een vraag en een antwoord.
Then I heard one saint speaking, and another saint said unto that certain saint which spake, How long shall be the vision concerning the daily sacrifice, and the transgression of desolation, to give both the sanctuary and the host to be trodden under foot? And he said unto me, Unto two thousand and three hundred days; then shall the sanctuary be cleansed. Daniel 8:13, 14.
Toen hoorde ik een heilige spreken, en een andere heilige zei tot die bepaalde heilige die sprak: Hoe lang zal het gezicht duren aangaande het dagelijks offer en de overtreding der verwoesting, waardoor zowel het heiligdom als het leger ter vertreding worden overgegeven? En hij zei tot mij: Tot tweeduizend en driehonderd dagen; daarna zal het heiligdom gereinigd worden. Daniël 8:13, 14.
The first twelve verses represent the vision, and verses thirteen and fourteen identify another vision. As with the two different Hebrew words that are both translated as “take away,” and the two different Hebrew words that are both translated as “sanctuary,” in Daniel chapter eight there are also two different Hebrew words, that are both translated as “vision.”
De eerste twaalf verzen stellen het visioen voor, en de verzen dertien en veertien duiden een ander visioen aan. Zoals er, met betrekking tot de twee verschillende Hebreeuwse woorden die beide met „wegnemen” worden vertaald, en de twee verschillende Hebreeuwse woorden die beide met „heiligdom” worden vertaald, in Daniël hoofdstuk acht ook twee verschillende Hebreeuwse woorden zijn die beide met „visioen” worden vertaald.
When it comes to the two words translated as “take away,” the theologians of Adventism argue that the words should both be understood to mean “remove.” When it comes to the two words translated as “sanctuary,” the theologians of Adventism argue that the words should both be understood to mean “God’s sanctuary”, and when it comes to the two words translated as “vision,” the theologians of Adventism, once again, gloss over the distinctions between the two words. The distinction was important enough to Daniel, that he purposely used two very different Hebrew words, so we should identify and uphold the distinction. The word “vision,” in verse thirteen is the Hebrew word “chazon,” and it means a dream, revelation, or oracle—a vision.
Wat de twee woorden betreft die vertaald zijn met „wegnemen”, betogen de theologen van het adventisme dat beide woorden moeten worden opgevat in de zin van „verwijderen”. Wat de twee woorden betreft die vertaald zijn met „heiligdom”, betogen de theologen van het adventisme dat beide woorden moeten worden opgevat als „Gods heiligdom”, en wat de twee woorden betreft die vertaald zijn met „visioen”, verdoezelen de theologen van het adventisme opnieuw de onderscheidingen tussen de twee woorden. Het onderscheid was voor Daniël belangrijk genoeg dat hij opzettelijk twee zeer verschillende Hebreeuwse woorden gebruikte; daarom behoren wij dat onderscheid te onderkennen en te handhaven. Het woord „visioen” in vers dertien is het Hebreeuwse woord „chazon”, en het betekent een droom, openbaring of godsspraak—een visioen.
The word “vision,” occurs ten times in Daniel chapter eight, but it represents two different Hebrew words. “Chazon,” that is located in verse thirteen, is also found in verse one, then twice in verse two, of course verse thirteen, and one time in verses fifteen, seventeen and twenty-six. Seven of the ten times the word “vision” occurs in Daniel chapter eight, it is the word “chazon,” simply meaning “a vision”.
Het woord „visioen” komt tienmaal voor in Daniël hoofdstuk acht, maar het vertegenwoordigt twee verschillende Hebreeuwse woorden. „Chazon”, dat in vers dertien voorkomt, wordt ook aangetroffen in vers één, vervolgens tweemaal in vers twee, uiteraard in vers dertien, en eenmaal in de verzen vijftien, zeventien en zesentwintig. Zeven van de tien keren dat het woord „visioen” in Daniël hoofdstuk acht voorkomt, is het het woord „chazon”, dat eenvoudigweg „een visioen” betekent.
The other three times the word “vision” occurs in Daniel chapter eight, it is the Hebrew word “mareh,” meaning a view; or an appearance. In chapter eight, the Hebrew word “mareh,” is also translated one time not as “vision,” but as “appearance,” thus identifying more perfectly the meaning of the word. Why did Daniel use two different Hebrew words, that are so close in meaning that the translators would treat them as the same word? Does it matter?
De andere drie keren dat het woord „visioen” voorkomt in Daniël hoofdstuk acht, is het het Hebreeuwse woord „mareh”, dat een aanblik betekent, of een verschijning. In hoofdstuk acht wordt het Hebreeuwse woord „mareh” ook eenmaal niet als „visioen”, maar als „verschijning” vertaald, waardoor de betekenis van het woord nauwkeuriger wordt aangeduid. Waarom gebruikte Daniël twee verschillende Hebreeuwse woorden die zo dicht bij elkaar liggen in betekenis dat de vertalers ze als hetzelfde woord zouden behandelen? Doet het ertoe?
“Every principle in the word of God has its place, every fact its bearing. And the complete structure, in design and execution, bears testimony to its Author. Such a structure no mind but that of the Infinite could conceive or fashion.” Education, 123.
“Elk beginsel in het Woord van God heeft zijn plaats, ieder feit zijn strekking. En het volledige bouwwerk getuigt, zowel in ontwerp als in uitvoering, van zijn Auteur. Een dergelijk bouwwerk kon door geen ander verstand dan dat van de Oneindige worden ontworpen of gevormd.” Education, 123.
