Vlak voordat de genadetijd eindigt, wordt het bevel gegeven de woorden van de profetie van dit boek niet te verzegelen.
En hij zeide tot mij: Verzegel de woorden van de profetie van dit boek niet, want de tijd is nabij. Wie onrecht doet, dat hij nog meer onrecht doe; en wie vuil is, dat hij nog vuiler worde; en wie rechtvaardig is, dat hij nog meer rechtvaardigheid doe; en wie heilig is, dat hij nog meer geheiligd worde. Openbaring 22:10, 11.
In hoofdstuk vijf van Openbaring zit God de Vader op Zijn troon en heeft Hij een boek in Zijn hand dat met zeven zegels verzegeld is.
En ik zag in de rechterhand van Hem die op de troon zat een boek, van binnen en van buiten beschreven, verzegeld met zeven zegels. Openbaring 5:1.
Wanneer het relaas vanaf vers één voortgaat tot en met hoofdstuk zeven, zien wij dat Jezus, voorgesteld als de Leeuw uit de stam van Juda, Degene is die het boek uit de hand van Zijn Vader neemt en de zegels geleidelijk begint te openen. Wanneer Hij het zesde zegel opent en de door dat zegel voorgestelde boodschap ontvouwt, eindigt hoofdstuk zes. Het eindigt met een vraag die overleidt naar hoofdstuk zeven, waar wij het antwoord vinden op de vraag die in het laatste vers van hoofdstuk zes wordt opgeworpen.
Want de grote dag van zijn toorn is gekomen; en wie zal kunnen bestaan? Openbaring 6:17.
Hoofdstuk zeven introduceert de honderd vierenveertigduizend en de „grote schare”. Nadat Gods volk in hoofdstuk zeven is voorgesteld, zien wij vervolgens dat het zevende en laatste van de zegels wordt weggenomen. De enige andere profetie in het boek Openbaring die verzegeld is, zijn de zeven donderslagen van hoofdstuk tien. Het eenvoudige punt is dat de enige profetie in het boek Openbaring die verzegeld is en ontzegeld kan worden voordat de genadetijd sluit, de „zeven donderslagen” zijn.
Jarenlang, zo niet decennialang, heeft Future for America vastgesteld wat de „zeven donderslagen” voorstellen. De „zeven donderslagen” stellen de geschiedenis van de Milleritische beweging voor, vanaf 11 augustus 1840 tot en met 22 oktober 1844. Zuster White bevestigt dit feit en voegt eraan toe dat de „zeven donderslagen” ook „toekomstige gebeurtenissen” voorstellen „die in hun orde zullen worden geopenbaard”. Een gedetailleerde uiteenzetting van deze feiten is te vinden in Habakkuk’s Tables, voor allen die met deze profetische werkelijkheden niet vertrouwd zijn.
De waarheid van de zeven donderslagen die in het verleden is uiteengezet, is nog steeds waarheid, maar sinds augustus van dit jaar heeft de Heer Zijn hand van deze onderwerpen afgetrokken en is er meer inzicht geopenbaard. Wij zullen beginnen met het tiende hoofdstuk van Openbaring en vervolgens de toelichting van zuster White op dit hoofdstuk beschouwen. Voordat wij dit doen, moeten wij twee punten vaststellen die geen verband houden met de beschouwing van de zeven donderslagen.
Het eerste punt is dat de vaststelling van de waarheid van de zeven donderslagen, die nu wordt ontsloten, verscheidene lijnen van waarheid vereist om alles wat de zeven donderslagen vertegenwoordigen op zijn plaats te zetten. Hier, zo bid ik, is de volharding van de heiligen. Het tweede punt dat hiermee samenhangt, is dat het programma dat de audiopresentatie van deze artikelen voortbrengt, een beperking heeft ten aanzien van de hoeveelheid tijd die het kan voorlezen en uitspreken. De artikelen moeten elk binnen die tijdsduur passen. Vanaf het begin van deze studie deel ik u mee dat er enkele artikelen nodig zullen zijn om de waarheid die door de zeven donderslagen wordt voorgesteld, vast te stellen. Nu naar hoofdstuk tien.
En ik zag een andere machtige engel uit de hemel neerdalen, bekleed met een wolk; en een regenboog was boven zijn hoofd, en zijn aangezicht was als de zon, en zijn voeten als vuurpilaren; en hij had in zijn hand een geopend boekje; en hij zette zijn rechtervoet op de zee en zijn linkervoet op de aarde, en hij riep met luider stem, zoals een leeuw brult; en toen hij geroepen had, lieten de zeven donderslagen hun stemmen horen. En toen de zeven donderslagen hun stemmen hadden laten horen, stond ik op het punt te schrijven; en ik hoorde een stem uit de hemel tot mij zeggen: Verzegel wat de zeven donderslagen gesproken hebben, en schrijf het niet op. En de engel die ik zag staan op de zee en op de aarde, hief zijn hand op naar de hemel, en zwoer bij Hem die leeft in alle eeuwigheid, die de hemel geschapen heeft en wat daarin is, en de aarde en wat daarin is, en de zee en wat daarin is, dat er geen tijd meer zou zijn; maar in de dagen van de stem van de zevende engel, wanneer hij zal beginnen te bazuinen, zal ook het geheimenis van God voleindigd worden, gelijk Hij het aan Zijn dienstknechten, de profeten, verkondigd heeft. En de stem die ik uit de hemel gehoord had, sprak opnieuw tot mij en zei: Ga heen, neem het geopende boekje uit de hand van de engel die op de zee en op de aarde staat. En ik ging naar de engel toe en zei tot hem: Geef mij het boekje. En hij zei tot mij: Neem het en eet het op; en het zal uw buik bitter maken, maar in uw mond zal het zoet zijn als honing. En ik nam het boekje uit de hand van de engel en at het op; en het was in mijn mond zoet als honing; en zodra ik het gegeten had, werd mijn buik bitter. En hij zei tot mij: Gij moet opnieuw profeteren over vele volken en natiën en talen en koningen. Openbaring 10:1–11.
