Ezechiël hoofdstuk acht is een van de gemakkelijkste profetische hoofdstukken in de Schriften. Het hoofdstuk heeft een duidelijk beginpunt.

En het geschiedde in het zesde jaar, in de zesde maand, op de vijfde dag van de maand, terwijl ik in mijn huis zat en de oudsten van Juda vóór mij zaten, dat daar de hand van de Here God op mij viel. Ezechiël 8:1.

Het visioen heeft een duidelijk einde in hoofdstuk elf.

Daarna hief de Geest mij op en bracht mij in een gezicht door de Geest van God naar Chaldea, tot hen die in gevangenschap waren. Toen week het gezicht dat ik gezien had van mij. Vervolgens sprak ik tot hen die in gevangenschap waren al de dingen die de HEERE mij had getoond. Ezechiël 11:24, 25.

Het visioen van hoofdstuk acht begint op de vijfde dag van de zesde maand van het zesde jaar, slechts één dag voordat de datum overeenkomt met „666”, en inderdaad gaat het visioen over de zondagwet, die het merkteken van het beest is, waarvan het getal het getal is van de „mens der zonde”, en tevens het getal van het achtste koninkrijk dat uit de zeven is. Degenen die de overwinning behalen over het getal „666”, ontvangen het zegel van God, en in hoofdstuk negen wordt het zegel van God aangebracht op Gods getrouwe volk van de laatste dagen.

En ik zag een ander teken in de hemel, groot en wonderbaarlijk: zeven engelen, die de zeven laatste plagen hadden; want daarin wordt de toorn van God voleindigd. En ik zag als het ware een glazen zee, met vuur vermengd; en hen die de overwinning hadden behaald over het beest, en over zijn beeld, en over zijn merkteken, en over het getal van zijn naam, zag ik staan aan de glazen zee, met de harpen Gods. En zij zingen het lied van Mozes, de dienstknecht Gods, en het lied van het Lam, zeggende: Groot en wonderbaarlijk zijn Uw werken, Heere God Almachtig; rechtvaardig en waarachtig zijn Uw wegen, Gij Koning der heiligen. Openbaring 15:1–3.

Vlak vóór het einde van de genadetijd (want de zeven engelen met de zeven laatste plagen zullen in het volgende hoofdstuk van Openbaring Gods toorn uitgieten), worden Gods eindtijdvolk geïdentificeerd. Zij hebben de overwinning behaald over vier dingen. Het woord dat met overwinning is vertaald, betekent overwinnen. De getrouwen hebben het beest, het beeld van het beest, het merkteken van het beest en het getal van zijn naam overwonnen. De overwinning houdt ook in dat zij begrijpen wat de vier symbolen voorstellen. Slechts een zeer klein percentage van de mensen weet wat die vier profetische symbolen daadwerkelijk voorstellen.

De wereld wist vroeger dat het pausdom de hoer van Babylon was in hoofdstuk zeventien, maar zoals Gods Woord heeft aangeduid, is het begrip van de hoer van Tyrus, die hoererij bedrijft met de koningen der aarde, gedurende de geschiedenis van de Verenigde Staten vergeten geraakt. De overwinning op het beest behalen betekent het woord der waarheid recht snijden door vast te stellen dat het beest van de Bijbelse profetie het pausdom is. In het onmiddellijk daaropvolgende hoofdstuk voeren de draak, het beest en de valse profeet de wereld naar Armageddon, en Gods getrouwen van de laatste dagen moeten weten wie die drie machten zijn.

En de zesde engel goot zijn schaal uit op de grote rivier de Eufraat; en haar water droogde op, opdat de weg bereid zou worden voor de koningen uit het oosten. En ik zag drie onreine geesten, aan kikvorsen gelijk, uit de mond van de draak komen, en uit de mond van het beest, en uit de mond van de valse profeet. Want zij zijn geesten van duivelen, die tekenen doen, en die uitgaan tot de koningen der aarde en der gehele wereld, om hen te vergaderen tot de strijd van die grote dag van God, de Almachtige. Zie, Ik kom als een dief. Zalig is hij die waakt en zijn klederen bewaart, opdat hij niet naakt wandele en men zijn schaamte zie. En hij vergaderde hen op de plaats die in het Hebreeuws Armageddon genoemd wordt. Openbaring 16:12–16.