The answer to the second question is Yes, that it really does matter why Daniel made the distinction, so it therefore becomes the responsibility of the student of prophecy to seek to understand the first question, which asks why Daniel made the distinction. The distinctions he made concerning the word translated as “sanctuary,” and the word translated as “take away,” have eternal consequences, so why would anyone expect less of an importance with the word translated as “vision?” “Every fact” has “its bearing” “in the word of God,” and impacts the prophetic “structure,” and the fulfillment of the prophecy when it is “executed.”
Het antwoord op de tweede vraag is Ja, dat het er werkelijk toe doet waarom Daniël het onderscheid maakte; daarom wordt het de verantwoordelijkheid van de student der profetie om te trachten de eerste vraag te begrijpen, namelijk waarom Daniël het onderscheid maakte. De onderscheidingen die hij maakte met betrekking tot het woord dat vertaald is als „heiligdom” en het woord dat vertaald is als „wegnemen”, hebben eeuwige gevolgen; waarom zou iemand dan minder gewicht verwachten ten aanzien van het woord dat vertaald is als „visioen”? „Elk feit” heeft „zijn betekenis” „in het Woord van God”, en beïnvloedt de profetische „structuur” en de vervulling van de profetie wanneer zij wordt „uitgevoerd”.
As we begin to consider the word “vision,” in chapter eight, a “fact” that has “bearing” on Daniel’s testimony, is who it was that answered the question of Daniel eight, verse thirteen with, “Unto two thousand and three hundred days; then shall the sanctuary be cleansed.”
Wanneer wij het woord „visioen” in hoofdstuk acht beginnen te beschouwen, is een „feit” dat „betrekking” heeft op Daniëls getuigenis, wie het was die de vraag van Daniël acht, vers dertien, beantwoordde met: „Tot tweeduizend en driehonderd dagen; daarna zal het heiligdom gereinigd worden.”
There are four facts that have a direct “bearing” upon Daniel chapter eight, which I intend to address. One is that the vision of the Ulai River has been identified as a prophecy for the last days, and it is also the symbol of the “knowledge” of the book of Daniel which was “unsealed” at the “time of the end” in 1798.
Er zijn vier feiten die rechtstreeks betrekking hebben op Daniël hoofdstuk acht, welke ik voornemens ben te behandelen. Eén daarvan is dat het visioen van de rivier de Ulai is geïdentificeerd als een profetie voor de laatste dagen, en het is tevens het symbool van de „kennis” van het boek Daniël, die in 1798 ten tijde van het einde werd „ontzegeld”.
“There is need of a much closer study of the Word of God. Especially should Daniel and the Revelation have attention as never before in the history of our work. We may have less to say in some lines, in regard to the Roman power and the papacy, but we should call attention to what the prophets and the apostles have written under the inspiration of the Spirit of God. The Holy Spirit has so shaped matters, both in the giving of the prophecy, and in the events portrayed, as to teach that the human agent is to be kept out of sight, hid in Christ, and the Lord God of heaven and His law are to be exalted.
„Er is behoefte aan een veel nauwgezettere bestudering van het Woord van God. In het bijzonder dienen Daniël en Openbaring aandacht te krijgen als nooit tevoren in de geschiedenis van ons werk. Mogelijk hebben wij in sommige opzichten minder te zeggen met betrekking tot de Romeinse macht en het pausdom, maar wij behoren de aandacht te vestigen op hetgeen de profeten en de apostelen onder de inspiratie van de Geest van God hebben geschreven. De Heilige Geest heeft de zaken zowel in het geven van de profetie als in de gebeurtenissen die daarin worden voorgesteld zó gevormd, dat de menselijke werktuig buiten het gezicht moet blijven, verborgen in Christus, en dat de Here God van de hemel en Zijn wet moeten worden verhoogd.
“Read the book of Daniel. Call up, point by point, the history of the kingdoms there represented. Behold statesmen, councils, powerful armies, and see how God wrought to abase the pride of men, and lay human glory in the dust. God alone is represented as great. In the vision of the prophet He is seen casting down one mighty ruler and setting up another. He is revealed as the monarch of the universe, about to set up His everlasting kingdom—the Ancient of days, the living God, the Source of all wisdom, the Ruler of the present, the Revealer of the future. Read and understand how poor, how frail, how short-lived, how erring, how guilty, is man in lifting up his soul unto vanity.
„Lees het boek Daniël. Roep, punt voor punt, de geschiedenis op van de koninkrijken die daar worden voorgesteld. Aanschouw staatslieden, raden, machtige legers, en zie hoe God werkte om de trots van mensen te vernederen en menselijke heerlijkheid in het stof neer te leggen. God alleen wordt voorgesteld als groot. In het visioen van de profeet wordt Hij gezien terwijl Hij de ene machtige heerser neerwerpt en een andere opricht. Hij wordt geopenbaard als de Monarch van het heelal, op het punt Zijn eeuwig koninkrijk op te richten—de Oude van dagen, de levende God, de Bron van alle wijsheid, de Heerser van het heden, de Openbaarder van de toekomst. Lees en begrijp hoe arm, hoe broos, hoe kortstondig, hoe dwalend, hoe schuldig de mens is, wanneer hij zijn ziel opheft tot ijdelheid.”
“The Holy Spirit through Isaiah points us to God, the living God, as the chief object of attention—to God as revealed in Christ. ‘Unto us a child is born, unto us a son is given: and the government shall be upon His shoulder: and His name shall be called Wonderful, Counsellor, The mighty God, The everlasting Father, The Prince of Peace’ [Isaiah 9:6].