In haar commentaar op hoofdstuk tien verklaart zuster White:
„De machtige engel die Johannes onderwees, was niemand minder dan Jezus Christus. Dat Hij Zijn rechtervoet op de zee zette en Zijn linkervoet op het droge land, toont de rol die Hij vervult in de slottonelen van de grote strijd met Satan. Deze houding duidt op Zijn hoogste macht en gezag over de gehele aarde. De strijd is van eeuw tot eeuw sterker en vastberadener geworden en zal dat blijven tot aan de laatste tonelen, wanneer de meesterlijke werking van de machten der duisternis haar hoogtepunt zal bereiken. Satan zal, verenigd met boze mensen, de gehele wereld misleiden en ook de kerken die de liefde tot de waarheid niet aannemen. Maar de machtige engel eist aandacht. Hij roept met luider stem. Hij zal aan hen die zich met Satan hebben verbonden om zich tegen de waarheid te verzetten, de kracht en het gezag van Zijn stem tonen.”
„Nadat deze zeven donderslagen hun stemmen hadden laten horen, komt het bevel tot Johannes, evenals tot Daniël met betrekking tot het kleine boek: ‘Verzegel hetgeen de zeven donderslagen gesproken hebben.’ Deze hebben betrekking op toekomstige gebeurtenissen die op hun beurt geopenbaard zullen worden. Daniël zal staan in zijn lot aan het einde der dagen. Johannes ziet het kleine boek geopend. Dan nemen de profetieën van Daniël hun rechtmatige plaats in in de boodschappen van de eerste, de tweede en de derde engel, die aan de wereld gegeven moeten worden. Het openen van het kleine boek was de boodschap met betrekking tot de tijd.
“De boeken Daniël en Openbaring vormen één geheel. Het ene is een profetie, het andere een openbaring; het ene een verzegeld boek, het andere een geopend boek. Johannes hoorde de verborgenheden die de donderslagen lieten weerklinken, maar hem werd bevolen ze niet op te schrijven.”
„Het bijzondere licht dat aan Johannes werd gegeven en dat in de zeven donderslagen tot uitdrukking kwam, was een schets van gebeurtenissen die zich onder de boodschappen van de eerste en de tweede engel zouden voltrekken. Het was niet het beste dat het volk deze dingen zou weten, want hun geloof moest noodzakelijkerwijs beproefd worden. In de orde van God zouden de meest wonderbare en vergevorderde waarheden worden verkondigd. De boodschappen van de eerste en de tweede engel moesten worden verkondigd, maar er mocht geen verder licht worden geopenbaard voordat deze boodschappen hun specifieke werk hadden verricht. Dit wordt voorgesteld door de engel die met één voet op de zee staat en met een allerplechtigste eed verkondigt dat de tijd niet langer zou zijn.” The Seventh-day Adventist Bible Commentary, deel 7, 971.
De „machtige engel” die op 11 augustus 1840 neerdaalde, was Christus, en Hij had een boodschap in Zijn hand die Johannes werd opgedragen te eten. Wat Johannes at, was een boodschap, maar het was nadrukkelijk een boodschap die tot Gods volk gebracht moest worden, en niet tot de wereld. Het is van belang te onderkennen wie in dit gedeelte het beoogde gehoor is, want hoewel Christus op 11 augustus 1840 neerdaalde, waarmee de bekrachtiging van de boodschap van de eerste engel werd gemarkeerd en aldus werd aangewezen wanneer de boodschap van de eerste engel naar de gehele wereld zou worden gebracht, geeft het kleine boek dat Johannes moest eten aan wanneer het protestantisme de mantel van het protestantisme aan de Millerieten overdroeg. Toen Christus met het kleine boek neerdaalde, beëindigde Hij Zijn verbondsrelatie met de kerk uit de woestijn en wees Hij tegelijkertijd het Milleritische volk aan als Zijn nieuwe uitverkoren verbondsvolk. De Millerieten waren een volk dat voorheen niet het volk van God was geweest. De profeten spreken elkaar nooit tegen.
