When the Lord entered into covenant with ancient Israel, He provided two tables as the foundation and symbol of the covenant relationship. The two tables also identified the responsibility of ancient Israel to present a living testimony of the two tables to the world. When the Lord entered into covenant with modern Israel, He provided two tables as the foundation and symbol of the covenant relationship. The two tables also identified their responsibility to present a living testimony of all four tables to the world.

Toen de Heer met het oude Israël een verbond aanging, gaf Hij twee tafelen als grondslag en symbool van de verbondsrelatie. De twee tafelen wezen ook op de verantwoordelijkheid van het oude Israël om aan de wereld een levend getuigenis van de twee tafelen te geven. Toen de Heer met het moderne Israël een verbond aanging, gaf Hij twee tafelen als grondslag en symbool van de verbondsrelatie. De twee tafelen wezen ook op hun verantwoordelijkheid om aan de wereld een levend getuigenis van alle vier de tafelen te geven.

The two tables were given to literal ancient Israel just after God delivered them out of the literal slavery of Egyptian bondage, and brought them through the disappointment of the Red Sea crossing. The period of time that literal ancient Israel was in bondage had been specifically identified in prophecy as four hundred and thirty years, and while in bondage literal ancient Israel forgot, and ceased to observe, the seventh-day Sabbath.

De twee tafelen werden aan het letterlijke oude Israël gegeven, onmiddellijk nadat God hen uit de letterlijke slavernij van de Egyptische knechtschap had verlost en hen door de teleurstelling van de doortocht door de Rode Zee had geleid. De tijdsperiode waarin het letterlijke oude Israël in knechtschap verkeerde, was in de profetie uitdrukkelijk aangeduid als vierhonderddertig jaar, en gedurende die knechtschap vergat het letterlijke oude Israël de sabbat van de zevende dag en hield die niet langer in acht.

The two tables were given to spiritual modern Israel just after God delivered them out of the spiritual slavery of Catholic bondage, and brought them through the great disappointment of 1844. The period of time that spiritual modern Israel was in bondage had been specifically identified in prophecy as twelve hundred and sixty years, and while in bondage spiritual modern Israel forgot, and ceased to observe, the seventh-day Sabbath.

De twee tafelen werden aan het geestelijke moderne Israël gegeven kort nadat God hen uit de geestelijke slavernij van de katholieke knechtschap had bevrijd en hen door de grote teleurstelling van 1844 had geleid. De tijdsperiode waarin het geestelijke moderne Israël in slavernij verkeerde, was in de profetie uitdrukkelijk aangeduid als twaalfhonderdzestig jaren, en terwijl het in slavernij verkeerde, vergat het geestelijke moderne Israël de sabbat van de zevende dag en hield op die te onderhouden.

In the very history when God provided the two tables to Moses to take to ancient Israel, his brother Aaron was making a golden image of a calf. The two tables of the Ten Commandments identify that God is a jealous God, and His jealousy is especially manifested against idolatry, and as Moses descended the mount, ancient Israel was dancing naked around a golden image that had been produced by the one who had been chosen as God’s spokesman.

Juist in de geschiedenis waarin God de twee tafelen aan Mozes gaf om naar het oude Israël te brengen, was zijn broer Aäron een gouden beeld van een kalf aan het maken. De twee tafelen van de Tien Geboden maken duidelijk dat God een na-ijverig God is, en Zijn na-ijver wordt in het bijzonder geopenbaard tegen afgoderij; en terwijl Mozes van de berg afdaalde, danste het oude Israël naakt rondom een gouden beeld dat vervaardigd was door degene die was uitgekozen als Gods woordvoerder.

And Moses told Aaron all the words of the Lord who had sent him, and all the signs which he had commanded him. And Moses and Aaron went and gathered together all the elders of the children of Israel: And Aaron spake all the words which the Lord had spoken unto Moses, and did the signs in the sight of the people. Exodus 4:28–30.

En Mozes vertelde Aäron al de woorden des Heren die hem gezonden had, en al de tekenen die Hij hem bevolen had. Toen gingen Mozes en Aäron heen en verzamelden al de oudsten der kinderen Israëls. En Aäron sprak al de woorden die de Here tot Mozes gesproken had, en deed de tekenen voor de ogen van het volk. Exodus 4:28–30.

