The testimony of Jeroboam’s rebellion is also the history of ancient Israel’s division into two nations. The northern kingdom made up of ten tribes was known as Israel, or sometimes Ephraim, and the southern kingdom was known as Judah. In the time of Ezekiel, the kingdom had already been two kingdoms for many years, and in chapter thirty-seven, Ezekiel was given a prophecy identifying that the two kingdoms would once again become one nation. That prophecy was fulfilled in the beginning history of the earth beast (the United States), and is fulfilled for the final time at the end of the United States, for Jesus always illustrates the end of a thing, with the beginning of a thing.

Het getuigenis van Jerobeams opstand is tevens de geschiedenis van de verdeling van het oude Israël in twee naties. Het noordelijke koninkrijk, bestaande uit tien stammen, stond bekend als Israël, of soms Efraïm, en het zuidelijke koninkrijk stond bekend als Juda. In de tijd van Ezechiël was het koninkrijk reeds vele jaren in twee koninkrijken verdeeld, en in hoofdstuk zevenendertig ontving Ezechiël een profetie die aangaf dat de twee koninkrijken opnieuw één natie zouden worden. Die profetie werd vervuld in de vroegste geschiedenis van het beest uit de aarde (de Verenigde Staten), en wordt voor de laatste keer vervuld aan het einde van de Verenigde Staten, want Jezus illustreert altijd het einde van een zaak met het begin van een zaak.

The rebellion of Jeroboam at the time that Israel was divided into two kingdoms, represents a rebellion at the beginning of the United States, and also at the end of the United States. The rebellion in the beginning and ending of the United States includes the joining of two kingdoms. Revelation chapter eighteen, as repeatedly cited from the writings of Sister White in these articles, represents two calls to the churches. The two nations that are joined during the hour of the Sunday law crisis is the one-hundred and forty-four thousand, and God’s other flock that are still in Babylon.

De opstand van Jerobeam ten tijde van Israëls verdeling in twee koninkrijken, vertegenwoordigt een opstand aan het begin van de Verenigde Staten, en ook aan het einde van de Verenigde Staten. De opstand aan het begin en aan het einde van de Verenigde Staten omvat de vereniging van twee koninkrijken. Openbaring hoofdstuk achttien vertegenwoordigt, zoals in deze artikelen herhaaldelijk aangehaald uit de geschriften van Zuster White, twee oproepen aan de kerken. De twee naties die gedurende het uur van de crisis van de zondagwet worden verenigd, zijn de honderdvierendertigduizend en Gods andere kudde, die zich nog in Babylon bevindt.

The two nations that were joined in the Millerite history were Judah and Ephraim. They were joined when the individual indignations against the two kingdoms respectively ended in 1798 and then in 1844. The word “moreover” in Ezekiel chapter thirty-seven, allows us to be certain of this application. The word “moreover” means to place the message that follows “moreover,” over the message that preceded the word “moreover.”

De twee naties die in de Milleritische geschiedenis werden verenigd, waren Juda en Efraïm. Zij werden verenigd toen de afzonderlijke gramschappen tegen respectievelijk de twee koninkrijken eindigden in 1798 en vervolgens in 1844. Het woord „voorts” in Ezechiël hoofdstuk zevenendertig stelt ons in staat van deze toepassing zeker te zijn. Het woord „voorts” betekent dat de boodschap die op „voorts” volgt, over de boodschap moet worden geplaatst die aan het woord „voorts” voorafging.

The word of the Lord came again unto me, saying, Moreover, thou son of man, take thee one stick, and write upon it, For Judah, and for the children of Israel his companions: then take another stick, and write upon it, For Joseph, the stick of Ephraim, and for all the house of Israel his companions: And join them one to another into one stick; and they shall become one in thine hand. Ezekiel 37:15–17.

Het woord des HEEREN kwam opnieuw tot mij, zeggende: Voorts, gij mensenkind, neem u één hout, en schrijf daarop: Voor Juda en voor de kinderen Israëls, zijn metgezellen; neem daarna een ander hout, en schrijf daarop: Voor Jozef, het hout van Efraïm, en voor het gehele huis Israëls, zijn metgezellen. Voeg ze dan samen, het ene aan het andere, tot één hout; en zij zullen één worden in uw hand. Ezechiël 37:15–17.

Ezekiel is applying the prophetic principle of repeat and enlarge when he states, “moreover.” Ezekiel is to take two sticks, one for Judah and one for Ephraim, and take the prophecy illustrated with the two sticks and place it over the top of the previous prophecy. The previous prophetic illustration began in verse one when Ezekiel was carried to a valley of dead dry bones.

Ezechiël past het profetische beginsel van herhaling en uitbreiding toe wanneer hij zegt: „voorts.” Ezechiël moet twee stokken nemen, één voor Juda en één voor Efraïm, en de profetie die door de twee stokken wordt uitgebeeld boven op de voorafgaande profetie plaatsen. De voorafgaande profetische uitbeelding begon in vers één, toen Ezechiël naar een vallei van dode, dorre beenderen werd gevoerd.

