Gabriel came to Daniel in chapter nine to provide him with skill and understanding of the two visions which had been represented in chapter eight.
Gabriël kwam in hoofdstuk negen tot Daniël om hem inzicht en verstand te geven aangaande de twee gezichten die in hoofdstuk acht waren voorgesteld.
And he informed me, and talked with me, and said, O Daniel, I am now come forth to give thee skill and understanding. At the beginning of thy supplications the commandment came forth, and I am come to show thee; for thou art greatly beloved: therefore understand the matter, and consider the vision. Daniel 9:22, 23.
En hij onderrichtte mij, sprak met mij en zei: O Daniël, ik ben nu uitgegaan om u inzicht en verstand te geven. Bij het begin van uw smeekbeden is het woord uitgegaan, en ik ben gekomen om het u bekend te maken; want gij zijt zeer geliefd. Versta daarom de zaak en let op het visioen. Daniël 9:22, 23.
In order for Daniel to have the “understanding” he needed, Gabriel told him to understand both the “matter” and the “vision.” The “matter” was the vision of the trampling down of the sanctuary and host, and the “vision,” was the vision of the appearance of October 22, 1844. Sister White also emphasizes these two visions when she informs us that, Daniel was seeking to understand the relation of the seventy year captivity and the twenty-three hundred years. The seventy years are what Gabriel identified as the “matter” and the “vision” was the twenty-three hundred years. Daniel represents the “wise” of the last days, when Gabriel provides the interpretation of the twenty-three hundred years. The “wise” recognize both the “matter” and the “vision,” in Gabriel’s interpretation, the wicked do not understand. The Millerites understood the “matter” and “vision,” but only in a limited fashion.
Opdat Daniël het „verstand” zou hebben dat hij nodig had, zei Gabriël hem zowel de „zaak” als het „gezicht” te verstaan. De „zaak” was het gezicht van de vertreding van het heiligdom en het heerleger, en het „gezicht” was het gezicht van de verschijning van 22 oktober 1844. Zuster White legt ook nadruk op deze twee gezichten wanneer zij ons meedeelt dat Daniël trachtte de verhouding te begrijpen tussen de zeventigjarige gevangenschap en de tweeduizend driehonderd jaren. De zeventig jaren zijn wat Gabriël aanduidde als de „zaak”, en het „gezicht” was de tweeduizend driehonderd jaren. Daniël vertegenwoordigt de „wijzen” van de laatste dagen, wanneer Gabriël de uitleg van de tweeduizend driehonderd jaren verschaft. De „wijzen” herkennen in Gabriëls uitleg zowel de „zaak” als het „gezicht”; de goddelozen verstaan het niet. De Millerieten begrepen de „zaak” en het „gezicht”, maar slechts in beperkte mate.
The four hundred and ninety years of probationary time, was a period that was based upon four hundred and ninety years of rebellion against the covenant of the “seven times” represented in Leviticus twenty-five and twenty-six. The seventy years captivity was the sum of all the years the land was not allowed to enjoy her rest.
De vierhonderdnegentig jaar van genadetijd waren een periode die was gegrond op vierhonderdnegentig jaar van opstand tegen het verbond van de „zeven tijden”, zoals voorgesteld in Leviticus vijfentwintig en zesentwintig. De zeventig jaar gevangenschap waren de som van al de jaren waarin het land niet werd toegestaan van haar rust te genieten.
The week that Christ confirmed the covenant with many, was an illustration of the quarrel of his covenant, as represented by two periods of twelve hundred and sixty days. That prophetic week was divided by the cross, which typifies the seal of God.
De week waarin Christus het verbond met velen bekrachtigde, was een illustratie van de rechtszaak van zijn verbond, zoals voorgesteld door twee perioden van twaalfhonderdzestig dagen. Die profetische week werd door het kruis verdeeld, dat het zegel van God uitbeeldt.
“What is the seal of the living God, which is placed in the foreheads of His people? It is a mark which angels, but not human eyes, can read; for the destroying angel must see this mark of redemption. The intelligent mind has seen the sign of the cross of Calvary in the Lord’s adopted sons and daughters. The sin of the transgression of the law of God is taken away. They have on the wedding garment, and are obedient and faithful to all God’s commands.” Manuscript Releases, volume 21, 52.
“Wat is het zegel van de levende God, dat op de voorhoofden van Zijn volk wordt aangebracht? Het is een merkteken dat engelen, maar geen menselijke ogen, kunnen lezen; want de verderfengel moet dit teken van verlossing zien. Het verstandige denken heeft het teken van het kruis van Golgotha gezien in de door de Heere aangenomen zonen en dochters. De zonde van de overtreding van de wet van God is weggenomen. Zij hebben het bruiloftskleed aan en zijn gehoorzaam en getrouw aan al Gods geboden.” Manuscript Releases, deel 21, 52.
That week typified two periods of twelve hundred and sixty years divided at the Sunday law of 538, (the mark of the beast) in which paganism and then papalism trampled down the sanctuary and the host. For twelve hundred and sixty days, Christ gave His testimony, then for another twelve hundred and sixty days, Christ gave the same testimony through His disciples. For twelve hundred and sixty years, Satan gave his testimony, through paganism, and then for another twelve hundred and sixty years, Satan gave his testimony through the papacy.
Die week was een voorafschaduwing van twee perioden van twaalfhonderdzestig jaar, gescheiden bij de zondagswet van 538 (het merkteken van het beest), waarin eerst het heidendom en vervolgens het pausdom het heiligdom en de heerschare vertrapten. Gedurende twaalfhonderdzestig dagen gaf Christus Zijn getuigenis; vervolgens gaf Christus nog eens gedurende twaalfhonderdzestig dagen hetzelfde getuigenis door middel van Zijn discipelen. Gedurende twaalfhonderdzestig jaar gaf Satan zijn getuigenis door middel van het heidendom; en vervolgens gaf Satan nog eens gedurende twaalfhonderdzestig jaar zijn getuigenis door middel van het pausdom.