The brother of the prophet who led ancient Israel during the covenant history when the two covenant tables were provided was the leader in the rebellion of the image of jealousy. The husband of the prophetess who led modern Israel during the covenant history when the two covenant tables were provided was the leader in the rebellion of 1863, and 1863 marks the first generation of Adventism as being represented as an image of jealousy being placed at the entry of the gate of the altar.

De broer van de profeet die het oude Israël leidde tijdens de verbondsgeschiedenis toen de twee verbondstafelen werden gegeven, was de leider in de opstand van het beeld der ijverzucht. De echtgenoot van de profetes die het moderne Israël leidde tijdens de verbondsgeschiedenis toen de twee verbondstafelen werden gegeven, was de leider in de opstand van 1863, en 1863 markeert de eerste generatie van het adventisme als voorgesteld door een beeld der ijverzucht dat geplaatst wordt bij de ingang van de poort van het altaar.

Then said he unto me, Son of man, lift up thine eyes now the way toward the north. So I lifted up mine eyes the way toward the north, and behold northward at the gate of the altar this image of jealousy in the entry. Ezekiel 8:5.

Toen zei hij tot mij: Mensenkind, hef nu uw ogen op in de richting van het noorden. Zo hief ik mijn ogen op in de richting van het noorden, en zie, ten noorden van de poort van het altaar was deze afbeelding der ijverzucht bij de ingang. Ezechiël 8:5.

The “altar” is a symbol of Christ.

Het „altaar” is een symbool van Christus.

“We are in danger of mingling the sacred and the common. The holy fire from God is to be used in our efforts. The true altar is Christ; the true fire is the Holy Spirit. This is our inspiration. It is only as the Holy Spirit leads and guides a man that he is a safe counselor. If we turn aside from God and from His chosen ones to inquire at strange altars we shall be answered according to our works.” Selected Messages, book 3, 300.

„Wij verkeren in gevaar het heilige met het gewone te vermengen. Het heilige vuur van God moet in onze inspanningen worden gebruikt. Het ware altaar is Christus; het ware vuur is de Heilige Geest. Dit is onze inspiratie. Alleen wanneer de Heilige Geest een mens leidt en bestuurt, is hij een betrouwbare raadsman. Indien wij ons afwenden van God en van Zijn uitverkorenen om bij vreemde altaren raad te vragen, zal ons geantwoord worden naar onze werken.” Selected Messages, boek 3, 300.

The “gate” is the church.

De „poort” is de kerk.

“To the humble, believing soul, the house of God on earth is the gate of heaven. The song of praise, the prayer, the words spoken by Christ’s representatives, are God’s appointed agencies to prepare a people for the church above, for that loftier worship into which there can enter nothing that defileth.” Testimonies, volume 5, 491.

„Voor de nederige, gelovige ziel is het huis van God op aarde de poort van de hemel. Het loflied, het gebed, de woorden die door Christus’ vertegenwoordigers worden gesproken, zijn door God aangewezen middelen om een volk voor te bereiden op de gemeente hierboven, op die verhevenere eredienst waarin niets kan binnengaan dat verontreinigt.” Testimonies, deel 5, 491.

In 1863, Laodicean Adventism became a legally registered church and ceased to be a movement. They “entered” into church history at that point. In 1863, the church of Christ entered into a legal association with the government of the United States. In that year they also introduced a counterfeit chart to replace the two sacred tables of Habakkuk. As soon as the second table was prepared, in terms of prophetic history those typified by Aaron were preparing a counterfeit image.

In 1863 werd het Laodicese adventisme een wettelijk geregistreerde kerk en hield het op een beweging te zijn. Op dat moment „trad” het de kerkgeschiedenis binnen. In 1863 trad de kerk van Christus in een wettelijke verbintenis met de regering van de Verenigde Staten. In dat jaar voerden zij ook een vervalste kaart in ter vervanging van de twee heilige tafelen van Habakuk. Zodra de tweede tafel was vervaardigd, bereidden degenen die in de profetische geschiedenis door Aäron werden voorgesteld een vervalst beeld voor.

The second Commandment is the most specific warning against idolatry and the worship of images. It is also where God identifies His character as a jealous God. It is also there that He sets forth the principle that He reserves judgment upon the wicked unto the third and fourth generations. The Ten Commandments are a transcript of Christ’s character.

Het tweede gebod is de meest specifieke waarschuwing tegen afgoderij en de verering van beelden. Daar openbaart God ook Zijn karakter als een na-ijverig God. Daar legt Hij tevens het beginsel vast dat Hij het oordeel over de goddelozen voorbehoudt tot in het derde en vierde geslacht. De Tien Geboden zijn een afschrift van het karakter van Christus.

