It is an acceptable biblical understanding to identify the prophet Ezekiel as thirty years old in his opening verses.

Het is een aanvaardbare bijbelse opvatting om de profeet Ezechiël in zijn openingsverzen als dertig jaar oud te beschouwen.

Now it came to pass in the thirtieth year, in the fourth month, in the fifth day of the month, as I was among the captives by the river of Chebar, that the heavens were opened, and I saw visions of God. In the fifth day of the month, which was the fifth year of king Jehoiachin’s captivity, The word of the Lord came expressly unto Ezekiel the priest, the son of Buzi, in the land of the Chaldeans by the river Chebar; and the hand of the Lord was there upon him. Ezekiel 1:1–3.

En het geschiedde in het dertigste jaar, in de vierde maand, op de vijfde dag van de maand, toen ik te midden van de ballingen was aan de rivier de Kebar, dat de hemelen geopend werden en ik gezichten Gods zag. Op de vijfde dag van de maand, dat was het vijfde jaar van de gevangenschap van koning Jojachin, kwam het woord des HEEREN uitdrukkelijk tot Ezechiël, de priester, de zoon van Buzi, in het land der Chaldeeën, aan de rivier de Kebar; en de hand des HEEREN was daar op hem. Ezechiël 1:1–3.

Some believe “the thirtieth year” is based upon a specific jubilee cycle, which began with king Josiah and ended with verse one of chapter forty.

Sommigen menen dat „het dertigste jaar” berust op een specifieke jubeljaarcyclus, die begon met koning Josia en eindigde met vers één van hoofdstuk veertig.

In the five and twentieth year of our captivity, in the beginning of the year, in the tenth day of the month, in the fourteenth year after that the city was smitten, in the selfsame day the hand of the Lord was upon me, and brought me thither. Ezekiel 40:1.

In het vijfentwintigste jaar van onze gevangenschap, aan het begin van het jaar, op de tiende dag van de maand, in het veertiende jaar nadat de stad was geslagen, was de hand des Heeren op diezelfde dag op mij, en Hij bracht mij daarheen. Ezechiël 40:1.

Biblical chronologists date verse one of chapter forty as either April 28 or October 22, 573 BC. All the prophets identify the latter days, so the fall date of October 22, 573 BC is the omega date of a line that began fifty years prior in what is called “Josiah’s Great Passover” on May 5, 622 BC.

Bijbelse chronologen dateren vers één van hoofdstuk veertig op 28 april of op 22 oktober 573 v.Chr. Alle profeten duiden de laatste dagen aan, zodat de najaarsdatum van 22 oktober 573 v.Chr. de omegadatum is van een lijn die vijftig jaar eerder begon bij wat „Josia’s Grote Pascha” wordt genoemd, op 5 mei 622 v.Chr.

The number thirty is a symbol of the priests who were to be thirty years old when they began to serve. Whether verse one through three of Ezekiel one, is identifying Ezekiel’s age as thirty, or simply as a symbol of a priest he would also be represented as thirty years old. If the thirty years of verse one is as others believe; representing the thirtieth year since Josiah’s Great Passover in 622 BC, the prophetic implications are still the same.

Het getal dertig is een symbool van de priesters, die dertig jaar oud moesten zijn wanneer zij hun dienst begonnen. Of Ezechiël 1:1–3 nu de leeftijd van Ezechiël als dertig aanduidt, dan wel eenvoudig als een symbool van een priester waardoor hij eveneens als dertig jaar oud zou worden voorgesteld, in beide gevallen blijft de betekenis dezelfde. Indien de dertig jaar van vers 1, zoals anderen menen, het dertigste jaar sinds Josia’s Grote Pascha in 622 v.Chr. vertegenwoordigen, zijn de profetische implicaties nog steeds dezelfde.

Josiah means “foundation,” and his Great Passover began a jubilee period that ended on October 22 on the Day of Atonement 573 BC. The “jubilee line” from Josiah to October 22 aligns with the history of 1840 to 1844. The foundations of 1840 were represented by king Josiah and also by Josiah Litch. October 22 was represented by the horn of the jubilee trumpet being sounded along with the horn of the Day of Atonement.