The covenant, which through ancient Israel’s disobedience, became God’s “quarrel,” was the covenant of Leviticus chapter twenty-five, that outlined the land resting, and the jubilee that was to be celebrated every forty-ninth year.
Het verbond, dat door de ongehoorzaamheid van het oude Israël Gods „rechtsgeding” werd, was het verbond van Leviticus hoofdstuk vijfentwintig, waarin de rust van het land werd uiteengezet, alsook het jubeljaar dat om de negenenveertigste jaar gevierd moest worden.
And the Lord spake unto Moses in mount Sinai, saying, Speak unto the children of Israel, and say unto them, When ye come into the land which I give you, then shall the land keep a sabbath unto the Lord. Six years thou shalt sow thy field, and six years thou shalt prune thy vineyard, and gather in the fruit thereof; But in the seventh year shall be a sabbath of rest unto the land, a sabbath for the Lord: thou shalt neither sow thy field, nor prune thy vineyard. That which groweth of its own accord of thy harvest thou shalt not reap, neither gather the grapes of thy vine undressed: for it is a year of rest unto the land. And the sabbath of the land shall be meat for you; for thee, and for thy servant, and for thy maid, and for thy hired servant, and for thy stranger that sojourneth with thee, And for thy cattle, and for the beast that are in thy land, shall all the increase thereof be meat. And thou shalt number seven sabbaths of years unto thee, seven times seven years; and the space of the seven sabbaths of years shall be unto thee forty and nine years. Then shalt thou cause the trumpet of the jubile to sound on the tenth day of the seventh month, in the day of atonement shall ye make the trumpet sound throughout all your land. And ye shall hallow the fiftieth year, and proclaim liberty throughout all the land unto all the inhabitants thereof: it shall be a jubile unto you; and ye shall return every man unto his possession, and ye shall return every man unto his family. A jubile shall that fiftieth year be unto you: ye shall not sow, neither reap that which groweth of itself in it, nor gather the grapes in it of thy vine undressed. For it is the jubile; it shall be holy unto you: ye shall eat the increase thereof out of the field. In the year of this jubile ye shall return every man unto his possession. Leviticus 25:1–13.
En de HEERE sprak tot Mozes op de berg Sinaï, zeggende: Spreek tot de kinderen Israëls en zeg tot hen: Wanneer gij komt in het land dat Ik u geef, dan zal het land een sabbat voor de HEERE houden. Zes jaren zult gij uw akker bezaaien, en zes jaren zult gij uw wijngaard snoeien en de opbrengst daarvan inzamelen; maar in het zevende jaar zal er voor het land een sabbat van rust zijn, een sabbat voor de HEERE; uw akker zult gij niet bezaaien, noch uw wijngaard snoeien. Wat van uw oogst vanzelf opschiet, zult gij niet maaien, en de druiven van uw ongesnoeide wijnstok zult gij niet inzamelen; want het is een jaar van rust voor het land. En de sabbat van het land zal u tot spijze zijn; voor u en voor uw knecht, en voor uw dienstmaagd, en voor uw dagloner, en voor uw vreemdeling die bij u verkeert, en voor uw vee en voor het gedierte dat in uw land is, zal al de opbrengst daarvan tot spijze zijn. En gij zult voor uzelf zeven sabbatsjaren tellen, zevenmaal zeven jaren; en de tijd van de zeven sabbatsjaren zal voor u negenenveertig jaren zijn. Dan zult gij op de tiende dag van de zevende maand de bazuin van het jubeljaar doen klinken; op de verzoendag zult gij de bazuin doen klinken door heel uw land. En gij zult het vijftigste jaar heiligen en vrijheid uitroepen in het gehele land voor al zijn inwoners; het zal u een jubeljaar zijn; en gij zult ieder terugkeren tot zijn bezitting, en gij zult ieder terugkeren tot zijn familie. Een jubeljaar zal dat vijftigste jaar voor u zijn: gij zult niet zaaien, noch maaien wat daarin vanzelf opschiet, noch de druiven inzamelen van uw ongesnoeide wijnstok. Want het is het jubeljaar; het zal u heilig zijn; uit het veld zult gij de opbrengst daarvan eten. In het jaar van dit jubeljaar zult gij ieder terugkeren tot zijn bezitting. Leviticus 25:1–13.
The first period of the twenty-three hundred year prophecy, as with the week Christ confirmed the covenant, and the four-hundred and ninety years is directly associated with the “seven times” of Leviticus chapters twenty-five and twenty-six.
De eerste periode van de profetie van tweeduizenddriehonderd jaar is, evenals de week waarin Christus het verbond bevestigde en de vierhonderdnegentig jaar, rechtstreeks verbonden met de „zeven tijden” van Leviticus hoofdstukken vijfentwintig en zesentwintig.
Know therefore and understand, that from the going forth of the commandment to restore and to build Jerusalem unto the Messiah the Prince shall be seven weeks, and threescore and two weeks: the street shall be built again, and the wall, even in troublous times. Daniel 9:2.
Weet dan en versta, dat vanaf het uitgaan van het bevel om Jeruzalem te herstellen en te herbouwen tot op Messias, de Vorst, zeven weken en tweeënzestig weken zullen zijn; de straat zal opnieuw gebouwd worden, en de muur, zelfs in benauwde tijden. Daniël 9:2.
Sixty-nine weeks beginning in 457 BC, brings you to Christ’s baptism, and the beginning of the week in which he confirmed the covenant, which was the covenant of God’s “quarrel.” But there was a week of weeks (forty-nine years), that was isolated from the sixty-nine weeks by the phrase “seven weeks, and threescore and two weeks.” Beginning in 457 BC, there was to be forty-nine years, a clear reference to the covenant of Leviticus chapter twenty-five, and to the jubilee celebration. Those forty-nine years were not only a symbol of the jubilee cycles, but also of Pentecost, which is the fiftieth day that follows the forty-nine days of the feast of weeks.