“For the rejection of Christ, with the results that followed, they were responsible. A nation’s sin and a nation’s ruin were due to the religious leaders.

„Voor de verwerping van Christus, met de gevolgen die daarop volgden, waren zij verantwoordelijk. De zonde van een natie en de ondergang van een natie waren te wijten aan de godsdienstige leiders.‟

“In our day are not the same influences at work? Of the husbandmen of the Lord’s vineyard are not many following in the steps of the Jewish leaders? Are not religious teachers turning men away from the plain requirements of the word of God? Instead of educating them in obedience to God’s law, are they not educating them in transgression? From many of the pulpits of the churches the people are taught that the law of God is not binding upon them. Human traditions, ordinances, and customs are exalted. Pride and self-satisfaction because of the gifts of God are fostered, while the claims of God are ignored.

“Zijn in onze tijd niet dezelfde invloeden werkzaam? Volgen niet velen van de pachters van de wijngaard des Heren in de voetstappen van de Joodse leiders? Leiden godsdienstige leraren de mensen niet af van de duidelijke eisen van het woord van God? Onderwijzen zij hen niet in overtreding, in plaats van hen op te voeden tot gehoorzaamheid aan Gods wet? Vanaf vele kansels in de kerken wordt het volk geleerd dat de wet van God voor hen niet bindend is. Menselijke overleveringen, verordeningen en gebruiken worden verheven. Hoogmoed en zelfvoldaanheid vanwege de gaven van God worden aangewakkerd, terwijl Gods aanspraken worden genegeerd.

“In setting aside the law of God, men know not what they are doing. God’s law is the transcript of His character. It embodies the principles of His kingdom. He who refuses to accept these principles is placing himself outside the channel where God’s blessings flow.” Christ’s Object Lessons, 305.

“Door de wet van God terzijde te stellen, weten mensen niet wat zij doen. Gods wet is de afspiegeling van Zijn karakter. Zij belichaamt de beginselen van Zijn koninkrijk. Wie weigert deze beginselen te aanvaarden, plaatst zichzelf buiten de stroom waarin Gods zegeningen vloeien.” *Christ’s Object Lessons*, 305.

The character of Christ is His image, and it includes that He is a jealous God. God’s jealousy was manifested in Christ when He twice cleansed the temple. In the first temple cleansing the disciples who witnessed the work were then led to remember that the Scriptures referenced God’s jealousy.

Het karakter van Christus is Zijn beeld, en daartoe behoort dat Hij een na-ijverig God is. Gods na-ijver werd in Christus geopenbaard toen Hij tweemaal de tempel reinigde. Bij de eerste tempelreiniging werden de discipelen die dit werk aanschouwden ertoe gebracht zich te herinneren dat de Schrift verwees naar Gods na-ijver.

And the Jews’ Passover was at hand, and Jesus went up to Jerusalem, And found in the temple those that sold oxen and sheep and doves, and the changers of money sitting: And when he had made a scourge of small cords, he drove them all out of the temple, and the sheep, and the oxen; and poured out the changers’ money, and overthrew the tables; And said unto them that sold doves, Take these things hence; make not my Father’s house an house of merchandise. And his disciples remembered that it was written, The zeal of thine house hath eaten me up. John 2:13–17.

En het Pascha der Joden was nabij, en Jezus ging op naar Jeruzalem, En trof in de tempel hen aan die runderen en schapen en duiven verkochten, en de wisselaars, daar zittende; En nadat Hij een gesel van touwtjes gemaakt had, dreef Hij hen allen uit de tempel, ook de schapen en de runderen; en Hij stortte het geld der wisselaars uit en keerde de tafels om; En Hij zeide tot hen die de duiven verkochten: Neemt deze dingen vanhier; maakt het huis Mijns Vaders niet tot een huis van koophandel. En Zijn discipelen herinnerden zich dat geschreven was: De ijver voor Uw huis heeft Mij verteerd. Johannes 2:13–17.

In the Scriptures, both the Hebrew and the Greek the word “zealous” is also the word “jealous.” They are the same word. When Christ cleansed the temple, He was manifesting God’s jealousy, which is the attribute of God’s character that is identified in the second commandment, and it is especially manifested against idolatry. When Moses descended the mount with the two tables and understood what Aaron had done and what the people were doing, he broke the two tables. The two tables were the true image of jealously, for they were physical representations that identified God as a jealous God. When Moses broke the two tables, he was manifesting the very jealousy that is identified in the second commandment.