Josia betekent „fundament”, en zijn grote Pascha luidde een jubeljaarperiode in die eindigde op 22 oktober, op de Grote Verzoendag van 573 v.Chr. De „jubeljaarlijn” van Josia tot 22 oktober stemt overeen met de geschiedenis van 1840 tot 1844. De fundamenten van 1840 werden vertegenwoordigd door koning Josia en ook door Josiah Litch. 22 oktober werd vertegenwoordigd doordat de hoorn van de jubeljaarbazuin werd geblazen samen met de hoorn van de Grote Verzoendag.

And thou shalt number seven sabbaths of years unto thee, seven times seven years; and the space of the seven sabbaths of years shall be unto thee forty and nine years. Then shalt thou cause the trumpet of the jubilee to sound on the tenth day of the seventh month, in the day of atonement shall ye make the trumpet sound throughout all your land. Leviticus 25:8, 9.

En gij zult u zeven sabbatten van jaren tellen, zevenmaal zeven jaren; en de tijd van de zeven sabbatten van jaren zal u negenenveertig jaren zijn. Dan zult gij op de tiende dag van de zevende maand de bazuin van het jubeljaar doen klinken; op de verzoendag zult gij de bazuin doen klinken door heel uw land. Leviticus 25:8, 9.

Ezekiel is set within the Jubilee line from king Josiah to October 22, a line that represents Revelation ten’s first and second angels from 1840 unto 1844. Ezekiel represents the Millerites of the first and second angels and the one hundred and forty-four thousand of the third angel. Ezekiel represents the priesthood of the one hundred and forty-four thousand, but his primary prophetic attribute is that he is a prophet.

Ezechiël is geplaatst binnen de Jubileumlijn van koning Josia tot 22 oktober, een lijn die de eerste en de tweede engel van Openbaring tien vertegenwoordigt, van 1840 tot 1844. Ezechiël vertegenwoordigt de Millerieten van de eerste en de tweede engel en de honderdvierenveertigduizend van de derde engel. Ezechiël vertegenwoordigt het priesterschap van de honderdvierenveertigduizend, maar zijn voornaamste profetische kenmerk is dat hij een profeet is.

Prophet, Priest and King

Profeet, Priester en Koning

There are three biblical characters that began to serve when thirty years of age. Along with Ezekiel were David and Joseph. Because they all began to serve at the age of thirty, they are all priests. David is a symbol of the king, Joseph is the priest and Ezekiel is the prophet in the threefold kingdom of glory that consists of a prophet, a priest and a king.

Er zijn drie bijbelse personen die op dertigjarige leeftijd hun dienst begonnen. Naast Ezechiël waren dat David en Jozef. Omdat zij allen op de leeftijd van dertig jaar hun dienst begonnen, zijn zij allen priesters. David is een symbool van de koning, Jozef is de priester en Ezechiël is de profeet in het drievoudige koninkrijk der heerlijkheid, dat bestaat uit een profeet, een priester en een koning.

However we might apply the prophet Ezekiel as a symbol, he is a priest, and when applied in the line of the jubilee from Josiah to October 22, Ezekiel is a priest who would represent a priest in the sealing time of the one hundred and forty-four thousand as typified by the history of 1840 to 1844 and king Josiah to October 22, 573 BC.

Hoe wij de profeet Ezechiël ook als symbool mogen toepassen, hij is een priester, en wanneer hij wordt toegepast in de lijn van het jubeljaar vanaf Josia tot 22 oktober, is Ezechiël een priester die een priester zou vertegenwoordigen in de tijd van de verzegeling van de honderdvierenveertigduizend, zoals voorafgeschaduwd door de geschiedenis van 1840 tot 1844 en van koning Josia tot 22 oktober 573 v.Chr.