The hand of the Lord was upon me, and carried me out in the spirit of the Lord, and set me down in the midst of the valley which was full of bones, And caused me to pass by them round about: and, behold, there were very many in the open valley; and, lo, they were very dry. And he said unto me, Son of man, can these bones live? And I answered, O Lord God, thou knowest. Again he said unto me, Prophesy upon these bones, and say unto them, O ye dry bones, hear the word of the Lord. Thus saith the Lord God unto these bones; Behold, I will cause breath to enter into you, and ye shall live: And I will lay sinews upon you, and will bring up flesh upon you, and cover you with skin, and put breath in you, and ye shall live; and ye shall know that I am the Lord. So I prophesied as I was commanded: and as I prophesied, there was a noise, and behold a shaking, and the bones came together, bone to his bone. And when I beheld, lo, the sinews and the flesh came up upon them, and the skin covered them above: but there was no breath in them. Then said he unto me, Prophesy unto the wind, prophesy, son of man, and say to the wind, Thus saith the Lord God; Come from the four winds, O breath, and breathe upon these slain, that they may live. So I prophesied as he commanded me, and the breath came into them, and they lived, and stood up upon their feet, an exceeding great army. Then he said unto me, Son of man, these bones are the whole house of Israel: behold, they say, Our bones are dried, and our hope is lost: we are cut off for our parts. Therefore prophesy and say unto them, Thus saith the Lord God; Behold, O my people, I will open your graves, and cause you to come up out of your graves, and bring you into the land of Israel. And ye shall know that I am the Lord, when I have opened your graves, O my people, and brought you up out of your graves, And shall put my spirit in you, and ye shall live, and I shall place you in your own land: then shall ye know that I the Lord have spoken it, and performed it, saith the Lord. Ezekiel 37:1–14.

De hand des Heren was op mij, en Hij voerde mij uit in de Geest des Heren en zette mij neer midden in de vallei, die vol beenderen was. En Hij deed mij daar rondom voorbijgaan; en zie, er lagen er zeer vele in de open vallei; en zie, zij waren zeer dor. En Hij zeide tot mij: Mensenkind, zullen deze beenderen levend worden? En ik antwoordde: Ach Heere HEERE, Gij weet het. Toen zeide Hij wederom tot mij: Profeteer over deze beenderen en zeg tot hen: Gij dorre beenderen, hoort het woord des Heren. Zo zegt de Heere HEERE tot deze beenderen: Zie, Ik zal geest in u doen komen, en gij zult levend worden. En Ik zal zenuwen op u leggen en vlees op u doen opkomen en u met huid overtrekken en geest in u geven, en gij zult levend worden; en gij zult weten dat Ik de Heere ben. Toen profeteerde ik, gelijk mij bevolen was; en zodra ik profeteerde, ontstond er een geluid, en zie, een beroering, en de beenderen voegden zich aaneen, elk been tot zijn been. En ik zag toe, en zie, er kwamen zenuwen en vlees op, en de huid overtrok ze van boven; maar er was geen geest in hen. Toen zeide Hij tot mij: Profeteer tot de wind, profeteer, mensenkind, en zeg tot de wind: Zo zegt de Heere HEERE: Kom uit de vier winden, o geest, en blaas in deze gedoden, opdat zij levend worden. Toen profeteerde ik, gelijk Hij mij bevolen had; en de geest kwam in hen, en zij werden levend en stonden op hun voeten, een zeer, zeer groot heir. Toen zeide Hij tot mij: Mensenkind, deze beenderen zijn het ganse huis Israëls; zie, zij zeggen: Onze beenderen zijn verdord en onze verwachting is verloren; wij zijn afgesneden. Daarom, profeteer en zeg tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, o Mijn volk, Ik zal uw graven openen en u uit uw graven doen opkomen en u brengen in het land Israëls. En gij zult weten dat Ik de Heere ben, wanneer Ik uw graven geopend en u uit uw graven doen opkomen zal, o Mijn volk. En Ik zal Mijn Geest in u geven, en gij zult leven, en Ik zal u in uw land plaatsen; dan zult gij weten dat Ik, de Heere, het gesproken en gedaan heb, spreekt de Heere. Ezechiël 37:1–14.

From the very beginning of these articles, we have shown that the valley of dead bones represents God’s people in the last days, and that the message of the four winds that causes them to stand upon their feet as a mighty army, is the Midnight Cry message identifying Islam of the third Woe. Sister White identifies the bones as God’s people.

Vanaf het allereerste begin van deze artikelen hebben wij aangetoond dat het dal van de dorre beenderen Gods volk in de laatste dagen voorstelt, en dat de boodschap van de vier winden, die maakt dat zij op hun voeten staan als een zeer groot leger, de Middernachtsroep-boodschap is die de Islam van de derde Wee identificeert. Zuster White identificeert de beenderen als Gods volk.

“I lay down my pen and lift up my soul in prayer, that the Lord would breathe upon his backslidden people, which are as dry bones, that they may live.” General Conference Bulletin, February 4, 1893.

„Ik leg mijn pen neer en hef mijn ziel op in gebed, dat de Heere zou blazen op zijn afgedwaalde volk, dat is als dorre beenderen, opdat zij leven mogen.” General Conference Bulletin, 4 februari 1893.

We have shown in previous articles that the prophetic message identifying July 18, 2020, was erroneous, and that the false proclamation marked the arrival of the first disappointment and tarrying time in the parable of the ten virgins. Though the proclamation of time was legitimate in the Millerite period, after 1844, there was never to be another message hung upon time. When Future for America made the proclamation of July 18, 2020, they slid back to a history that the proclamation of time was acceptable and in so doing they sinned, and they were slain in the street of the great city of Revelation chapter eleven. Dead in the street, they then needed to be resurrected, as were the two witnesses after three and a half days.

