Mozes en Elia zijn profetische symbolen die, naar de context, elk als een op zichzelf staand symbool kunnen worden verstaan, maar ook als een symbool waarin beide profeten zijn vervat. Op het getuigenis van twee wordt een zaak bevestigd, en in Openbaring elf vertegenwoordigen Mozes en Elia de twee getuigen van het Oude en het Nieuwe Testament. Op de Berg der Verheerlijking, die de Wederkomst van Christus voorstelt, vertegenwoordigt het dubbele symbool zowel de honderdvierenveertigduizend (Elia) als de martelaren (Mozes) van de crisis van de zondagswet. Samen, als één symbool, vertegenwoordigen zij in de grot van Horeb Gods volk aan het einde van de wereld, dat de boodschap die een openbaring is van Gods karakter, en die de kracht bevat om een Laodiceeër in een Filadelfiër te veranderen, “hoort”, “leest” en “bewaart”. Er zal spoedig, (zeer spoedig) een punt komen waarop het voor de dwaze Laodiceese Adventisten niet langer mogelijk zal zijn zich de “olie” te verschaffen die nodig is om op juiste wijze te reageren op de roep: “Zie, de Bruidegom komt.”
En Mozes zeide tot de HEERE: Zie, Gij zegt tot mij: Voer dit volk op; maar Gij hebt mij niet bekendgemaakt wie Gij met mij zenden zult. Nochtans hebt Gij gezegd: Ik ken u bij name, en ook hebt gij genade gevonden in mijn ogen. Nu dan, ik bid U, indien ik genade gevonden heb in Uw ogen, maak mij toch nu Uw weg bekend, opdat ik U kenne, opdat ik genade vinde in Uw ogen; en bedenk dat deze natie Uw volk is. En Hij zeide: Mijn aangezicht zal meegaan, en Ik zal u rust geven. Toen zeide hij tot Hem: Indien Uw aangezicht niet meegaat, voer ons vanhier niet op. Want waarin zou hier bekend worden dat ik en Uw volk genade gevonden hebben in Uw ogen? Is het niet daarin dat Gij met ons meegaat? Zo zullen wij afgezonderd zijn, ik en Uw volk, van al de volken die op de aardbodem zijn. En de HEERE zeide tot Mozes: Ook dit woord dat gij gesproken hebt, zal Ik doen; want gij hebt genade gevonden in mijn ogen, en Ik ken u bij name. Toen zeide hij: Ik bid U, toon mij toch Uw heerlijkheid. En Hij zeide: Ik zal al Mijn goedheid aan u doen voorbijgaan, en Ik zal de Naam des HEEREN voor uw aangezicht uitroepen; en Ik zal genadig zijn wie Ik genadig zal zijn, en Mij ontfermen over wie Ik Mij ontfermen zal. Voorts zeide Hij: Gij zult Mijn aangezicht niet kunnen zien, want geen mens zal Mij zien en leven. En de HEERE zeide: Zie, er is een plaats bij Mij, waar gij op de rots zult staan. En het zal geschieden, wanneer Mijn heerlijkheid voorbijgaat, dat Ik u in een kloof van de rots zal zetten en u met Mijn hand bedekken, totdat Ik zal zijn voorbijgegaan. Daarna zal Ik Mijn hand wegnemen, en gij zult Mijn achterzijde zien; maar Mijn aangezicht zal niet gezien worden. En de HEERE zeide tot Mozes: Houw u twee stenen tafelen, gelijk de eerste; en Ik zal op deze tafelen de woorden schrijven die op de eerste tafelen waren, welke gij verbrijzeld hebt. En wees gereed tegen de morgen, en klim des morgens op de berg Sinaï, en stel u daar voor Mijn aangezicht op de top van de berg. En niemand zal met u opklimmen, ook zal niemand op de gehele berg gezien worden; ook het kleinvee en het rundvee zullen niet weiden tegenover die berg. Toen hieuw hij twee stenen tafelen, gelijk de eerste; en Mozes stond des morgens vroeg op en klom op de berg Sinaï, gelijk de HEERE hem geboden had, en hij nam de twee stenen tafelen in zijn hand. En de HEERE daalde neder in de wolk, en stelde Zich daar bij hem, en riep de Naam des HEEREN uit. Toen ging de HEERE aan zijn aangezicht voorbij en riep: HEERE, HEERE God, barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van goedertierenheid en waarheid, Die de goedertierenheid bewaart aan duizenden, Die ongerechtigheid, overtreding en zonde vergeeft, maar de schuldige geenszins onschuldig houdt; Die de ongerechtigheid der vaderen bezoekt aan de kinderen en aan de kindskinderen, aan het derde en aan het vierde geslacht. En Mozes haastte zich, boog zich ter aarde en aanbad. En hij zeide: Indien ik nu genade gevonden heb in Uw ogen, Heere, laat dan toch de Heere in ons midden meegaan; want het is een hardnekkig volk; en vergeef onze ongerechtigheid en onze zonde, en neem ons aan tot Uw erfdeel. En Hij zeide: Zie, Ik maak een verbond: voor het aangezicht van heel uw volk zal Ik wonderen doen, zoals zij op de gehele aarde, noch onder enige natie, niet gedaan zijn; en al het volk in welks midden gij zijt, zal het werk des HEEREN zien; want het is een vreselijke zaak die Ik met u doen zal. Exodus 33:12–34:10.