In de Schriften is in zowel het Hebreeuws als het Grieks het woord „ijverig” tevens het woord „jaloers”. Het is hetzelfde woord. Toen Christus de tempel reinigde, openbaarde Hij Gods jaloersheid, die een eigenschap van Gods karakter is welke in het tweede gebod wordt aangeduid, en zij openbaart zich in het bijzonder tegen afgoderij. Toen Mozes van de berg afdaalde met de twee tafelen en begreep wat Aäron had gedaan en wat het volk deed, verbrak hij de twee tafelen. De twee tafelen waren het ware beeld van jaloersheid, want zij waren stoffelijke voorstellingen die God aanduidden als een jaloers God. Toen Mozes de twee tafelen verbrak, openbaarde hij juist die jaloersheid die in het tweede gebod wordt aangeduid.

And Moses turned, and went down from the mount, and the two tables of the testimony were in his hand: the tables were written on both their sides; on the one side and on the other were they written. And the tables were the work of God, and the writing was the writing of God, graven upon the tables. And when Joshua heard the noise of the people as they shouted, he said unto Moses, There is a noise of war in the camp. And he said, It is not the voice of them that shout for mastery, neither is it the voice of them that cry for being overcome: but the noise of them that sing do I hear. And it came to pass, as soon as he came nigh unto the camp, that he saw the calf, and the dancing: and Moses’ anger waxed hot, and he cast the tables out of his hands, and brake them beneath the mount. Exodus 32:15–19.

En Mozes keerde zich om en daalde van de berg af, en de twee tafelen van de getuigenis waren in zijn hand; de tafelen waren aan beide zijden beschreven; aan de ene zijde en aan de andere zijde waren zij beschreven. En de tafelen waren het werk Gods, en het schrift was het schrift Gods, gegrift op de tafelen. Toen Jozua het geluid van het volk hoorde, terwijl zij juichten, zei hij tot Mozes: Er is krijgsgeschreeuw in het kamp. En hij zei: Het is niet de stem van hen die roepen om de overwinning, noch is het de stem van hen die schreeuwen omdat zij overwonnen zijn; maar het geluid van hen die zingen hoor ik. En het geschiedde, zodra hij dicht bij het kamp gekomen was, dat hij het kalf zag en de reidans; toen ontbrandde de toorn van Mozes, en hij wierp de tafelen uit zijn handen en verbrijzelde ze onder aan de berg. Exodus 32:15–19.

The two tables were the testimony of God’s character. The character of God is the image that is to be formed in men through the righteousness of Christ. The two tables are the true image of jealousy, and Aaron had produced a counterfeit image of jealousy at the very time that the true image of jealousy was being delivered to ancient Israel. Those who have Christ formed within have His image, and the robe of His righteousness, yet Aaron’s celebrants were dancing naked, for they were Laodiceans. Laodiceans are “wretched, and miserable, and poor, and blind, and naked.”

De twee tafelen waren het getuigenis van Gods karakter. Het karakter van God is het beeld dat in mensen gevormd moet worden door de gerechtigheid van Christus. De twee tafelen zijn het ware beeld van na-ijver, en Aäron had een vervalst beeld van na-ijver voortgebracht juist op het ogenblik dat het ware beeld van na-ijver aan het oude Israël werd overgegeven. Degenen in wie Christus gestalte heeft gekregen, hebben Zijn beeld en het kleed van Zijn gerechtigheid, terwijl Aärons feestvierders naakt dansten, want zij waren Laodicenzen. Laodicenzen zijn „ellendig, jammerlijk, arm, blind en naakt.”

And when Moses saw that the people were naked; (for Aaron had made them naked unto their shame among their enemies). Exodus 32:25.

En toen Mozes zag dat het volk naakt was; (want Aäron had het naakt gemaakt, tot hun schande onder hun vijanden). Exodus 32:25.

In 1856, seven years before the counterfeit chart was produced, both James and Ellen White identified that the movement had transitioned into the Laodicean condition. In 1863, Adventism was as spiritually “naked” as was ancient Israel literally “naked” as they danced around the counterfeit image of jealousy. The counterfeit that Aaron had made was an idol made of gold, but it was an image of a calf, which is a beast. It was an image of the beast, and also an image to the beast. The golden calf was an image of the beast, but it also had been dedicated to the gods that Aaron unrighteously declared had delivered Israel from Egyptian bondage.