Negenenzestig weken, beginnend in 457 v.Chr., brengen u tot aan de doop van Christus en het begin van de week waarin Hij het verbond bevestigde, namelijk het verbond van Gods „twistzaak”. Maar er was een week van weken (negenenveertig jaar), die van de negenenzestig weken was afgescheiden door de uitdrukking „zeven weken, en tweeënzestig weken”. Beginnend in 457 v.Chr. zou er negenenveertig jaar zijn, een duidelijke verwijzing naar het verbond van Leviticus hoofdstuk vijfentwintig en naar de viering van het jubeljaar. Die negenenveertig jaar waren niet alleen een symbool van de jubeljaren, maar ook van Pinksteren, dat de vijftigste dag is die volgt op de negenenveertig dagen van het Wekenfeest.
The first forty-nine years of the twenty-three hundred years, the four hundred and ninety years, and the week the covenant was confirmed are all directly connected with the twenty-five hundred and twenty years, represented as “seven times,” in Leviticus twenty-six. Every element of the twenty-three hundred year prophecy is directly connected to the “seven times” which Adventism set aside and rejected in 1863. The “seven times” is a symbol of the jubilee covenant, and for this reason it is also to be noted that when the twenty-three hundred years ended on October 22, 1844, so too, did the twenty-five hundred and twenty years end on that very day, for Moses recorded in Leviticus chapter twenty-five:
De eerste negenenveertig jaren van de drieduizendtweehonderd jaar, de vierhonderdnegentig jaren, en de week waarin het verbond werd bevestigd, zijn alle rechtstreeks verbonden met de tweeduizendvijfhonderdtwintig jaren, voorgesteld als „zeven tijden” in Leviticus zesentwintig. Elk element van de profetie van de drieduizendtweehonderd jaar is rechtstreeks verbonden met de „zeven tijden” die het adventisme in 1863 terzijde stelde en verwierp. De „zeven tijden” zijn een symbool van het jubelverbond, en om die reden dient ook te worden opgemerkt dat, toen de drieduizendtweehonderd jaar eindigden op 22 oktober 1844, ook de tweeduizendvijfhonderdtwintig jaar op diezelfde dag eindigden, want Mozes schreef in Leviticus hoofdstuk vijfentwintig:
And thou shalt number seven sabbaths of years unto thee, seven times seven years; and the space of the seven sabbaths of years shall be unto thee forty and nine years. Then shalt thou cause the trumpet of the jubile to sound on the tenth day of the seventh month, in the day of atonement shall ye make the trumpet sound throughout all your land. Leviticus 25:8, 9.
En gij zult voor u zeven sabbatten van jaren tellen, zevenmaal zeven jaren; en de tijd van de zeven sabbatten van jaren zal u negenenveertig jaren zijn. Dan zult gij op de tiende dag van de zevende maand de bazuin van het jubeljaar doen schallen; op de verzoendag zult gij de bazuin doen klinken door heel uw land. Leviticus 25:8, 9.
Every prophetic period within the twenty-three hundred years, is directly associated with the “seven times” of Leviticus twenty-six, including the day both prophetic periods ended. The first forty-nine years identified the work of rebuilding and restoring Jerusalem that would be finalized as God’s people came out of Babylon. The temple was finished before the third decree, as was the Millerite temple finished before the third angel arrived. Yet after 457 BC, “the street” still needed to “be built again, and the wall, even in troublous times.” As Alpha and Omega, Jesus always illustrates the end of a thing, with the beginning of a thing, and after October 22, 1844, the Millerites were to finish “the street” “and the wall,” “in troublous times.”
Elke profetische periode binnen de drieëntwintighonderd jaren is rechtstreeks verbonden met de „zeven tijden” van Leviticus zesentwintig, met inbegrip van de dag waarop beide profetische perioden eindigden. De eerste negenenveertig jaren duidden het werk aan van de herbouw en het herstel van Jeruzalem, dat voltooid zou worden wanneer Gods volk uit Babylon tevoorschijn kwam. De tempel was voltooid vóór het derde decreet, evenals de Milleritische tempel voltooid was vóór de komst van de derde engel. Toch moest na 457 v.Chr. „de straat” nog „opnieuw gebouwd worden, en de gracht, in benauwde tijden.” Als Alfa en Omega illustreert Jezus altijd het einde van een zaak met het begin van een zaak, en na 22 oktober 1844 moesten de Millerieten „de straat” en „de gracht” voltooien, „in benauwde tijden.”
Sister White identifies the literal wall of protection around Jerusalem as a symbol of God’s law, and immediately after October 22, 1844, the faithful were led into the heavenly sanctuary and recognized God’s law (the wall). In order to recognize God’s law, including the Sabbath, the Millerites were led back to the covenant of ancient Israel. The restoration of the literal “street,” is the restoration that was spiritually accomplished when the Millerites returned to Jeremiah’s “old paths”. The “troublous times” that were to be in the period the wall and street were established was to be accomplished after 1844, and the Civil War that was then approaching, and soon beginning in that very history, represented those troublous times.
Zuster White duidt de letterlijke beschermingsmuur rondom Jeruzalem aan als een symbool van Gods wet, en onmiddellijk na 22 oktober 1844 werden de getrouwen in het hemelse heiligdom geleid en erkenden zij Gods wet (de muur). Om Gods wet te erkennen, met inbegrip van de sabbat, werden de Millerieten teruggeleid naar het verbond van het oude Israël. Het herstel van de letterlijke „straat” is het herstel dat geestelijk werd volbracht toen de Millerieten terugkeerden tot Jeremia’s „oude paden”. De „benauwde tijden” die er zouden zijn in de periode waarin de muur en de straat werden opgericht, zouden na 1844 vervuld worden, en de Burgeroorlog, die toen naderde en spoedig in juist die geschiedenis begon, vertegenwoordigde die benauwde tijden.