Twenty-two

Tweeëntwintig

The Bible is clear that Ezekiel ministered for twenty-two years. “Twenty-two” is a symbol of the one hundred and forty-four thousand who are the ensign of Divinity combined with humanity. In the history represented by Josiah’s Passover unto chapter forty’s October 22’s Jubilee celebration, Josiah’s Passover typified the work of Josiah Litch in 1838 and 1840. That work was setting forth the time prophecies of the first and second woes. It can now be seen that the prophecy of the first and second woes is much larger than the pioneers recognized.

De Bijbel maakt duidelijk dat Ezechiël tweeëntwintig jaar diende. „Tweeëntwintig” is een symbool van de honderd vierenveertigduizend, die het banier van de Godheid zijn, verenigd met de mensheid. In de geschiedenis die wordt voorgesteld door Josia’s Pascha tot aan de Jubelviering van 22 oktober in hoofdstuk veertig, was Josia’s Pascha een voorafschaduwing van het werk van Josiah Litch in 1838 en 1840. Dat werk bestond erin de tijdprofetieën van de eerste en tweede wee uiteen te zetten. Nu kan worden gezien dat de profetie van de eerste en tweede wee veel omvangrijker is dan de pioniers onderkenden.

Ezekiel as a biblical prophet identifies more specific dates in his writings than any other biblical author.

Ezechiël noemt als bijbelse profeet in zijn geschriften meer specifieke data dan enige andere bijbelse auteur.

Ezekiel is the omega of the day equaling a year in Bible prophecy. In the book of Numbers, the alpha mention of the day year principle is represented at the first rebellion at Kadesh that brought about forty years of wandering in the wilderness. The last, or omega rebellion is being represented by Ezekiel in chapter four as Jerusalem is destroyed.

Ezechiël is de omega van de dag gelijk aan een jaar in de Bijbelse profetie. In het boek Numeri wordt de alfa-vermelding van het dag-jaarbeginsel voorgesteld bij de eerste opstand te Kades, die veertig jaar omzwerving in de woestijn teweegbracht. De laatste, of omega-opstand wordt door Ezechiël in hoofdstuk vier voorgesteld, wanneer Jeruzalem wordt verwoest.

Alpha

Alfa

After the number of the days in which ye searched the land, even forty days, each day for a year, shall ye bear your iniquities, even forty years, and ye shall know my breach of promise. I the Lord have said, I will surely do it unto all this evil congregation, that are gathered together against me: in this wilderness they shall be consumed, and there they shall die. Numbers 14:34, 35.

Naar het getal der dagen waarin gij het land verspied hebt, namelijk veertig dagen, voor elke dag een jaar, zult gij uw ongerechtigheden dragen, namelijk veertig jaren, en gij zult Mijn verbreking der belofte kennen. Ik, de HEERE, heb het gesproken; voorzeker zal Ik dit doen aan deze gehele boze vergadering, die zich tegen Mij verzameld heeft: in deze woestijn zullen zij verteerd worden, en daar zullen zij sterven. Numeri 14:34, 35.

Omega

Omega

Lie thou also upon thy left side, and lay the iniquity of the house of Israel upon it: according to the number of the days that thou shalt lie upon it thou shalt bear their iniquity. For I have laid upon thee the years of their iniquity, according to the number of the days, three hundred and ninety days: so shalt thou bear the iniquity of the house of Israel. And when thou hast accomplished them, lie again on thy right side, and thou shalt bear the iniquity of the house of Judah forty days: I have appointed thee each day for a year. Therefore thou shalt set thy face toward the siege of Jerusalem, and thine arm shall be uncovered, and thou shalt prophesy against it. Ezekiel 4:4–7.

Ga ook op uw linkerzijde liggen, en leg daarop de ongerechtigheid van het huis Israëls; overeenkomstig het aantal dagen dat gij daarop zult liggen, zult gij hun ongerechtigheid dragen. Want Ik heb u de jaren van hun ongerechtigheid opgelegd, naar het aantal dagen, driehonderdnegentig dagen; zo zult gij de ongerechtigheid van het huis Israëls dragen. En wanneer gij die voleindigd hebt, zult gij opnieuw op uw rechterzijde liggen, en gij zult de ongerechtigheid van het huis van Juda dragen, veertig dagen: Ik heb u elke dag voor een jaar gesteld. Daarom zult gij uw aangezicht richten tegen de belegering van Jeruzalem, en uw arm zal ontbloot zijn, en gij zult daartegen profeteren. Ezechiël 4:4–7.