De overwinning op het beest is de overwinning van het juiste inzicht in wie het beest is. Het zojuist aangehaalde gedeelte spreekt een zegen uit over hen die waken en hun klederen bewaren, en toch is tegen de zesde plaag de genadetijd voor alle mensen volledig afgesloten. Wanneer Michaël opstaat, sluit de menselijke genadetijd, en vervolgens worden de zeven laatste plagen uitgestort. Er is geen mogelijkheid om van klederen te veranderen na het sluiten van de genadetijd, en toch is er een waarschuwing die met de zesde plaag verbonden is. Die waarschuwing heeft te maken met het juiste begrip van het beest vóór het sluiten van de genadetijd, en als u dat begrip niet hebt, zult u het kleed van Christus’ gerechtigheid verliezen vóór het sluiten van de genadetijd.

“Zij die in verwarring raken in hun begrip van het woord, die nalaten de betekenis van antichrist te zien, zullen zich zeker aan de zijde van de antichrist plaatsen. Er is nu voor ons geen tijd om ons met de wereld te vereenzelvigen. Daniël staat in zijn lot en op zijn plaats. De profetieën van Daniël en van Johannes moeten worden verstaan. Zij verklaren elkaar. Zij geven aan de wereld waarheden die iedereen zou moeten begrijpen. Deze profetieën moeten in de wereld tot getuigenis zijn. Door hun vervulling in deze laatste dagen zullen zij zichzelf verklaren.” Kress Collection, 105.

Als iemand niet begrijpt dat de antichrist het pausdom is, zal hij uiteindelijk aan de zijde van het pausdom terechtkomen, of, zoals Johannes schreef, naakt wandelen en zijn schaamte openbaren. De overwinning over het beest te behalen, betekent te begrijpen dat het beest de pauselijke macht is, en alles wat van de pauselijke macht geopenbaard is. Zij die de overwinning behalen en begrijpen dat het pausdom de mens der zonde is, zullen moeten begrijpen dat het beeld van het pausdom het beginsel vertegenwoordigt van de vereniging van kerk en staat, waarbij de kerk de verhouding beheerst.

In het boek Daniël wordt de structuur van het beest, dat de combinatie van kerk en staat is, voorgesteld als de overtreding der verwoesting. Overtreding is zonde, en de zonde die het pauselijke beest vormt, is wanneer koningen hun macht overgeven aan het pauselijke gezag. Door dit te doen bedrijven zij geestelijke hoererij, wat Daniëls overtreding der verwoesting is, en Johannes’ beeld van het beest.

De overwinning op het pauselijke beeld te behalen, betekent door Gods Woord te verstaan dat de Verenigde Staten eerst deze betrekking aangaan en die bij de spoedig komende zondagwet bekrachtigen, en vervolgens de gehele wereld dwingen dezelfde betrekking te aanvaarden.

De verhouding tussen kerk en staat die door de Verenigde Staten aan de aarde zal worden opgelegd, bestaat hierin dat de ene wereldregering (de Verenigde Naties) in een verbond treedt met het pausdom als de controlerende macht binnen deze regeling. De overwinning behalen over het beeld van het beest betekent te verstaan, door Gods profetisch Woord, dat het beeld van het beest juist deze dingen vertegenwoordigt.

De overwinning behalen over het beest en over het beeld van het beest omvat ook het verkrijgen van inzicht in het merkteken van gezag van het beest (het pausdom).

Het merkteken van het beest is de afgedwongen viering van de zondag als Gods sabbat. Om de overwinning op het merkteken te behalen, is het noodzakelijk te begrijpen dat de zondagsverering de verering van de zon is, en dat zij niets minder is dan heidense Baälverering. Tot die overwinning behoort de waarheid dat niemand het merkteken van het beest ontvangt voordat het de mensen wordt opgelegd.

“Maar christenen van vroegere generaties hielden de zondag, in de veronderstelling dat zij daarmee de Bijbelse sabbat onderhielden; en ook nu zijn er ware christenen in elke kerk, de Rooms-Katholieke gemeenschap niet uitgezonderd, die oprecht geloven dat de zondag de door God ingestelde sabbat is. God aanvaardt hun oprechtheid van voornemen en hun integriteit voor Zijn aangezicht. Maar wanneer de zondagsviering wettelijk zal worden afgedwongen, en de wereld zal worden verlicht aangaande de verplichting van de ware sabbat, dan zal ieder die het gebod van God overtreedt om een voorschrift te gehoorzamen dat geen hogere autoriteit heeft dan die van Rome, daardoor het pausdom boven God eren. Hij betoont hulde aan Rome en aan de macht die de door Rome verordende instelling afdwingt. Hij aanbidt het beest en zijn beeld. Wanneer de mensen dan de instelling verwerpen die God heeft verklaard tot het teken van Zijn gezag, en in haar plaats datgene eren wat Rome heeft gekozen als het kenteken van haar opperheerschappij, zullen zij daardoor het teken van trouw aan Rome aanvaarden—‘het merkteken van het beest.’ En pas wanneer de kwestie aldus duidelijk aan het volk is voorgelegd, en het ertoe is gebracht te kiezen tussen de geboden van God en de geboden van mensen, zullen zij die in overtreding volharden ‘het merkteken van het beest’ ontvangen.” The Great Controversy, 449.