Mozes vertegenwoordigt Gods volk aan het einde van de wereld. Zij zijn degenen die in de „laatste dagen” van het onderzoekend oordeel God vragen hun Zijn „weg” te tonen, „opdat” zij God mogen „kennen”, en die daarop van God een antwoord ontvangen dat de belofte inhoudt dat Zijn „tegenwoordigheid” met hen zal meegaan, en dat God dat volk „rust” zal geven.
Zo zegt de HEERE: Gaat staan op de wegen, en ziet toe, en vraagt naar de oude paden, waar toch de goede weg zij, en wandelt daarin; zo zult gij rust vinden voor uw zielen. Maar zij zeiden: Wij zullen daarin niet wandelen. Ook heb Ik wachters over u gesteld, zeggende: Luistert naar het geluid van de bazuin. Maar zij zeiden: Wij zullen niet luisteren. Jeremia 6:16, 17.
Jeremia duidt een categorie aan die weigert te “zien” en te “horen” en daarom de “rust” niet ontvangt die beloofd is aan hen die de “goede weg” zoeken en “daarop wandelen”. Die rust wordt door Jesaja aangeduid als de “verkwikking”.
Aan wie zal hij kennis leren? en aan wie zal hij de leer doen verstaan? Hun die van de melk gespeend zijn, die van de borsten afgetrokken zijn. Want gebod moet op gebod zijn, gebod op gebod; regel op regel, regel op regel; hier een weinig, en daar een weinig. Want door stamelende lippen en in een andere tong zal hij tot dit volk spreken. Tot wie hij gezegd heeft: Dit is de rust, waarmee gij de vermoeide tot rust moogt brengen; en dit is de verkwikking; toch wilden zij niet horen. Maar het woord des Heren was hun gebod op gebod, gebod op gebod; regel op regel, regel op regel; hier een weinig, en daar een weinig; opdat zij heengaan, achterover vallen, verbroken worden, verstrikt raken en gevangen worden. Jesaja 28:9–13.
De „rust” en de „verkwikking” vertegenwoordigen de late regen die wordt uitgestort tijdens de verkondiging van de laatste waarschuwingsboodschap.
„Mijn aandacht werd gericht op de tijd waarin de boodschap van de derde engel ten einde liep. De kracht van God had op Zijn volk gerust; zij hadden hun werk volbracht en waren voorbereid op het uur van beproeving dat vóór hen lag. Zij hadden de late regen, of verkwikking van het aangezicht des Heeren, ontvangen, en het levende getuigenis was herleefd. De laatste grote waarschuwing had overal weerklonken, en zij had de bewoners der aarde, die de boodschap niet wilden aannemen, opgeschrikt en vertoornd.” Early Writings, 279.
De belofte van de „rust” of de „verkwikking”, die de „late regen” is, omvat de belofte die aan Mozes in de grot werd gegeven, dat Gods „tegenwoordigheid” met Zijn volk zou meegaan.