In 1856, zeven jaar voordat de vervalste kaart werd vervaardigd, stelden zowel James als Ellen White vast dat de beweging in de Laodiceïsche toestand was overgegaan. In 1863 was het adventisme geestelijk even „naakt” als het oude Israël letterlijk „naakt” was terwijl het rondom het vervalste beeld van de jaloersheid danste. De vervalsing die Aäron had gemaakt, was een afgod van goud, maar het was een beeld van een kalf, dat een beest is. Het was een beeld van het beest, en ook een beeld voor het beest. Het gouden kalf was een beeld van het beest, maar het was ook gewijd aan de goden van wie Aäron ten onrechte verklaarde dat zij Israël uit de Egyptische slavernij hadden verlost.

And he received them at their hand, and fashioned it with a graving tool, after he had made it a molten calf: and they said, These be thy gods, O Israel, which brought thee up out of the land of Egypt. And when Aaron saw it, he built an altar before it; and Aaron made proclamation, and said, Tomorrow is a feast to the Lord. And they rose up early on the morrow, and offered burnt offerings, and brought peace offerings; and the people sat down to eat and to drink, and rose up to play. Exodus 32:4–6.

En hij nam het uit hun hand aan en bewerkte het met een graveerstift, nadat hij er een gegoten kalf van gemaakt had; en zij zeiden: Dit zijn uw goden, o Israël, die u uit het land Egypte hebben opgevoerd. En toen Aäron het zag, bouwde hij er een altaar vóór; en Aäron deed een afkondiging en zei: Morgen zal er een feest voor de HEERE zijn. En zij stonden de volgende morgen vroeg op, brachten brandoffers en offerden dankoffers; en het volk ging zitten om te eten en te drinken, en stond op om zich te vermaken. Exodus 32:4–6.

The golden calf was an image of a beast, but it was dedicated to false gods, and so it was also an image (offering) to the beast. The image was made of gold, which is the symbol of Babylon, and it was a calf, which is the highest form of offering in the sanctuary service. It was dedicated to the gods of Egypt. Mystery Babylon (for all the prophetic testimonies identify the end of the world) consists of a woman riding upon a beast. The beast the woman rides is the United Nations (ten kings), and is a symbol of the dragon, atheism and Egypt. The woman herself is a counterfeit of God’s true church. The golden calf that Aaron dedicated to the gods of Egypt typified the great whore of Revelation seventeen, who is Babylon (gold), riding upon a beast (Egypt) and a counterfeit church (calf).

Het gouden kalf was een beeld van een beest, maar het was gewijd aan valse goden, en zo was het ook een beeld (offer) voor het beest. Het beeld was van goud gemaakt, wat het symbool van Babylon is, en het was een kalf, wat de hoogste vorm van offer in de heiligdomsdienst is. Het was gewijd aan de goden van Egypte. Mysterie Babylon (want alle profetische getuigenissen duiden het einde van de wereld aan) bestaat uit een vrouw die op een beest rijdt. Het beest waarop de vrouw rijdt is de Verenigde Naties (tien koningen), en is een symbool van de draak, het atheïsme en Egypte. De vrouw zelf is een vervalsing van Gods ware kerk. Het gouden kalf dat Aäron aan de goden van Egypte wijdde, was een voorafbeelding van de grote hoer van Openbaring zeventien, die Babylon (goud) is, rijdend op een beest (Egypte) en een vervalste kerk (kalf).

At the same time Aaron built an altar, which, as just defined, represents Christ, the true altar. He then instituted a counterfeit system of worship, for he proclaimed a feast to the Lord on the following day. Aaron’s golden calf was an image “of” and “to” the beast, and it was set up “before” a counterfeit Christ, and a day was set aside to celebrate his false system of worship.

Tegelijkertijd bouwde Aäron een altaar, dat, zoals zojuist uiteengezet, Christus, het ware altaar, voorstelt. Vervolgens stelde hij een vervalst stelsel van aanbidding in, want hij riep voor de volgende dag een feest voor de HEERE uit. Aärons gouden kalf was een beeld “van” en “voor” het beest, en het werd opgericht “vóór” een valse Christus, en er werd een dag vastgesteld om zijn valse stelsel van aanbidding te vieren.