Zij die de overwinning behalen over het beest, het beeld van het beest en het merkteken van het beest, moeten ook de overwinning behalen over het getal van zijn naam. In die periode van de geschiedenis waarin de hoer van Tyrus niet vergeten was, wist de protestantse wereld dat het pausdom de antichrist was. Zij wisten dat Paulus het pausdom had aangeduid als „die goddeloze”, „de mens der zonde”, „het geheimenis der ongerechtigheid” en „de zoon des verderfs; die zich verzet en zich verheft boven al wat God genaamd of als God vereerd wordt, zodat hij als God in de tempel Gods zit en van zichzelf vertoont dat hij God is.” Maar nu is de grote hoer van Tyrus vergeten.

In vroegere tijden waren er verschillende toepassingen van isopsefie, of gematria, die aantoonden dat het getal „666” symbolisch het pausdom vertegenwoordigde. Een klassiek voorbeeld hiervan is dat op de mijter van de paus de woorden Vicarius Filii Dei geschreven staan. Vicarius Filii Dei, wat „Plaatsvervanger van de Zoon van God” betekent, en derhalve betrekking heeft op zijn aanspraak gezeten te zijn in Gods tempel en te beweren God te zijn. De Latijnse letters van Vicarius Filii Dei komen overeen met het getal zeshonderd zesenzestig.

Het beest, dat de pauselijke macht is, wordt geïdentificeerd door zijn getal, en zijn getal is „666”; maar de mens der zonde ontving in 1798 een dodelijke wond en is in vergetelheid geraakt. In de laatste dagen zal de dodelijke wond genezen worden, en de genezing van de dodelijke wond wijst erop dat de Verenigde Staten eerst in hun eigen natie een beeld voor het beest vormen en vervolgens de wereld dwingen hetzelfde te doen.

Het wereldbeeld van het beest is zowel tweeledig als drieledig. Het is profetisch tweeledig, want het bestaat uit een combinatie van kerk en staat, maar het is drieledig in die zin dat het bestaat uit de draak, het beest en de valse profeet. Wanneer de drievoudige unie van juist die machten die de wereld naar Armageddon zullen voeren, tot stand is gebracht, zullen zij het beest zijn dat het achtste koninkrijk is dat uit de zeven is, en het zal tevens de drievoudige unie van het zesde koninkrijk zijn. Het getal van de naam van het beest in de laatste dagen is opnieuw „666”, want het vertegenwoordigt drie koninkrijken die elk deel uitmaken van het zesde koninkrijk.

Overwinning te behalen over het beest, zijn beeld, zijn merkteken en het getal van zijn naam, is het raadsel te begrijpen dat „de achtste uit de zeven is”, hetgeen het geheim van Daniël twee is, dat Daniël bad te mogen verstaan. Het is een onderdeel van de Openbaring van Jezus Christus dat juist vóór het sluiten van de genadetijd wordt ontzegeld, want zoals Johannes zei: de „tijd is nabij.” Om deze reden worden degenen die die overwinning behalen voorgesteld als zijnde met de engelen die de plagen uitgieten, want zij behalen de overwinning, of het noodzakelijke profetische inzicht, juist vóór het sluiten van de genadetijd.

Zij die begrijpen dat de Openbaring van Jezus Christus vlak vóór het sluiten van de genadetijd wordt ontsloten, en dat het getal „666” een element van dat visioen is, zullen niet ontgaan dat het visioen van Ezechiël, hoofdstuk acht, begint op de vijfde dag (dat is de dag vóór de zesde dag), in de zesde maand van het zesde jaar. Tegen het einde van hoofdstuk acht buigen vijfentwintig mannen zich neer voor de zon, en hoofdstuk negen duidt hen aan die het zegel van God ontvangen.