Wij hebben in eerdere artikelen aangetoond dat de profetische boodschap die 18 juli 2020 aanwees, onjuist was, en dat die valse verkondiging de komst van de eerste teleurstelling en de vertoeftijd markeerde in de gelijkenis van de tien maagden. Hoewel de tijdsverkondiging in de Milleritische periode geoorloofd was, mocht er na 1844 nooit meer een boodschap zijn die aan tijd werd opgehangen. Toen Future for America de verkondiging van 18 juli 2020 deed, gleden zij terug naar een geschiedenis waarin de tijdsverkondiging aanvaardbaar was, en daardoor zondigden zij, en werden zij gedood op de straat van de grote stad van Openbaring hoofdstuk elf. Dood op straat moesten zij vervolgens worden opgewekt, zoals de twee getuigen na drieënhalve dag.

“The dry bones need to be breathed upon by the Holy Spirit of God, that they may come into action, as by a resurrection from the dead.” Bible Training School, December 1, 1903.

‘De dorre beenderen moeten door de Heilige Geest van God worden aangeblazen, opdat zij in beweging komen, als door een opstanding uit de doden.’ Bible Training School, 1 december 1903.

In previous articles we have shown that the message of the four winds that resurrects the two witnesses, is the message of Islam of the third Woe, and that the message is the Midnight Cry message of the last days. Ezekiel says, “moreover,” and in so doing identified that during the history that illustrates the proclamation of the Midnight Cry, two sticks, one represented as Ephraim and one as Judah, were to be joined together and become one nation. The parable of the ten virgins is fulfilled in the last days, “to the very letter,” as it was fulfilled in Millerite history. In the period when the Midnight Cry was fulfilled in the Millerite history, and again in the fulfillment of the last days, “two sticks” were and will be joined together.

In vorige artikelen hebben wij aangetoond dat de boodschap van de vier winden, die de twee getuigen doet herleven, de islamitische boodschap van het derde Wee is, en dat die boodschap de Middernachtsroep-boodschap van de laatste dagen is. Ezechiël zegt: „voorts”, en duidde daarmee aan dat gedurende de geschiedenis die de verkondiging van de Middernachtsroep uitbeeldt, twee stokken, waarvan de ene als Efraïm en de andere als Juda wordt voorgesteld, samengevoegd moesten worden en één natie zouden worden. De gelijkenis van de tien maagden wordt in de laatste dagen vervuld, „tot op de letter”, zoals zij in de geschiedenis van het Millerisme werd vervuld. In de periode waarin de Middernachtsroep in de Milleritische geschiedenis werd vervuld, en opnieuw in de vervulling van de laatste dagen, werden en zullen „twee stokken” samengevoegd worden.

The two sticks represented the northern (Ephraim) and southern kingdoms (Judah) of ancient Israel. We have also shown that William Miller was typified by Elijah, and that during the three-and-a-half years of drought Elijah had gone to the widow of Zarephath.

De twee stokken vertegenwoordigden de noordelijke (Efraïm) en zuidelijke koninkrijken (Juda) van het oude Israël. Wij hebben ook aangetoond dat William Miller door Elia werd getypeerd, en dat Elia gedurende de drieënhalf jaar van droogte naar de weduwe van Zarfath was gegaan.

And the word of the Lord came unto him, saying, Arise, get thee to Zarephath, which belongeth to Zidon, and dwell there: behold, I have commanded a widow woman there to sustain thee. So he arose and went to Zarephath. And when he came to the gate of the city, behold, the widow woman was there gathering of sticks: and he called to her, and said, Fetch me, I pray thee, a little water in a vessel, that I may drink. And as she was going to fetch it, he called to her, and said, Bring me, I pray thee, a morsel of bread in thine hand. And she said, As the Lord thy God liveth, I have not a cake, but an handful of meal in a barrel, and a little oil in a cruse: and, behold, I am gathering two sticks, that I may go in and dress it for me and my son, that we may eat it, and die. And Elijah said unto her, Fear not; go and do as thou hast said: but make me thereof a little cake first, and bring it unto me, and after make for thee and for thy son. For thus saith the Lord God of Israel, The barrel of meal shall not waste, neither shall the cruse of oil fail, until the day that the Lord sendeth rain upon the earth. And she went and did according to the saying of Elijah: and she, and he, and her house, did eat many days. 1 Kings 17:8–15.

En het woord des Heren kwam tot hem, zeggende: Sta op, ga naar Zarfath, dat aan Sidon behoort, en woon aldaar; zie, Ik heb daar een weduwe geboden u te onderhouden. Zo stond hij op en ging naar Zarfath. En toen hij aan de poort der stad kwam, zie, de weduwe was daar hout aan het sprokkelen; en hij riep haar en zeide: Haal mij toch een weinig water in een vat, opdat ik drinke. En terwijl zij heenging om het te halen, riep hij haar en zeide: Breng mij toch een stuk brood in uw hand. Maar zij zeide: Zo waar de Here, uw God, leeft, ik heb geen koek, slechts een handvol meel in de pot en een weinig olie in de kruik; en zie, ik raap twee stukken hout bijeen, opdat ik naar binnen ga en het gereedmake voor mij en mijn zoon, zodat wij het eten en sterven. En Elia zeide tot haar: Vrees niet; ga heen en doe zoals gij gezegd hebt; maar maak eerst daarvan voor mij een kleine koek en breng die tot mij, en maak daarna voor u en voor uw zoon. Want zo zegt de Here, de God van Israël: De pot meel zal niet verteren en de kruik olie zal niet ontbreken tot op de dag dat de Here regen op de aardbodem geven zal. En zij ging heen en deed overeenkomstig het woord van Elia; en zij, hij en haar huis aten vele dagen. 1 Koningen 17:8–15.