Kadesh and Jerusalem’s destruction represent the alpha and omega rebellion representing the day for a year principle. The “day for a year principle” was the primary rule of the Millerite's and in the history of 1840 to 1844, as typified in the Jubilee line of king Josiah unto October 22. Ezekiel sets forth more dates than any other prophet. Within the dating of Ezekiel, the line of the Jubilee is identified, tying Ezekiel’s witness directly into the history of the first and second angels, and thereafter the history of the third angel.

Kades en de verwoesting van Jeruzalem vertegenwoordigen de alfa- en omegaopstand en vertegenwoordigen het dag-voor-een-jaar-beginsel. Het „dag-voor-een-jaar-beginsel” was de voornaamste regel van de Millerieten en in de geschiedenis van 1840 tot 1844, zoals getypeerd in de Jubileumlijn van koning Josia tot 22 oktober. Ezechiël stelt meer dateringen vast dan enige andere profeet. Binnen de dateringen van Ezechiël wordt de lijn van het Jubeljaar geïdentificeerd, waardoor het getuigenis van Ezechiël rechtstreeks wordt verbonden met de geschiedenis van de eerste en de tweede engel, en daarna met de geschiedenis van de derde engel.

Along with the “Jubilee line” Ezekiel lies on his side for three hundred and ninety days, then on his other side for forty days. “Four hundred and thirty” is a symbol of the old and new covenants, for Abram’s covenant promise of four hundred years of captivity in Egypt found the second witness of thirty years with the apostle Paul. Together Abram, (later Abraham) of ‘the old’ and Saul, (later Paul) of ‘the new’ combined their witnesses to establish four hundred and thirty years as a symbol of the everlasting covenant. “Three hundred and ninety days” “shalt thou bear the iniquity of the house of Israel.” “And” “thou shalt bear the iniquity of the house of Judah forty days.” Together the right side and the left side equal Abram and Paul.

Samen met de „Jubeljaar-lijn” ligt Ezechiël driehonderdnegentig dagen op zijn zijde, daarna veertig dagen op zijn andere zijde. „Vierhonderddertig” is een symbool van de oude en de nieuwe verbonden, want Abrams verbondsbelofte van vierhonderd jaren van gevangenschap in Egypte vond de tweede getuige van dertig jaren bij de apostel Paulus. Samen verenigden Abram, (later Abraham) van ‘het oude’ en Saul, (later Paulus) van ‘het nieuwe’ hun getuigenissen om vierhonderddertig jaren vast te stellen als een symbool van het eeuwige verbond. „Driehonderdnegentig dagen” „zult gij de ongerechtigheid van het huis van Israël dragen.” „En” „gij zult de ongerechtigheid van het huis van Juda veertig dagen dragen.” Samen zijn de rechterzijde en de linkerzijde gelijk aan Abram en Paulus.

The covenant was always based upon obedience or disobedience—life or death. The year day principle in Millerite history was a life or death issue, and the history was announced by the first angel as the everlasting gospel. The “gospel” is a life or death issue, and the life or death testing issue of Millerite history was set within the context of the principle of a day equating to a year. The prediction that empowered the message of the first angel was the three hundred ninety-one years and fifteen days prophecy of the second woe. Within the three hundred and ninety days that Ezekiel laid upon his left side is an illustration of the three hundred and ninety-one years and fifteen days time prophecy of the second woe. It requires prophetic discernment to rightly divide the prophecy, but it is nothing less than the continuing work of the Lion of the tribe of Judah unsealing the message of the midnight cry.

