In the last article we pointed out that Gabriel provided the conclusion of the “last indignation” in order to confirm the date of 1844, based upon two witnesses. Miller understood the “seven times” of Leviticus twenty-six, that was carried out against the kingdom of Judah, but never reached a point where he saw the purpose and relationship of the judgment of the “seven times,” upon both the northern and southern kingdoms of Israel. Whether he ever recognized the distinction of “the last indignation” in verse nineteen is doubtful, though he no doubt understood in a general sense that the “indignation” was the “seven times.” The light of a first and last indignation was unsealed by Palmoni in 1856, but it was rejected in 1863. Yet Miller’s message of the “seven times” was correct, though limited.

In het vorige artikel hebben wij erop gewezen dat Gabriël het einde van de „laatste gramschap” gaf om de datum van 1844 te bevestigen, op grond van twee getuigen. Miller begreep de „zeven tijden” van Leviticus zesentwintig, die voltrokken werden over het koninkrijk Juda, maar hij kwam nooit tot het punt waarop hij het doel en de verhouding van het oordeel van de „zeven tijden” over zowel het noordelijke als het zuidelijke koninkrijk van Israël inzag. Of hij ooit het onderscheid van „de laatste gramschap” in vers negentien heeft onderkend, is twijfelachtig, hoewel hij ongetwijfeld in algemene zin begreep dat de „gramschap” de „zeven tijden” was. Het licht van een eerste en laatste gramschap werd in 1856 door Palmoni ontzegeld, maar het werd in 1863 verworpen. Toch was Millers boodschap van de „zeven tijden” juist, zij het beperkt.

Miller would not have recognized that the little horn of pagan Rome lifted up and exalted paganism, in verse eleven of Daniel eight, for to Miller “take away” was simply to remove in each of its three occurrences in Daniel. Yet his message was still correct, though limited.

Miller zou niet hebben onderkend dat de kleine horen van het heidense Rome in vers elf van Daniël acht het heidendom verhief en groot maakte, want voor Miller betekende “wegnemen” eenvoudigweg verwijderen in elk van de drie voorkomens ervan in Daniël. Toch was zijn boodschap nog steeds juist, zij het beperkt.

The Millerites did recognize the “sanctuary” in verse eleven was the pagan temple in the city of Rome (the Pantheon), but the Hebrew language was not what their message was based upon. Miller’s message was focused upon prophetic time. The history where their message was unsealed prevented them from seeing the United States as the sixth kingdom of Bible prophecy, but more than that, it prevented them from seeing the papacy as the fifth kingdom of Bible prophecy.

De Millerieten erkenden wel dat het “heiligdom” in vers elf de heidense tempel in de stad Rome was (het Pantheon), maar de Hebreeuwse taal was niet waarop hun boodschap was gebaseerd. Millers boodschap was gericht op profetische tijd. De geschiedenis waarin hun boodschap werd ontzegeld, verhinderde hun de Verenigde Staten te zien als het zesde koninkrijk van de Bijbelse profetie, maar meer nog verhinderde zij hun het pausdom te zien als het vijfde koninkrijk van de Bijbelse profetie.

Forced by the history in which they lived they applied the prophecies in agreement with their anticipated soon-coming return of Christ, and they were disappointed, yet their message was correct. When Gabriel provides the interpretation of the two visions in verses fifteen through twenty-seven, Miller’s understanding prevented him from grasping the broader revelation of the kingdoms that was represented in the gender oscillation of the little horn in verses nine through twelve. The Millerites only see Rome as a fourth and final earthly kingdom in Gabriel’s interpretation.

Gedwongen door de geschiedenis waarin zij leefden, pasten zij de profetieën toe in overeenstemming met hun verwachting van de spoedig komende wederkomst van Christus, en zij werden teleurgesteld, toch was hun boodschap juist. Wanneer Gabriël in de verzen vijftien tot en met zevenentwintig de uitleg van de twee visioenen geeft, verhinderde Millers begrip hem de bredere openbaring van de koninkrijken te vatten die werd voorgesteld in de genderoscillatie van de kleine hoorn in de verzen negen tot en met twaalf. De Millerieten zien in Gabriëls uitleg Rome slechts als een vierde en laatste aards koninkrijk.

And it came to pass, when I, even I Daniel, had seen the vision, and sought for the meaning, then, behold, there stood before me as the appearance of a man. And I heard a man’s voice between the banks of Ulai, which called, and said, Gabriel, make this man to understand the vision. So he came near where I stood: and when he came, I was afraid, and fell upon my face: but he said unto me, Understand, O son of man: for at the time of the end shall be the vision. Now as he was speaking with me, I was in a deep sleep on my face toward the ground: but he touched me, and set me upright. And he said, Behold, I will make thee know what shall be in the last end of the indignation: for at the time appointed the end shall be. The ram which thou sawest having two horns are the kings of Media and Persia. And the rough goat is the king of Grecia: and the great horn that is between his eyes is the first king. Now that being broken, whereas four stood up for it, four kingdoms shall stand up out of the nation, but not in his power. And in the latter time of their kingdom, when the transgressors are come to the full, a king of fierce countenance, and understanding dark sentences, shall stand up. And his power shall be mighty, but not by his own power: and he shall destroy wonderfully, and shall prosper, and practise, and shall destroy the mighty and the holy people. And through his policy also he shall cause craft to prosper in his hand; and he shall magnify himself in his heart, and by peace shall destroy many: he shall also stand up against the Prince of princes; but he shall be broken without hand. And the vision of the evening and the morning which was told is true: wherefore shut thou up the vision; for it shall be for many days. And I Daniel fainted, and was sick certain days; afterward I rose up, and did the king’s business; and I was astonished at the vision, but none understood it. Daniel 8:15–27.