En Hij zei tot mij: Mensenkind, sta op uw voeten, en Ik zal tot u spreken. En de Geest kwam in mij, toen Hij tot mij sprak, en deed mij op mijn voeten staan, zodat ik Hem hoorde Die tot mij sprak. En Hij zei tot mij: Mensenkind, Ik zend u tot de kinderen Israëls, tot een wederspannig volk dat tegen Mij in opstand is gekomen; zij en hun vaderen hebben tegen Mij overtreden, tot op dezezelfde dag. Want zij zijn onbeschaamde kinderen en hard van hart. Ik zend u tot hen; en gij zult tot hen zeggen: Zo zegt de Heere HEERE. En zij, hetzij zij horen, hetzij zij nalaten, — want zij zijn een wederspannig huis — zullen toch weten dat er een profeet in hun midden geweest is. En gij, mensenkind, wees niet bevreesd voor hen, en wees niet bevreesd voor hun woorden, al zijn distels en doornen bij u en woont gij onder schorpioenen; wees niet bevreesd voor hun woorden, en verschrik niet voor hun aangezicht, want zij zijn een wederspannig huis. En gij zult Mijn woorden tot hen spreken, hetzij zij horen, hetzij zij nalaten; want zij zijn ten hoogste wederspannig. Maar gij, mensenkind, hoor wat Ik tot u spreek; wees niet wederspannig gelijk dat wederspannige huis; open uw mond en eet wat Ik u geef. En toen ik zag, zie, een hand was naar mij uitgestrekt; en zie, daarin was een boekrol. En Hij spreidde die voor mij uit; en zij was van binnen en van buiten beschreven; en daarop waren klaagliederen, zuchting en wee geschreven. Verder zei Hij tot mij: Mensenkind, eet wat gij vindt; eet deze rol, en ga, spreek tot het huis Israëls. Toen opende ik mijn mond, en Hij deed mij die rol eten. En Hij zei tot mij: Mensenkind, doe uw buik eten, en vul uw ingewand met deze rol die Ik u geef. Toen at ik die, en zij was in mijn mond zo zoet als honing. En Hij zei tot mij: Mensenkind, ga, begeef u naar het huis Israëls, en spreek tot hen met Mijn woorden. Want gij zijt niet gezonden tot een volk met een vreemde spraak en moeilijke taal, maar tot het huis Israëls; niet tot vele volken met een vreemde spraak en moeilijke taal, wier woorden gij niet kunt verstaan. Waarlijk, indien Ik u tot hen gezonden had, zouden zij naar u geluisterd hebben. Maar het huis Israëls zal naar u niet luisteren, want zij willen naar Mij niet luisteren; want het gehele huis Israëls is onbeschaamd en hard van hart. Zie, Ik heb uw aangezicht sterk gemaakt tegenover hun aangezichten, en uw voorhoofd sterk tegenover hun voorhoofden. Als diamant, harder dan vuursteen, heb Ik uw voorhoofd gemaakt; vrees hen niet en verschrik niet voor hun aangezicht, want zij zijn een wederspannig huis. Verder zei Hij tot mij: Mensenkind, neem al Mijn woorden die Ik tot u spreken zal in uw hart op, en hoor ze met uw oren. Ezechiël 2:1–3:10.
Toen Christus neerdaalde met het kleine boek, dat Johannes nam en opat, was het in zijn „mond zoet als honing”. Johannes de Openbaarder en Ezechiël nemen beiden een boodschap uit de „hand” van Christus. Ezechiël, en derhalve ook Johannes, had een boodschap over te brengen aan „het huis van Israël”, niet aan hen die buiten Israël stonden. Indien degenen buiten Israël de boodschap hadden gehoord, zouden zij die hebben aangenomen, maar Israël niet, want „het gehele huis” van Israël „is onbeschaamd en hard van hart”. Het volledige huis van Israël (het gehele huis) was volkomen weerspannig. Israël werd in 1840 in Openbaring hoofdstuk tien voorgesteld als de gemeente in de woestijn. Zij hadden de beker van hun proeftijd tot de rand gevuld.
Hoewel de boodschap niet door Israël gehoord zou worden, werd de profeet toch geboden hun de boodschap van het boekje te brengen, met het doel hen verantwoordelijk te houden voor het verwerpen van het licht van de eerste engel. In de boeken van het oordeel zouden zij verantwoordelijk gehouden worden voor hun weigering te luisteren naar de boodschap van de „profeet” die „onder hen” was geweest. De profeet verwerpen is de boodschap verwerpen die door de engel Gabriël aan de profeet was gegeven, die die boodschap zelf van Christus had ontvangen, Die haar van de Vader had ontvangen. Toen Christus neerdaalde met de boodschap van het boekje in Zijn hand, liep dit parallel met het moment waarop de Heilige Geest neerdaalde bij Zijn doop. Dat was voorafgeschaduwd door Mozes bij de brandende braamstruik, en door datzelfde baken dat bestaat in elke hervormingsbeweging.
„Het werk van God op de aarde vertoont, van eeuw tot eeuw, een treffende overeenkomst in elke grote hervorming of godsdienstige beweging. De beginselen van Gods handelen met de mensen blijven altijd dezelfde. De belangrijke bewegingen van het heden hebben hun parallel in die van het verleden, en de ervaring van de kerk in vroegere eeuwen bevat lessen van grote waarde voor onze eigen tijd.” The Great Controversy, 343.
De ondergang van de Ottomaanse opperheerschappij op 11 augustus 1840 (het moment waarop Johannes en Ezechiël het boekje aten dat in de „hand” van Christus was), markeert de „bekrachtiging” van de boodschap van de eerste engel, die in 1798 was „aangekomen” bij de „tijd van het einde”. Zij werd „bekrachtigd” door de bevestiging van de voornaamste profetische regel van de Millerieten: het jaar-dagbeginsel. Christus begon toen het fundament van de Milleritische tempel op te richten, zoals Hij had gedaan bij Zijn doop.
“Nathanaëls wankelende geloof werd nu versterkt, en hij antwoordde en zeide: ‘Rabbi, Gij zijt de Zoon van God; Gij zijt de Koning van Israël.’ Jezus antwoordde en zeide tot hem: ‘Omdat Ik u gezegd heb: Ik zag u onder de vijgenboom, gelooft gij? Gij zult grotere dingen zien dan deze.’ En Hij zeide tot hem: ‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Hierna zult gij de hemel geopend zien en de engelen van God opklimmend en nederdalend op de Zoon des mensen.’”