Het verbond was altijd gebaseerd op gehoorzaamheid of ongehoorzaamheid—leven of dood. Het jaar-dagbeginsel in de Milleritische geschiedenis was een kwestie van leven of dood, en die geschiedenis werd door de eerste engel aangekondigd als het eeuwige evangelie. Het „evangelie” is een kwestie van leven of dood, en de toetssteen van leven of dood in de Milleritische geschiedenis werd geplaatst binnen de context van het beginsel dat een dag gelijkstaat aan een jaar. De voorspelling die de boodschap van de eerste engel kracht bijzette, was de profetie van de tweede wee van driehonderdeenennegentig jaar en vijftien dagen. Binnen de driehonderdnegentig dagen waarin Ezechiël op zijn linkerzijde lag, bevindt zich een illustratie van de tijdsprofetie van de tweede wee van driehonderdeenennegentig jaar en vijftien dagen. Er is profetisch onderscheidingsvermogen voor nodig om de profetie recht te verdelen, maar het is niets minder dan het voortgaande werk van de Leeuw uit de stam van Juda, Die de boodschap van de middernachtsroep ontzegelt.

I contend that Ezekiel must be treated as a symbol of the one hundred and forty-four thousand, but primarily as a symbol of the gift of the Spirit of Prophecy, whether represented as a manifestation of a latter-day prophet, or as a manifestation of the covenant people who understand the principle of line upon line methodology.

Ik stel dat Ezechiël moet worden beschouwd als een symbool van de honderd vierenveertigduizend, maar in de eerste plaats als een symbool van de gave van de Geest der Profetie, hetzij voorgesteld als een manifestatie van een profeet in de laatste dagen, hetzij als een manifestatie van het verbondsvolk dat het beginsel van de methodologie van regel op regel begrijpt.

I contend that Ezekiel’s light upon the three hundred and ninety-one years and fifteen days prophecy aligns with the dirt brush man casting the jewels into the larger casket.

Ik stel dat het licht dat Ezechiël werpt op de profetie van driehonderdeenennegentig jaren en vijftien dagen overeenstemt met de man met de stofborstel die de juwelen in de grotere kist werpt.

I contend that the light from Ezekiel is an essential element of the capstone message, when the temple is finished.

Ik stel dat het licht uit Ezechiël een wezenlijk element is van de sluitsteenboodschap, wanneer de tempel voltooid is.

Ezekiel is at October 22 in verse one of chapter forty, and it is there that the vision of the future temple is given to Ezekiel. That temple is the temple of the one hundred and forty-four thousand, of which Ezekiel is a symbol of that number. That group will have passed two tests before they reach the third and litmus test. Ezekiel is portrayed as receiving his light in the temple, and therefore the light he produces as a symbol represents the light that comes when God’s people enter the Most Holy Place in alignment with Daniel chapter ten.

Ezechiël bevindt zich op 22 oktober in vers één van hoofdstuk veertig, en daar wordt aan Ezechiël het visioen van de toekomstige tempel gegeven. Die tempel is de tempel van de honderdvierenvijftigduizend, waarvan Ezechiël een symbool van dat aantal is. Die groep zal twee beproevingen hebben doorstaan voordat zij de derde en beslissende lakmoesproef bereiken. Ezechiël wordt voorgesteld als iemand die zijn licht in de tempel ontvangt, en daarom vertegenwoordigt het licht dat hij voortbrengt als symbool het licht dat komt wanneer Gods volk het Allerheiligste binnengaat, in overeenstemming met Daniël hoofdstuk tien.

The light of the Revelation of Jesus Christ that is unsealed, is unsealed just before probation closes.

Het licht van de Openbaring van Jezus Christus, die ontzegeld is, wordt ontzegeld vlak voordat de genadetijd sluit.

And he saith unto me, Seal not the sayings of the prophecy of this book: for the time is at hand. He that is unjust, let him be unjust still: and he which is filthy, let him be filthy still: and he that is righteous, let him be righteous still: and he that is holy, let him be holy still. Revelation 22:10, 11.