The “many days” in the passage is the three-and-a-half years that Ahab searched for Elijah and represented the twelve-hundred-and-sixty years of papal persecution. Concerning the “many days” of papal persecution, Jesus said:

De „vele dagen” in de passage zijn de drieënhalf jaar waarin Achab naar Elia zocht en vertegenwoordigden de twaalfhonderdzestig jaren van pauselijke vervolging. Met betrekking tot de „vele dagen” van pauselijke vervolging zei Jezus:

And except those days should be shortened, there should no flesh be saved: but for the elect’s sake those days shall be shortened. Matthew 24:22.

En indien die dagen niet verkort werden, zou geen vlees behouden worden; maar ter wille van de uitverkorenen zullen die dagen verkort worden. Mattheüs 24:22.

Sister White directly identifies Jesus’ pronouncement of “those days” as the period of papal persecution.

Zuster White identificeert Jezus’ uitspraak over „die dagen” rechtstreeks als de periode van pauselijke vervolging.

The persecution of the church did not continue throughout the entire period of the 1260 years. God in mercy to His people cut short the time of their fiery trial. In foretelling the ‘great tribulation’ to befall the church, the Saviour said: ‘Except those days should be shortened, there should no flesh be saved: but for the elect’s sake those days shall be shortened.’ Matthew 24:22. Through the influence of the Reformation the persecution was brought to an end prior to 1798.” The Great Controversy, 266, 267.

„De vervolging van de kerk duurde niet voort gedurende de gehele periode van de 1260 jaren. God verkortte in barmhartigheid jegens Zijn volk de tijd van hun vurige beproeving. Toen de Heiland de ‘grote verdrukking’ voorzegde die over de kerk zou komen, zei Hij: ‘En indien die dagen niet verkort werden, zo zou geen vlees behouden worden; maar om der uitverkorenen wil zullen die dagen verkort worden.’ Mattheüs 24:22. Door de invloed van de Reformatie kwam de vervolging vóór 1798 ten einde.” The Great Controversy, 266, 267.

The “many days” that Elijah was sustained by the widow, were also the “many days” of papal persecution identified by Daniel.

De „vele dagen” waarin Elia door de weduwe werd onderhouden, waren ook de „vele dagen” van de pauselijke vervolging die door Daniël werd aangeduid.

And they that understand among the people shall instruct many: yet they shall fall by the sword, and by flame, by captivity, and by spoil, many days. Now when they shall fall, they shall be holpen with a little help: but many shall cleave to them with flatteries. And some of them of understanding shall fall, to try them, and to purge, and to make them white, even to the time of the end: because it is yet for a time appointed. Daniel 11:33–35.

En zij die onder het volk verstandig zijn, zullen velen onderwijzen; nochtans zullen zij vallen door het zwaard, en door vlam, door gevangenschap en door beroving, vele dagen. En wanneer zij zullen vallen, zullen zij met een weinig hulp geholpen worden; maar velen zullen zich met vleierijen bij hen voegen. En sommigen van hen die verstandig zijn, zullen vallen, om hen te beproeven, en te zuiveren, en wit te maken, tot de tijd van het einde; want het is nog tot een vastgestelde tijd. Daniël 11:33–35.

The “time of the end,” which is also the “time appointed” in the verses, was 1798, and it marked the end of papal persecution, as had been typified by Elijah’s time with the widow of Zarephath. In that history the widow, representing an unmarried church, was identified as the church in the wilderness in chapter twelve of the book of Revelation. She was gathering two sticks, not one stick or ten sticks, but two sticks. Ezekiel was to take two sticks, one for the northern kingdom of Israel and one for the southern kingdom of Israel and join them together to make one stick. Those two kingdoms had both been scattered for twenty-five hundred and twenty years, but God’s promise was that He would gather them. The woman was gathering the two sticks that were to be joined together, and she was doing so “until the day that the Lord sendeth rain upon the earth.”

De „tijd van het einde”, die in de verzen ook de „vastgestelde tijd” is, was 1798, en zij markeerde het einde van de pauselijke vervolging, zoals die was voorafgeschaduwd door Elia’s tijd bij de weduwe van Sarepta. In die geschiedenis werd de weduwe, die een ongehuwde kerk vertegenwoordigt, in hoofdstuk twaalf van het boek Openbaring geïdentificeerd als de kerk in de woestijn. Zij raapte twee stukken hout bijeen, niet één stuk hout of tien stukken hout, maar twee stukken hout. Ezechiël moest twee stukken hout nemen, één voor het noordelijke koninkrijk van Israël en één voor het zuidelijke koninkrijk van Israël, en die samenvoegen tot één stuk hout. Die twee koninkrijken waren beide gedurende tweeduizend vijfhonderdtwintig jaar verstrooid geweest, maar Gods belofte was dat Hij hen zou vergaderen. De vrouw raapte de twee stukken hout bijeen die samengevoegd zouden worden, en zij deed dit „tot de dag dat de HEERE regen op de aarde zendt.”

The day when the Lord sent “rain” was identifying the Midnight Cry of Millerite history, that reached its conclusion on October 22, 1844, when the Messenger of the Covenant suddenly came to the temple He had erected from 1798 (the end of the first indignation), through until October 22, 1844 (the end of the last indignation). In that period of time, the Midnight Cry message, represented in Ezekiel’s illustration of the valley of bones was fulfilled, when the two sticks of the northern and southern kingdoms were joined to form one nation, with one king, for on October 22, 1844, Christ came before the Father and received a kingdom.