‘In deze eerste weinige discipelen werd door persoonlijke inspanning het fundament van de christelijke kerk gelegd. Johannes wees eerst twee van zijn discipelen op Christus. Vervolgens vindt een van hen zijn broer en brengt hem tot Christus. Daarna roept Hij Filippus om Hem te volgen, en deze ging op zoek naar Nathanaël.’ Spirit of Prophecy, deel 2, 66.
Toen Christus op 11 augustus 1840 neerdaalde met het geopende boekje in Zijn hand, was dit vooraf uitgebeeld in de hervormingsbeweging van Christus’ aardse geschiedenis, want elke hervormingsbeweging bezit dezelfde wegmarkeringen. Mozes en de hervormingsbeweging die hij uitleidde, hadden dezelfde wegmarkering. De ervaring van Mozes bij de brandende braamstruik was een type van de nederdaling van de Heilige Geest bij Christus’ doop; deze was op haar beurt een type van 1840, wat op zijn beurt een type is van 11 september 2001, toen de machtige engel van Openbaring achttien neerdaalde.
De „komst” van de boodschap van de eerste engel, en de „komst” van de boodschap van de tweede engel en de „komst” van de boodschap van de derde engel worden alle door engelen voorgesteld. De eerste engel heeft een boekje in zijn hand, de tweede had een geschrift in zijn hand en de derde had een perkament in zijn hand. Op het getuigenis van twee of drie wordt een waarheid bevestigd. Alle drie de engelen hebben, hetzij bij hun komst hetzij bij hun bekrachtiging, een boodschap in hun hand.
Johannes en Ezechiël vertegenwoordigen hen die de boodschap aten toen de boodschap van de eerste engel „bekrachtigd” werd, hetgeen een andere historische wegmarkering is dan het moment waarop de boodschap van de eerste engel in 1798 „aankwam”.
Het verschil tussen de „komst” van een boodschap en haar „bekrachtiging” is een uiterst belangrijk onderscheid om op te merken. Wanneer wij de volgende passage overwegen, let er dan op dat het doel van de eerste engel identiek is aan het doel van de engel in Openbaring achttien, die de aarde verlicht met zijn heerlijkheid. Merk ook op dat elke boodschap een scheiding teweegbrengt, waardoor twee klassen van aanbidders ontstaan.
„Mij werd getoond welke belangstelling de gehele hemel had voor het werk dat op aarde gaande was. Jezus gaf een machtige engel [de eerste engel] opdracht neer te dalen en de bewoners van de aarde te waarschuwen zich voor te bereiden op Zijn tweede verschijning. Toen de engel de tegenwoordigheid van Jezus in de hemel verliet, ging een buitengewoon helder en heerlijk licht vóór hem uit. Mij werd gezegd dat zijn zending was de aarde te verlichten met zijn heerlijkheid en de mens te waarschuwen voor de komende toorn van God. Menigten ontvingen het licht. Sommigen van hen schenen zeer ernstig te zijn, terwijl anderen blij en verrukt waren. Allen die het licht ontvingen, keerden hun aangezicht naar de hemel en verheerlijkten God. Hoewel het over allen werd uitgestort, kwamen sommigen slechts onder de invloed ervan, maar ontvingen het niet van harte. Velen werden vervuld van grote toorn. Predikanten en volk verenigden zich met de verdorvenen en boden hardnekkig weerstand aan het licht dat door de machtige engel werd uitgestraald. Maar allen die het ontvingen, trokken zich uit de wereld terug en waren nauw met elkander verbonden.
„Satan en zijn engelen waren druk bezig zoveel mogelijk mensen ertoe te brengen hun aandacht van het licht af te wenden. Het gezelschap dat dit verwierp, werd in duisternis achtergelaten. Ik zag de engel van God met de diepste belangstelling over Zijn belijdend volk waken, om het karakter vast te leggen dat zij ontwikkelden toen de boodschap van hemelse oorsprong hun werd voorgehouden. En toen zeer velen die beweerden Jezus lief te hebben, zich met verachting, spot en haat van de hemelse boodschap afkeerden, maakte een engel met een perkamentrol in zijn hand deze schandelijke aantekening. De gehele hemel was vervuld van verontwaardiging dat Jezus aldus door Zijn belijdende volgelingen werd miskend.
‘Ik zag de teleurstelling van hen die vertrouwden, toen zij hun Heer niet zagen op de verwachte tijd. Het was Gods bedoeling de toekomst te verbergen en Zijn volk tot een punt van beslissing te brengen. Zonder de prediking van een bepaalde tijd voor de komst van Christus zou het werk dat God had bedoeld niet zijn volbracht. Satan bracht zeer velen ertoe ver in de toekomst uit te zien naar de grote gebeurtenissen die verband houden met het oordeel en het einde van de genadetijd. Het was noodzakelijk dat het volk ertoe werd gebracht ernstig te zoeken naar een voorbereiding voor het heden.‘
Toen de tijd verstreek, verenigden degenen die het licht van de engel niet ten volle hadden ontvangen zich met hen die de boodschap hadden veracht, en zij keerden zich met spot tegen de teleurgestelden. Engelen sloegen de toestand van Christus’ belijdende volgelingen gade. Het voorbijgaan van de bepaalde tijd had hen beproefd en op de proef gesteld, en zeer velen werden in de weegschaal gewogen en te licht bevonden. Luid beweerden zij christenen te zijn, en toch slaagden zij er in bijna elk opzicht niet in Christus te volgen. Satan jubelde over de toestand van de belijdende volgelingen van Jezus.