„De Heilige Geest wijst ons door Jesaja op God, de levende God, als het voornaamste voorwerp van aandacht—op God zoals geopenbaard in Christus. ‘Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven; en de heerschappij rust op Zijn schouder; en men noemt Zijn Naam Wonderlijk, Raadsman, Sterke God, Eeuwige Vader, Vredevorst’ [Jesaja 9:6].”
“The light that Daniel received direct from God was given especially for these last days. The visions he saw by the banks of the Ulai and the Hiddekel, the great rivers of Shinar, are now in process of fulfillment, and all the events foretold will soon have come to pass.
“Het licht dat Daniël rechtstreeks van God ontving, werd in het bijzonder voor deze laatste dagen gegeven. De gezichten die hij aan de oevers van de Ulai en de Hiddekel, de grote rivieren van Sinear, zag, zijn thans in vervulling, en alle voorzegde gebeurtenissen zullen spoedig hebben plaatsgevonden.
“Consider the circumstances of the Jewish nation when the prophecies of Daniel were given. The Israelites were in captivity, their temple had been destroyed, their temple service suspended. Their religion had centered in the ceremonies of the sacrificial system. They had made the outward forms all-important, while they had lost the spirit of true worship. Their services were corrupted with the traditions and practices of heathenism, and in the performance of the sacrificial rites they did not look beyond the shadow to the substance. They did not discern Christ, the true offering for the sins of men. The Lord wrought to bring the people into captivity, and to suspend the services in the temple, in order that the outward ceremonies might not become the sum total of their religion. Their principles and practices must be purged from heathenism. The ritual service ceased in order that heart service might be revived. The outward glory was removed that the spiritual might be revealed.
“Beschouw de omstandigheden van het Joodse volk toen de profetieën van Daniël werden gegeven. De Israëlieten waren in gevangenschap, hun tempel was verwoest, hun tempeldienst opgeschort. Hun godsdienst had zich geconcentreerd in de ceremoniën van het offersysteem. Zij hadden de uiterlijke vormen tot het allesbeheersende gemaakt, terwijl zij de geest van de ware aanbidding hadden verloren. Hun erediensten waren verdorven door de overleveringen en gebruiken van het heidendom, en bij de voltrekking van de offerplechtigheden zagen zij niet verder dan de schaduw naar de werkelijkheid. Zij onderkenden Christus niet, het ware offer voor de zonden der mensen. De Heer werkte om het volk in gevangenschap te brengen en de diensten in de tempel op te schorten, opdat de uiterlijke ceremoniën niet de volle som van hun godsdienst zouden worden. Hun beginselen en gebruiken moesten van het heidendom gezuiverd worden. De rituele dienst hield op, opdat de dienst van het hart herleven zou. De uiterlijke heerlijkheid werd weggenomen, opdat het geestelijke geopenbaard zou worden.”
“In the land of their captivity, as the people turned unto the Lord with repentance, He manifested Himself unto them. They lacked the outward representation of His presence; but the bright beams of the Sun of Righteousness shone into their minds and hearts. When they called unto God in their humiliation and distress, visions were given to His prophets which unfolded the events of the future—the overthrow of the oppressors of God’s people, the coming of the Redeemer, and the establishment of the everlasting kingdom.” Manuscript Releases, volume 16, 333–335.
„In het land van hun gevangenschap, toen het volk zich met berouw tot de Heere wendde, openbaarde Hij Zich aan hen. Zij misten de uiterlijke voorstelling van Zijn tegenwoordigheid; maar de heldere stralen van de Zon der Gerechtigheid schenen in hun verstand en hart. Toen zij in hun vernedering en benauwdheid tot God riepen, werden aan Zijn profeten visioenen gegeven die de gebeurtenissen van de toekomst ontvouwden — de omverwerping van de onderdrukkers van Gods volk, de komst van de Verlosser en de vestiging van het eeuwige koninkrijk.” Manuscript Releases, deel 16, 333–335.
The “fact” that the vision of the Ulai River was given for the last days demands that a student of prophecy makes the effort to understand what it has foretold of the events represented in the vision. The prophetic “matters” associated with the vision of the Ulai River were “shaped” by the “Holy Spirit” “both in the giving of the prophecy, and in the events portrayed.” What was happening with a prophet when they receive a vision, as well as the events of prophecy the prophet identifies are to be studied, with the knowledge that both are a prophetic representation of what will be fulfilled in the last days. The previous passage emphasizes that we should recognize that Daniel was in the captivity of the “seven times.”
Het „feit” dat het visioen van de rivier de Ulai voor de laatste dagen werd gegeven, vereist dat een student van de profetie zich inspant om te begrijpen wat daarin is voorzegd aangaande de gebeurtenissen die in het visioen worden voorgesteld. De profetische „zaken” die met het visioen van de rivier de Ulai verband houden, werden door de „Heilige Geest” „gevormd”, „zowel in het geven van de profetie als in de gebeurtenissen die worden uitgebeeld.” Wat er met een profeet gebeurt wanneer hij een visioen ontvangt, evenals de gebeurtenissen van de profetie die de profeet aanwijst, dienen te worden bestudeerd, in het besef dat beide een profetische voorstelling zijn van hetgeen in de laatste dagen zal worden vervuld. De voorgaande passage benadrukt dat wij behoren te erkennen dat Daniël zich in de gevangenschap van de „zeven tijden” bevond.
Daniel represents those who recognize their captivity at the conclusion of the three-and-a-half days of Revelation eleven, who then turn to the Lord with repentance, fulfill the Leviticus twenty-six prayer, separate the precious from the vile, and then the Lord fulfills his promise to gather those who have been scattered, as he manifests Himself unto them. Their “chief object of attention,” then is “God as revealed in Christ.”