En het geschiedde, toen ik, ja ik Daniël, het gezicht had gezien en naar de betekenis ervan zocht, zie, daar stond voor mij iemand die eruitzag als een man. En ik hoorde een mensenstem tussen de oevers van de Ulai, die riep en zei: Gabriël, doe deze man het gezicht verstaan. Toen kwam hij dicht bij de plaats waar ik stond; en toen hij kwam, werd ik bevreesd en viel op mijn aangezicht. Maar hij zei tot mij: Versta, mensenkind, want het gezicht ziet op de tijd van het einde. Terwijl hij nu met mij sprak, viel ik in een diepe slaap met mijn aangezicht ter aarde; maar hij raakte mij aan en zette mij overeind. En hij zei: Zie, ik zal u doen weten wat er geschieden zal aan het einde van de gramschap; want op de vastgestelde tijd zal het einde er zijn. De ram die gij gezien hebt met de twee horens, dat zijn de koningen van Medië en Perzië. En de ruige bok is de koning van Griekenland; en de grote horen die tussen zijn ogen is, dat is de eerste koning. En dat die afgebroken werd en in zijn plaats vier opkwamen: vier koninkrijken zullen uit het volk opstaan, maar niet in zijn kracht. En in de laatste tijd van hun koningschap, wanneer de overtreders de maat vol gemaakt hebben, zal een koning opstaan met een grimmig aangezicht en bedreven in duistere spreuken. En zijn macht zal sterk zijn, maar niet door zijn eigen macht; en hij zal op wonderlijke wijze verderf aanrichten, en voorspoedig zijn, en handelen, en de machtigen en het heilige volk te gronde richten. En door zijn sluwheid zal hij ook het bedrog in zijn hand doen gelukken; en in zijn hart zal hij zichzelf verheffen, en door vrede zal hij velen verderven; ook zal hij opstaan tegen de Vorst der vorsten, maar hij zal zonder mensenhand gebroken worden. En het gezicht van de avond en de morgen, waarvan gesproken is, is waar; sluit daarom het gezicht toe, want het zal nog vele dagen duren. En ik, Daniël, bezweek en was enige dagen ziek; daarna stond ik op en verrichtte de zaken van de koning. En ik was ontzet over het gezicht, maar niemand begreep het. Daniël 8:15–27.

Though Daniel received the vision of the Ulai River (which is now in the process of fulfillment), in the history of Babylon, the first kingdom is left out of the vision. It had been included as the head of gold, and the lion in chapters two and seven, but the prophetic attribute of Babylon being removed and restored was emphasized in chapter eight. Nebuchadnezzar had typified the deadly wound of the papacy when he was driven from men for “seven times,” thus typifying the symbolic seventy years that the whore of Tyre is forgotten. In Daniel chapter eight, Babylon is forgotten from the kingdoms of Bible prophecy and the vision begins with the Medes and Persians (the ram), which was followed by Greece (the goat).

Hoewel Daniël het visioen van de rivier de Ulai ontving (dat nu bezig is in vervulling te gaan), wordt in de geschiedenis van Babylon het eerste koninkrijk buiten het visioen gelaten. Het was opgenomen als het hoofd van goud en als de leeuw in de hoofdstukken twee en zeven, maar de profetische eigenschap van Babylon, namelijk verwijderd en hersteld te worden, werd in hoofdstuk acht benadrukt. Nebukadnezar had de dodelijke wond van het pausdom getypeerd toen hij voor „zeven tijden” van de mensen werd verdreven, en zo de symbolische zeventig jaren typifieerde waarin de hoer van Tyrus vergeten is. In Daniël hoofdstuk acht wordt Babylon vergeten uit de koninkrijken van de Bijbelprofetie en begint het visioen met de Meden en de Perzen (de ram), waarop Griekenland volgde (de geitenbok).

The kingdom of Alexander the Great disintegrated into four kingdoms of lesser power than Alexander, as had also been represented in chapter seven with the leopard which had four wings and four heads. Four represents worldwide as represented by north, east, south and west. In verse eight of chapter eight, four notable ones came up towards the four winds of heaven. In chapter seven Greece’s four wings align with the four winds of chapter eight, and Greece’s four heads align with the four notable ones. The four heads and four notable ones represent the four kingdoms Alexander’s original kingdom disintegrated into, and the four wings and four winds represent the four areas of division. The distinction of the point is important to see, for it represents an argument which the Millerites had against the traditional understanding of the Protestants about the fourth kingdom of Rome.

Het koninkrijk van Alexander de Grote viel uiteen in vier koninkrijken die minder machtig waren dan Alexander, zoals dit ook in hoofdstuk zeven was voorgesteld door de luipaard, die vier vleugels en vier koppen had. Vier vertegenwoordigt het wereldwijde, zoals voorgesteld door noord, oost, zuid en west. In vers acht van hoofdstuk acht kwamen vier aanzienlijke horens op naar de vier winden des hemels. In hoofdstuk zeven stemmen de vier vleugels van Griekenland overeen met de vier winden van hoofdstuk acht, en de vier koppen van Griekenland stemmen overeen met de vier aanzienlijke horens. De vier koppen en de vier aanzienlijke horens vertegenwoordigen de vier koninkrijken waarin Alexanders oorspronkelijke koninkrijk uiteenviel, en de vier vleugels en de vier winden vertegenwoordigen de vier gebieden van verdeling. Het onderscheid in dit punt is belangrijk om te onderkennen, want het vertegenwoordigt een argument dat de Millerieten aanvoerden tegen het traditionele begrip van de protestanten met betrekking tot het vierde koninkrijk van Rome.

On the tables of Habakkuk, represented by the 1843 and 1850 pioneer charts, there is only one representation which is not illustrating a prophetic application, and it has to do with the distinction between the four heads and notable ones, and the four wings and winds. In an effort to obscure the truth of Rome as the fourth kingdom of Bible prophecy, Satan introduced an argument concerning the true or false meaning of the four heads and notable ones, and the four wings and winds. Satan did so for the book of Daniel clearly identifies that there is one distinct symbol in the book of Daniel that established the vision. Part of the evidence which establishes that symbol is in the four heads and notable ones, and the four wings and winds. The Protestants upheld a satanic view of this argument, and the argument was so significant to Millerite history that they referenced the argument upon the chart. The power which establishes the “chazon” vision in the book of Daniel is identified as the “robbers of thy people,” and the Protestants identified that power as one of a long line of Syrian kings named Antiochus Epiphanes, and Miller identified them as Rome.

Op de tafelen van Habakuk, weergegeven door de pionierskaarten van 1843 en 1850, is er slechts één voorstelling die geen profetische toepassing illustreert, en die heeft betrekking op het onderscheid tussen de vier hoofden en de aanzienlijke horens, en de vier vleugels en winden. In een poging de waarheid te verduisteren dat Rome het vierde koninkrijk van de Bijbelse profetie is, voerde Satan een redenering in met betrekking tot de ware of valse betekenis van de vier hoofden en aanzienlijke horens, en de vier vleugels en winden. Satan deed dit omdat het boek Daniël duidelijk vaststelt dat er in het boek Daniël één onderscheiden symbool is dat het gezicht bevestigde. Een deel van het bewijs dat dit symbool bevestigt, ligt in de vier hoofden en aanzienlijke horens, en de vier vleugels en winden. De protestanten hielden vast aan een satanische zienswijze van deze redenering, en de redenering was zo betekenisvol voor de Milleritische geschiedenis dat zij er op de kaart naar verwezen. De macht die het “chazon”-gezicht in het boek Daniël bevestigt, wordt aangeduid als de “rovers van uw volk”, en de protestanten identificeerden die macht als een van een lange reeks Syrische koningen met de naam Antiochus Epiphanes, en Miller identificeerde haar als Rome.