„Hij had hen in zijn strik. Hij had de meerderheid ertoe gebracht het rechte pad te verlaten, en zij poogden op een andere wijze naar de hemel op te klimmen. Engelen zagen dat de reinen en heiligen vermengd waren met zondaars in Sion en met wereldgezinde huichelaars. Zij hadden gewaakt over de ware discipelen van Jezus; maar de verdorvenen oefenden invloed uit op de heiligen. Hun wier hart brandde van een innig verlangen Jezus te zien, werd door hun belijdende broeders verboden over Zijn komst te spreken. Engelen aanschouwden het tafereel en leefden mee met het overblijfsel dat de verschijning van hun Heer liefhad.
„Een andere machtige engel [de tweede engel] kreeg de opdracht naar de aarde neer te dalen. Jezus legde een geschrift in zijn hand, en toen hij naar de aarde kwam, riep hij: ‘Babylon is gevallen, is gevallen.’ Toen zag ik de teleurgestelden opnieuw hun ogen naar de hemel opheffen en met geloof en hoop uitzien naar de verschijning van hun Heer. Maar velen schenen in een verdoofde toestand te blijven, als sliepen zij; toch kon ik op hun gelaat de sporen van diepe droefheid zien. De teleurgestelden zagen uit de Schriften dat zij zich in de vertoeftijd bevonden en dat zij geduldig moesten wachten op de vervulling van het visioen. Hetzelfde bewijs dat hen ertoe had gebracht in 1843 naar hun Heer uit te zien, bracht hen ertoe Hem in 1844 te verwachten. Toch zag ik dat de meerderheid niet die kracht bezat die hun geloof in 1843 had gekenmerkt. Hun teleurstelling had hun geloof verzwakt.
„Toen het volk van God zich verenigde in de roep van de tweede engel, merkte de hemelse schare met de diepste belangstelling het uitwerksel van de boodschap op. Zij zagen velen die de naam van christenen droegen zich met minachting en spot keren tegen hen die teleurgesteld waren geweest. Terwijl de woorden van de spottende lippen vielen: ‘Jullie zijn nog niet opgevaren!’ schreef een engel ze op. De engel zei: ‘Zij bespotten God.’ Mijn aandacht werd teruggevoerd naar een soortgelijke zonde die in de oudheid was bedreven. Elia was ten hemel opgenomen, en zijn mantel was op Elisa gevallen. Toen volgden goddeloze jongelingen, die van hun ouders hadden geleerd de man Gods te verachten, Elisa, en riepen hem spottend na: ‘Klim op, kaalkop; klim op, kaalkop.’ Door aldus Zijn dienstknecht te beledigen, beledigde men God, en zij ontvingen terstond hun straf. Op gelijke wijze zullen zij die het denkbeeld van de opneming van de heiligen hebben bespot en belachelijk gemaakt, bezocht worden met de toorn van God, en men zal hun doen gevoelen dat het geen geringe zaak is lichtvaardig met hun Schepper om te gaan.
‘Jezus gaf andere engelen opdracht snel te vliegen om het verslappende geloof van Zijn volk te doen herleven en te versterken, en hen voor te bereiden om de boodschap van de tweede engel en de belangrijke stap die weldra in de hemel zou worden gezet, te begrijpen. Ik zag deze engelen grote kracht en licht van Jezus ontvangen en snel naar de aarde vliegen om hun opdracht te vervullen en de tweede engel in zijn werk bij te staan. Een groot licht scheen op het volk van God terwijl de engelen riepen: “Zie, de Bruidegom komt; gaat uit Hem tegemoet.” Toen zag ik deze teleurgestelden opstaan en in overeenstemming met de tweede engel verkondigen: “Zie, de Bruidegom komt; gaat uit Hem tegemoet.” Het licht van de engelen drong overal door in de duisternis. Satan en zijn engelen trachtten te verhinderen dat dit licht zich zou verspreiden en het beoogde uitwerking zou hebben. Zij twistten met de engelen uit de hemel en zeiden hun dat God het volk had misleid, en dat zij met al hun licht en kracht de wereld niet konden doen geloven dat Christus kwam. Maar hoewel Satan zich inspande de weg te versperren en de gedachten van het volk van het licht af te trekken, zetten de engelen van God hun werk voort….’
„Toen de bediening van Jezus in het heilige ten einde liep, en Hij het allerheiligste binnenging en voor de ark stond die de wet van God bevatte, zond Hij een andere machtige engel met een derde boodschap naar de wereld. Een perkamentrol werd in de hand van de engel gelegd, en terwijl hij in kracht en majesteit naar de aarde neerdaalde, verkondigde hij een ontzagwekkende waarschuwing, met de vreselijkste bedreiging die ooit tot de mens is gebracht. Deze boodschap was bedoeld om de kinderen van God op hun hoede te doen zijn, door hun het uur van verzoeking en benauwdheid te tonen dat vóór hen lag. De engel zei: ‘Zij zullen in een rechtstreeks gevecht worden gebracht met het beest en zijn beeld. Hun enige hoop op het eeuwige leven is standvastig te blijven. Hoewel hun leven op het spel staat, moeten zij de waarheid vasthouden.’ De derde engel besluit zijn boodschap aldus: ‘Hier is de lijdzaamheid der heiligen: hier zijn zij die de geboden van God en het geloof van Jezus bewaren.’ Terwijl hij deze woorden herhaalde, wees hij naar het hemelse heiligdom. De gedachten van allen die deze boodschap aannemen, worden gericht op het allerheiligste, waar Jezus voor de ark staat en Zijn laatste voorbede doet voor allen voor wie de genade nog vertoeft en voor hen die in onwetendheid de wet van God hebben overtreden. Deze verzoening wordt gedaan zowel voor de rechtvaardige doden als voor de rechtvaardige levenden. Zij omvat allen die stierven in vertrouwen op Christus, maar die, doordat zij het licht over Gods geboden niet hadden ontvangen, in onwetendheid hadden gezondigd door de voorschriften ervan te overtreden.” Early Writings, 245–254.