De dag waarop de Heer „regen” zond, duidde de Middernachtsroep van de Milleritische geschiedenis aan, die haar voltooiing bereikte op 22 oktober 1844, toen de Boodschapper van het Verbond plotseling kwam tot de tempel die Hij had opgericht vanaf 1798 (het einde van de eerste verontwaardiging) tot 22 oktober 1844 (het einde van de laatste verontwaardiging). In die periode werd de boodschap van de Middernachtsroep, voorgesteld in Ezechiëls illustratie van het dal der beenderen, vervuld, toen de twee stokken van de noordelijke en zuidelijke koninkrijken werden samengevoegd om één natie te vormen, met één koning, want op 22 oktober 1844 kwam Christus voor de Vader en ontving Hij een koninkrijk.

“The coming of Christ as our high priest to the most holy place, for the cleansing of the sanctuary, brought to view in Daniel 8:14; the coming of the Son of man to the Ancient of Days, as presented in Daniel 7:13; and the coming of the Lord to His temple, foretold by Malachi, are descriptions of the same event; and this is also represented by the coming of the bridegroom to the marriage, described by Christ in the parable of the ten virgins, of Matthew 25.” The Great Controversy, 426.

„De komst van Christus als onze Hogepriester naar het allerheiligste, tot de reiniging van het heiligdom, zoals voor ogen gesteld in Daniël 8:14; de komst van de Zoon des mensen tot de Oude van dagen, zoals voorgesteld in Daniël 7:13; en de komst van de Heere tot Zijn tempel, voorzegd door Maleachi, zijn beschrijvingen van dezelfde gebeurtenis; en dit wordt ook uitgebeeld door de komst van de bruidegom naar de bruiloft, zoals door Christus beschreven in de gelijkenis van de tien maagden, in Mattheüs 25.” The Great Controversy, 426.

Christ received a kingdom on October 22, 1844, as identified in Daniel.

Christus ontving op 22 oktober 1844 een koninkrijk, zoals in Daniël wordt aangeduid.

I saw in the night visions, and, behold, one like the Son of man came with the clouds of heaven, and came to the Ancient of days, and they brought him near before him. And there was given him dominion, and glory, and a kingdom, that all people, nations, and languages, should serve him: his dominion is an everlasting dominion, which shall not pass away, and his kingdom that which shall not be destroyed. Daniel 7:13, 14.

Ik zag in de nachtgezichten, en zie, met de wolken des hemels kwam iemand als een Mensenzoon, en Hij kwam tot de Oude van dagen, en zij brachten Hem voor Zijn aangezicht. En Hem werd heerschappij gegeven, en eer, en het koningschap, opdat alle volken, natiën en talen Hem zouden dienen: Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die niet zal vergaan, en Zijn koninkrijk is zodanig dat het niet te gronde gericht zal worden. Daniël 7:13, 14.

When Ezekiel’s two sticks are joined together, they have one king over them.

Wanneer de twee stokken van Ezechiël samengevoegd worden, hebben zij één koning over zich.

And David my servant shall be king over them; and they all shall have one shepherd: they shall also walk in my judgments, and observe my statutes, and do them. And they shall dwell in the land that I have given unto Jacob my servant, wherein your fathers have dwelt; and they shall dwell therein, even they, and their children, and their children’s children for ever: and my servant David shall be their prince forever. Ezekiel 37:24, 25.

En mijn knecht David zal koning over hen zijn, en zij allen zullen één herder hebben; ook zullen zij wandelen in mijn verordeningen en mijn inzettingen onderhouden en die doen. En zij zullen wonen in het land dat Ik aan mijn knecht Jakob gegeven heb, waarin uw vaderen gewoond hebben; en zij zullen daarin wonen, zij en hun kinderen en hun kindskinderen, tot in eeuwigheid; en mijn knecht David zal hun vorst zijn voor eeuwig. Ezechiël 37:24, 25.

All the prophets agree with one another, and king David is Christ who came before the Father on October 22, 1844, and received a kingdom that had been gathered together from the two sticks of Israel (the northern kingdom) and Judah (the southern kingdom). The scattering of the two kingdoms ended during the forty-six years from 1798 to 1844, as Christ raised a temple that had been desolated and trampled down. When He raised the temple, He then suddenly came unto His temple as the Messenger of the Covenant, in fulfillment of Malachi chapter three. Ezekiel agrees with that fact, for all the prophets agree with one another.

Alle profeten stemmen met elkander overeen, en koning David is Christus, die op 22 oktober 1844 vóór de Vader kwam en een koninkrijk ontving dat was samengevoegd uit de twee stokken van Israël (het noordelijke koninkrijk) en Juda (het zuidelijke koninkrijk). De verstrooiing van de twee koninkrijken eindigde gedurende de zesenveertig jaren van 1798 tot 1844, toen Christus een tempel oprichtte die verwoest en vertrapt was geweest. Toen Hij de tempel had opgericht, kwam Hij vervolgens plotseling tot Zijn tempel als de Boodschapper van het Verbond, ter vervulling van Maleachi hoofdstuk drie. Ezechiël stemt met dat feit overeen, want alle profeten stemmen met elkander overeen.