Daniël vertegenwoordigt hen die hun gevangenschap erkennen aan het einde van de drieënhalve dagen van Openbaring elf, die zich vervolgens in berouw tot de Heer wenden, het gebed van Leviticus zesentwintig vervullen, het kostbare van het verachtelijke scheiden, en dan vervult de Heer Zijn belofte om hen die verstrooid zijn geweest te vergaderen, wanneer Hij Zich aan hen openbaart. Hun „voornaamste voorwerp van aandacht” is dan „God zoals geopenbaard in Christus.”
The “bearing” of the vision of the Ulai River, and how it contributes to the “structure” of the prophetic message which was “designed” by Christ, is the first “fact” we have briefly considered, and the passage cited identifies that our chief object should be the revelation of God, as “revealed in Christ.” In Daniel chapter eight, Christ is not presented as He was by Isaiah, when Isaiah identified that Christ’s “name shall be called Wonderful, Counsellor, The mighty God, The everlasting Father, The Prince of Peace.” In Daniel chapter eight, God is revealed in Christ as Palmoni, meaning the Wonderful Numberer, or the Numberer of Secrets.
De „strekking” van het visioen van de rivier de Ulai, en de wijze waarop dit bijdraagt aan de „structuur” van de profetische boodschap die door Christus werd „ontworpen”, is het eerste „feit” dat wij kort hebben beschouwd, en de aangehaalde passage maakt duidelijk dat ons voornaamste doel de openbaring van God dient te zijn, zoals „geopenbaard in Christus”. In Daniël hoofdstuk acht wordt Christus niet voorgesteld zoals door Jesaja, toen Jesaja verklaarde dat Christus’ „naam zal genoemd worden Wonderlijk, Raad, Sterke God, Eeuwige Vader, Vredevorst”. In Daniël hoofdstuk acht wordt God in Christus geopenbaard als Palmoni, wat betekent: de Wonderlijke Teller, of de Teller van Geheimen.
That “fact” demands that the “bearing” of the name “Palmoni” must be sought for, along with how that name contributes to the “structure” and “design” of the prophecy. A third “fact” in Daniel chapter eight, that should be recognized, is that it is in that chapter that the central doctrinal pillar of the Millerite movement is set forth. Miller’s brightest jewel was found in verse fourteen, and we should seek to understand the “bearing” that “fact” has upon the vision of the Ulai River, that is now in the process of fulfillment.
Dat „feit” vereist dat de „strekking” van de naam „Palmoni” wordt onderzocht, evenals de wijze waarop die naam bijdraagt aan de „structuur” en het „ontwerp” van de profetie. Een derde „feit” in Daniël hoofdstuk acht, dat erkend behoort te worden, is dat in dat hoofdstuk de centrale leerstellige pijler van de Milleritische beweging wordt uiteengezet. Millers schitterendste juweel werd gevonden in vers veertien, en wij behoren te trachten de „strekking” te begrijpen die dat „feit” heeft voor het gezicht van de rivier Ulai, dat thans in vervulling is.
In Miller’s dream, when the casket was placed upon the table in the center of his room, it shone with the brightness of the sun, but in the last days the casket is larger and shines ten times brighter than it shone when initially placed upon Miller’s table. What is it about the vision of the Ulai River, that includes the central pillar to the Millerite movement, that increases the light of that doctrine by ten times in the last days? What is revealed in the last days that was not revealed at the time of the end in 1798? What are “the events” of the vision of the Ulai River, which Sister White says “are now in the process of fulfillment?”
In Millers droom, toen de kist op de tafel in het midden van zijn kamer werd geplaatst, straalde zij met de glans van de zon; maar in de laatste dagen is de kist groter en straalt zij tienmaal helderder dan toen zij aanvankelijk op Millers tafel werd geplaatst. Wat is er aan het gezicht van de rivier de Ulai, dat de centrale pijler van de Milleritische beweging omvat, waardoor het licht van die leer in de laatste dagen tienmaal toeneemt? Wat wordt in de laatste dagen geopenbaard dat niet geopenbaard werd ten tijde van het einde in 1798? Wat zijn „de gebeurtenissen” van het gezicht van de rivier de Ulai, waarvan zuster White zegt dat zij „thans in vervulling gaan?”
If we candidly bring these first three facts together (the vision of the Ulai, Christ revealed as Palmoni and the central doctrinal pillar), we should be willing to accept a simple premise that will impact our study of the vision of the Ulai River. Those combined facts inform those who wish to see that the message that was unsealed in 1798 was a message that was “hung upon time.” Without the element of predictive time prophecy Miller’s message would not have existed.
Indien wij deze eerste drie feiten eerlijk samenbrengen (het visioen van de Ulai, Christus geopenbaard als Palmoni en de centrale leerstellige pijler), zouden wij bereid moeten zijn een eenvoudig uitgangspunt te aanvaarden dat van invloed zal zijn op onze studie van het visioen van de rivier de Ulai. Deze samengevoegde feiten maken aan hen die willen zien duidelijk dat de boodschap die in 1798 werd ontzegeld, een boodschap was die „aan de tijd was opgehangen”. Zonder het element van voorspellende tijdsprofetie zou Millers boodschap niet hebben bestaan.
The fourth “fact” that has bearing on this chapter is that the Millerites presented a message based upon prophetic time. To emphasize this fact, God was revealed in Christ, in verse thirteen and fourteen as the Wonderful Numberer (Palmoni). The idea that the vision consisted of only identifying October 22, 1844, as the conclusion of the twenty-three hundred days of verse fourteen, is to throw cold water on the revelation of God being revealed through Christ as Palmoni.