Enkele bladzijden later in hetzelfde boek, waar zij ingaat op dezelfde zojuist genoemde begrippen, geeft Zuster White aan dat de verwerping van de drie boodschappen in de Milleritische geschiedenis voorafgeschaduwd was in de geschiedenis van Christus. Daar levert zij twee getuigenissen die een voortschrijdend beproevingsproces aanduiden, dat overwinning bij elke beproeving vereist om tot de volgende beproeving te kunnen voortgaan.
„Ik zag een groep die goed beschermd en standvastig stond en in geen enkel opzicht steun verleende aan hen die het gevestigde geloof van het lichaam wilden ontwrichten. God zag op hen neer met goedkeuring. Mij werden drie stappen getoond — de boodschappen van de eerste, de tweede en de derde engel. Mijn begeleidende engel zei: ‘Wee hem die een blok zal verplaatsen of een pin van deze boodschappen zal losmaken. Het ware begrip van deze boodschappen is van levensbelang. Het lot van zielen hangt af van de wijze waarop zij worden ontvangen.’ Ik werd opnieuw door deze boodschappen heen geleid en zag hoe duur het volk van God zijn ervaring had gekocht. Zij was verkregen door veel lijden en zware strijd. God had hen stap voor stap geleid, totdat Hij hen op een vast, onbeweeglijk platform had geplaatst. Ik zag personen het platform naderen en de grondslag onderzoeken. Sommigen stapten er met blijdschap onmiddellijk op. Anderen begonnen aanmerkingen te maken op de grondslag. Zij wensten dat er verbeteringen werden aangebracht; dan zou het platform volmaakter zijn en het volk veel gelukkiger. Sommigen stapten van het platform af om het te onderzoeken en verklaarden dat het verkeerd was gelegd. Maar ik zag dat bijna allen vast op het platform bleven staan en hen die waren afgestapt vermaanden hun klachten te staken; want God was de Meesterbouwer, en zij streden tegen Hem. Zij verha alden van het wonderbare werk van God, dat hen tot het vaste platform had geleid, en gezamenlijk hieven zij hun ogen op naar de hemel en verheerlijkten met luide stem God. Dit maakte indruk op sommigen van hen die hadden geklaagd en het platform hadden verlaten, en zij stapten met nederige blik opnieuw daarop.”
„Ik werd teruggewezen naar de verkondiging van de eerste komst van Christus. Johannes werd gezonden in de geest en de kracht van Elia [als voorafbeelding van de boodschap van de eerste engel] om de weg van Jezus te bereiden. Degenen die het getuigenis van Johannes verwierpen, hadden geen baat bij de leringen van Jezus [als voorafbeelding van de boodschap van de tweede engel]. Hun verzet tegen de boodschap die Zijn komst voorzegde, bracht hen op een plaats waar zij het sterkste bewijs dat Hij de Messias was, niet gemakkelijk konden aannemen. Satan dreef hen die de boodschap van Johannes verwierpen nog verder voort, om ook Christus te verwerpen en te kruisigen [als voorafbeelding van de boodschap van de derde engel]. Door dit te doen plaatsten zij zich daar waar zij de zegen op de dag van Pinksteren [als voorafbeelding van de engel van Openbaring achttien] niet konden ontvangen, die hun de weg naar het hemelse heiligdom zou hebben geleerd. Het scheuren van het voorhangsel van de tempel toonde aan dat de Joodse offers en verordeningen niet langer zouden worden aangenomen. Het grote Offer was gebracht en was aanvaard, en de Heilige Geest, die neerdaalde op de dag van Pinksteren, richtte de gedachten van de discipelen van het aardse heiligdom op het hemelse, waar Jezus door Zijn eigen bloed was binnengegaan om over Zijn discipelen de weldaden van Zijn verzoening uit te storten. Maar de Joden werden in volslagen duisternis achtergelaten. Zij verloren al het licht dat zij omtrent het verlossingsplan hadden kunnen bezitten, en stelden nog steeds hun vertrouwen op hun nutteloze offers en gaven. Het hemelse heiligdom had de plaats van het aardse ingenomen, en toch hadden zij geen kennis van die verandering. Daarom konden zij geen baat hebben bij de middelaarsbediening van Christus in het heilige.”