And David my servant shall be king over them; and they all shall have one shepherd: they shall also walk in my judgments, and observe my statutes, and do them. And they shall dwell in the land that I have given unto Jacob my servant, wherein your fathers have dwelt; and they shall dwell therein, even they, and their children, and their children’s children for ever: and my servant David shall be their prince forever. Moreover I will make a covenant of peace with them; it shall be an everlasting covenant with them: and I will place them, and multiply them, and will set my sanctuary in the midst of them for evermore. My tabernacle also shall be with them: yea, I will be their God, and they shall be my people. Ezekiel 37:24–27.

En mijn knecht David zal koning over hen zijn, en zij zullen allen één herder hebben; ook zullen zij wandelen in mijn verordeningen, mijn inzettingen onderhouden en die doen. En zij zullen wonen in het land dat Ik aan Jakob, mijn knecht, gegeven heb, waarin uw vaderen gewoond hebben; en zij zullen daarin wonen, zij en hun kinderen en hun kindskinderen, tot in eeuwigheid; en mijn knecht David zal hun vorst zijn voor eeuwig. Bovendien zal Ik met hen een verbond des vredes sluiten; het zal een eeuwig verbond met hen zijn; en Ik zal hun een plaats geven, hen vermenigvuldigen, en mijn heiligdom voor eeuwig in hun midden stellen. Ook zal mijn tabernakel bij hen zijn; ja, Ik zal hun God zijn, en zij zullen mijn volk zijn. Ezechiël 37:24–27.

It is Christ that erects the temple.

Het is Christus die de tempel opricht.

And speak unto him, saying, Thus speaketh the Lord of hosts, saying, Behold the man whose name is The BRANCH; and he shall grow up out of his place, and he shall build the temple of the Lord: Even he shall build the temple of the Lord; and he shall bear the glory, and shall sit and rule upon his throne; and he shall be a priest upon his throne: and the counsel of peace shall be between them both. And the crowns shall be to Helem, and to Tobijah, and to Jedaiah, and to Hen the son of Zephaniah, for a memorial in the temple of the Lord. And they that are far off shall come and build in the temple of the Lord, and ye shall know that the Lord of hosts hath sent me unto you. And this shall come to pass, if ye will diligently obey the voice of the Lord your God. Zechariah 6:12–15.

En spreek tot hem en zeg: Zo spreekt de HEERE der heirscharen: Zie, de Man wiens Naam is de SPRUIT; en Hij zal opkomen uit Zijn plaats, en Hij zal de tempel des HEEREN bouwen. Ja, Hij zal de tempel des HEEREN bouwen; en Hij zal de heerlijkheid dragen, en Hij zal zitten en heersen op Zijn troon; en Hij zal Priester zijn op Zijn troon; en de raad des vredes zal tussen die beiden zijn. En de kronen zullen voor Helem, en voor Tobia, en voor Jedaja, en voor Hen, de zoon van Zefanja, tot een gedachtenis zijn in de tempel des HEEREN. Ook zullen zij die verre zijn, komen en bouwen in de tempel des HEEREN, en gij zult weten dat de HEERE der heirscharen Mij tot u gezonden heeft. En dit zal geschieden, indien gij naarstiglijk de stem van de HEERE, uw God, zult gehoorzamen. Zacharia 6:12–15.

Christ is the BRANCH, and He identified that if they destroyed His temple that He would raise it in three days, to which the Jews replied that it took forty-six years to build the temple.

Christus is de SPRUIT, en Hij verklaarde dat, indien zij Zijn tempel afbraken, Hij die in drie dagen zou oprichten; waarop de Joden antwoordden dat het zesenveertig jaar had geduurd om de tempel te bouwen.

Then answered the Jews and said unto him, What sign showest thou unto us, seeing that thou doest these things? Jesus answered and said unto them, Destroy this temple, and in three days I will raise it up. Then said the Jews, Forty and six years was this temple in building, and wilt thou rear it up in three days? John 2:18–20.

Toen antwoordden de Joden en zeiden tot Hem: Welk teken toont Gij ons, daar Gij deze dingen doet? Jezus antwoordde en zei tot hen: Breekt deze tempel af, en in drie dagen zal Ik hem doen verrijzen. Toen zeiden de Joden: Zesenveertig jaren is aan deze tempel gebouwd, en Gij, zult Gij die in drie dagen doen verrijzen? Johannes 2:18–20.

Christ was speaking of His body in the passage, but all the prophets are speaking more about the last days than the days in which they lived. The resurrection of Christ on the third day, represented the resurrection of the dead bones during the outpouring of the Holy Spirit in the Midnight Cry. The rain that is the subject of Elijah’s testimony, was manifested during the climax of his confrontation with the prophets of Baal and Ashtaroth. It was then demonstrated that the God of Elijah was the true God, and also that Elijah was the true prophet.

Christus sprak in de passage over Zijn lichaam, maar alle profeten spreken meer over de laatste dagen dan over de dagen waarin zij leefden. De opstanding van Christus op de derde dag vertegenwoordigde de opstanding van de dorre beenderen tijdens de uitstorting van de Heilige Geest in de Middernachtsroep. De regen die het onderwerp is van Elia’s getuigenis, werd geopenbaard tijdens het hoogtepunt van zijn confrontatie met de profeten van Baäl en Astarot. Toen werd aangetoond dat de God van Elia de ware God was, en ook dat Elia de ware profeet was.