Het vierde „feit” dat betrekking heeft op dit hoofdstuk, is dat de Millerieten een boodschap brachten die gebaseerd was op profetische tijd. Om dit feit te benadrukken, werd God in Christus, in vers dertien en veertien, geopenbaard als de Wonderbare Tellers (Palmoni). De gedachte dat het visioen er slechts uit bestond 22 oktober 1844 aan te wijzen als het einde van de twee duizend driehonderd dagen van vers veertien, is koud water werpen op de openbaring van God, geopenbaard door Christus als Palmoni.
The theologians of Adventism have diligently worked to bury the significance of the question of verse thirteen of Daniel chapter eight in order to produce the flavor in their dish of fables, that they have determined will keep the unlearned with the itching ears, from being concerned about the truths connected with the central pillar of Adventism.
De theologen van het adventisme hebben zich ijverig ingespannen om de betekenis van de vraag in vers dertien van Daniël hoofdstuk acht te begraven, teneinde in hun schotel van fabels die smaak te verwekken waarvan zij hebben vastgesteld dat die de onwetenden met jeukende oren ervan zal weerhouden zich bezig te houden met de waarheden die verbonden zijn met de centrale pijler van het adventisme.
“The scripture which above all others had been both the foundation and central pillar of the Advent faith was the declaration, ‘Unto two thousand and three hundred days; then shall the sanctuary be cleansed.’ [Daniel 8:14.] These had been familiar words to all believers in the Lord’s soon coming. By the lips of thousands was this prophecy repeated as the watchword of their faith. All felt that upon the events therein foretold depended their brightest expectations and most cherished hopes. These prophetic days had been shown to terminate in the autumn of 1844. In common with the rest of the Christian world, Adventists then held that the earth, or some portion of it, was the sanctuary. They understood that the cleansing of the sanctuary was the purification of the earth by the fires of the last great day, and that this would take place at the second advent. Hence the conclusion that Christ would return to the earth in 1844.
“Het Schriftwoord dat, meer dan alle andere, zowel het fundament als de centrale pijler van het adventgeloof was geweest, was de verklaring: ‘Tot tweeduizend driehonderd avonden en morgens; dan zal het heiligdom gereinigd worden.’ [Daniel 8:14.] Dit waren vertrouwde woorden voor allen die geloofden in de spoedige komst van de Heere. Van de lippen van duizenden werd deze profetie herhaald als het wachtwoord van hun geloof. Allen voelden dat van de daarin voorzegde gebeurtenissen hun heerlijkste verwachtingen en dierbaarste hoop afhankelijk waren. Van deze profetische dagen was aangetoond dat zij in de herfst van 1844 zouden eindigen. Evenals de overige christelijke wereld huldigden de adventisten toen de opvatting dat de aarde, of een deel daarvan, het heiligdom was. Zij verstonden onder de reiniging van het heiligdom de zuivering van de aarde door de vuren van de laatste grote dag, en dat dit zou plaatsvinden bij de tweede komst. Vandaar de gevolgtrekking dat Christus in 1844 naar de aarde zou terugkeren.
“But the appointed time had passed, and the Lord had not appeared. The believers knew that God’s Word could not fail; their interpretation of the prophecy must be at fault; but where was the mistake? Many rashly cut the knot of difficulty by denying that the 2300 days ended in 1844. No reason could be given for this, except that Christ had not come at the time they expected him. They argued that if the prophetic days had ended in 1844, Christ would then have returned to cleanse the sanctuary by the purification of the earth by fire; and that since he had not come, the days could not have ended.
„Maar de vastgestelde tijd was verstreken, en de Heere was niet verschenen. De gelovigen wisten dat Gods Woord niet kon falen; hun uitleg van de profetie moest onjuist zijn; maar waar lag de vergissing? Velen hakten de knoop van de moeilijkheid roekeloos door door te ontkennen dat de 2300 dagen in 1844 eindigden. Hiervoor kon geen reden worden gegeven, behalve dat Christus niet was gekomen op de tijd waarop zij Hem verwachtten. Zij redeneerden dat, indien de profetische dagen in 1844 waren geëindigd, Christus dan zou zijn wedergekeerd om het heiligdom te reinigen door de zuivering van de aarde door vuur; en dat, aangezien Hij niet was gekomen, de dagen niet geëindigd konden zijn.
“To accept this conclusion was to renounce the former reckoning of the prophetic periods. The 2300 days had been found to begin when the commandment of Artaxerxes for the restoration and building of Jerusalem went into effect, in the autumn of B. C. 457. Taking this as the starting-point, there was perfect harmony in the application of all the events foretold in the explanation of that period in Daniel 9:25–27. Sixty-nine weeks, the first 483 of the 2300 years, were to reach to the Messiah, the Anointed One; and Christ’s baptism and anointing by the Holy Spirit, A. D. 27, exactly fulfilled the specification. In the midst of the seventieth week, Messiah was to be cut off. Three and a half years after his baptism, Christ was crucified, in the spring of A. D. 31. The seventy weeks, or 490 years, were to pertain especially to the Jews. At the expiration of this period, the nation sealed its rejection of Christ by the persecution of his disciples, and the apostles turned to the Gentiles, A. D. 34. The first 490 years of the 2300 having then ended, 1810 years would remain. From A. D. 34, 1810 years extend to 1844. ‘Then,’ said the angel, ‘shall the sanctuary be cleansed.’ All the preceding specifications of the prophecy had been unquestionably fulfilled at the time appointed. With this reckoning, all was clear and harmonious, except that it was not seen that any event answering to the cleansing of the sanctuary had taken place in 1844. To deny that the days ended at that time was to involve the whole question in confusion, and to renounce positions which had been established by unmistakable fulfillments of prophecy.