And in those times there shall many stand up against the king of the south: also the robbers of thy people shall exalt themselves to establish the vision; but they shall fall. Daniel 11:14.

En in die tijden zullen velen opstaan tegen de koning van het zuiden; ook de geweldenaars uit uw volk zullen zich verheffen om het visioen te bevestigen, maar zij zullen ten val komen. Daniël 11:14.

Antiochus was one of the kings, in a line of kings that descended out of one of the four kingdoms which Alexander’s kingdom had disintegrated into. The little horn of verse nine of Daniel eight, had followed the kingdom of Alexander, and verse nine says that out of one of them, came forth the little horn.

Antiochus was een van de koningen in een reeks koningen die voortkwam uit een van de vier koninkrijken waarin het rijk van Alexander uiteengevallen was. De kleine hoorn van vers negen van Daniël acht was voortgekomen na het koninkrijk van Alexander, en vers negen zegt dat uit een van hen de kleine hoorn voortkwam.

And out of one of them came forth a little horn, which waxed exceeding great, toward the south, and toward the east, and toward the pleasant land. Daniel 8:9.

En uit een van die kwam een kleine hoorn voort, die uitermate groot werd, naar het zuiden en naar het oosten en naar het Sieraadland. Daniël 8:9.

The argument of whether Rome establishes the vision, or a weak and fairly insignificant Syrian king establishes the vision, includes the argument of whether the little horn power came out of one of the four horns, or out of one of the four winds. It is not much of an argument, for history and prophecy is clear that Rome was not a descendant of the Greek empire, but that Rome was a new power. If Rome was the fourth kingdom, then the “one of them” of verse nine, must be one of the four winds or wings. If it was Antiochus Epiphanes, it came out of the horn of Syria.

Het betoog over de vraag of Rome het gezicht bevestigt, dan wel een zwakke en tamelijk onbeduidende Syrische koning het gezicht bevestigt, omvat tevens het betoog over de vraag of de macht van de kleine hoorn voortkwam uit een van de vier horens, dan wel uit een van de vier winden. Het is nauwelijks een punt van discussie, want geschiedenis en profetie maken duidelijk dat Rome geen afstammeling was van het Griekse rijk, maar dat Rome een nieuwe macht was. Indien Rome het vierde koninkrijk was, dan moet het „een van hen” van vers negen een van de vier winden of vleugels zijn. Indien het Antiochus Epiphanes was, kwam het voort uit de hoorn van Syrië.

The Millerites identified that the power represented as “the robbers of thy people” would stand up against Christ.

De millerieten zagen in dat de macht die werd voorgesteld als „de geweldenaars van uw volk” zich tegen Christus zou verheffen.

And through his policy also he shall cause craft to prosper in his hand; and he shall magnify himself in his heart, and by peace shall destroy many: he shall also stand up against the Prince of princes; but he shall be broken without hand. Daniel 8:25.

En door zijn beleid zal hij ook het bedrog in zijn hand doen gedijen; en hij zal zich in zijn hart verheffen, en door vrede zal hij velen verderven; hij zal zich ook verheffen tegen de Vorst der vorsten; maar zonder hand zal hij gebroken worden. Daniël 8:25.

The “Prince of princes” is Christ, and Antiochus Epiphanes lived well before Christ was born, so the Millerites pointed this fact out on the 1843 chart. On the chart they included the date 164, which in reality has no biblical reference, and was simply a notation which identifies the significance of the argument over the fourth kingdom between Miller and the Protestant theologians. Next to the year “164” on the chart they wrote, “Death of Antiochus Epiphanes who of course stood not up against the Prince of princes as he had been dead 164 years before the prince of princes was born.”

De „Vorst der vorsten” is Christus, en Antiochus Epiphanes leefde lang vóór de geboorte van Christus; daarom wezen de Millerieten op dit feit op de kaart van 1843. Op de kaart namen zij het jaartal 164 op, dat in werkelijkheid geen bijbelse verwijzing heeft en eenvoudig een aantekening was die de betekenis aanduidt van het geschil over het vierde koninkrijk tussen Miller en de protestantse theologen. Naast het jaartal „164” schreven zij op de kaart: „Dood van Antiochus Epiphanes, die uiteraard niet opstond tegen de Vorst der vorsten, daar hij 164 jaar dood was geweest voordat de Vorst der vorsten werd geboren.”

Today Adventism teaches that “the robbers of thy people” is Antiochus Epiphanes, as does apostate Protestantism, in spite of the fact that inspiration recorded that “the 1843 chart was directed by the hand of the Lord and should not be altered.” The Millerites knew that the king of fierce countenance was Rome, so they were not shaken by the satanic teaching that undermines the ability to establish the “chazon” vision. The Bible is clear that if there is no vision, the people perish.

Tegenwoordig leert het adventisme dat „de rovers van uw volk” Antiochus Epiphanes is, evenals het afvallige protestantisme, ondanks het feit dat de Inspiratie heeft opgetekend dat „de kaart van 1843 werd geleid door de hand des Heren en niet gewijzigd mocht worden.” De millerieten wisten dat de koning met het onbeschaamde aangezicht Rome was, zodat zij niet aan het wankelen werden gebracht door de satanische leer die het vermogen ondermijnt om het visioen van de „chazon” vast te stellen. De Bijbel is duidelijk dat, als er geen visioen is, het volk te gronde gaat.

Where there is no vision, the people perish: but he that keepeth the law, happy is he. Proverbs 29:18.

Waar geen visioen is, raakt het volk losbandig; maar hij die de wet onderhoudt, welgelukzalig is hij. Spreuken 29:18.

The vision that Solomon identifies in the verse is the “chazon” vision, which in verse thirteen of Daniel eight, is the vision that identifies paganism and papalism trampling down the sanctuary and host. For the Millerites those two desolating powers represented the fourth kingdom of Bible prophecy, and without recognizing the fourth kingdom of Rome (the robbers of thy people), they would not have been able to establish the vision. The “robbers of thy people” in verse fourteen of Daniel eleven, were to stand up against the king of the south, exalt themselves, establish the vision and fall. Rome fulfilled each of those characteristics.