En hij zeide tot mij: Verzegel de woorden van de profetie van dit boek niet; want de tijd is nabij. Wie onrechtvaardig is, laat hem nog onrechtvaardig zijn; en wie verontreinigd is, laat hem nog verontreinigd zijn; en wie rechtvaardig is, laat hem nog rechtvaardig zijn; en wie heilig is, laat hem nog geheiligd zijn. Openbaring 22:10, 11.

The “time is at hand” just before probation closes in verse eleven, and the Revelation of Jesus Christ is therefore unsealed at that time, for “the time is at hand.”

De „tijd is nabij” vlak voordat de genadetijd in vers elf eindigt, en de Openbaring van Jezus Christus is daarom op dat tijdstip niet langer verzegeld, want „de tijd is nabij”.

The Revelation of Jesus Christ, which God gave unto him, to shew unto his servants things which must shortly come to pass; and he sent and signified it by his angel unto his servant John: Who bare record of the word of God, and of the testimony of Jesus Christ, and of all things that he saw. Blessed is he that readeth, and they that hear the words of this prophecy, and keep those things which are written therein: for the time is at hand. Revelation 1:1–3.

De openbaring van Jezus Christus, die God Hem gegeven heeft om Zijn dienstknechten te tonen hetgeen weldra moet geschieden; en Hij heeft die door Zijn engel gezonden en te kennen gegeven aan Zijn dienstknecht Johannes; deze heeft getuigenis afgelegd van het Woord van God, en van het getuigenis van Jezus Christus, en van alles wat hij gezien heeft. Zalig is hij die leest, en zij die de woorden van deze profetie horen en bewaren hetgeen daarin geschreven staat; want de tijd is nabij. Openbaring 1:1–3.

Probation closes for Laodicean Seventh-day Adventism at the Sunday law and Adventism is represented as Jerusalem in chapter nine of Ezekiel. There those who sigh and cry for the abominations done in the land and in the church receive the seal. The sealing takes place when the east winds of Islam are angering the nations, just before probation closes. In Ezekiel chapter eight the four generations of Adventism conclude with the fourth generation being symbolized by the twenty-five leaders bowing to the sun.

De genadetijd voor het Laodiceïsche Zevendedagsadventisme sluit bij de zondagswet, en het adventisme wordt in hoofdstuk negen van Ezechiël voorgesteld als Jeruzalem. Daar ontvangen zij die zuchten en klagen over de gruwelen die in het land en in de kerk gedaan worden, het zegel. De verzegeling vindt plaats wanneer de oostenwinden van de islam de volken in beroering brengen, vlak voordat de genadetijd sluit. In hoofdstuk acht van Ezechiël komen de vier generaties van het adventisme tot hun voltooiing, waarbij de vierde generatie wordt gesymboliseerd door de vijfentwintig leiders die zich neerbuigen voor de zon.

That vision was given symbolically one day before the Sunday law, or just before the close of probation as represented by six, six, six.

Dat visioen werd op symbolische wijze gegeven één dag vóór de zondagswet, of vlak vóór het einde van de genadetijd, voorgesteld door zes, zes, zes.

And it came to pass in the sixth year, in the sixth month, in the fifth day of the month, as I sat in mine house, and the elders of Judah sat before me, that the hand of the Lord God fell there upon me. Then I beheld, and lo a likeness as the appearance of fire: from the appearance of his loins even downward, fire; and from his loins even upward, as the appearance of brightness, as the colour of amber. And he put forth the form of an hand, and took me by a lock of mine head; and the spirit lifted me up between the earth and the heaven, and brought me in the visions of God to Jerusalem, to the door of the inner gate that looketh toward the north; where was the seat of the image of jealousy, which provoketh to jealousy. And, behold, the glory of the God of Israel was there, according to the vision that I saw in the plain. Ezekiel 8:1–4.