De context van het visioen is het merkteken van het beest en het zegel van God, en het visioen wordt ontsloten vlak voordat de genadetijd sluit bij de zondagwet, zoals voorgesteld door het getal „666”. Maar het sluiten van de genadetijd, dat wordt aangeduid als plaatsvindend bij de zondagwet in de Verenigde Staten, is niet het sluiten van de menselijke genadetijd; het is het sluiten van de genadetijd uitsluitend voor Zevende-dags Adventisten.

Het visioen wordt voorgesteld als plaatsvindend binnen Jeruzalem, dat een symbool is van de Kerk van de Zevende-dags Adventisten. Bij de zondagswet in de Verenigde Staten zijn de Zevende-dags Adventisten de enige groep die daar en dan verantwoordelijk wordt gehouden voor het licht betreffende de sabbat.

„Indien het licht der waarheid u is voorgehouden, waarbij de sabbat van het vierde gebod is geopenbaard en is aangetoond dat er in het Woord van God geen grondslag bestaat voor de zondagsviering, en u toch blijft vasthouden aan de valse sabbat en weigert de sabbat te heiligen die God ‘mijn heilige dag’ noemt, dan ontvangt u het merkteken van het beest. Wanneer vindt dit plaats?—Wanneer u gehoorzaamt aan het decreet dat u gebiedt op zondag van arbeid af te zien en God te aanbidden, terwijl u weet dat er in de Bijbel geen woord staat waaruit blijkt dat zondag iets anders is dan een gewone werkdag, stemt u erin toe het merkteken van het beest te ontvangen en weigert u het zegel van God. Indien wij dit merkteken op ons voorhoofd of in onze hand ontvangen, dan moeten de oordelen die over de ongehoorzamen zijn uitgesproken, op ons neerkomen. Maar het zegel van de levende God wordt geplaatst op hen die gewetensvol de sabbat des Heeren onderhouden.” Review and Herald, 27 april 1911.

Het visioen van Ezechiël hoofdstuk acht tot en met hoofdstuk elf beschrijft de geschiedenis die leidt tot het einde van de genadetijd voor Jeruzalem. Het wordt voorgesteld als plaatsvindend slechts één dag voordat het getal „666” verschijnt, en hoofdstuk acht duidt op een escalerende opstand binnen Jeruzalem die haar hoogtepunt bereikt wanneer de vooraanstaande mannen zich neerbuigen voor de zon en aldus het merkteken van het beest ontvangen.

Hoofdstuk negen stelt een engel voor die door Jeruzalem heen gaat (en aldus een voortschrijdende ontwikkeling aanduidt), en een zegel aanbrengt op één groep vóór de verderfengelen, die daarna allen doden die het zegel niet hebben. Beide hoofdstukken stellen een voortschrijdende geschiedenis voor die leidt tot de zondagswet, waarin de ene groep zich neerbuigt voor de zon en de andere het zegel van God ontvangt. De goddelozen worden vervolgens uit Jeruzalem verwijderd, want de zondagswet scheidt de goddelozen en de wijzen.

De verzegeling die in Ezechiël hoofdstuk negen wordt uitgebeeld, is dezelfde verzegeling die in Openbaring hoofdstuk zeven wordt uitgebeeld.

„Indien zulke tonelen als deze nog moeten komen, zulke ontzagwekkende oordelen over een schuldige wereld, waar zal dan de toevlucht voor Gods volk zijn? Hoe zullen zij beschut worden totdat de gramschap is voorbijgegaan? Johannes ziet de elementen van de natuur—aardbeving, storm en politieke strijd—voorgesteld als vastgehouden door vier engelen. Deze winden staan onder beheersing totdat God het woord geeft om ze los te laten. Daarin ligt de veiligheid van Gods kerk. De engelen van God volbrengen Zijn bevel, terwijl zij de winden van de aarde tegenhouden, opdat de winden niet zouden waaien over de aarde, noch over de zee, noch over enige boom, totdat de dienstknechten van God verzegeld zouden zijn aan hun voorhoofden. De machtige engel wordt gezien opkomend uit het oosten (of de opgang der zon). Deze machtigste der engelen heeft in zijn hand het zegel van de levende God, of van Hem die alleen leven kan geven, die op de voorhoofden het merkteken of opschrift kan aanbrengen, aan wie onsterfelijkheid, eeuwig leven, zal worden verleend. Het is de stem van deze hoogste engel die het gezag had de vier engelen te bevelen de vier winden in bedwang te houden totdat dit werk was volbracht, en totdat hij het bevel zou geven om ze los te laten.