“Velen zien met afschuw op het optreden van de Joden in het verwerpen en kruisigen van Christus; en wanneer zij de geschiedenis van Zijn schandelijke mishandeling lezen, menen zij dat zij Hem liefhebben en Hem niet verloochend zouden hebben zoals Petrus deed, noch Hem gekruisigd zouden hebben zoals de Joden deden. Maar God, die de harten van allen leest, heeft die liefde tot Jezus, waarvan zij beweerden haar te gevoelen, op de proef gesteld. De gehele hemel zag met de diepste belangstelling toe op de ontvangst van de boodschap van de eerste engel. Maar velen die beweerden Jezus lief te hebben, en die tranen vergoten wanneer zij het verhaal van het kruis lazen, bespotten het goede nieuws van Zijn komst. In plaats van de boodschap met blijdschap aan te nemen, verklaarden zij dat zij een misleiding was. Zij haatten hen die Zijn verschijning liefhadden en sloten hen uit de kerken uit. Degenen die de eerste boodschap verwierpen, konden van de tweede geen nut hebben; evenmin hadden zij baat bij de middernachtsroep, die hen moest voorbereiden om door het geloof met Jezus het allerheiligste van het hemelse heiligdom binnen te gaan. En doordat zij de twee voorgaande boodschappen verwierpen, hebben zij hun verstand zó verduisterd dat zij geen licht kunnen zien in de boodschap van de derde engel, die de weg wijst naar het allerheiligste. Ik zag dat, zoals de Joden Jezus kruisigden, de naamchristelijke kerken deze boodschappen hadden gekruisigd, en daarom hebben zij geen kennis van de weg naar het allerheiligste, en kunnen zij geen baat hebben bij de voorbede van Jezus aldaar. Zoals de Joden, die hun nutteloze offers brachten, zenden zij hun nutteloze gebeden op naar het vertrek dat Jezus heeft verlaten; en Satan, verheugd over het bedrog, neemt een godsdienstig karakter aan en leidt de gedachten van deze belijdende christenen tot zich, terwijl hij met zijn macht, zijn tekenen en leugenachtige wonderen werkt om hen vast te hechten in zijn strik.” Early Writings, 258–261.
De passages uit het boek Early Writings zijn herhaaldelijk onderwezen door de bediening van Future for America. Maar er zijn waarheden die deze passages illustreren en die onopgemerkt zijn gebleven.
De merktekens in de geschiedenis van de Milleritische beweging zijn gegrondvest op verscheidene reformatorische bewegingen in de Bijbel. Zonder enige bekendheid met de merktekens die in iedere reformatorische beweging worden aangetroffen, is het tamelijk onwaarschijnlijk dat iemand de betekenis zal begrijpen van het onderscheid tussen wanneer een boodschap „arriveert” en wanneer zij „bekrachtigd” wordt. Het is ook waarschijnlijk dat velen die bekend zijn met de parallelle reformatorische bewegingen, enkele zeer belangrijke kenmerken van de verschillende merktekens van reformatorische bewegingen over het hoofd hebben gezien.
De „zeven donderslagen”, die de gebeurtenissen aan het begin van het adventisme en de gebeurtenissen aan het einde van het adventisme vertegenwoordigen, vormen het licht dat kort vóór het sluiten van de genadetijd wordt ontzegeld. Er wordt ons meegedeeld dat de „zeven donderslagen” zowel „een schets van gebeurtenissen vertegenwoordigen die zich onder de boodschappen van de eerste en de tweede engel zouden voltrekken”, als „toekomstige gebeurtenissen die in hun volgorde geopenbaard zullen worden”. De „zeven donderslagen” dragen de signatuur van Alpha en Omega.
De „afbakening van gebeurtenissen” die zich hebben voorgedaan „onder de boodschappen van de eerste en de tweede engel”, is een zinnebeeld van de gebeurtenissen die zich voordoen onder de boodschap van de derde engel. Toen Johannes werd bevolen niet te schrijven wat de zeven donderslagen hadden gesproken, was dat bevel vooraf uitgebeeld door het bevel dat aan Daniël was gegeven om zijn boek te verzegelen, want ons wordt meegedeeld dat nadat de „zeven donderslagen hun stemmen hadden doen horen, het gebod tot Johannes komt, evenals tot Daniël met betrekking tot het kleine boek: ‘Verzegel wat de zeven donderslagen gesproken hebben.’”
Ezechiël en Johannes beelden beiden af dat Gods volk de boodschap eet bij de bekrachtiging van de eerste engel in 1840, en de profeet Jeremia beeldt de teleurstelling af die onder Gods volk plaatsvond toen de boodschap van de eerste engel scheen te falen.
Uw woorden werden gevonden, en ik at ze op; en Uw woord was mij tot vreugde en blijdschap van mijn hart, want ik ben naar Uw Naam genoemd, o HEERE, God der heirscharen. Ik zat niet in de vergadering der spotters, noch verheugde ik mij; ik zat alleen vanwege Uw hand, want Gij hebt mij met verbolgenheid vervuld. Waarom is mijn pijn voortdurend, en mijn wond ongeneeslijk, die weigert genezen te worden? Zult Gij voor mij geheel en al zijn als een leugenachtige beek, als wateren die falen? Daarom, zo zegt de HEERE: Indien gij terugkeert, dan zal Ik u doen wederkeren, en gij zult voor Mijn aangezicht staan; en indien gij het kostelijke van het verachtelijke afscheidt, zult gij als Mijn mond zijn; laten zíj tot u terugkeren, maar gij, keer niet tot hen terug. En Ik zal u voor dit volk maken tot een versterkte koperen muur; en zij zullen tegen u strijden, maar zij zullen u niet overwinnen; want Ik ben met u om u te verlossen en u te bevrijden, spreekt de HEERE. En Ik zal u redden uit de hand der goddelozen, en Ik zal u verlossen uit de hand der geweldenaars. Jeremia 15:16–21.