En het geschiedde in het zesde jaar, in de zesde maand, op de vijfde dag van de maand, terwijl ik in mijn huis zat en de oudsten van Juda vóór mij zaten, dat daar de hand van de Heere HEERE op mij viel. Toen zag ik, en zie, een gedaante als het aanzien van vuur: van het aanzien van Zijn lendenen af naar beneden vuur, en van Zijn lendenen af naar boven als het aanzien van glans, als de kleur van barnsteen. En Hij strekte iets uit in de vorm van een hand en greep mij bij een lok van mijn hoofd; en de Geest hief mij op tussen de aarde en de hemel en bracht mij in gezichten Gods naar Jeruzalem, naar de ingang van de binnenste poort die naar het noorden ziet, waar de zetel was van het beeld der ijverzucht, dat tot ijverzucht verwekt. En zie, de heerlijkheid van de God van Israël was daar, overeenkomstig het gezicht dat ik in de vallei gezien had. Ezechiël 8:1–4.

The vision of the sixth year, sixth month and fifth day came just before ‘666,’ a symbol of the Sunday law, when probation closes for Laodicean Adventism. That vision was “according to the vision” Ezekiel “saw in the plain.” The vision he saw in the plain is found earlier, in chapter three.

Het visioen van het zesde jaar, de zesde maand en de vijfde dag kwam vlak vóór ‘666’, een symbool van de zondagswet, wanneer de genadetijd voor het Laodiceïsche adventisme sluit. Dat visioen was “overeenkomstig het visioen” dat Ezechiël “in de vlakte” zag. Het visioen dat hij in de vlakte zag, staat eerder vermeld, in hoofdstuk drie.

Then I arose, and went forth into the plain: and, behold, the glory of the Lord stood there, as the glory which I saw by the river of Chebar: and I fell on my face. Ezekiel 3:23.

Toen stond ik op en ging uit naar de vlakte; en zie, daar stond de heerlijkheid des Heeren, gelijk de heerlijkheid die ik aan de rivier de Kebar had gezien; en ik viel op mijn aangezicht. Ezechiël 3:23.

The vision of the “plain”, which was the vision of the sixth year, sixth month and fifth day was the vision Ezekiel had seen earlier at the river of Chebar.

Het visioen van de „vlakte”, dat het visioen was van het zesde jaar, de zesde maand en de vijfde dag, was het visioen dat Ezechiël eerder bij de rivier de Kebar had gezien.

Now it came to pass in the thirtieth year, in the fourth month, in the fifth day of the month, as I was among the captives by the river of Chebar, that the heavens were opened, and I saw visions of God. Ezekiel 1:1.

En het geschiedde in het dertigste jaar, in de vierde maand, op de vijfde dag van de maand, toen ik te midden van de ballingen was aan de rivier de Kebar, dat de hemelen werden geopend en ik gezichten Gods zag. Ezechiël 1:1.

The “visions of God” which Ezekiel “saw,” by the river of Chebar, was the vision of the plain, which was also the vision of Ezekiel chapter eight through eleven. Those visions were presented in the context of Ezekiel looking into the sanctuary, which is where the "marah" looking glass vision of chapter ten is accomplished. Ezekiel represents those who partake of the prophetic light radiating from the Most Holy Place as the Revelation of Jesus Christ is brought forth just before the close of probation.

De „gezichten Gods” die Ezechiël „zag” bij de rivier Kebar, waren het gezicht van de vlakte, dat ook het gezicht was van Ezechiël hoofdstuk acht tot en met elf. Die gezichten werden gegeven in de context van Ezechiël die in het heiligdom keek, waar het „marah”-spiegelgezicht van hoofdstuk tien wordt vervuld. Ezechiël vertegenwoordigt hen die deelhebben aan het profetische licht dat uitstraalt vanuit het Allerheiligste, terwijl de Openbaring van Jezus Christus wordt voortgebracht vlak vóór het einde van de genadetijd.

When we identify king Josiah’s Jubilee line that begins with Passover and ends on October 22, we are identifying the symbol of the Spring feasts and the Fall feasts as set forth in Leviticus twenty-three. There the spring and fall feasts are set forth with twenty-two verses each, just as Ezekiel’s ministry was for twenty-two years. Aligning Ezekiel in the thirtieth year of the Jubilee line allows Ezekiel’s birth to align with Josiah’s revival. If he was thirty years old in the thirtieth year of the Jubilee cycle, then Ezekiel would be born at Josiah’s reformation.