“Zij die de wereld, het vlees en de duivel overwinnen, zullen de bevoorrechten zijn die het zegel van de levende God zullen ontvangen. Zij wier handen niet rein zijn, wier harten niet zuiver zijn, zullen het zegel van de levende God niet hebben. Zij die zonde beramen en haar bedrijven, zullen worden voorbijgegaan. Alleen zij die, in hun houding voor God, de plaats innemen van hen die berouw hebben en hun zonden belijden op de grote antitypische Verzoendag, zullen worden erkend en gemerkt als waardig aan Gods bescherming. De namen van hen die standvastig uitzien, wachten en waken op de verschijning van hun Heiland—ernstiger en begeriger dan zij die op de morgen wachten—zullen worden gerekend onder hen die verzegeld zijn. Zij die, terwijl al het licht van de waarheid op hun zielen straalt, werken zouden moeten hebben die beantwoorden aan hun beleden geloof, maar zich door de zonde laten verlokken, afgoden in hun hart oprichten, hun zielen voor God verderven en hen verontreinigen die zich met hen in de zonde verenigen, van hen zullen de namen uitgewist worden uit het boek des levens, en zij zullen worden overgelaten in middernachtelijke duisternis, zonder olie in hun vaten met hun lampen. ‘Maar voor u die Mijn naam vreest, zal de Zon der Gerechtigheid opgaan, en er zal genezing zijn onder Zijn vleugelen.’”

‘Deze verzegeling van de dienstknechten van God is dezelfde die in een visioen aan Ezechiël werd getoond. Ook Johannes was getuige geweest van deze hoogst ontstellende openbaring. Hij zag de zee en de golven bruisen, en de mensen bezwijken van angst. Hij aanschouwde hoe de aarde werd bewogen en de bergen in het midden van de zee werden geworpen (wat letterlijk plaatsvindt), terwijl haar wateren bruisden en onstuimig waren, en de bergen beefden door haar gezwel. Hem werden plagen, pestilentie, hongersnood en dood getoond, terwijl zij hun verschrikkelijke opdracht vervulden.’ Testimonies to Ministers, 445.

De verzegeling van de honderd vierenveertigduizend in Openbaring hoofdstuk zeven wordt ook voorgesteld in hoofdstuk negen van Ezechiël, en de verzegelende engel is de machtigste engel, die opgaat uit het oosten. Degenen die verloren gaan, wier namen uit het boek des levens worden uitgewist, worden voorgesteld als hebbende „geen olie in hun vaten met hun lampen”. De twee klassen in het gezicht van Ezechiël hoofdstuk acht tot en met elf zijn de wijze en dwaze maagden van Mattheüs vijfentwintig, en zij zijn daarom Adventisten.

„De gelijkenis van de tien maagden in Mattheüs 25 beeldt eveneens de ervaring van het adventvolk uit.” The Great Controversy, 393.

Zuster White identificeert het Jeruzalem van Ezechiëls visioen uitdrukkelijk als het adventisme:

„Het ware volk van God, dat de geest van het werk des Heren en van de redding van zielen ter harte gaat, zal de zonde steeds bezien in haar werkelijke, zondige karakter. Zij zullen zich altijd scharen aan de zijde van trouwe en openhartige behandeling van de zonden die het volk van God zo lichtelijk omringen. Vooral in het afsluitende werk voor de gemeente, in de verzegelingstijd van de honderd vierenveertigduizend die zonder smet voor de troon van God zullen staan, zullen zij het onrecht van Gods belijdend volk het diepst gevoelen. Dit wordt krachtig voorgesteld door de illustratie van de profeet van het laatste werk onder het beeld van de mannen, die ieder een verderfwapen in zijn hand had. Eén man onder hen was met linnen bekleed, met een schrijversinktkoker aan zijn zijde. ‘En de Heere zei tot hem: Ga door het midden der stad, door het midden van Jeruzalem, en zet een teken op de voorhoofden van de mannen die zuchten en kermen over al de gruwelen die in haar midden bedreven worden.’” Testimonies, deel 3, 266.