Het visioen dat Salomo in het vers aanduidt, is het „chazon”-visioen, dat in vers dertien van Daniël acht het visioen is dat het heidendom en het pausdom aanwijst als machten die het heiligdom en het heir vertrappen. Voor de Millerieten vertegenwoordigden die twee verwoestende machten het vierde koninkrijk van de Bijbelse profetie, en zonder het vierde koninkrijk van Rome (de rovers van uw volk) te erkennen, zouden zij niet in staat zijn geweest het visioen vast te stellen. De „rovers van uw volk” in vers veertien van Daniël elf zouden opstaan tegen de koning van het zuiden, zich verheffen, het visioen bevestigen en vallen. Rome vervulde elk van die kenmerken.

In chapter seven, the fourth kingdom is specifically identified as being “diverse” from the kingdoms before it.

In hoofdstuk zeven wordt het vierde koninkrijk uitdrukkelijk aangeduid als „verschillend” van de koninkrijken die eraan voorafgingen.

After this I saw in the night visions, and behold a fourth beast, dreadful and terrible, and strong exceedingly; and it had great iron teeth: it devoured and brake in pieces, and stamped the residue with the feet of it: and it was diverse from all the beasts that were before it; and it had ten horns…. Then I would know the truth of the fourth beast, which was diverse from all the others, exceeding dreadful, whose teeth were of iron, and his nails of brass; which devoured, brake in pieces, and stamped the residue with his feet; And of the ten horns that were in his head, and of the other which came up, and before whom three fell; even of that horn that had eyes, and a mouth that spake very great things, whose look was more stout than his fellows. Daniel 7:7, 19, 20.

Hierna zag ik in de nachtgezichten, en zie, een vierde dier, schrikwekkend en vreselijk, en uitermate sterk; en het had grote ijzeren tanden: het verslond en verbrijzelde, en vertrad het overblijfsel met zijn voeten; en het verschilde van al de dieren die vóór het geweest waren; en het had tien horens…. Toen verlangde ik de waarheid te weten omtrent het vierde dier, dat verschilde van al de andere, uitermate schrikwekkend, welks tanden van ijzer waren, en zijn nagels van koper; dat verslond, verbrijzelde, en het overblijfsel met zijn voeten vertrad; Ook omtrent de tien horens die op zijn kop waren, en omtrent die andere die opkwam, en waarvoor er drie vielen; ja, omtrent die horen die ogen had, en een mond die zeer grote dingen sprak, welks aanblik forser was dan die van zijn metgezellen. Daniël 7:7, 19, 20.

The fourth kingdom of Daniel seven was twice identified as being “diverse” from the kingdoms that preceded it. If the “little horn” of verse nine was simply an extension of the Syrian horn (Antiochus Epiphanes), it would not have been different. The beasts that preceded Rome in chapter seven were the lion, the bear and the leopard, all animals that actually exist in nature, but when it came to the fourth beast with iron teeth and nails of brass, Daniel knew of no beast of nature that represented the dreadful beast that devoured. It was different (diverse). The “little horn” of verse nine, came forth out of one of the areas represented by the four winds and wings, and not out of one of the horns or notable ones.

Het vierde koninkrijk van Daniël zeven werd tweemaal aangeduid als „verschillend” van de koninkrijken die eraan voorafgingen. Indien de „kleine hoorn” van vers negen slechts een voortzetting van de Syrische hoorn (Antiochus Epiphanes) was geweest, zou hij niet anders zijn geweest. De beesten die in hoofdstuk zeven aan Rome voorafgingen, waren de leeuw, de beer en de luipaard, alle dieren die daadwerkelijk in de natuur bestaan; maar toen het om het vierde beest ging, met ijzeren tanden en koperen klauwen, kende Daniël geen beest uit de natuur dat het vreselijke, verslindende beest vertegenwoordigde. Het was anders (verschillend). De „kleine hoorn” van vers negen kwam voort uit een van de gebieden die door de vier winden en vleugels werden voorgesteld, en niet uit een van de horens of aanzienlijken.

Daniel chapter eight, states that “in the latter time of their kingdom, when the transgressors are come to the full, a king of fierce countenance, and understanding dark sentences, shall stand up.” In the “latter time of their kingdom (Greece, which had disintegrated into four kingdoms), during the time “when the transgressors are come to the full,” a new king would stand up.

Daniël hoofdstuk acht verklaart dat „in het laatst van hun koninkrijk, wanneer de overtreders de maat vol hebben gemaakt, een koning met een grimmig gelaat, bedreven in duistere raadselen, zal opstaan.” In de „laatste tijd van hun koninkrijk” (Griekenland, dat uiteengevallen was in vier koninkrijken), in de tijd „wanneer de overtreders de maat vol hebben gemaakt”, zou een nieuwe koning opstaan.

“Every nation that has come upon the stage of action has been permitted to occupy its place on the earth, that the fact might be determined whether it would fulfill the purposes of the Watcher and the Holy One. Prophecy has traced the rise and progress of the world’s great empires—Babylon, Medo-Persia, Greece, and Rome. With each of these, as with the nations of less power, history has repeated itself. Each has had its period of test; each has failed, its glory faded, its power departed.” Prophets and Kings, 535.

“Iedere natie die op het toneel van het handelen is verschenen, is toegestaan haar plaats op de aarde in te nemen, opdat vastgesteld zou worden of zij de doeleinden van de Wachter en de Heilige zou vervullen. De profetie heeft de opkomst en ontwikkeling van de grote wereldrijken gevolgd—Babylon, Medo-Perzië, Griekenland en Rome. Met elk van deze heeft de geschiedenis zich, evenals met de minder machtige naties, herhaald. Elk heeft zijn tijd van beproeving gehad; elk heeft gefaald, zijn glorie is verbleekt, zijn macht is geweken.” Prophets and Kings, 535.

At the end (“latter time”) of the kingdom of Greece, when their cup of probationary time had been filled (“when the transgressors are come to the full”), a “king of fierce countenance” would stand up. That king would understand “dark sentences,” for he would speak a completely different language than the Hebrew of the Jews or the Greek of the previous kingdom, for he would speak Latin. That kingdom had been identified by Moses as the nation that would bring the siege of the years 66 to 70 AD, where among other things the famine was so terrible that the Jews ate their own children to survive.

Aan het einde (“in de laatste tijd”) van het koninkrijk van Griekenland, wanneer hun beker van genadetijd beproeving vol geworden was (“wanneer de overtreders de maat vol gemaakt hebben”), zou een “koning met een grimmig aangezicht” opstaan. Die koning zou “duistere spreuken” verstaan, want hij zou een geheel andere taal spreken dan het Hebreeuws van de Joden of het Grieks van het voorafgaande koninkrijk, namelijk Latijn. Dat koninkrijk was door Mozes aangeduid als de natie die het beleg van de jaren 66 tot 70 n.Chr. zou brengen, waar onder andere de hongersnood zo verschrikkelijk was dat de Joden hun eigen kinderen aten om te overleven.