At the arrival of the first disappointment, it was manifested that the Protestants had become false prophets, as typified by the prophets of Baal and Ashtaroth. The tarrying time then began, and led to the message of the Midnight Cry, that led to Christ suddenly coming to His temple. The Midnight Cry is represented by Ezekiel’s message that brings the bones up as a mighty army. Moreover, during that period (forty-six years), the two sticks were to be joined together to produce one nation, with one king.

Bij het intreden van de eerste teleurstelling werd openbaar dat de protestanten valse profeten waren geworden, zoals getypeerd door de profeten van Baäl en Astarte. Toen begon de vertoeftijd, en deze leidde tot de boodschap van de Middernachtsroep, die ertoe leidde dat Christus plotseling tot Zijn tempel kwam. De Middernachtsroep wordt voorgesteld door Ezechiëls boodschap die de beenderen doet opkomen als een machtig leger. Bovendien moesten gedurende die periode (zesenveertig jaar) de twee stokken samengevoegd worden om één volk voort te brengen, met één koning.

The word of the Lord came again unto me, saying, Moreover, thou son of man, take thee one stick, and write upon it, For Judah, and for the children of Israel his companions: then take another stick, and write upon it, For Joseph, the stick of Ephraim, and for all the house of Israel his companions: And join them one to another into one stick; and they shall become one in thine hand. And when the children of thy people shall speak unto thee, saying, Wilt thou not shew us what thou meanest by these? Say unto them, Thus saith the Lord God; Behold, I will take the stick of Joseph, which is in the hand of Ephraim, and the tribes of Israel his fellows, and will put them with him, even with the stick of Judah, and make them one stick, and they shall be one in mine hand. And the sticks whereon thou writest shall be in thine hand before their eyes. And say unto them, Thus saith the Lord God; Behold, I will take the children of Israel from among the heathen, whither they be gone, and will gather them on every side, and bring them into their own land: And I will make them one nation in the land upon the mountains of Israel; and one king shall be king to them all: and they shall be no more two nations, neither shall they be divided into two kingdoms any more at all: Neither shall they defile themselves any more with their idols, nor with their detestable things, nor with any of their transgressions: but I will save them out of all their dwelling places, wherein they have sinned, and will cleanse them: so shall they be my people, and I will be their God. Ezekiel 37:15–23.

En het woord des HEEREN kwam opnieuw tot mij, zeggende: Voorts, gij mensenkind, neem u één stok en schrijf daarop: Voor Juda en voor de kinderen van Israël, zijn metgezellen; neem daarna een andere stok en schrijf daarop: Voor Jozef, de stok van Efraïm, en voor het gehele huis van Israël, zijn metgezellen. Voeg ze dan bijeen, de ene aan de andere, tot één stok; en zij zullen in uw hand tot één worden. En wanneer de kinderen van uw volk tot u zullen spreken en zeggen: Zult gij ons niet te kennen geven wat gij hiermee bedoelt? zeg dan tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zal de stok van Jozef nemen, die in de hand van Efraïm is, en de stammen van Israël, zijn genoten, en Ik zal die bij hem voegen, namelijk bij de stok van Juda, en ze tot één stok maken; en zij zullen één zijn in Mijn hand. En de stokken waarop gij schrijft, zullen voor hun ogen in uw hand zijn. En zeg tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zal de kinderen van Israël wegnemen uit het midden van de heidenen, waarheen zij gegaan zijn, en Ik zal hen van rondom bijeenvergaderen en hen in hun eigen land brengen. En Ik zal hen in het land, op de bergen van Israël, tot één volk maken; en één Koning zal hun allen tot Koning zijn; en zij zullen niet langer twee volken zijn, noch ooit meer verdeeld worden in twee koninkrijken. Ook zullen zij zich niet meer verontreinigen met hun afgoden, noch met hun verfoeilijke dingen, noch met enige van hun overtredingen; maar Ik zal hen verlossen uit al hun woonplaatsen, waarin zij gezondigd hebben, en Ik zal hen reinigen; zo zullen zij Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn. Ezechiël 37:15–23.

The two sticks which the widow was gathering in advance of Elijah’s rain at the Midnight Cry, were the northern and southern kingdoms of Israel that had been scattered and were to be gathered into one nation on October 22, 1844, when the antitypical Day of Atonement began, for the promise was that at that time God “will cleanse them.” The cleansing, representing the Investigative Judgment, began at that time. That gathering of the two sticks must be understood correctly, for God always illustrates the end of a thing with the beginning of a thing.

De twee stokken die de weduwe bijeenraapte in afwachting van Elia’s regen bij de Middernachtsroep, waren de noordelijke en zuidelijke koninkrijken van Israël, die verstrooid waren en op 22 oktober 1844 tot één natie verzameld zouden worden, toen de antitypische Verzoendag begon, want de belofte was dat God hen te dien tijde “zal reinigen”. De reiniging, die het Onderzoekend Oordeel vertegenwoordigt, begon op dat moment. Dat bijeenbrengen van de twee stokken moet juist begrepen worden, want God beeldt altijd het einde van een zaak uit door middel van het begin van een zaak.

1844, was the end of the two kingdoms of Israel, for they had then become one kingdom, spiritual Israel, and they were from that point on only to be one nation. That history was illustrated by the beginning history when they had become two nations, which is the history of the rebellion of Jeroboam.

1844 was het einde van de twee koninkrijken van Israël, want zij waren toen één koninkrijk geworden, geestelijk Israël, en vanaf dat moment zouden zij slechts één natie zijn. Die geschiedenis werd geïllustreerd door de beginperiode waarin zij twee naties waren geworden, namelijk de geschiedenis van de opstand van Jerobeam.