Het visioen van Ezechiël hoofdstukken acht tot en met elf richt zich rechtstreeks tot de geschiedenis van het adventisme in de aanloop naar en ten tijde van de zondagswet. Het identificeert de twee klassen van aanbidders die zich binnen Jeruzalem (het adventisme) bevinden, en is profetisch verbonden met de Openbaring van Jezus Christus, die kort vóór het sluiten van de genadetijd wordt ontzegeld, want de eerste verwijzing ervan stelt in profetische symboliek het getal „666” voor. Daarbij identificeert het één van de vier dingen waarover de wijzen in de laatste dagen de overwinning moeten behalen, en deze vier dingen maken deel uit van het licht van de achtste die „uit de zeven” is. Openbaring vijftien maakt tevens duidelijk dat zij die de overwinning behalen over de vier symbolische aspecten van het pausdom, het lied van Mozes en van het Lam zingen.

Te dien dage, zo zegt Jesaja in hoofdstuk zevenentwintig, zullen de rechtvaardigen van de laatste dagen het lied van de wijngaard zingen, een lied dat het Lam zong toen Hij onder de mensen wandelde en dat een uitverkoren volk aanwijst dat wordt voorbijgegaan terwijl een nieuw uitverkoren volk wordt geselecteerd. Dat lied wordt gezongen door „de wijzen” van de laatste dagen tijdens de verzegeling van Ezechiël negen en Openbaring zeven. Ezechiëls visioen in de hoofdstukken acht tot en met elf maakt deel uit van juist dat lied.

Wij zullen deze studie in het volgende artikel voortzetten.

„Het ware volk van God, dat de geest van het werk des Heeren en het heil der zielen ter harte neemt, zal de zonde steeds beschouwen in haar werkelijke, zondige karakter. Het zal altijd de zijde kiezen van een getrouwe en onomwonden behandeling van de zonden die het volk van God zo lichtelijk omringen. Vooral in het afsluitende werk voor de gemeente, in de verzegelingstijd van de honderd vierenveertigduizend die zonder smet voor de troon van God zullen staan, zullen zij het onrecht van Gods belijdende volk het diepst gevoelen. Dit wordt krachtig voorgesteld door de illustratie van de profeet van het laatste werk onder het beeld van de mannen die ieder een verderfwapen in zijn hand hebben. Eén man onder hen was bekleed met linnen, met een schrijversinktpot aan zijn zijde. ‘En de HEERE zeide tot hem: Ga door het midden der stad, door het midden van Jeruzalem, en teken een merk op de voorhoofden der mannen die zuchten en uitroepen over al de gruwelen die in haar midden gedaan worden.’”

‘Wie staan er in deze tijd in de raad Gods? Zijn het degenen die in feite het kwaad onder het belijdende volk van God verontschuldigen en in hun hart, zo niet openlijk, morren tegen hen die de zonde zouden bestraffen? Zijn het degenen die stelling tegen hen nemen en meevoelen met hen die onrecht bedrijven? Nee, waarlijk niet! Tenzij zij zich bekeren en afzien van het werk van Satan door hen te onderdrukken die de last van het werk dragen en door de handen van zondaars in Sion te sterken, zullen zij nimmer het merkteken van Gods verzegelende goedkeuring ontvangen. Zij zullen vallen in de algemene ondergang van de goddelozen, voorgesteld door het werk van de vijf mannen die verderfwapens dragen. Merk dit punt zorgvuldig op: Degenen die het zuivere merkteken der waarheid ontvangen, in hen gewerkt door de kracht van de Heilige Geest, voorgesteld door een teken van de man in linnen, zijn zij ‘die zuchten en die kermen over al de gruwelen die in de kerk bedreven worden’. Hun liefde voor reinheid en voor de eer en heerlijkheid van God is zodanig, en zij hebben zulk een helder inzicht in de buitengewone zondigheid van de zonde, dat zij worden voorgesteld als verkerend in doodsangst, ja, zuchtend en kermend. Lees het negende hoofdstuk van Ezechiël.’

“Maar de algemene slachting van allen die aldus het grote contrast tussen zonde en gerechtigheid niet zien, en niet voelen zoals zij die in de raad Gods staan en het merkteken ontvangen, wordt beschreven in het bevel aan de vijf mannen met slachtwapenen: ‘Gaat achter hem aan door de stad, en slaat toe; laat uw oog niet sparen en hebt geen medelijden: doodt volkomen ouden en jongen, zowel maagden als kleine kinderen en vrouwen; maar nadert niemand op wie het merkteken is; en begint bij Mijn heiligdom.’ Testimonies, deel 3, 266, 267.”