Because thou servedst not the Lord thy God with joyfulness, and with gladness of heart, for the abundance of all things; Therefore shalt thou serve thine enemies which the Lord shall send against thee, in hunger, and in thirst, and in nakedness, and in want of all things: and he shall put a yoke of iron upon thy neck, until he have destroyed thee. The Lord shall bring a nation against thee from far, from the end of the earth, as swift as the eagle flieth; a nation whose tongue thou shalt not understand; A nation of fierce countenance, which shall not regard the person of the old, nor show favour to the young: And he shall eat the fruit of thy cattle, and the fruit of thy land, until thou be destroyed: which also shall not leave thee either corn, wine, or oil, or the increase of thy kine, or flocks of thy sheep, until he have destroyed thee. And he shall besiege thee in all thy gates, until thy high and fenced walls come down, wherein thou trustedst, throughout all thy land: and he shall besiege thee in all thy gates throughout all thy land, which the Lord thy God hath given thee. And thou shalt eat the fruit of thine own body, the flesh of thy sons and of thy daughters, which the Lord thy God hath given thee, in the siege, and in the straitness, wherewith thine enemies shall distress thee. Deuteronomy 28:47–53.

Omdat gij de HEERE, uw God, niet gediend hebt met vreugde en met blijdschap des harten, wegens de overvloed van alles, daarom zult gij uw vijanden dienen, die de HEERE tegen u zenden zal, in honger en in dorst en in naaktheid en gebrek aan alles; en hij zal een ijzeren juk op uw hals leggen, totdat hij u verdelgd zal hebben. De HEERE zal van verre, van het einde der aarde, een volk tegen u doen opkomen, snel als de arend vliegt; een volk welks taal gij niet zult verstaan; een volk met een grimmig gelaat, dat de persoon van de oude niet zal aanzien, noch de jonge genade zal bewijzen. En het zal de vrucht van uw vee en de vrucht van uw land verteren, totdat gij verdelgd zijt; het zal u ook geen koren, most of olie overlaten, noch de worp van uw runderen of de aanwas van uw kleinvee, totdat het u verdelgd zal hebben. En het zal u in al uw poorten belegeren, totdat uw hoge en versterkte muren, waarop gij vertrouwd hebt, in heel uw land neergekomen zijn; ja, het zal u belegeren in al uw poorten, in heel uw land, dat de HEERE, uw God, u gegeven heeft. Dan zult gij de vrucht van uw eigen lichaam eten, het vlees van uw zonen en van uw dochters, die de HEERE, uw God, u gegeven heeft, in de belegering en in de benauwdheid, waarmee uw vijanden u benauwen zullen. Deuteronomium 28:47–53.

In Daniel chapter two the fourth kingdom was represented by “iron,” and Moses identified “a nation,” which would put a “yoke of iron,” upon the Jews. The “nation” would “destroy” the Jews, and it would be as swift as an eagle, of which the eagle is the symbol of Rome. It would be a “nation” “whose tongue thou shalt not understand,” for its language would be “dark sentences” to the Jews. It would be a “nation of fierce countenance” as described in Daniel chapter eight as a “king of fierce countenance.” And in the “siege” of Jerusalem the Jews ate their “sons and daughters.”

In Daniël hoofdstuk twee werd het vierde koninkrijk voorgesteld door „ijzer”, en Mozes wees op „een volk” dat een „ijzeren juk” op de Joden zou leggen. Dat „volk” zou de Joden „verdelgen”, en het zou zo snel zijn als een arend, waarvan de arend het symbool van Rome is. Het zou een „volk” zijn „welks taal gij niet zult verstaan”, want zijn taal zou voor de Joden „duistere woorden” zijn. Het zou een „volk met een grimmig gelaat” zijn, zoals in Daniël hoofdstuk acht wordt beschreven als „een koning met een grimmig gelaat”. En in de „belegering” van Jeruzalem aten de Joden hun „zonen en dochters”.

Miller recognized pagan Rome as the power predicted by Moses, and as the fourth “iron” kingdom of Daniel two, and the “nation” who spoke Latin, not Hebrew or Greek. Miller made no distinction between the fourth and fifth kingdom of Bible prophecy, for to him they both were simply Rome. So after pagan Rome stood up in verse twenty-three, he would not see the distinction represented in verse twenty-four. In the vision the little horn had oscillated from masculine to feminine to masculine to feminine in verses nine through twelve, and verse twenty-three identifies the prophetic characteristics of pagan Rome, Gabriel’s interpretation in verse twenty-four changes to feminine Rome. The power in verse twenty-four was to possess “mighty power,” “but not by his own power: and he shall destroy wonderfully, and shall prosper, and practice, and shall destroy the mighty and the holy people.”

Miller erkende het heidense Rome als de macht die door Mozes was voorzegd, en als het vierde „ijzeren” koninkrijk van Daniël twee, en als de „natie” die Latijn sprak, niet Hebreeuws of Grieks. Miller maakte geen onderscheid tussen het vierde en het vijfde koninkrijk van de Bijbelse profetie, want voor hem waren zij beide eenvoudigweg Rome. Daarom wilde hij, nadat het heidense Rome in vers drieëntwintig was opgestaan, het onderscheid dat in vers vierentwintig wordt weergegeven, niet zien. In het visioen had de kleine hoorn in de verzen negen tot en met twaalf gewisseld van mannelijk naar vrouwelijk, van vrouwelijk naar mannelijk en van mannelijk naar vrouwelijk, en vers drieëntwintig duidt de profetische kenmerken van het heidense Rome aan; Gabriëls uitleg in vers vierentwintig verandert naar vrouwelijk Rome. De macht in vers vierentwintig zou „grote kracht” bezitten, „maar niet door zijn eigen kracht; en hij zal wonderbaarlijk verderven, en voorspoedig zijn, en handelen, en hij zal de machtigen en het heilige volk verderven.”

Papal Rome was to be given the military power of pagan Rome, and it would destroy God’s people for one thousand two hundred and sixty years, from the year 538 to 1798. It would destroy “wonderfully” for it is the beast the whole world “wonders after,” and it was the power that would “practice and prosper” until the first indignation that had been “determined” to be finished in 1798 was fulfilled.

Het pauselijke Rome zou de militaire macht van het heidense Rome ontvangen, en het zou Gods volk vernietigen gedurende duizend tweehonderdzestig jaar, van het jaar 538 tot 1798. Het zou „op wonderbaarlijke wijze” vernietigen, want het is het beest waarover de gehele wereld zich „verwondert”, en het was de macht die zou „handelen en voorspoedig zijn” totdat de eerste verontwaardiging, die was „vastgesteld” om in 1798 te worden voleindigd, vervuld was.