“Het werk zal gelijksoortig zijn aan dat van de pinksterdag. Zoals de ‘vroege regen’ werd gegeven, in de uitstorting van de Heilige Geest bij de aanvang van het evangelie, om het opkomen van het kostbare zaad te bewerken, zo zal de ‘late regen’ aan het einde ervan worden gegeven, tot de rijping van de oogst. ‘Dan zullen wij kennen, als wij voortgaan den Heere te kennen; Zijn uitgang is bereid als de dageraad; en Hij zal tot ons komen als een regen, als de spade regen en vroege regen des lands.’ (Hosea 6:3.) ‘En gij, kinderen van Sion, verheugt u en zijt blijde in den Heere, uw God; want Hij zal u geven dien leraar ter gerechtigheid; en Hij zal den regen doen neerdalen, den vroegen regen en den spaden regen, in de eerste maand.’ (Joël 2:23.) ‘En het zal zijn in de laatste dagen, zegt God, dat Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees.’ ‘En het zal zijn, dat een ieder die den naam des Heeren zal aanroepen, zalig zal worden.’ (Handelingen 2:17, 21.) Het grote werk van het evangelie zal niet eindigen met een geringere openbaring van de kracht Gods dan die waardoor het begin ervan werd gekenmerkt. De profetieën die vervuld werden in de uitstorting van de vroege regen bij de aanvang van het evangelie, zullen opnieuw vervuld worden in de late regen aan het einde ervan. Hier zijn ‘de tijden der verkwikking’ waarop de apostel Petrus vooruitzag toen hij zei: ‘Komt dan tot berouw en bekering, opdat uw zonden mogen uitgedelgd worden [in het onderzoekend oordeel], wanneer de tijden der verkwikking zullen gekomen zijn van het aangezicht des Heeren, en Hij Jezus zenden zal.’ (Handelingen 3:19–20.)”
„Dienaren van God, wier gelaat verlicht is en straalt van heilige toewijding, zullen zich van plaats tot plaats haasten om de boodschap uit de hemel te verkondigen. Door duizenden stemmen zal overal op aarde de waarschuwing worden gegeven. Wonderen zullen worden verricht, zieken zullen worden genezen, en tekenen en wonderen zullen de gelovigen volgen. Ook satan werkt met leugenachtige wondertekenen en laat zelfs vuur uit de hemel neerdalen voor de ogen der mensen. (Openbaring 13:13.) Zo zullen de bewoners der aarde ertoe worden gebracht hun standpunt in te nemen.” The Great Controversy, 611, 612.
De uitstorting van de Heilige Geest in de laatste dagen is voorafgebeeld door de uitstorting van de Heilige Geest aan het begin van de verkondiging van het evangelie. Het „woord des HEEREN tot hen” die niet willen horen wat de Geest tot de gemeenten zegt, was het profetische beginsel om de ene profetische geschiedenislijn aan een andere profetische geschiedenislijn toe te voegen teneinde het einde der wereld te verduidelijken. Het is niets minder dan het beginsel dat het einde van een zaak wordt geïllustreerd door het begin van een zaak. Deze profetische regel wordt verworpen door het dwaze Laodiceïsche volk van de Zevende-dags Adventisten. Wanneer zij wordt aanvaard, kan God „kennis leren”, waarvan Daniël aangeeft dat zij toeneemt ten tijde van het einde, en diezelfde kennis waarvan Hosea zegt dat Gods volk wordt uitgeroeid omdat het haar verwerpt. De klasse in Jesaja en Jeremia die weigert te horen of te zien, verwerpt de „verkwikking”, die de „rust” is die God belooft te geven aan Zijn volk van de „laatste dagen”, opdat zij de crisis aan het einde der dagen veilig zouden kunnen doorstaan.
De „naam des Heren” (karakter) die God aan Mozes verkondigde, was dat „de HEERE God” „barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van goedertierenheid en waarheid” is. Zijn karakter is barmhartigheid en waarheid. De waarheid die Zijn karakter vertegenwoordigt, is altijd verbonden met Zijn barmhartigheid, want niemand zal Zijn waarheid begrijpen, tenzij God eerst Zijn barmhartigheid jegens hem oefent, want allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid (het karakter) van God. De waarheid dat Jezus Christus de Alfa en de Omega is, wordt erkend en bewaard door hen die God van hun ongerechtigheden en zonde heeft vergeven. Die vergiffenis vindt plaats in de laatste taferelen van het onderzoekend oordeel. Degenen jegens wie Hij Zijn barmhartigheid oefent en aldus hun zonden vergeeft, neemt Hij tot Zijn erfdeel en met hen gaat Hij een verbond aan.
„In de laatste dagen van de geschiedenis van deze aarde moet Gods verbond met zijn geboden onderhoudende volk worden vernieuwd.” Review and Herald, 26 februari 1914.
Alle profeten, met inbegrip van Mozes, duiden de laatste dagen van het onderzoekend oordeel aan, wanneer God Zijn verbond vernieuwt met hen die worden aangeduid als de honderdvierenveertigduizend. En wanneer dat verbond is opgericht, zal God “wonderen doen, zoals niet gedaan zijn op de ganse aarde, noch onder enig volk; en al het volk in welks midden gij zijt, zal het werk des HEEREN zien; want het is een ontzagwekkende zaak die Ik met u doen zal.”