Had they been faithful they would have reached the symbolic fiftieth year of the jubilee (where the slaves are released), which was also represented by the fiftieth day of Pentecost (where the message of emancipation goes to all the world). But after 1844 most opposed the Sabbath light, and in 1863, they also rejected the message of Moses (the “seven times”), which had been delivered to them by Elijah (William Miller.) In other words, they turned away from “the street” (the old paths) that they were to restore and walk in.
Indien zij trouw waren geweest, zouden zij het symbolische vijftigste jaar van het jubeljaar hebben bereikt (waarin de slaven worden vrijgelaten), dat ook werd voorgesteld door de vijftigste dag van Pinksteren (waarop de boodschap van bevrijding uitgaat tot de gehele wereld). Maar na 1844 verzette het merendeel zich tegen het licht van de sabbat, en in 1863 verwierpen zij ook de boodschap van Mozes (de „zeven tijden”), die hun was gebracht door Elia (William Miller). Met andere woorden, zij keerden zich af van „de straat” (de oude paden) die zij moesten herstellen en bewandelen.
Jesus always illustrates the end by the beginning, and when the parable of the ten virgins is repeated in the last days, the work of restoring Jerusalem is again to be accomplished. The “street and wall” will be built in “troublous times”. We are now entering into those troublous times. October 22, 1844, typifies the soon-coming Sunday law, so when the “hour of the great earthquake,” of Revelation eleven arrives, the street and wall will be built in troublous times. We will now identify those troublous times as the “angering of the nations” produced by the escalating warfare of Islam.
Jezus illustreert het einde altijd door het begin, en wanneer de gelijkenis van de tien maagden in de laatste dagen wordt herhaald, moet het werk van het herstel van Jeruzalem opnieuw worden volbracht. De „straat en muur” zullen worden gebouwd in „benauwde tijden”. Wij treden nu die benauwde tijden binnen. 22 oktober 1844 is een voorafbeelding van de spoedig komende zondagswet, zodat, wanneer het „uur van de grote aardbeving” van Openbaring elf aanbreekt, de straat en muur in benauwde tijden zullen worden gebouwd. Wij zullen deze benauwde tijden nu aanduiden als de „toorn van de volken”, voortgebracht door de escalerende oorlogsvoering van de islam.
While explaining what had been previously written concerning a “time of trouble,” she gave an explanation that is recorded in the book Early Writings.
Terwijl zij uitlegde wat eerder was geschreven aangaande een „tijd van benauwdheid”, gaf zij een verklaring die is opgetekend in het boek Early Writings.
“1. On page 33 is given the following: ‘I saw that the holy Sabbath is, and will be, the separating wall between the true Israel of God and unbelievers; and that the Sabbath is the great question to unite the hearts of God’s dear, waiting saints. I saw that God had children who do not see and keep the Sabbath. They have not rejected the light upon it. And at the commencement of the time of trouble, we were filled with the Holy Ghost as we went forth and proclaimed the Sabbath more fully.’
„1. Op bladzijde 33 wordt het volgende gegeven: ‘Ik zag dat de heilige sabbat is, en zal zijn, de scheidsmuur tussen het ware Israël Gods en de ongelovigen; en dat de sabbat de grote kwestie is om de harten van Gods dierbare, wachtende heiligen te verenigen. Ik zag dat God kinderen had die de sabbat niet zien en niet houden. Zij hebben het licht daarover niet verworpen. En bij het begin van de tijd der benauwdheid werden wij vervuld met de Heilige Geest toen wij uitgingen en de sabbat vollediger verkondigden.’”
“This view was given in 1847 when there were but very few of the Advent brethren observing the Sabbath, and of these but few supposed that its observance was of sufficient importance to draw a line between the people of God and unbelievers. Now the fulfillment of that view is beginning to be seen. ‘The commencement of that time of trouble,’ here mentioned does not refer to the time when the plagues shall begin to be poured out, but to a short period just before they are poured out, while Christ is in the sanctuary. At that time, while the work of salvation is closing, trouble will be coming on the earth, and the nations will be angry, yet held in check so as not to prevent the work of the third angel. At that time the ‘latter rain,’ or refreshing from the presence of the Lord, will come, to give power to the loud voice of the third angel, and prepare the saints to stand in the period when the seven last plagues shall be poured out.” Early Writings, 85.
“Dit gezicht werd gegeven in 1847, toen er slechts zeer weinige Adventbroeders waren die de sabbat onderhielden, en van dezen meenden er slechts enkelen dat de onderhouding daarvan van voldoende belang was om een scheidslijn te trekken tussen het volk van God en de ongelovigen. Nu begint de vervulling van dat gezicht zichtbaar te worden. ‘Het begin van die tijd van benauwdheid’, hier genoemd, heeft geen betrekking op de tijd wanneer de plagen zullen beginnen te worden uitgegoten, maar op een korte periode vlak voordat zij worden uitgegoten, terwijl Christus in het heiligdom is. In die tijd, terwijl het werk der zaligheid ten einde loopt, zal benauwdheid over de aarde komen, en de volken zullen toornig zijn, maar in toom gehouden worden, zodat zij het werk van de derde engel niet verhinderen. In die tijd zal de ‘late regen’, of verkwikking van de tegenwoordigheid des Heeren, komen om kracht te geven aan de luide stem van de derde engel, en om de heiligen voor te bereiden staande te blijven in de periode wanneer de zeven laatste plagen zullen worden uitgegoten.” Early Writings, 85.
There is a “short period of time,” that precedes the close of probation, when “the nations will be angry, yet held in check.” At the same time “the latter rain” arrives. The “angering of the nations,” is a symbol that is identified in Revelation chapter eleven.
Er is een „korte tijdsperiode” die voorafgaat aan het einde van de genadetijd, wanneer „de volken toornig zullen zijn, maar in bedwang worden gehouden”. Tegelijkertijd komt „de late regen”. Het „toornig worden van de volken” is een symbool dat wordt aangeduid in Openbaring hoofdstuk elf.