The United States is the power that sets up an image to the beast and then forces the world to follow its example. The United States has power to force that system of worship upon the world, and it does so in sight of the beast “before” it.

De Verenigde Staten zijn de macht die een beeld voor het beest opricht en vervolgens de wereld dwingt zijn voorbeeld te volgen. De Verenigde Staten hebben de macht om dat stelsel van aanbidding aan de wereld op te leggen, en zij doen dit in het gezicht van het beest, „voor” het.

And I beheld another beast coming up out of the earth; and he had two horns like a lamb, and he spake as a dragon. And he exerciseth all the power of the first beast before him, and causeth the earth and them which dwell therein to worship the first beast, whose deadly wound was healed. Revelation 13:11, 12.

En ik zag een ander beest opkomen uit de aarde; en het had twee horens als die van een lam, en het sprak als een draak. En het oefent al de macht van het eerste beest vóór diens ogen uit, en maakt dat de aarde en hen die daarop wonen het eerste beest aanbidden, welks dodelijke wond genezen was. Openbaring 13:11, 12.

The man of sin, who is the papacy, is the sea beast of Revelation thirteen. When the United States speaks as a dragon, at the soon-coming Sunday law, it then begins to force the world to set up an image to the beast “before” it. The beast before the United States (the earth beast), is the papacy (the sea beast). The papacy is a counterfeit Christ, and Aaron had set up his golden image, before a counterfeit Christ, for Christ is the true altar. Aaron then instituted a false system of worship as represented by the proclamation of the feast day that was to take place on the next day. The United States also forces a false system of worship, and it is also associated with a counterfeit day of worship.

De mens der zonde, die het pausdom is, is het beest uit de zee van Openbaring dertien. Wanneer de Verenigde Staten als een draak spreken, bij de spoedig komende zondagswet, begint het dan de wereld te dwingen een beeld voor het beest op te richten. Het beest vóór de Verenigde Staten (het beest uit de aarde) is het pausdom (het beest uit de zee). Het pausdom is een valse Christus, en Aäron had zijn gouden beeld opgericht vóór een valse Christus, want Christus is het ware altaar. Aäron stelde vervolgens een vals stelsel van aanbidding in, zoals weergegeven door de afkondiging van de feestdag die de volgende dag zou plaatsvinden. Ook de Verenigde Staten dwingen een vals stelsel van aanbidding af, en ook dit is verbonden met een valse dag van aanbidding.

When Moses descended the mount, the controversy was between the true and the false image of jealousy—the image of Christ or the image of Satan. The counterfeit consisted of a counterfeit Christ (the altar), a counterfeit experience (Laodicean), a counterfeit day of worship (“tomorrow is a feast of the Lord”). The rebellion of the golden calf represents the rebellion of the soon-coming Sunday law, but it also represents the rebellion of Laodicean Adventism in 1863.

Toen Mozes van de berg afdaalde, ging de strijd tussen het ware en het valse beeld der jaloersheid—het beeld van Christus of het beeld van Satan. De vervalsing bestond uit een valse Christus (het altaar), een valse ervaring (Laodicéa), een valse dag van aanbidding („morgen is het een feest des HEEREN”). De opstand van het gouden kalf vertegenwoordigt de opstand van de spoedig komende zondagswet, maar zij vertegenwoordigt ook de opstand van het Laodicese Adventisme in 1863.

In 1863, a counterfeit table was introduced to cover up the jewels of Miller’s dream as represented upon Habakkuk’s two tables. Those two tables had been typified by the two tables Moses received on the mount. In 1863, a legal connection was made with the government of the United States, thus ending the Millerite movement and legally registering the Laodicean movement as the Seventh-day Adventist church. That relationship was represented by Aaron’s image to the beast, which prophetically is defined as the combination of Church and State, thus typifying the Millerites establishing a Church-State relationship in 1863, and also typifying the United States at the soon-coming Sunday law.

In 1863 werd een vervalste tafel ingevoerd om de juwelen van Millers droom, zoals voorgesteld op Habakuks twee tafelen, te bedekken. Die twee tafelen waren voorafgeschaduwd door de twee tafelen die Mozes op de berg ontving. In 1863 werd een wettelijke verbintenis met de regering van de Verenigde Staten aangegaan, waarmee de Milleritische beweging werd beëindigd en de Laodiceaanse beweging wettelijk werd geregistreerd als de Kerk van de Zevendedagsadventisten. Die verhouding werd voorgesteld door Aarons beeld van het beest, dat profetisch wordt omschreven als de vereniging van Kerk en Staat, en zo zowel voorafschaduwde dat de Millerieten in 1863 een Kerk-Staatverhouding tot stand brachten, alsook de Verenigde Staten bij de spoedig komende zondagwet voorafschaduwde.