Mozes’ ervaring in de spelonk op de berg Horeb, ook bekend als de berg Sinaï, werd geplaatst binnen de context van Mozes’ worsteling met Gods volk. Zijn worsteling bestond erin de taak te volbrengen die God hem had gegeven. Mozes bevond zich in een worsteling aangaande Gods boodschap aan de wereld. Vlak voordat de Heer zijn heerlijkheid aan Mozes toonde, treffen wij Mozes aan terwijl hij logische argumenten tegenover de Heer gebruikt, waarbij hij suggereert dat, indien de Heer de opstandelingen zou vernietigen die zojuist rondom het gouden kalf van Aäron hadden gedanst, de vernietiging van de opstandelingen de boodschap zou vernietigen die Gods macht kenmerkte.
En de HEERE zeide tot Mozes: Ik heb dit volk gezien, en zie, het is een hardnekkig volk. Nu dan, laat Mij begaan, opdat Mijn toorn tegen hen ontbrande en Ik hen vertere; dan zal Ik u tot een groot volk maken. Maar Mozes smeekte de HEERE, zijn God, en zeide: HEERE, waarom zou Uw toorn ontbranden tegen Uw volk, dat Gij met grote kracht en met een sterke hand uit het land Egypte hebt uitgeleid? Waarom zouden de Egyptenaren spreken en zeggen: Tot hun verderf heeft Hij hen uitgeleid, om hen in de bergen te doden en hen van de aardbodem te verdoen? Keer U af van de felheid van Uw toorn, en laat het berouw U over dit kwaad tegen Uw volk. Gedenk Abraham, Izak en Israël, Uw knechten, aan wie Gij bij Uzelf gezworen hebt en tot wie Gij gesproken hebt: Ik zal uw nageslacht vermenigvuldigen als de sterren des hemels, en heel dit land waarvan Ik gesproken heb, zal Ik aan uw nageslacht geven, en zij zullen het voor eeuwig in bezit hebben. Toen liet de HEERE Zich het kwaad berouwen dat Hij gezegd had Zijn volk te zullen aandoen. Exodus 32:9–14.
De ervaring van Mozes in de spelonk omvat de boodschap die Mozes verordend was aan de wereld te verkondigen. Het getuigenis van de HEERE, Die aan Mozes voorbijging en Zijn karakter uitriep, wordt geplaatst binnen de context van een innerlijke boodschap over Gods opstandige (Laodiceaanse) volk, en de context van Elia’s ervaring in de spelonk werd geplaatst binnen zijn strijd met Izebel, ofwel de drievoudige unie van de Verenigde Staten, het Pausdom en de Verenigde Naties. De ene vertegenwoordigt de innerlijke boodschap voor de kerk, de andere de uiterlijke boodschap voor de wereld, maar de twee getuigen van Mozes en Elia bevinden zich in dezelfde spelonk van Horeb, en beiden worden vertegenwoordigd in de spelonk aan het einde van de wereld.
En Achab vertelde Izebel alles wat Elia gedaan had, en bovendien hoe hij al de profeten met het zwaard gedood had. Toen zond Izebel een bode tot Elia, zeggende: Zo mogen de goden mij doen, ja nog erger, indien ik morgen om dezen tijd uw leven niet maak als het leven van een van hen. Toen hij dat zag, stond hij op en ging heen om zijn leven te redden, en hij kwam te Berseba, dat aan Juda behoort, en liet zijn knecht daar achter. Maar hijzelf ging een dagreis ver de woestijn in, kwam en zette zich neer onder een jeneverboom; en hij begeerde voor zichzelf te mogen sterven, en zei: Het is genoeg; neem nu, o HEERE, mijn leven weg, want ik ben niet beter dan mijn vaderen. En terwijl hij daar neerlag en sliep onder een jeneverboom, zie, een engel raakte hem aan en zei tot hem: Sta op en eet. En hij keek op, en zie, aan zijn hoofdeinde was een koek, gebakken op gloeiende kolen, en een kruik water. En hij at en dronk, en legde zich wederom neer. En de engel des HEEREN kwam ten tweeden male terug, raakte hem aan en zei: Sta op en eet, want de weg zou voor u te ver zijn. Toen stond hij op, at en dronk, en ging in de kracht van die spijs veertig dagen en veertig nachten voort tot aan Horeb, de berg Gods. En hij kwam daar bij een spelonk en overnachtte aldaar; en zie, het woord des HEEREN kwam tot hem, en Hij zei tot hem: Wat doet gij hier, Elia? En hij zei: Ik heb zeer geijverd voor de HEERE, de God der heirscharen; want de kinderen Israëls hebben Uw verbond verlaten, Uw altaren omvergeworpen en Uw profeten met het zwaard gedood; en ik, ik alleen