And the nations were angry, and thy wrath is come, and the time of the dead, that they should be judged, and that thou shouldest give reward unto thy servants the prophets, and to the saints, and them that fear thy name, small and great; and shouldest destroy them which destroy the earth. Revelation 11:18.
En de volken waren toornig geworden, en Uw toorn is gekomen, en de tijd van de doden, opdat zij geoordeeld zouden worden, en opdat Gij loon zoudt geven aan Uw dienstknechten, de profeten, en aan de heiligen, en aan hen die Uw Naam vrezen, kleinen en groten; en opdat Gij hen zoudt verderven die de aarde verderven. Openbaring 11:18.
Sister White comments on this verse.
Zuster White geeft commentaar op dit vers.
“I saw that the anger of the nations, the wrath of God, and the time to judge the dead were separate and distinct, one following the other, also that Michael had not stood up, and that the time of trouble, such as never was, had not yet commenced. The nations are now getting angry, but when our High Priest has finished His work in the sanctuary, He will stand up, put on the garments of vengeance, and then the seven last plagues will be poured out.
„Ik zag dat de toorn van de volken, de toorn van God en de tijd om de doden te oordelen, afzonderlijk en onderscheiden waren, het ene volgde op het andere; ook dat Michaël nog niet was opgestaan en dat de tijd van benauwdheid, zoals er nooit geweest is, nog niet was aangebroken. De volken worden nu toornig, maar wanneer onze Hogepriester Zijn werk in het heiligdom heeft voltooid, zal Hij opstaan, de klederen der wraak aandoen, en dan zullen de zeven laatste plagen worden uitgegoten.
“I saw that the four angels would hold the four winds until Jesus’ work was done in the sanctuary, and then will come the seven last plagues.” Early Writings, 36.
„Ik zag dat de vier engelen de vier winden zouden tegenhouden totdat Jezus’ werk in het heiligdom voltooid was, en daarna zullen de zeven laatste plagen komen.” Early Writings, 36.
The “angering of the nations” occurs just before probation closes, for it is followed by the “wrath of God.” The “wrath of God” occurs when probation closes, and the “time to judge the dead,” refers to a judgment that occurs during the millennium, and does not refer to the judgment of the dead that began in 1844.
Het „toornig worden van de volken” vindt plaats vlak voordat de genadetijd sluit, want daarop volgt de „toorn van God”. De „toorn van God” treedt in wanneer de genadetijd sluit, en de „tijd om de doden te oordelen” verwijst naar een oordeel dat gedurende het millennium plaatsvindt, en verwijst niet naar het oordeel over de doden dat in 1844 begon.
And I saw an angel come down from heaven, having the key of the bottomless pit and a great chain in his hand. And he laid hold on the dragon, that old serpent, which is the Devil, and Satan, and bound him a thousand years, And cast him into the bottomless pit, and shut him up, and set a seal upon him, that he should deceive the nations no more, till the thousand years should be fulfilled: and after that he must be loosed a little season. And I saw thrones, and they sat upon them, and judgment was given unto them: and I saw the souls of them that were beheaded for the witness of Jesus, and for the word of God, and which had not worshipped the beast, neither his image, neither had received his mark upon their foreheads, or in their hands; and they lived and reigned with Christ a thousand years. Revelation 20:1–4.
En ik zag een engel neerdalen uit de hemel, met de sleutel van de afgrond en een grote keten in zijn hand. En hij greep de draak, de oude slang, die de duivel en de satan is, en bond hem voor duizend jaren, en wierp hem in de afgrond, en sloot hem daarin op, en verzegelde die boven hem, opdat hij de volken niet meer zou verleiden, totdat de duizend jaren voleindigd zouden zijn; en daarna moet hij voor een korte tijd worden losgelaten. En ik zag tronen, en zij gingen daarop zitten, en het oordeel werd hun gegeven; en ik zag de zielen van hen die onthoofd waren om het getuigenis van Jezus en om het woord van God, en die het beest noch zijn beeld hadden aanbeden, en het merkteken niet op hun voorhoofd en niet op hun hand ontvangen hadden; en zij werden levend en regeerden met Christus duizend jaren. Openbaring 20:1–4.
The judgment that is “given unto” the saints, identifies that they will pass judgment upon the wicked during the millennium, not that they are judged.
Het oordeel dat „aan” de heiligen „gegeven” wordt, duidt erop dat zij gedurende het millennium oordeel zullen vellen over de goddelozen, niet dat zij geoordeeld worden.
“During the thousand years between the first and the second resurrection the judgment of the wicked takes place. The apostle Paul points to this judgment as an event that follows the second advent. ‘Judge nothing before the time, until the Lord come, who both will bring to light the hidden things of darkness, and will make manifest the counsels of the hearts.’ 1 Corinthians 4:5. Daniel declares that when the Ancient of Days came, ‘judgment was given to the saints of the Most High.’ Daniel 7:22. At this time the righteous reign as kings and priests unto God. John in the Revelation says: ‘I saw thrones, and they sat upon them, and judgment was given unto them.’ ‘They shall be priests of God and of Christ, and shall reign with Him a thousand years.’ Revelation 20:4, 6. It is at this time that, as foretold by Paul, ‘the saints shall judge the world.’ 1 Corinthians 6:2. In union with Christ they judge the wicked, comparing their acts with the statute book, the Bible, and deciding every case according to the deeds done in the body. Then the portion which the wicked must suffer is meted out, according to their works; and it is recorded against their names in the book of death.