Then in verse twenty-five Gabriel follows the oscillation established in the verses he was interpreting for Daniel, and again addresses pagan Rome, who through a different type of “policy,” brought together its empire, as attested to by all the historians. The “craft” of pagan Rome was to induce nations to join their growing empire, and it used the promise of peace and prosperity to build the empire, unlike the previous empires that were forged simply by military might. Pagan Rome was also to “stand up against the Prince of princes,” as it did when it placed Christ upon the cross of Calvary.

Dan volgt Gabriël in vers vijfentwintig de schommeling die gevestigd was in de verzen die hij voor Daniël uitlegde, en richt zich opnieuw tot het heidense Rome, dat door middel van een ander soort „beleid” zijn rijk bijeenbracht, zoals door alle geschiedschrijvers wordt bevestigd. De „list” van het heidense Rome was de volken ertoe te bewegen zich bij zijn groeiende rijk aan te sluiten, en het gebruikte de belofte van vrede en voorspoed om het rijk op te bouwen, in tegenstelling tot de voorafgaande rijken, die eenvoudigweg door militaire macht werden gesmeed. Het heidense Rome zou zich ook „verheffen tegen de Vorst der vorsten”, zoals het deed toen het Christus aan het kruis van Golgotha plaatste.

Then Gabriel addresses the two visions he was interpreting for Daniel, by identifying that the “mareh” vision of the appearance (the twenty-three hundred days) was true, and that the “chazon” vision of the trampling down of the sanctuary and host by pagan Rome and papal Rome was to be “shut up (sealed), “for many days” (until the time of the end in 1798).

Daarna spreekt Gabriël over de twee visioenen die hij voor Daniël uitlegde, door vast te stellen dat het „mareh”-visioen van de verschijning (de tweeduizend driehonderd dagen) waar was, en dat het „chazon”-visioen van de vertrapping van het heiligdom en het leger door het heidense Rome en het pauselijke Rome „toegesloten (verzegeld)” moest worden, „voor vele dagen” (tot de tijd van het einde in 1798).

Then Daniel was sick for some time, and then returned to work, but he still did not understand the “mareh” vision, which is the vision which Gabriel was commanded to make him understand. For that reason Gabriel would return in chapter nine, to finish his work of making Daniel understand the “mareh” vision.

Toen was Daniël enige tijd ziek en keerde daarna terug naar zijn werk, maar hij begreep nog steeds het visioen van de „mareh” niet, het visioen waarvan Gabriël de opdracht had gekregen hem het te doen verstaan. Daarom zou Gabriël in hoofdstuk negen terugkeren om zijn werk te voltooien, namelijk Daniël het visioen van de „mareh” te doen verstaan.

In Daniel chapter nine, Daniel had been studying the prophetic Word and came to understand through the writings of Moses and Jeremiah. Jeremiah had identified the captivity he was in would last seventy years.

In Daniël hoofdstuk negen had Daniël het profetische Woord bestudeerd en kwam hij door de geschriften van Mozes en Jeremia tot inzicht. Jeremia had vastgesteld dat de ballingschap waarin hij verkeerde zeventig jaar zou duren.

And this whole land shall be a desolation, and an astonishment; and these nations shall serve the king of Babylon seventy years. And it shall come to pass, when seventy years are accomplished, that I will punish the king of Babylon, and that nation, saith the Lord, for their iniquity, and the land of the Chaldeans, and will make it perpetual desolations. Jeremiah 25:11, 12.

En dit gehele land zal een woestenij en een voorwerp van ontzetting worden; en deze volken zullen de koning van Babel zeventig jaar dienen. En het zal geschieden, wanneer de zeventig jaren vervuld zijn, dat Ik de koning van Babel en dat volk, spreekt de HEERE, om hun ongerechtigheid zal straffen, en het land der Chaldeeën, en het tot eeuwige verwoestingen zal maken. Jeremia 25:11, 12.

According to Moses the captivity in the enemy’s land would correspond to a time that the land would enjoy its sabbaths.

Volgens Mozes zou de gevangenschap in het land van de vijand overeenkomen met een tijd waarin het land zijn sabbatten zou genieten.

And I will bring the land into desolation: and your enemies which dwell therein shall be astonished at it. And I will scatter you among the heathen, and will draw out a sword after you: and your land shall be desolate, and your cities waste. Then shall the land enjoy her sabbaths, as long as it lieth desolate, and ye be in your enemies’ land; even then shall the land rest, and enjoy her sabbaths. As long as it lieth desolate it shall rest; because it did not rest in your sabbaths, when ye dwelt upon it. Leviticus 26:32–35.

En Ik zal het land tot verwoesting brengen; en uw vijanden die daarin wonen, zullen daarover ontzet zijn. En Ik zal u onder de heidenvolken verstrooien, en het zwaard achter u uittrekken; en uw land zal verwoest zijn, en uw steden een woestenij. Dan zal het land zijn sabbatten genieten, zolang het verwoest ligt en gij in het land van uw vijanden zijt; dan zal het land rusten en zijn sabbatten genieten. Zolang het verwoest ligt, zal het rusten; omdat het niet heeft gerust in uw sabbatten, toen gij daarop woonde. Leviticus 26:32–35.

Daniel had understood from God’s prophetic Word, upon two witnesses that His people had been scattered into the enemy’s land, during which time the land would enjoy its sabbaths. He understood what the author of Chronicles understood concerning Jeremiah’s seventy years.

Daniël had uit Gods profetische Woord, op grond van twee getuigen, verstaan dat Zijn volk verstrooid was in het land van de vijand, gedurende welke tijd het land zijn sabbatten zou genieten. Hij begreep wat de schrijver van Kronieken begreep met betrekking tot Jeremia’s zeventig jaren.

And them that had escaped from the sword carried he away to Babylon; where they were servants to him and his sons until the reign of the kingdom of Persia: To fulfil the word of the Lord by the mouth of Jeremiah, until the land had enjoyed her sabbaths: for as long as she lay desolate she kept sabbath, to fulfil threescore and ten years. Now in the first year of Cyrus king of Persia, that the word of the Lord spoken by the mouth of Jeremiah might be accomplished, the Lord stirred up the spirit of Cyrus king of Persia, that he made a proclamation throughout all his kingdom, and put it also in writing, saying, Thus saith Cyrus king of Persia, All the kingdoms of the earth hath the Lord God of heaven given me; and he hath charged me to build him an house in Jerusalem, which is in Judah. Who is there among you of all his people? The Lord his God be with him, and let him go up. 2 Chronicles 36:20–23.