„Deze conclusie aanvaarden betekende afstand doen van de vroegere berekening van de profetische perioden. Men had vastgesteld dat de 2300 dagen begonnen toen het bevel van Artaxerxes tot het herstel en de herbouw van Jeruzalem van kracht werd, in de herfst van 457 v. Chr. Indien men dit als uitgangspunt nam, bestond er volmaakte harmonie in de toepassing van alle gebeurtenissen die in de uitleg van die periode in Daniël 9:25–27 waren voorzegd. Negenenzestig weken, de eerste 483 van de 2300 jaren, zouden reiken tot op de Messias, de Gezalfde; en Christus’ doop en zalving door de Heilige Geest, in 27 n. Chr., vervulden deze bepaling volkomen nauwkeurig. Midden in de zeventigste week zou de Messias uitgeroeid worden. Drieënhalf jaar na zijn doop werd Christus gekruisigd, in de lente van 31 n. Chr. De zeventig weken, of 490 jaren, zouden in het bijzonder op de Joden betrekking hebben. Bij het einde van deze periode verzegelde het volk zijn verwerping van Christus door de vervolging van zijn discipelen, en de apostelen wendden zich tot de heidenen, in 34 n. Chr. Toen de eerste 490 jaren van de 2300 ten einde waren, bleven er nog 1810 jaren over. Van 34 n. Chr. strekken 1810 jaren zich uit tot 1844. ‘Dan,’ zei de engel, ‘zal het heiligdom gereinigd worden.’ Alle voorafgaande bijzonderheden van de profetie waren onbetwistbaar vervuld op de vastgestelde tijd. Met deze berekening was alles duidelijk en harmonieus, behalve dat men niet inzag dat er in 1844 enige gebeurtenis had plaatsgevonden die overeenkwam met de reiniging van het heiligdom. Te ontkennen dat de dagen toen eindigden, betekende de gehele kwestie in verwarring brengen en afstand doen van standpunten die door onmiskenbare vervullingen van de profetie waren bevestigd.”
“But God had led his people in the great Advent movement; his power and glory had attended the work, and he would not permit it to end in darkness and disappointment, to be reproached as a false and fanatical excitement. He would not leave his word involved in doubt and uncertainty. Though many abandoned their former reckoning of the prophetic periods, and denied the correctness of the movement based thereon, others were unwilling to renounce points of faith and experience that were sustained by the Scriptures and by the witness of the Spirit of God. They believed that they had adopted sound principles of interpretation in their study of the prophecies, and that it was their duty to hold fast the truths already gained, and to continue the same course of Biblical research. With earnest prayer they reviewed their position, and studied the Scriptures to discover their mistake. As they could see no error in their reckoning of the prophetic periods, they were led to examine more closely the subject of the sanctuary.” The Great Controversy, 409, 410.
“Maar God had Zijn volk geleid in de grote adventbeweging; Zijn kracht en heerlijkheid hadden het werk begeleid, en Hij zou niet toelaten dat het zou eindigen in duisternis en teleurstelling, om als een valse en fanatieke opwinding te worden gesmaad. Hij zou niet toelaten dat Zijn woord in twijfel en onzekerheid gehuld bleef. Hoewel velen hun vroegere berekening van de profetische perioden opgaven en de juistheid ontkenden van de beweging die daarop was gegrond, waren anderen niet bereid punten van geloof en ervaring prijs te geven die door de Schriften en door het getuigenis van de Geest van God werden bevestigd. Zij geloofden dat zij in hun studie van de profetieën gezonde uitleggingsbeginselen hadden aangenomen, en dat het hun plicht was vast te houden aan de reeds verkregen waarheden en dezelfde weg van Bijbels onderzoek te blijven volgen. Met ernstig gebed heroverwogen zij hun standpunt en bestudeerden de Schriften om hun vergissing te ontdekken. Toen zij in hun berekening van de profetische perioden geen fout konden ontdekken, werden zij ertoe geleid het onderwerp van het heiligdom nauwkeuriger te onderzoeken.” The Great Controversy, 409, 410.
We have been informed by Sister White, in the same passage where the vision of the Ulai River is identified, that there “is need of a much closer study of the Word of God.” The theologians will present the subject of “prophetic periods” in the previous passage from The Great Controversy, as if the “prophetic periods” Sister White is limiting her commentary to, is the five prophecies that are represented within the twenty-three hundred year prophecy. After all, they claim, four of those prophecies are specifically addressed in the passage. But a “much closer study” of the subject demonstrates that the term “prophetic periods” in the plural, in Sister White’s writings more accurately refers to the two prophecies that were to be fulfilled on October 22, 1844.
In dezelfde passage waarin het visioen van de rivier de Ulai wordt geïdentificeerd, is ons door Zuster White meegedeeld dat er „behoefte is aan een veel nauwkeuriger studie van het Woord van God.” De theologen zullen het onderwerp van de „profetische perioden” in de voorgaande passage uit The Great Controversy naar voren brengen, alsof de „profetische perioden” waartoe Zuster White haar commentaar beperkt, de vijf profetieën zijn die binnen de profetie van de tweeëntwintighonderd jaar worden weergegeven. Zij beweren immers dat vier van die profetieën in de passage specifiek aan de orde worden gesteld. Maar een „veel nauwkeuriger studie” van het onderwerp toont aan dat de term „profetische perioden” in het meervoud in de geschriften van Zuster White nauwkeuriger verwijst naar de twee profetieën die op 22 oktober 1844 vervuld moesten worden.