“Gedurende de duizend jaren tussen de eerste en de tweede opstanding vindt het oordeel over de goddelozen plaats. De apostel Paulus wijst op dit oordeel als op een gebeurtenis die op de tweede komst volgt. ‘Oordeelt dan niets vóór den tijd, totdat de Heere zal gekomen zijn, Die ook in het licht zal brengen hetgeen in de duisternis verborgen is, en openbaren de overleggingen der harten.’ 1 Korintiërs 4:5. Daniël verklaart dat, toen de Oude van dagen kwam, ‘het oordeel aan de heiligen der hoogste plaatsen gegeven werd.’ Daniël 7:22. In deze tijd regeren de rechtvaardigen als koningen en priesters voor God. Johannes zegt in de Openbaring: ‘En ik zag tronen, en zij zaten daarop; en het oordeel werd hun gegeven.’ ‘Zij zullen priesters van God en van Christus zijn, en zij zullen met Hem als koningen heersen duizend jaren.’ Openbaring 20:4, 6. Het is in deze tijd dat, zoals door Paulus voorzegd, ‘de heiligen de wereld zullen oordelen.’ 1 Korintiërs 6:2. In vereniging met Christus oordelen zij de goddelozen, terwijl zij hun daden vergelijken met het wetboek, de Bijbel, en elke zaak beslissen naar de werken die in het lichaam gedaan zijn. Vervolgens wordt het deel dat de goddelozen moeten lijden, naar hun werken toegemeten; en het wordt tegenover hun namen opgetekend in het boek des doods.
“Satan also and evil angels are judged by Christ and His people. Says Paul: ‘Know ye not that we shall judge angels?’ Verse 3. And Jude declares that ‘the angels which kept not their first estate, but left their own habitation, He hath reserved in everlasting chains under darkness unto the judgment of the great day.’ Jude 6.
„Ook Satan en de boze engelen worden geoordeeld door Christus en Zijn volk. Paulus zegt: ‘Weet gij niet dat wij engelen zullen oordelen?’ Vers 3. En Judas verklaart dat ‘de engelen die hun oorspronkelijke staat niet bewaard hebben, maar hun eigen woonstede verlaten hebben, Hij met eeuwige boeien onder de duisternis in bewaring heeft gehouden tot het oordeel van de grote dag.’ Judas 6.
“At the close of the thousand years the second resurrection will take place. Then the wicked will be raised from the dead and appear before God for the execution of ‘the judgment written.’ Thus the revelator, after describing the resurrection of the righteous, says: ‘The rest of the dead lived not again until the thousand years were finished.’ Revelation 20:5. And Isaiah declares, concerning the wicked: ‘They shall be gathered together, as prisoners are gathered in the pit, and shall be shut up in the prison, and after many days shall they be visited.’ Isaiah 24:22.” The Great Controversy, 660, 661.
„Aan het einde van de duizend jaar zal de tweede opstanding plaatsvinden. Dan zullen de goddelozen uit de doden worden opgewekt en voor God verschijnen voor de voltrekking van ‘het geschreven oordeel’. Zo zegt de openbaarder, nadat hij de opstanding van de rechtvaardigen heeft beschreven: ‘Maar de overigen der doden werden niet weder levend, totdat de duizend jaren geëindigd waren.’ Openbaring 20:5. En Jesaja verklaart aangaande de goddelozen: ‘En zij zullen verzameld worden, gelijk de gevangenen verzameld worden in de kuil, en zij zullen opgesloten worden in de gevangenis, en na vele dagen zullen zij bezocht worden.’ Jesaja 24:22.” The Great Controversy, 660, 661.
It is therefore clear that “the angering of the nations” refers to the “troublous times” that comes upon the world before probation closes, and that when “the nations are angered,” they are simultaneously “held in check.”
Het is derhalve duidelijk dat „het toornen van de volken” betrekking heeft op de „benauwde tijden” die over de wereld komen voordat de genadetijd wordt gesloten, en dat, wanneer „de volken toornen”, zij gelijktijdig „in bedwang worden gehouden”.
“I saw that the anger of the nations, the wrath of God, and the time to judge the dead were separate and distinct, one following the other.” Early Writings, 36.
„Ik zag dat de toorn van de volken, de gramschap van God en de tijd om de doden te oordelen afzonderlijk en duidelijk onderscheiden waren, en dat het ene op het andere volgde.” Early Writings, 36.
At the time when the “nations are angered,” the latter rain begins to fall.
Op het tijdstip waarop de „volken toornig zijn”, begint de late regen te vallen.
“At that time, while the work of salvation is closing, trouble will be coming on the earth, and the nations will be angry, yet held in check so as not to prevent the work of the third angel. At that time the ‘latter rain,’ or refreshing from the presence of the Lord, will come, to give power to the loud voice of the third angel, and prepare the saints to stand in the period when the seven last plagues shall be poured out.” Early Writings, 85.
“In die tijd, terwijl het verlossingswerk ten einde loopt, zal benauwdheid over de aarde komen, en de volken zullen toornig zijn, maar in bedwang gehouden worden, opdat zij het werk van de derde engel niet verhinderen. In die tijd zal de ‘late regen’, of verkwikking van het aangezicht des Heeren, komen om kracht te geven aan de luide roep van de derde engel en de heiligen voor te bereiden om staande te blijven in de periode waarin de zeven laatste plagen zullen worden uitgegoten.” Early Writings, 85.
There is a point when the “nations are angered,” but they are simultaneously “held in check.” Then it is that Christ sets up His kingdom of glory, for He sets up His kingdom during the time of the latter rain.
Er is een moment waarop de “volken toornig zijn”, maar tegelijkertijd “in toom worden gehouden”. Dan is het dat Christus Zijn koninkrijk der heerlijkheid opricht, want Hij richt Zijn koninkrijk op in de tijd van de late regen.
“The latter rain is coming on those that are pure—all then will receive it as formerly.
„De late regen komt op hen die rein zijn — allen zullen die dan ontvangen zoals voorheen.״
“When the four angels let go, Christ will set up His kingdom. None receive the latter rain but those who are doing all they can.” Spalding and Magan, 3.