En hen die aan het zwaard ontkomen waren, voerde hij weg naar Babel; daar waren zij knechten van hem en van zijn zonen, tot de heerschappij van het koninkrijk van Perzië; om het woord des HEEREN, door de mond van Jeremia gesproken, te vervullen, totdat het land van zijn sabbatten genoten had; want al de dagen dat het woest lag, hield het sabbat, om zeventig jaren te vervullen. Doch in het eerste jaar van Kores, koning van Perzië, opdat het woord des HEEREN, door de mond van Jeremia gesproken, volbracht zou worden, verwekte de HEERE de geest van Kores, koning van Perzië, zodat hij door zijn gehele koninkrijk een oproep liet uitgaan, en die ook schriftelijk deed bekendmaken, zeggende: Zo zegt Kores, koning van Perzië: Alle koninkrijken der aarde heeft de HEERE, de God des hemels, mij gegeven; en Hij heeft mij opgedragen Hem een huis te bouwen te Jeruzalem, dat in Juda is. Wie is er onder u uit al zijn volk? De HEERE, zijn God, zij met hem, en hij trekke op. 2 Kronieken 36:20–23.

Daniel understood that Jeremiah’s seventy years of scattering in the enemy’s land, while the land enjoyed her sabbaths, was based upon the curse of “seven times” in Leviticus twenty-six, and in obedience to that understanding, he fulfilled the commanded remedy given there for those who finally awaken to their scattered condition.

Daniël begreep dat Jeremia’s zeventig jaren van verstrooiing in het land van de vijand, terwijl het land haar sabbatten genoot, gegrond waren op de vloek van „zeven tijden” in Leviticus zesentwintig; en in gehoorzaamheid aan dat inzicht volbracht hij het voorgeschreven herstelmiddel dat daar gegeven wordt voor hen die uiteindelijk ontwaken tot hun verstrooide toestand.

And upon them that are left alive of you I will send a faintness into their hearts in the lands of their enemies; and the sound of a shaken leaf shall chase them; and they shall flee, as fleeing from a sword; and they shall fall when none pursueth. And they shall fall one upon another, as it were before a sword, when none pursueth: and ye shall have no power to stand before your enemies. And ye shall perish among the heathen, and the land of your enemies shall eat you up. And they that are left of you shall pine away in their iniquity in your enemies’ lands; and also in the iniquities of their fathers shall they pine away with them. If they shall confess their iniquity, and the iniquity of their fathers, with their trespass which they trespassed against me, and that also they have walked contrary unto me; And that I also have walked contrary unto them, and have brought them into the land of their enemies; if then their uncircumcised hearts be humbled, and they then accept of the punishment of their iniquity: Then will I remember my covenant with Jacob, and also my covenant with Isaac, and also my covenant with Abraham will I remember; and I will remember the land. The land also shall be left of them, and shall enjoy her sabbaths, while she lieth desolate without them: and they shall accept of the punishment of their iniquity: because, even because they despised my judgments, and because their soul abhorred my statutes. And yet for all that, when they be in the land of their enemies, I will not cast them away, neither will I abhor them, to destroy them utterly, and to break my covenant with them: for I am the Lord their God. But I will for their sakes remember the covenant of their ancestors, whom I brought forth out of the land of Egypt in the sight of the heathen, that I might be their God: I am the Lord. These are the statutes and judgments and laws, which the Lord made between him and the children of Israel in mount Sinai by the hand of Moses. Leviticus 26:36–46.

En over hen die van u in het leven overblijven, zal Ik in het land van hun vijanden een verslagenheid in hun hart zenden; en het geritsel van een bewogen blad zal hen opjagen; en zij zullen vluchten, zoals men vlucht voor het zwaard; en zij zullen vallen, terwijl niemand hen vervolgt. En zij zullen over elkaar heen vallen, als voor het zwaard, terwijl niemand hen vervolgt; en gij zult geen kracht hebben om stand te houden voor uw vijanden. En gij zult omkomen onder de heidenvolken, en het land van uw vijanden zal u verslinden. En wie van u overblijven, zullen wegkwijnen in hun ongerechtigheid in de landen van uw vijanden; en ook in de ongerechtigheden van hun vaderen zullen zij met hen wegkwijnen. Indien zij hun ongerechtigheid belijden, en de ongerechtigheid van hun vaderen, met hun overtreding waarmee zij tegen Mij hebben overtreden, en ook dat zij in vijandschap tegen Mij gewandeld hebben; en dat ook Ik in vijandschap tegen hen gewandeld heb en hen gebracht heb in het land van hun vijanden; indien dan hun onbesneden hart vernederd wordt, en zij dan de straf op hun ongerechtigheid aanvaarden: dan zal Ik Mijn verbond met Jakob gedenken, en ook Mijn verbond met Izak, en ook Mijn verbond met Abraham zal Ik gedenken; en Ik zal het land gedenken. Ook zal het land door hen verlaten zijn en zijn sabbatten genieten, terwijl het woest ligt zonder hen; en zij zullen de straf op hun ongerechtigheid aanvaarden, omdat, ja omdat zij Mijn bepalingen verworpen hebben en hun ziel van Mijn inzettingen een afkeer had. Maar zelfs dan, wanneer zij in het land van hun vijanden zijn, zal Ik hen niet verwerpen, noch van hen walgen om hen geheel te verdelgen en Mijn verbond met hen te verbreken; want Ik ben de HEERE, hun God. Maar Ik zal hun ten goede gedenken aan het verbond van hun voorvaderen, die Ik uit het land Egypte heb uitgeleid voor de ogen van de heidenvolken, opdat Ik hun tot een God zou zijn: Ik ben de HEERE. Dit zijn de inzettingen en bepalingen en wetten die de HEERE tussen Zich en de kinderen van Israël op de berg Sinaï door de hand van Mozes vastgesteld heeft. Leviticus 26:36–46.

Daniel’s prayer in chapter nine, is addressing every element of the counsel for those who find themselves scattered in the enemy’s land. That prayer is to be aligned with his prayer in chapter two, for together they represent the prayer of those in Revelation chapter eleven, that were dead in the streets of that great city of Sodom and Egypt, who find that they also had been scattered. As Daniel concludes his prayer, Gabriel returns to finish the work of explaining the “mareh” vision, just as the Holy Spirit intends to accomplish for the two witnesses of Revelation chapter eleven.