There are five specific time prophecies that Gabriel identified for Daniel that are part of the twenty-three hundred years. The first identifies forty-nine years, when the “streets and walls would be built in troublous times.” The second was Christ’s baptism after four hundred and eighty-three years from the starting point of 457 BC. The third was His crucifixion, the fourth identified when the gospel would go to the Gentiles at the end of the four hundred and ninety-years that were set apart especially for the Jewish nation, and the fifth, and only the fifth, time prophecy, ended on October 22, 1844. The previous four time prophecies ended well before 1844. So, what does Sister White actually mean when she uses the expression “prophetic periods” in the plural, that were to end in 1844?
Er zijn vijf specifieke tijdsprofetieën die Gabriël aan Daniël aanduidde en die deel uitmaken van de tweeëntwintighonderd jaren. De eerste wijst op negenenveertig jaar, waarin de „straten en muren zouden worden herbouwd in benauwde tijden”. De tweede was de doop van Christus na vierhonderddrieëntachtig jaar vanaf het beginpunt van 457 v.Chr. De derde was Zijn kruisiging, de vierde wees aan wanneer het evangelie tot de heidenen zou gaan aan het einde van de vierhonderdnegentig jaren die in het bijzonder voor de Joodse natie waren afgezonderd, en de vijfde, en alleen de vijfde, tijdsprofetie eindigde op 22 oktober 1844. De voorgaande vier tijdsprofetieën eindigden ruimschoots vóór 1844. Wat bedoelt Zuster White dus daadwerkelijk wanneer zij de uitdrukking „profetische perioden” in het meervoud gebruikt, die in 1844 moesten eindigen?
Addressing the first disappointment of the Millerites she identifies the answer to that question:
Bij de behandeling van de eerste teleurstelling van de Millerieten wijst zij op het antwoord op die vraag:
“I saw the people of God joyful in expectation, looking for their Lord. But God designed to prove them. His hand covered a mistake in the reckoning of the prophetic periods. Those who were looking for their Lord did not discover this mistake, and the most learned men who opposed the time also failed to see it. God designed that His people should meet with a disappointment. The time passed, and those who had looked with joyful expectation for their Saviour were sad and disheartened, while those who had not loved the appearing of Jesus, but embraced the message through fear, were pleased that He did not come at the time of expectation. Their profession had not affected the heart and purified the life. The passing of the time was well calculated to reveal such hearts. They were the first to turn and ridicule the sorrowful, disappointed ones who really loved the appearing of their Saviour. I saw the wisdom of God in proving His people and giving them a searching test to discover those who would shrink and turn back in the hour of trial.
‘Ik zag het volk van God blij in verwachting, uitziende naar hun Heer. Maar God had voorgenomen hen te beproeven. Zijn hand bedekte een vergissing in de berekening van de profetische perioden. Zij die uitzagen naar hun Heer ontdekten deze vergissing niet, en ook de meest geleerde mannen die zich tegen de tijd verzetten, zagen haar niet. God had beschikt dat Zijn volk een teleurstelling zou ondervinden. De tijd verstreek, en zij die met blijde verwachting naar hun Heiland hadden uitgezien, waren bedroefd en moedeloos, terwijl zij die de verschijning van Jezus niet hadden liefgehad, maar de boodschap uit vrees hadden aangenomen, er behagen in schepten dat Hij niet was gekomen op de verwachte tijd. Hun belijdenis had het hart niet geraakt en het leven niet gereinigd. Het voorbijgaan van de tijd was uitermate geschikt om zulke harten aan het licht te brengen. Zij waren de eersten om zich af te keren en de bedroefden, de teleurgestelden, te bespotten, namelijk hen die de verschijning van hun Heiland werkelijk liefhadden. Ik zag de wijsheid van God in het beproeven van Zijn volk en hun een diepgaand onderzoekende toets te geven om te openbaren wie in het uur van beproeving zouden terugdeinzen en terugkeren.‘
“Jesus and all the heavenly host looked with sympathy and love upon those who had with sweet expectation longed to see Him whom their souls loved. Angels were hovering around them, to sustain them in the hour of their trial. Those who had neglected to receive the heavenly message were left in darkness, and God’s anger was kindled against them, because they would not receive the light which He had sent them from heaven. Those faithful, disappointed ones, who could not understand why their Lord did not come, were not left in darkness. Again they were led to their Bibles to search the prophetic periods. The hand of the Lord was removed from the figures, and the mistake was explained. They saw that the prophetic periods reached to 1844, and that the same evidence which they had presented to show that the prophetic periods closed in 1843, proved that they would terminate in 1844.” Early Writings, 235–237.
‘Jezus en heel de hemelse heirschare zagen met medeleven en liefde neer op hen die met blijde verwachting hadden verlangd Hem te zien Die hun zielen liefhadden. Engelen zweefden om hen heen om hen te ondersteunen in het uur van hun beproeving. Degenen die hadden nagelaten de hemelse boodschap aan te nemen, werden in duisternis gelaten, en Gods toorn ontbrandde tegen hen, omdat zij het licht niet wilden aannemen dat Hij hun uit de hemel had gezonden. Die getrouwe, teleurgestelde mensen, die niet konden begrijpen waarom hun Heer niet kwam, werden niet in duisternis gelaten. Opnieuw werden zij tot hun Bijbels geleid om de profetische perioden te onderzoeken. De hand des Heren werd van de cijfers weggenomen, en de vergissing werd verklaard. Zij zagen dat de profetische perioden tot 1844 reikten, en dat hetzelfde bewijs dat zij hadden aangevoerd om aan te tonen dat de profetische perioden in 1843 eindigden, bewees dat zij in 1844 zouden aflopen.’ Early Writings, 235–237.