ben overgebleven, en zij zoeken mij naar het leven om het mij te benemen. En Hij zei: Ga naar buiten en ga op de berg staan voor het aangezicht des HEEREN. En zie, de HEERE ging voorbij, en een grote en sterke wind spleet de bergen en verbrijzelde de rotsen voor het aangezicht des HEEREN; maar de HEERE was niet in de wind. En na de wind kwam een aardbeving; maar de HEERE was niet in de aardbeving. En na de aardbeving kwam een vuur; maar de HEERE was niet in het vuur. En na het vuur kwam het suizen van een zachte stilte. En het geschiedde, toen Elia dat hoorde, dat hij zijn gezicht in zijn mantel wikkelde, naar buiten ging en stond in de ingang van de spelonk. En zie, een stem kwam tot hem en zei: Wat doet gij hier, Elia? En hij zei: Ik heb zeer geijverd voor de HEERE, de God der heirscharen; omdat de kinderen Israëls Uw verbond verlaten, Uw altaren omvergeworpen en Uw profeten met het zwaard gedood hebben; en ik, ik alleen ben overgebleven, en zij zoeken mij naar het leven om het mij te benemen. Toen zei de HEERE tot hem: Ga, keer terug op uw weg naar de woestijn van Damascus; en wanneer gij daar gekomen zijt, zult gij Hazaël zalven tot koning over Syrië. En Jehu, de zoon van Nimsi, zult gij zalven tot koning over Israël; en Elisa, de zoon van Safat, uit Abel-Mehola, zult gij zalven tot profeet in uw plaats. En het zal geschieden, dat wie ontkomt aan het zwaard van Hazaël, door Jehu gedood zal worden; en wie ontkomt aan het zwaard van Jehu, door Elisa gedood zal worden. Maar Ik heb in Israël zevenduizend doen overblijven: alle knieën die zich niet voor Baäl gebogen hebben, en elke mond die hem niet gekust heeft. 1 Koningen 19:1–18.
Elia’s ervaring in de grot vertegenwoordigt de ontmoediging van de profeet ten aanzien van de boodschap en van het door hem veronderstelde effect van zijn boodschap en werk. Mozes verdedigde Gods uitgesproken boodschap, en Elia had de boodschap opgegeven. Het is dezelfde boodschap, met dit verschil dat de ene betrekking heeft op het innerlijke van de kerk en de andere op wat buiten de kerk is. Toch beelden zij profetisch, tezamen genomen, beide de tweeledige boodschap van Openbaring achttien uit. Wat ik moet benadrukken met betrekking tot alle waarheden die met de grot verbonden zijn, is dat in de “laatste dagen” de ontmoediging die in beide gevallen tot uitdrukking komt, betrekking heeft op de boodschap en haar uitwerking.
Mozes en Elia vertegenwoordigen beiden hen die de „stem”, die het „woord des Heren” is, „horen” en „zien”. Dat „woord” vertegenwoordigt Zijn karakter van barmhartigheid en waarheid. Ook de psalmist verzoekt Gods barmhartigheid, die Zijn karakter is, te mogen aanschouwen. Om Zijn „barmhartigheid” te zien, belooft de psalmist te „horen” wat de Geest tot de gemeenten zegt.
Voor de opperzangmeester, een psalm voor de kinderen van Korach. HEERE, Gij zijt Uw land gunstig geweest; Gij hebt de gevangenschap van Jakob gewend [omgekeerd]. Gij hebt de ongerechtigheid van Uw volk vergeven, Gij hebt al hun zonde bedekt. Sela. Gij hebt al Uw grimmigheid weggenomen; Gij hebt U afgewend van de hittigheid van Uw toorn. Breng ons terug, o God van ons heil, en doe Uw toorn tegen ons ophouden. Zult Gij eeuwig op ons vertoornd zijn? zult Gij Uw toorn uitstrekken van geslacht tot geslacht? Zult Gij ons niet weder levend maken, opdat Uw volk zich in U verblijde? Toon ons Uw goedertierenheid, o HEERE, en geef ons Uw heil. Ik zal horen wat God, de HEERE, spreken zal; want Hij zal vrede spreken tot Zijn volk en tot Zijn gunstgenoten; maar laten zij niet weder tot dwaasheid keren. Gewisselijk, Zijn heil is nabij degenen die Hem vrezen; opdat heerlijkheid in ons land wone. Goedertierenheid en waarheid zijn elkander ontmoet; gerechtigheid en vrede hebben elkander gekust. Waarheid zal uit de aarde uitspruiten, en gerechtigheid zal uit de hemel nederzien. Ja, de HEERE zal het goede geven, en ons land zal zijn vrucht voortbrengen. Gerechtigheid zal voor Zijn aangezicht heengaan, en ons zetten op de weg van Zijn voetstappen. Psalm 85:1–13.