Aaron’s naked dancing fools, representing the counterfeit experience of Laodicea, is just as the Millerite movement had become in 1856. The spiritual experience represented by Aaron’s dancing fools was contrasted with the experience of Moses, who was manifesting the jealousy of God’s character towards idolatry. A “dance” in prophecy is a symbol of deception, and Aaron’s dancing fools, also represented the deception that is brought about by the United States as it forces the world to “dance” to Nebuchadnezzar’s band, while the whore of Tyre sings her songs.

Aärons naakte dansende dwazen, die de vervalste ervaring van Laodicea vertegenwoordigen, waren precies zoals de Milleritische beweging in 1856 was geworden. De geestelijke ervaring die door Aärons dansende dwazen werd voorgesteld, stond in contrast met de ervaring van Mozes, die de jaloezie van Gods karakter jegens afgoderij openbaarde. Een „dans” is in de profetie een symbool van misleiding, en Aärons dansende dwazen vertegenwoordigden ook de misleiding die door de Verenigde Staten teweeggebracht wordt wanneer het de wereld dwingt te „dansen” op de muziek van Nebukadnezars muziekkorps, terwijl de hoer van Tyrus haar liederen zingt.

In 1863, the Laodicean Millerite movement transitioned to the legally registered Laodicean Seventh-day Adventist church. As identified in previous articles, in 1863, Jericho was rebuilt, for Jericho is a symbol of the affluence of Laodicea and serves as a counterfeit of the city of Jerusalem. In 1863, the introduction of a counterfeit prophetic chart represented a repetition of the history of Aaron, the golden calf and the dancing fools. The history of the Red Sea deliverance has been repeatedly employed by Sister White to illustrate the history of early Adventism, and this application aligns perfectly with the history of Moses and Aaron in the controversy over the image of jealousy.

In 1863 ging de Laodiceïsche Milleritische beweging over in de wettelijk geregistreerde Laodiceïsche Kerk der Zevendedagsadventisten. Zoals in eerdere artikelen is vastgesteld, werd in 1863 Jericho herbouwd, want Jericho is een symbool van de welvaart van Laodicea en fungeert als een vervalsing van de stad Jeruzalem. In 1863 vertegenwoordigde de invoering van een vervalste profetische kaart een herhaling van de geschiedenis van Aäron, het gouden kalf en de dansende dwazen. De geschiedenis van de verlossing aan de Rode Zee is herhaaldelijk door Zuster White gebruikt om de geschiedenis van het vroege adventisme te illustreren, en deze toepassing stemt volkomen overeen met de geschiedenis van Mozes en Aäron in de controverse over het beeld der jaloezie.

In 1863, the first generation of Laodicean Adventism began as an image of jealousy was placed in the gate (church), which was before the altar (Christ). That first generation then “entered” into an escalating history of abominations.

In 1863 begon de eerste generatie van het Laodiceïsche adventisme toen een beeld van jaloezie werd geplaatst in de poort (kerk), die vóór het altaar (Christus) was. Die eerste generatie „ging” vervolgens een zich verhevigde geschiedenis van gruwelen binnen.

Then said he unto me, Son of man, lift up thine eyes now the way toward the north. So I lifted up mine eyes the way toward the north, and behold northward at the gate of the altar this image of jealousy in the entry. Ezekiel 8:5.

Toen zei hij tot mij: Mensenkind, hef nu uw ogen op in de richting van het noorden. Zo hief ik mijn ogen op in de richting van het noorden, en zie, aan de noordzijde, bij de poort van het altaar, stond dit beeld der jaloersheid bij de ingang. Ezechiël 8:5.

We will continue these considerations in the next article.

Wij zullen deze beschouwingen in het volgende artikel voortzetten.

“What is our condition in this fearful and solemn time? Alas, what pride is prevailing in the church, what hypocrisy, what deception, what love of dress, frivolity, and amusement, what desire for the supremacy! All these sins have clouded the mind, so that eternal things have not been discerned. Shall we not search the Scriptures, that we may know where we are in this world’s history? Shall we not become intelligent in regard to the work that is being accomplished for us at this time, and the position that we as sinners should occupy while this work of atonement is going forward? If we have any regard for our souls’ salvation, we must make a decided change. We must seek the Lord with true penitence; we must with deep contrition of soul confess our sins, that they may be blotted out.