The “prophetic periods” were the “prophetic periods” that “reached to 1844,” which the Millerites had initially believed reached to 1843. The “prophetic periods” that reached to 1844, were three prophetic periods,” and all are represented upon Habakkuk’s tables. One of the three periods simply “touches” 1844, and the other two reach to October 22, 1844. The thirteen hundred and thirty-five days reached to the very first day of 1844, when the first disappointment of the Millerites arrived, and the tarrying time of both Habakkuk chapter two, and of the parable of the ten virgins in Matthew twenty-five began.
De „profetische perioden” waren de „profetische perioden” die „reikten tot 1844”, waarvan de Millerieten aanvankelijk hadden geloofd dat zij tot 1843 reikten. De „profetische perioden” die tot 1844 reikten, waren „drie profetische perioden”, en alle worden voorgesteld op de tabellen van Habakuk. Een van de drie perioden „raakt” eenvoudigweg 1844, en de beide andere reiken tot 22 oktober 1844. De dertienhonderdvijfendertig dagen reikten tot de allereerste dag van 1844, toen de eerste teleurstelling van de Millerieten kwam en de vertoeftijd van zowel Habakuk hoofdstuk twee als van de gelijkenis van de tien maagden in Mattheüs vijfentwintig begon.
The twenty-three hundred days of Daniel chapter eight, verse fourteen reached to October 22, 1844, and the twenty-five hundred and twenty years, of the “seven times” against the southern kingdom of Judah ended there as well. Palmoni introduces himself as the Wonderful Numberer in verse thirteen of Daniel eight, and the prophetic “structure” and “design” that he then set forth included at least ten interconnected time prophecies.
De tweeduizend driehonderd dagen van Daniël hoofdstuk acht, vers veertien, reikten tot 22 oktober 1844, en de tweeduizend vijfhonderd twintig jaren van de „zeven tijden” tegen het zuidelijke koninkrijk Juda eindigden daar eveneens. Palmoni stelt zich in vers dertien van Daniël acht voor als de Wonderbare Teller, en de profetische „structuur” en „opzet” die hij vervolgens ontvouwde, omvatten ten minste tien onderling samenhangende tijdsprofetieën.
We will begin to consider these truths further in the next article.
Wij zullen deze waarheden in het volgende artikel nader gaan beschouwen.
“Christ gave to the world a lesson that should be engraved on mind and soul. ‘This is life eternal,’ he said, ‘that they might know thee the only true God, and Jesus Christ, whom thou hast sent.’ But Satan works on human minds, saying, Do this or that action, and ye shall be as gods. By deceptive reasoning he led Adam and Eve to doubt God’s word, and to supply its place with a theory that led to transgression and disobedience. And his sophistry is doing today what it did in Eden. When Christ came to our world, he selected humble fishermen as the foundation of his church. To these disciples he tried to explain the nature of his kingdom and mission. But their limited comprehension imposed a restraint upon him. They had been receiving the sayings of the scribes and Pharisees, and therefore much of what they believed was untrue. And though Christ had many things to say to them, they were unable to hear much of what he longed to communicate.
“Christus gaf de wereld een les die in verstand en ziel gegrift zou moeten worden. ‘Dit nu is het eeuwige leven,’ zei Hij, ‘dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, Die Gij gezonden hebt.’ Maar Satan werkt op de menselijke geest en zegt: Doe deze of gene handeling, en gij zult als goden zijn. Door bedrieglijke redeneringen bracht hij Adam en Eva ertoe Gods woord in twijfel te trekken en daarvoor een theorie in de plaats te stellen die tot overtreding en ongehoorzaamheid leidde. En zijn sofisterij doet heden ten dage wat zij in Eden deed. Toen Christus in onze wereld kwam, koos Hij nederige vissers als grondslag van Zijn gemeente. Aan deze discipelen trachtte Hij de aard van Zijn koninkrijk en zending te verklaren. Maar hun beperkte begrip legde Hem een belemmering op. Zij hadden de uitspraken van de schriftgeleerden en Farizeeën overgenomen, en daarom was veel van wat zij geloofden onwaar. En hoewel Christus hun vele dingen te zeggen had, waren zij niet in staat veel te horen van hetgeen Hij hun zo vurig verlangde mee te delen.”
“Christ finds the religionists of this time so full of erroneous sentiments that there is no room in their minds for the truth. With the education given, teachers mingle the sentiments of infidel authors. Thus they have sown tares in the minds of the youth. They give utterance to sentiments that should not be presented to young or old, never thinking of what kind of seed they are sowing, or of the harvest they will have to garner as the result.” Review and Herald, July 3, 1900.
„Christus treft de godsdienstigen van deze tijd zo vol dwalende denkbeelden aan dat er in hun verstand geen plaats is voor de waarheid. Door het onderwijs dat gegeven wordt, vermengen leraren de denkbeelden van ongelovige auteurs. Zo hebben zij onkruid gezaaid in de gedachten van de jeugd. Zij geven uiting aan opvattingen die noch aan jongeren noch aan ouderen mogen worden voorgehouden, zonder ooit na te denken over wat voor zaad zij zaaien, of over de oogst die zij als gevolg daarvan zullen moeten binnenhalen.” Review and Herald, 3 juli 1900.