Merk op dat „goedertierenheid en waarheid”, (en „waarheid” is het Hebreeuwse woord ‘emet’ waarnaar wij hebben verwezen), die gerechtigheid en vrede voortbrengen, elkaar hebben „gekust”. Zij zijn verenigd. De psalmist plaatst zijn lied in de laatste dagen van het onderzoekend oordeel, wanneer God „de ongerechtigheid van” Zijn „volk” heeft „vergeven”. Het verzoek is dat de Heere Zijn volk zou „doen herleven”.
„Er moet een opwekking en een hervorming plaatsvinden onder de bediening van de Heilige Geest. Opwekking en hervorming zijn twee verschillende dingen. Opwekking duidt op een vernieuwing van het geestelijk leven, een bezieling van de vermogens van verstand en hart, een opstanding uit de geestelijke dood. Hervorming duidt op een herordening, een verandering in denkbeelden en theorieën, gewoonten en praktijken. Hervorming zal niet de goede vrucht van gerechtigheid voortbrengen, tenzij zij verbonden is met de opwekking van de Geest. Opwekking en hervorming moeten hun aangewezen werk verrichten, en bij het verrichten van dit werk moeten zij samensmelten.” Selected Messages, boek 1, 128.
De „levendmaking” waar de Psalmist om vraagt, duidt op een bede van iemand die weet dat hij dood is. De levendmaking waar de Psalmist om vraagt, is een zeer moeilijke bede voor een Laodiceeër om uit te spreken, want een Laodiceeër is zich er niet van bewust dat hij geestelijk dood is; maar indien hij dat niet was, zou hij niet levend gemaakt hoeven te worden. De levendmaking wordt tot stand gebracht door erin toe te stemmen „te horen wat God de HEERE spreken zal”, en geen ander werk behoort voorrang te hebben boven het ons verzekeren van die levendmaking die komt wanneer de Heilige Geest in ons woont.
“Een herleving van ware godsvrucht onder ons is de grootste en dringendste van al onze noden. Hiernaar te streven behoort ons eerste werk te zijn.” Selected Messages, boek 1, 121.
Over het boek Openbaring spreekt zuster White als volgt.
„Wanneer wij als volk begrijpen wat dit boek voor ons betekent, zal er onder ons een grote opwekking worden gezien.” Testimonies to Ministers, 113.
Het woord „opwekking” wordt omschreven als het terugbrengen tot leven. Degenen die uitverkoren zijn om tot de honderd vierenveertigduizend te behoren, moeten eerst erkennen dat zij dood zijn en een opwekking nodig hebben. Het feit dat de honderd vierenveertigduizend dood zijn, is een wezenlijk bestanddeel van de boodschap die kort vóór het sluiten van de genadetijd wordt ontsloten. Over deze waarheid hebben wij nog veel meer te zeggen. Wat hen tot leven wekt, is de „barmhartigheid” die God hun bewijst wanneer Hij hen „opwekt” en hun Zijn gerechtigheid schenkt. Wat hen tot leven wekt, is de waarheid dat Jezus de Alfa en de Omega is, en dit inzicht brengt in hen een „vrede” voort die alle verstand te boven gaat. De belofte luidt dat de „waarheid” „uit de aarde zal opspruiten”. De boodschap die als de „waarheid” wordt voorgesteld, en die de Alfa en de Omega is, vindt haar oorsprong in de Verenigde Staten, want zij spruit „uit de aarde” op. De boodschap aan het begin kwam uit de Verenigde Staten, en de boodschap aan het einde spruit uit dezelfde plaats op.
Met de context dat Gods holbewoners een symbool zijn, zullen wij andere profeten beschouwen die zich in een symbolische grot hebben bevonden. Jezus identificeerde Johannes de Doper als Elia, en Johannes bevond zich in de gevangenis toen hij moest weten of Jezus de komende Messias was. Hij moest het ware karakter van Jezus kennen. Hij moest weten of de boodschap die hij had verkondigd en de boodschap die Jezus bleef verkondigen de ware boodschap was. Hij zond zijn discipelen om Jezus die vraag te stellen, en Jezus ging aan hun vraag voorbij en ging ertoe over hun Zijn heerlijkheid te tonen.