„Wanneer de vier engelen loslaten, zal Christus Zijn koninkrijk oprichten. Niemand ontvangt de late regen dan zij die alles doen wat zij kunnen.” Spalding and Magan, 3.
The two previous passages from Early Writings identify that when the nations are angered, and simultaneously “held in check,” the four angels restrain the four winds. The angering of the nations is therefore represented as the “four winds”. She also noted that at the time the four angels hold the angry nations in check, the latter rain would arrive. The period of time that begins when the latter rain arrives, which is also when the nations are angered, yet held in check, continues until Michael stands up and human probation closes. That period of time is the period when salvation is closing, and therefore represents the last work of Christ in the Most Holy Place, which is identified as the period of time when He is either blotting out men’s sins or their names from the books of judgment. That time period, when the angels are holding the four winds, is the sealing time of the one hundred and forty-four thousand.
De twee voorgaande passages uit Early Writings maken duidelijk dat, wanneer de volken toornig worden en tegelijkertijd „in bedwang gehouden” worden, de vier engelen de vier winden tegenhouden. Het toornig worden van de volken wordt derhalve voorgesteld als de „vier winden”. Zij merkte ook op dat ten tijde dat de vier engelen de toornige volken in bedwang houden, de late regen zou komen. De tijdsperiode die begint wanneer de late regen komt, hetgeen ook het moment is waarop de volken toornig worden, en toch in bedwang gehouden worden, duurt voort totdat Michaël opstaat en de menselijke genadetijd wordt afgesloten. Die tijdsperiode is de periode waarin de zaligheid wordt afgesloten, en vertegenwoordigt daarom het laatste werk van Christus in het Allerheiligste, dat wordt aangeduid als de tijdsperiode waarin Hij óf de zonden van de mensen uitwist óf hun namen uit de boeken van het oordeel. Die tijdsperiode, wanneer de engelen de vier winden tegenhouden, is de verzegelingstijd van de honderdvierenveertigduizend.
Islam of the third Woe is the power which “angers the nations,” and the third Woe arrived on September 11, 2001, but Islam was immediately “held in check.” The “east wind” is a symbol of Islam, and Isaiah identifies the “east wind” as the “rough wind,” that God “stayeth” (restrains). The warfare of Islam is repeatedly portrayed as a woman in labor, for it is an escalating warfare that began on September 11, 2001, when the mighty angel of Revelation eighteen descended, as marked by the bringing down of the great buildings of New York City.
De islam van het derde Wee is de macht die „de volken toornig maakt”, en het derde Wee kwam op 11 september 2001, maar de islam werd onmiddellijk „in bedwang gehouden”. De „oostenwind” is een symbool van de islam, en Jesaja duidt de „oostenwind” aan als de „stormwind”, die God „tegenhoudt” (in toom houdt). De oorlogvoering van de islam wordt herhaaldelijk voorgesteld als een vrouw in barensnood, want het is een escalerende oorlogvoering die begon op 11 september 2001, toen de machtige engel van Openbaring achttien neerdaalde, gemarkeerd door het neerhalen van de grote gebouwen van New York City.
“Now comes the word that I have declared that New York is to be swept away by a tidal wave? This I have never said. I have said, as I looked at the great buildings going up there, story after story, ‘What terrible scenes will take place when the Lord shall arise to shake terribly the earth! Then the words of Revelation 18:1–3 will be fulfilled.’ The whole of the eighteenth chapter of Revelation is a warning of what is coming on the earth. But I have no light in particular in regard to what is coming on New York, only that I know that one day the great buildings there will be thrown down by the turning and overturning of God’s power. From the light given me, I know that destruction is in the world. One word from the Lord, one touch of his mighty power, and these massive structures will fall. Scenes will take place the fearfulness of which we cannot imagine.” Review and Herald, July 5, 1906.
„Waar komt het woord vandaan dat ik zou hebben verklaard dat New York door een vloedgolf zal worden weggevaagd? Dit heb ik nooit gezegd. Ik heb gezegd, toen ik daar de grote gebouwen, verdieping na verdieping, zag verrijzen: ‘Wat zullen er vreselijke taferelen plaatsvinden wanneer de Heere zal opstaan om de aarde geducht te doen sidderen! Dan zullen de woorden van Openbaring 18:1–3 vervuld worden.’ Het gehele achttiende hoofdstuk van Openbaring is een waarschuwing voor wat over de aarde komt. Maar ik heb geen bijzonder licht met betrekking tot wat over New York zal komen, alleen dat ik weet dat op een dag de grote gebouwen daar zullen worden neergehaald door het keren en omkeren van Gods macht. Uit het mij gegeven licht weet ik dat er verwoesting in de wereld is. Eén woord van de Heere, één aanraking van Zijn machtige kracht, en deze massieve bouwwerken zullen vallen. Er zullen taferelen plaatsvinden waarvan wij ons de vreselijkheid niet kunnen voorstellen.” Review and Herald, 5 juli 1906.
On the 1843 and 1850 charts Islam is represented as “war horses”. In Revelation chapter nine, where Islam of the first and second Woe is set forth, the character of Islam is identified by the name of Islam’s king.
Op de kaarten van 1843 en 1850 wordt de islam voorgesteld als „oorlogspaarden”. In Openbaring hoofdstuk negen, waar de islam van de eerste en tweede Wee wordt uiteengezet, wordt het karakter van de islam aangeduid door de naam van de koning van de islam.
And they had a king over them, which is the angel of the bottomless pit, whose name in the Hebrew tongue is Abaddon, but in the Greek tongue hath his name Apollyon. Revelation 9:11.
En zij hadden een koning over zich, namelijk de engel van de afgrond; zijn naam is in het Hebreeuws Abaddon, en in het Grieks heeft hij de naam Apollyon. Openbaring 9:11.
The verse, which is chapter NINE, and verse ELEVEN, prophetically identifies that whether represented in the Old Testament (the Hebrew) or in the New Testament (the Greek), the character of Islam is Abaddon or Apollyon. Both names mean “destruction and death”.