Daniëls gebed in hoofdstuk negen behandelt elk onderdeel van de raad voor hen die zich verstrooid bevinden in het land van de vijand. Dat gebed moet in overeenstemming worden gebracht met zijn gebed in hoofdstuk twee, want samen vertegenwoordigen zij het gebed van hen in Openbaring hoofdstuk elf, die dood lagen op de straten van die grote stad, Sodom en Egypte, en die ontdekken dat ook zij verstrooid waren. Wanneer Daniël zijn gebed besluit, keert Gabriël terug om het werk te voltooien van de verklaring van het visioen van de „mareh”, juist zoals de Heilige Geest voornemens is te volbrengen voor de twee getuigen van Openbaring hoofdstuk elf.

And whiles I was speaking, and praying, and confessing my sin and the sin of my people Israel, and presenting my supplication before the Lord my God for the holy mountain of my God; Yea, whiles I was speaking in prayer, even the man Gabriel, whom I had seen in the vision at the beginning, being caused to fly swiftly, touched me about the time of the evening oblation. And he informed me, and talked with me, and said, O Daniel, I am now come forth to give thee skill and understanding. Daniel 9:20–22.

Terwijl ik nog sprak en bad, en mijn zonde en de zonde van mijn volk Israël beleed, en mijn smeking voor het aangezicht van de HEERE, mijn God, neerlegde ten behoeve van de heilige berg van mijn God; ja, terwijl ik nog sprak in het gebed, raakte de man Gabriël, die ik in het begin in het visioen gezien had, mij aan, nadat hij snel was komen aanvliegen, omstreeks de tijd van het avondoffer. En hij onderwees mij, sprak met mij en zei: O Daniël, nu ben ik uitgegaan om u inzicht en verstand te geven. Daniël 9:20–22.

We will continue this study in the next article.

Wij zullen deze studie in het volgende artikel voortzetten.

“Shortly before the fall of Babylon, when Daniel was meditating on these prophecies and seeking God for an understanding of the times, a series of visions was given him concerning the rise and fall of kingdoms. With the first vision, as recorded in the seventh chapter of the book of Daniel, an interpretation was given; yet not all was made clear to the prophet. ‘My cogitations much troubled me,’ he wrote of his experience at the time, ‘and my countenance changed in me: but I kept the matter in my heart.’ Daniel 7:28.

“Kort vóór de val van Babylon, toen Daniël over deze profetieën nadacht en God zocht om inzicht in de tijden, werd hem een reeks visioenen gegeven betreffende de opkomst en ondergang van koninkrijken. Bij het eerste visioen, zoals opgetekend in het zevende hoofdstuk van het boek Daniël, werd een uitleg gegeven; toch werd niet alles aan de profeet duidelijk gemaakt. ‘Mijn gedachten verschrikten mij zeer,’ schreef hij over zijn ervaring in die tijd, ‘en mijn gelaat veranderde aan mij; maar ik bewaarde de zaak in mijn hart.’ Daniël 7:28.”

“Through another vision further light was thrown upon the events of the future; and it was at the close of this vision that Daniel heard ‘one saint speaking, and another saint said unto that certain saint which spake, How long shall be the vision?’ Daniel 8:13. The answer that was given, ‘Unto two thousand and three hundred days; then shall the sanctuary be cleansed’ (verse 14), filled him with perplexity. Earnestly he sought for the meaning of the vision. He could not understand the relation sustained by the seventy years’ captivity, as foretold through Jeremiah, to the twenty-three hundred years that in vision he heard the heavenly visitant declare should elapse before the cleansing of God’s sanctuary. The angel Gabriel gave him a partial interpretation; yet when the prophet heard the words, ‘The vision … shall be for many days,’ he fainted away. ‘I Daniel fainted,’ he records of his experience, ‘and was sick certain days; afterward I rose up, and did the king’s business; and I was astonished at the vision, but none understood it.’ Verses 26, 27.

„Door een ander visioen werd verder licht geworpen op de gebeurtenissen van de toekomst; en het was aan het einde van dit visioen dat Daniël hoorde ‘de één heilige spreken, en een andere heilige zeide tot dien zekeren heilige, die sprak: Tot hoelang zal dit gezicht zijn?’ Daniël 8:13. Het antwoord dat gegeven werd: ‘Tot twee duizend en driehonderd avonden en morgens; dan zal het heiligdom gereinigd worden’ (vers 14), vervulde hem met verwarring. Ernstig zocht hij naar de betekenis van het visioen. Hij kon de samenhang niet begrijpen tussen de zeventigjarige gevangenschap, zoals door Jeremia voorzegd, en de drieëntwintighonderd jaar waarvan hij in het visioen de hemelse bezoeker hoorde verklaren dat zij moesten verlopen vóór de reiniging van Gods heiligdom. De engel Gabriël gaf hem een gedeeltelijke uitleg; toch viel de profeet, toen hij de woorden hoorde: ‘Het gezicht … zal voor vele dagen zijn,’ in onmacht. ‘Ik, Daniël, bezweek,’ tekent hij aangaande zijn ervaring op, ‘en was verscheidene dagen ziek; daarna stond ik op en deed des konings zaken; en ik was verbijsterd over het gezicht, maar niemand verstond het.’ Verzen 26, 27.”

“Still burdened in behalf of Israel, Daniel studied anew the prophecies of Jeremiah. They were very plain—so plain that he understood by these testimonies recorded in books ‘the number of the years, whereof the word of the Lord came to Jeremiah the prophet, that He would accomplish seventy years in the desolations of Jerusalem.’ Daniel 9:2.

Nog steeds bezwaard om Israël, bestudeerde Daniël opnieuw de profetieën van Jeremia. Zij waren zeer duidelijk—zo duidelijk dat hij door deze in de boeken opgetekende getuigenissen ‘het getal der jaren verstond, waarvan het woord des Heeren tot den profeet Jeremia gekomen was, dat Hij zeventig jaren in de verwoestingen van Jeruzalem zou volbrengen.’ Daniël 9:2.

With faith founded on the sure word of prophecy, Daniel pleaded with the Lord for the speedy fulfillment of these promises. He pleaded for the honor of God to be preserved. In his petition he identified himself fully with those who had fallen short of the divine purpose, confessing their sins as his own.” Prophets and Kings, 553, 554.

‘Met een geloof dat gegrond was op het vaste profetische woord, smeekte Daniël de Heere om de spoedige vervulling van deze beloften. Hij pleitte ervoor dat de eer van God bewaard zou blijven. In zijn bede vereenzelvigde hij zich volkomen met hen die aan het goddelijke voornemen tekortgeschoten waren, en beleed hun zonden als de zijne.’ Profeten en Koningen, 553, 554.