„Zo verstreek de dag, terwijl de discipelen van Johannes alles zagen en hoorden. Ten slotte riep Jezus hen tot Zich en droeg hun op heen te gaan en Johannes te berichten wat zij hadden aanschouwd, terwijl Hij eraan toevoegde: ‘Zalig is hij, wie aan Mij geen aanstoot zal nemen.’ Lukas 7:23. Het bewijs van Zijn goddelijkheid werd gezien in de wijze waarop zij beantwoordde aan de noden van de lijdende mensheid. Zijn heerlijkheid werd geopenbaard in Zijn neerbuigende genade jegens onze nederige staat.
„De discipelen brachten de boodschap over, en dat was genoeg. Johannes herinnerde zich de profetie aangaande de Messias: ‘De Heere heeft Mij gezalfd om de zachtmoedigen goede tijding te brengen; Hij heeft Mij gezonden om te verbinden de gebrokenen van hart, om voor de gevangenen vrijheid uit te roepen en voor de gebondenen opening der gevangenis; om uit te roepen het welbehagen des Heeren.’ Jesaja 61:1, 2. De werken van Christus verklaarden niet alleen dat Hij de Messias was, maar toonden ook op welke wijze Zijn koninkrijk zou worden opgericht. Aan Johannes werd dezelfde waarheid geopenbaard die tot Elia in de woestijn was gekomen, toen ‘een grote en sterke wind de bergen spleet en de rotsen in stukken brak voor het aangezicht des Heeren uit; maar de Heere was niet in de wind; en na de wind een aardbeving; maar de Heere was niet in de aardbeving; en na de aardbeving een vuur; maar de Heere was niet in het vuur;’ en na het vuur sprak God tot de profeet door ‘het suizen van een zachte stilte.’ 1 Koningen 19:11, 12. Zo zou Jezus Zijn werk doen, niet met wapengekletter en het omverwerpen van tronen en koninkrijken, maar door door een leven van barmhartigheid en zelfopoffering tot de harten der mensen te spreken.” De wens der eeuwen, 217.
Gods kracht wordt overgebracht door Zijn Woord. Het wordt gebracht tot „de harten der mensen”. Dat was de les van de „zachte, stille stem”. Toch is Elia’s boodschap de uiterlijke boodschap die de machten buiten Gods volk identificeert. Christus zei tot Elia dat in de „laatste dagen” Zijn woord de plaats is waar de kracht gelegen is, terwijl „het wapengekletter en het omverwerpen van tronen en koninkrijken”, voorgesteld door de verwoestende wind, de aardbeving en het vuur, drie van de uiterlijke machten vertegenwoordigen die in het boek Openbaring worden voorgesteld en waarmee Gods volk geconfronteerd zal worden. De verwoestende „wind” is in de Bijbelse profetie een symbool van de islam. De „aardbeving” is de opstand en anarchie van de Franse Revolutie. Het „vuur” is de verwoesting die over Sodom en Gomorra werd gebracht. Elia was gevlucht voor de pauselijke macht om de spelonk te bereiken, zodat de Heere hem openbaarde dat, ondanks alle boze machten die de crisis aan het einde van de wereld vormen, Gods kracht te vinden is in de zachte, stille stem.
Mozes, Elia en Johannes de Doper getuigen er allen van Gods karakter vanuit een grot te hebben aanschouwd. De „grot” is het enige teken dat aan een verdorven en overspelig geslacht gegeven zal worden. Jezus sprak over het „overspelige en verdorven geslacht”, dat het geslacht is van de „laatste dagen” van het onderzoekend oordeel. Het teken voor dat geslacht was de profeet Jona, die drie dagen in een grot had doorgebracht — de buik van een walvis.
En toen de menigte dicht opeengepakt bijeenkwam, begon Hij te zeggen: Dit is een boos geslacht; het verlangt een teken, en het zal geen teken gegeven worden dan het teken van de profeet Jona. Want gelijk Jona voor de Ninevieten een teken was, zo zal ook de Zoon des mensen voor dit geslacht zijn. Lukas 11:29, 30.
Jona was drie dagen en drie nachten in de buik van de walvis, zoals ook Jezus drie dagen in het graf was. Jona was een teken, en zo is ook Jezus. Zij vertegenwoordigen het teken van de opstanding, die uiteraard op de dood volgt.
Toen antwoordden sommigen van de schriftgeleerden en van de Farizeeën en zeiden: Meester, wij zouden van U een teken willen zien. Maar Hij antwoordde en zei tot hen: Een boos en overspelig geslacht verlangt naar een teken; en het zal geen teken gegeven worden dan het teken van de profeet Jona. Want gelijk Jona drie dagen en drie nachten in de buik van de walvis was, zo zal de Zoon des mensen drie dagen en drie nachten in het hart der aarde zijn. De mannen van Ninevé zullen in het oordeel opstaan met dit geslacht en het veroordelen, omdat zij zich bekeerden op de prediking van Jona; en zie, meer dan Jona is hier. Matteüs 12:38–41.