Het vers, namelijk hoofdstuk NEGEN, vers ELF, duidt profetisch aan dat, hetzij voorgesteld in het Oude Testament (het Hebreeuws) of in het Nieuwe Testament (het Grieks), het karakter van de islam Abaddon of Apollyon is. Beide namen betekenen „verderf en dood”.
“Angels are holding the four winds, represented as an angry horse seeking to break loose and rush over the face of the whole earth, bearing destruction and death in its path.” Manuscript Releases, volume 20, 217.
„Engelen houden de vier winden tegen, voorgesteld als een woedend paard dat tracht los te breken en over het oppervlak van de gehele aarde te stormen, terwijl het verwoesting en dood op zijn weg meedraagt.” Manuscript Releases, deel 20, 217.
The four winds are the angry horse of Bible prophecy, that is seeking to break loose. One of the prophetic characteristics of the angry horse is that it is restrained, but it is seeking to break loose and bring “destruction and death”, upon the whole earth.
De vier winden zijn het woedende paard van de Bijbelse profetie, dat tracht los te breken. Een van de profetische kenmerken van het woedende paard is dat het in bedwang wordt gehouden, maar tracht los te breken en „vernietiging en dood” over de gehele aarde te brengen.
We will continue to address these subjects in the next article.
Wij zullen deze onderwerpen in het volgende artikel verder behandelen.
“O that God’s people had a sense of the impending destruction of thousands of cities, now almost given to idolatry! But many of those who should be proclaiming the truth are accusing and condemning their brethren. When the converting power of God comes upon minds, there will be a decided change. Men will have no inclination to criticize and tear down. They will not stand in a position that hinders the light from shining to the world. Their criticism, their accusing, will cease. The powers of the enemy are mustering for battle. Stern conflicts are before us. Press together, my brethren and sisters, press together. Bind up with Christ. ‘Say ye not, A confederacy, . . . neither fear ye their fear, nor be afraid. Sanctify the Lord of hosts himself; and let him be your fear, and let him be your dread. And he shall be for a sanctuary; but for a stone of stumbling and for a rock of offense to both the houses of Israel, for a gin and for a snare to the inhabitants of Jerusalem. And many among them shall stumble, and fall, and be broken, and be snared, and be taken.’
„O, hadden Gods volk toch besef van de dreigende verwoesting van duizenden steden, die nu bijna aan afgoderij zijn overgegeven! Maar velen van hen die de waarheid zouden moeten verkondigen, beschuldigen en veroordelen hun broeders. Wanneer de bekerende kracht van God op de gedachten inwerkt, zal er een besliste verandering komen. Mensen zullen geen neiging hebben om kritiek te oefenen en af te breken. Zij zullen geen positie innemen die verhindert dat het licht tot de wereld schijnt. Hun kritiek, hun beschuldigingen, zullen ophouden. De machten van de vijand verzamelen zich ten strijde. Strenge conflicten liggen voor ons. Sluit u aaneen, mijn broeders en zusters, sluit u aaneen. Verbind u met Christus. ‘Gij zult niet zeggen: Een verbond,... en vreest hun vreze niet, en verschrikt niet. Den HEERE der heirscharen, Hém zult gij heiligen; en Hij zij uw Vreze, en Hij zij uw Verschrikking. Dan zal Hij u tot een heiligdom zijn; maar tot een steen des aanstoots en tot een rots der ergernis voor de beide huizen van Israël, tot een strik en tot een net den inwoners van Jeruzalem. En velen onder hen zullen struikelen, en vallen, en verbroken worden, en verstrikt worden, en gevangen worden.’
“The world is a theater. The actors, its inhabitants, are preparing to act their part in the last great drama. God is lost sight of. With the great masses of mankind there is no unity, except as men confederate to accomplish their selfish purposes. God is looking on. His purposes in regard to his rebellious subjects will be fulfilled. The world has not been given into the hands of men, though God is permitting the elements of confusion and disorder to bear sway for a season. A power from beneath is working to bring about the last great scenes in the drama,—Satan coming as Christ, and working with all deceivableness of unrighteousness in those who are binding themselves together in secret societies. Those who are yielding to the passion for confederation are working out the plans of the enemy. The cause will be followed by the effect.
„De wereld is een schouwtoneel. De spelers, haar bewoners, bereiden zich voor om hun rol te vervullen in het laatste grote drama. God wordt uit het oog verloren. Onder de grote massa’s van de mensheid bestaat geen eenheid, behalve wanneer mensen zich aaneensluiten om hun zelfzuchtige doeleinden te verwezenlijken. God ziet toe. Zijn voornemens met betrekking tot Zijn opstandige onderdanen zullen worden vervuld. De wereld is niet in de handen van mensen gegeven, hoewel God voor een tijd toelaat dat de elementen van verwarring en wanorde de overhand hebben. Een macht van beneden is werkzaam om de laatste grote taferelen in het drama tot stand te brengen,—Satan die verschijnt als Christus en werkt met allerlei verleiding der ongerechtigheid in hen die zich in geheime genootschappen aan elkander verbinden. Zij die toegeven aan de hartstocht tot verbondsvorming, voeren de plannen van de vijand uit. De oorzaak zal door het gevolg worden gevolgd.
“Transgression has almost reached its limit. Confusion fills the world, and a great terror is soon to come upon human beings. The end is very near. We who know the truth should be preparing for what is soon to break upon the world as an overwhelming surprise.” Review and Herald, September 10, 1903.
„De overtreding heeft haar grens bijna bereikt. Verwarring vervult de wereld, en een grote verschrikking staat op het punt weldra over de mensen te komen. Het einde is zeer nabij. Wij die de waarheid kennen, behoren ons voor te bereiden op wat weldra als een allesoverweldigende verrassing over de wereld zal losbarsten.” Review and Herald, 10 september 1903.