The history of Jeroboam’s counterfeit system of worship must also be illustrated at the end of his kingdom. Aaron’s rebellion in the beginning of ancient Israel and Jeroboam’s rebellion at the beginning of the northern kingdom, represent the rebellion of 1863, and 1863 is only clearly understood when the end of Jeroboam’s kingdom, as represented by the joining of the two sticks, is also laid over the top of 1863. It is then that 1863 is clearly seen to be represented as a generation that erected an image of jealousy.

De geschiedenis van Jerobeams vervalste stelsel van aanbidding moet ook worden uitgebeeld aan het einde van zijn koninkrijk. Aarons opstand aan het begin van het oude Israël en Jerobeams opstand aan het begin van het noordelijke koninkrijk vertegenwoordigen de opstand van 1863, en 1863 wordt slechts dan duidelijk begrepen wanneer ook het einde van Jerobeams koninkrijk, zoals weergegeven door het samenvoegen van de twee stokken, over 1863 heen wordt gelegd. Dan wordt duidelijk gezien dat 1863 wordt voorgesteld als een generatie die een beeld der jaloezie heeft opgericht.

We will continue this study in the next article.

Wij zullen deze studie in het volgende artikel voortzetten.

“But not only does this simile of the dry bones apply to the world, but also to those who have been blessed with great light; for they also are like the skeletons of the valley. They have the form of men, the framework of the body; but they have not spiritual life. But the parable does not leave the dry bones merely knit together into the forms of men; for it is not enough that there is symmetry of limb and feature. The breath of life must vivify the bodies, that they may stand upright, and spring into activity. These bones represent the house of Israel, the church of God, and the hope of the church is the vivifying influence of the Holy Spirit. The Lord must breathe upon the dry bones, that they may live.

„Maar niet alleen is deze gelijkenis van de dorre beenderen van toepassing op de wereld, maar ook op hen die met groot licht zijn gezegend; want ook zij zijn gelijk aan de skeletten van de vallei. Zij hebben de gedaante van mensen, het geraamte van het lichaam; maar zij bezitten geen geestelijk leven. Maar de gelijkenis laat de dorre beenderen niet slechts aaneengevoegd tot mensengestalten; want het is niet genoeg dat er evenredigheid van ledematen en trekken is. De levensadem moet de lichamen levend maken, opdat zij rechtop kunnen staan en tot werkzaamheid kunnen opveren. Deze beenderen stellen het huis Israëls voor, de gemeente Gods, en de hoop van de gemeente is de levendmakende invloed van de Heilige Geest. De Heere moet op de dorre beenderen blazen, opdat zij leven.”

“The Spirit of God, with its vivifying power, must be in every human agent, that every spiritual muscle and sinew may be in exercise. Without the Holy Spirit, without the breath of God, there is torpidity of conscience, loss of spiritual life. Many who are without spiritual life have their names on the church records, but they are not written in the Lamb’s book of life. They may be joined to the church, but they are not united to the Lord. They may be diligent in the performance of a certain set of duties, and may be regarded as living men; but many are among those who have ‘a name that thou livest, and art dead.’

“De Geest van God moet, met zijn levendmakende kracht, in iedere menselijke medewerker zijn, opdat elke geestelijke spier en pees in werking zij. Zonder de Heilige Geest, zonder de adem van God, is er traagheid van het geweten, verlies van geestelijk leven. Velen die zonder geestelijk leven zijn, hebben hun namen in de kerkregisters staan, maar zij zijn niet geschreven in het boek des levens van het Lam. Zij mogen met de kerk verbonden zijn, maar zij zijn niet met de Heer verenigd. Zij mogen ijverig zijn in de vervulling van een bepaalde reeks plichten en als levende mensen worden beschouwd; maar velen behoren tot degenen die ‘de naam hebt dat gij leeft, en gij zijt dood.’”

“Unless there is genuine conversion of the soul to God; unless the vital breath of God quickens the soul to spiritual life; unless the professors of truth are actuated by heaven-born principle, they are not born of the incorruptible seed which liveth and abideth forever. Unless they trust in the righteousness of Christ as their only security; unless they copy His character, labor in His spirit, they are naked, they have not on the robe of His righteousness. The dead are often made to pass for the living; for those who are working out what they term salvation after their own ideas, have not God working in them to will and to do of His good pleasure.

“Tenzij er een oprechte bekering van de ziel tot God is; tenzij de levensadem van God de ziel levend maakt tot geestelijk leven; tenzij de belijders van de waarheid worden bewogen door een uit de hemel geboren beginsel, zijn zij niet geboren uit het onvergankelijke zaad, dat leeft en blijft tot in eeuwigheid. Tenzij zij vertrouwen op de gerechtigheid van Christus als hun enige zekerheid; tenzij zij Zijn karakter navolgen, arbeiden in Zijn geest, zijn zij naakt, hebben zij het kleed van Zijn gerechtigheid niet aan. De doden worden dikwijls voor levenden gehouden; want zij die uitwerken wat zij naar hun eigen denkbeelden zaligheid noemen, hebben niet God in zich werkzaam, om te willen en te werken naar Zijn welbehagen.”

“This class is well represented by the valley of dry bones Ezekiel saw in vision.” Review and Herald, January 17, 1893.

„Deze klasse wordt treffend voorgesteld door het dal van dorre beenderen dat Ezechiël in een visioen zag.” Review and Herald, 17 januari 1893.