Jeremia had de woorden van het kleine boek gevonden, evenals Johannes en Ezechiël, en ook hij had de boodschap gegeten, maar de boodschap was tot een boodschap (water) geworden die had gefaald. Het was alsof God had gelogen, wat natuurlijk onmogelijk is, maar de beschuldiging van een „leugen” verschaft de sleutel om Jeremia te plaatsen bij de eerste Milleritische teleurstelling die in Habakuk werd uitgebeeld.
Ik zal op mijn wachtpost staan en mij op de toren stellen, en uitzien om te zien wat Hij tot mij spreken zal, en wat ik antwoorden zal wanneer ik bestraft word. En de HEERE antwoordde mij en zei: Schrijf het gezicht op en stel het duidelijk op tafelen, opdat men al lopende het lezen kan. Want het gezicht is nog voor een bestemde tijd, maar aan het einde zal het spreken en niet liegen; al vertoeft het, verbeid het; want het zal gewis komen, het zal niet uitblijven. Habakuk 2:1–3.
Het visioen van de boodschap van de eerste engel werd weergegeven op de pionierskaart van 1843, die werd geleid door de „hand” van God.
„Mij is getoond dat de kaart van 1843 door de hand des Heeren werd geleid, en dat zij niet veranderd mocht worden; dat de cijfers waren zoals Hij ze hebben wilde; dat Zijn hand erover was en een vergissing in enkele van de cijfers verborg, zodat niemand die kon zien, totdat Zijn hand werd weggenomen.” Early Writings, 74.
De „bestemde tijd” van 1843 werd op de kaart weergegeven, en daarom wordt zij de kaart van 1843 genoemd. Zij werd in 1842 gepubliceerd, ter vervulling van het bevel in Habakuk om „het gezicht op te schrijven en duidelijk op tafelen te stellen.” Het gezicht moest duidelijk worden gesteld op „tafelen”, in het meervoud, en duidt er aldus op dat, nadat de Heer Zijn hand had weggenomen van de vergissing op de kaart van 1843, deze op de pionierskaart van 1850 zou worden gecorrigeerd. De vergissing bracht de eerste teleurstelling teweeg, en Jeremia stelt hen voor die op 11 augustus 1840 het kleine boek hadden gegeten en teleurgesteld waren toen de bestemde tijd van 1843 uitbleef.
Toen Jeremia in 1840 het kleine boek had gegeten, was het „de vreugde en blijdschap” van zijn hart; maar toen de teleurstelling kwam, „verheugde” hij zich niet langer en „zat hij alleen vanwege” Gods „hand”. Gods hand had „een vergissing in enkele van de cijfers” bedekt, waardoor Jeremia ertoe kwam de mogelijkheid te overwegen dat God gelogen had. De belofte die aan Jeremia werd gegeven, was dat, indien hij zou „terugkeren” uit zijn moedeloosheid, God Jeremia zou maken tot Gods „mond”. Indien Jeremia uit zijn teleurstelling tot God zou terugkeren en zou erkennen dat hij zich bevond in de vertoeftijd van de gelijkenis van de tien maagden, zou God hem gebruiken als het mondstuk dat nauwkeurig zou aanwijzen wanneer het visioen moest komen en niet langer vertoeven.
Het doel van het hier uiteenzetten van deze feiten is vast te stellen dat bij alle boodschappen van de engelen hun „aankomsten” en „bekrachtigingen” een boodschap van leven of dood vormen, die twee klassen van aanbidders voortbrengt. De drie engelen zijn drie stappen in een voortschrijdend beproevingsproces. Nog belangrijker voor ons beoogde punt is dat, hoewel het begrip van de zeven donderslagen kort na de komst van de „tijd van het einde” in 1989 werd onderkend, toen de laatste zes verzen van Daniël werden ontzegeld en de afsluiting van het oordeel aankondigden, er aan het einde van de geschiedenis van de derde engel nog een andere ontzegeling van de zeven donderslagen is.
De geschiedenis van het begin van het adventisme vangt aan bij het ontzegelen van de eerste engel in 1798, en zij eindigt met het ontzegelen van een waarheid waarover de Heer Zijn hand hield om een teleurstelling teweeg te brengen. Daarna nam Hij Zijn hand weg (ontzegelde), en openbaarde de boodschap van de vertoeftijd.
De geschiedenis van het einde van het adventisme begint bij het ontzegelen van de boodschap van de derde engel in 1989, en zij eindigt met het ontzegelen van een waarheid waarover de Heer Zijn hand hield om een teleurstelling teweeg te brengen. Hij neemt nu Zijn hand weg en ontzegelt daarmee de boodschap van de eerste teleurstelling en de vertoeftijd. Hij ontzegelt het doel van 18 juli 2020.
Daarom, zo zegt de HEERE: Indien gij wederkeert, dan zal Ik u doen wederkeren, en gij zult voor Mijn aangezicht staan; en indien gij het kostelijke van het verachtelijke afscheidt, zult gij als Mijn mond zijn; laten zíj tot u wederkeren, maar gij, keer gij niet tot hen weder. En Ik zal u voor dit volk maken tot een versterkte koperen muur; en zij zullen tegen u strijden, maar zij zullen u niet overweldigen; want Ik ben met u om u te verlossen en u te bevrijden, spreekt de HEERE. En Ik zal u redden uit de hand der goddelozen, en Ik zal u verlossen uit de hand der geweldenaars. Jeremia 15:19–21.