„Wat is onze toestand in deze ontzagwekkende en ernstige tijd? Ach, wat heerst er een trots in de kerk, wat een huichelarij, wat een misleiding, wat een liefde voor kleding, lichtzinnigheid en vermaak, wat een verlangen naar de opperheerschappij! Al deze zonden hebben het verstand verduisterd, zodat de eeuwige dingen niet zijn onderscheiden. Zullen wij de Schriften niet onderzoeken, opdat wij mogen weten waar wij ons bevinden in de geschiedenis van deze wereld? Zullen wij niet tot inzicht komen met betrekking tot het werk dat in deze tijd voor ons wordt volbracht, en de positie die wij als zondaars behoren in te nemen terwijl dit verzoeningswerk voortgaat? Indien wij enig belang hechten aan de zaligheid van onze ziel, moeten wij een besliste verandering tot stand brengen. Wij moeten de Heere zoeken met waarachtige boetvaardigheid; wij moeten met diepe verslagenheid van ziel onze zonden belijden, opdat zij uitgewist mogen worden.

“We must no longer remain upon the enchanted ground. We are fast approaching the close of our probation. Let every soul inquire, How do I stand before God? We know not how soon our names may be taken into the lips of Christ, and our cases be finally decided. What, oh, what will these decisions be! Shall we be counted with the righteous, or shall we be numbered with the wicked?

„Wij mogen niet langer op de betoverde grond blijven. Wij naderen snel het einde van onze genadetijd. Laat iedere ziel zich afvragen: Hoe sta ik voor God? Wij weten niet hoe spoedig onze namen door de lippen van Christus genomen zullen worden en onze zaken definitief beslist zullen zijn. Wat, o wat, zullen die beslissingen zijn! Zullen wij tot de rechtvaardigen gerekend worden, of zullen wij onder de goddelozen geteld worden?

“Let the church arise, and repent of her backslidings before God. Let the watchmen awake, and give the trumpet a certain sound. It is a definite warning that we have to proclaim. God commands His servants, ‘Cry aloud, spare not, lift up thy voice like a trumpet, and shew my people their transgression, and the house of Jacob their sins’ (Isaiah 58:1). The attention of the people must be gained; unless this can be done, all effort is useless; though an angel from heaven should come down and speak to them, his words would do no more good than if he were speaking into the cold ear of death.

“Laat de gemeente opstaan en berouw hebben over haar afkeringen voor God. Laat de wachters ontwaken en op de bazuin een helder geluid geven. Het is een duidelijke waarschuwing die wij moeten verkondigen. God gebiedt Zijn dienstknechten: ‘Roep luidkeels, houd niet in, verhef uw stem als een bazuin, en verkondig Mijn volk hun overtreding en het huis van Jakob hun zonden’ (Jesaja 58:1). De aandacht van het volk moet worden gewonnen; tenzij dit kan worden gedaan, is alle inspanning vergeefs; al zou een engel uit de hemel neerdalen en tot hen spreken, zijn woorden zouden niet meer nut doen dan wanneer hij tot het koude oor van de dood sprak.”

“The church must arouse to action. The Spirit of God can never come in until she prepares the way. There should be earnest searching of heart. There should be united, persevering prayer, and through faith a claiming of the promises of God. There should be, not a clothing of the body with sackcloth, as in ancient times, but a deep humiliation of soul. We have not the first reason for self-congratulation and self-exaltation. We should humble ourselves under the mighty hand of God. He will appear to comfort and bless the true seekers.” Selected Messages, book 1, 125, 126.

„De gemeente moet tot handelen ontwaken. De Geest van God kan nooit komen voordat zij de weg bereidt. Er behoort ernstig zelfonderzoek te zijn. Er behoort eensgezinde, volhardende gebed te zijn, en door het geloof een zich toe-eigenen van de beloften van God. Er behoort te zijn, niet een bekleding van het lichaam met een rouwgewaad, zoals in oude tijden, maar een diepe verootmoediging van de ziel. Wij hebben niet de minste reden tot zelfvoldoening en zelfverheffing. Wij behoren ons te verootmoedigen onder de machtige hand van God. Hij zal verschijnen om de ware zoekers te vertroosten en te zegenen.” Selected Messages, boek 1, 125, 126.