Indien wij het beginsel van de herhaling van de geschiedenis begrijpen, in samenhang met het feit dat alle gewijde geschiedenis het einde van de wereld aanwijst, dan zijn Jona en de dood, begrafenis en opstanding van Christus het „teken” en tevens de boodschap voor Gods volk nu. Toen Jona uit de buik van de walvis werd uitgeworpen, verkondigde hij de boodschap, evenals de boodschap van de opstanding van Christus onmiddellijk werd verkondigd toen de engel de steen wegnam van de grot waarin Christus zich bevond. Degenen die door Mozes, Elia, Jona en Christus worden voorgesteld, symboliseren niet alleen Gods volk van de „laatste dagen”, maar ook de boodschap die ieder van hen bracht.
Het teken van Jona omvat de ervaring van de spelonk, waarin het barmhartige karakter van Christus wordt geopenbaard. Dezelfde barmhartigheid die Jezus aan Elia betoonde, werd ook aan Jona betoond toen hij vluchtte voor zijn verantwoordelijkheid om de boodschap te verkondigen. Er valt nog veel meer over Jona te zeggen, maar nu moeten andere punten aan de orde worden gesteld.
De grot vertegenwoordigt onder andere dood en opstanding. Gods verbondsvolk in de laatste dagen is op grond van meerdere getuigenissen aangeduid als dood geweest en vervolgens opgewekt. Uiteraard moet een christen wedergeboren worden om het koninkrijk van God te zien, en dit vertegenwoordigt de dood van de oude vleselijke mens, maar profetisch betekent het meer. Het spreekt van een boodschap die in haar loop wordt gestuit. Elia hield op de boodschap te verkondigen, Jona vluchtte voor het verkondigen van de boodschap. Johannes werd in de gevangenis geworpen en terechtgesteld. Jezus werd gekruisigd.
Het teken van Jona gaat derhalve niet eenvoudigweg over dood en opstanding; het gaat over de dood en opstanding van een boodschap, en alle boodschappen die in Gods Woord worden getypeerd, vertegenwoordigen de laatste waarschuwingsboodschap die door de Vader aan Jezus werd gegeven, die haar vervolgens aan Gabriël gaf, die haar vervolgens aan de profeet gaf, die haar vervolgens opschreef en aan de gemeenten zond. God was bereid de boodschap te beëindigen en opnieuw te beginnen in de grot-ervaring van Mozes. Elia beëindigde zijn werk als boodschapper en vluchtte naar de grot. Jona vluchtte naar Tarsis. Johannes de Doper werd vermoord, evenals Jezus. Al deze getuigenissen moeten naar het boek Openbaring worden gebracht en met elkaar in overeenstemming worden gebracht. Daniël en Openbaring zijn twee boeken, maar het “getuigenis van Jezus” maakt duidelijk dat zij ook één boek zijn. Zij bezitten dezelfde kenmerken als de Bijbel. Twee boeken die één boek vormen en twee auteurs die twee getuigen vertegenwoordigen.
Daniël, een gevangene van Babylon en vervolgens Medo-Perzië, stierf symbolisch toen hij in de leeuwenkuil werd geworpen. Jona stierf symbolisch toen hij door de walvis werd verslonden. Johannes de Openbaarder stierf symbolisch toen hij in de kokende olie werd geworpen. William Miller stierf, maar heeft de belofte dat engelen bij zijn graf wachten op de opstanding van de rechtvaardigen. De bediening Future for America stierf symbolisch op 18 juli 2020.
De laatste waarschuwingsboodschap is geplaatst binnen de context van de dodelijke wond van de pauselijke macht die wordt genezen. De genezing van de wond is een specifiek onderwerp van hoofdstukken dertien en zeventien van Openbaring. Wanneer de dodelijke wond wordt genezen, zal het herrezen pausdom het achtste koninkrijk worden dat in hoofdstuk zeventien van Openbaring wordt voorgesteld. Het wordt aangeduid als het achtste, dat uit de zeven is. Acht is symbolisch voor opstanding, want de besnijdenis als het zegel van de verbondsrelatie moest worden voltrokken op de achtste dag nadat een mannelijk kind was geboren. Die rite werd in de christelijke bedeling vervangen door de doop, en de doop vertegenwoordigt de dood, begrafenis en opstanding van Christus. Christus werd opgewekt op de dag na de zevende dag. Hij werd derhalve profetisch opgewekt op de achtste dag. Na duizend jaar rust wordt de vernieuwde aarde opgewekt in het achtste millennium.