Wanneer wij de Jubellijn van koning Josia identificeren, die met het Pascha begint en op 22 oktober eindigt, identificeren wij het symbool van de voorjaarsfeesten en de najaarsfeesten zoals uiteengezet in Leviticus drieëntwintig. Daar worden de voorjaars- en najaarsfeesten elk in tweeëntwintig verzen uiteengezet, evenals de bediening van Ezechiël tweeëntwintig jaar duurde. Door Ezechiël in het dertigste jaar van de Jubellijn te plaatsen, kan de geboorte van Ezechiël in overeenstemming worden gebracht met Josia’s opwekking. Indien hij dertig jaar oud was in het dertigste jaar van de Jubelcyclus, dan zou Ezechiël bij Josia’s reformatie geboren zijn.

Ezekiel is a symbol of those who by faith enter into the Most Holy Place. Once there they see the wheels within the wheels representing the complex play of human interactions. As with John in Revelation chapter ten, Ezekiel represents the Millerites, but more directly the one hundred and forty-four thousand. His parallel three-hundred-ninety-one-years and fifteen-days time prophecy illustrates the final judgment of Laodicean Adventism with the destruction of Jerusalem, and it includes the enigma of thirty-eight and forty.

Ezechiël is een symbool van hen die door het geloof het Allerheiligste binnengaan. Eenmaal daar zien zij de raderen in de raderen, die het complexe samenspel van menselijke interacties voorstellen. Evenals Johannes in Openbaring hoofdstuk tien vertegenwoordigt Ezechiël de Millerieten, maar nog directer de honderdvierenveertigduizend. Zijn parallelle tijdsprofetie van driehonderdeenennegentig jaar en vijftien dagen beeldt het laatste oordeel over het Laodiceïsche Adventisme uit met de verwoesting van Jeruzalem, en zij omvat het raadsel van achtendertig en veertig.

It includes the symbolism of four hundred and thirty years.

Het omvat de symboliek van vierhonderddertig jaar.

It includes the four-year period represented by 1333 to 1337, 1449 to 1453 and 1840 to 1844.

Het omvat de periode van vier jaar, weergegeven door 1333 tot 1337, 1449 tot 1453 en 1840 tot 1844.

We will begin our considerations of this most important subject in the next article.

In het volgende artikel zullen wij onze beschouwingen over dit allerbelangrijkste onderwerp beginnen.

“In the visions given to Isaiah, to Ezekiel, and to John we see how closely heaven is connected with the events taking place upon the earth and how great is the care of God for those who are loyal to Him.” Testimonies, volume 5, 753.

„In de visioenen die aan Jesaja, aan Ezechiël en aan Johannes werden gegeven, zien wij hoe nauw de hemel verbonden is met de gebeurtenissen die op aarde plaatsvinden en hoe groot Gods zorg is voor hen die Hem trouw zijn.” Testimonies, deel 5, 753.

“Christ Himself was the Lord of the temple. When He should leave it, its glory would depart—that glory once visible in the holy of holies over the mercy seat, where the high priest entered only once a year, on the great day of atonement, with the blood of the slain victim (typical of the blood of the Son of God shed for the sins of the world), and sprinkled it upon the altar. This was the Shekinah, the visible pavilion of Jehovah.

“Christus Zelf was de Heer van de tempel. Wanneer Hij die zou verlaten, zou zijn heerlijkheid wijken—die heerlijkheid die eens zichtbaar was in het heilige der heiligen boven het verzoendeksel, waar de hogepriester slechts eenmaal per jaar binnenging, op de grote verzoendag, met het bloed van het geslachte slachtoffer (een voorafbeelding van het bloed van de Zoon van God, vergoten voor de zonden van de wereld), en het op het altaar sprengde. Dit was de Sjechina, het zichtbare verblijf van Jehovah.

It was this glory that was revealed to Isaiah, when he says, ‘In the year that king Uzziah died I saw also the Lord sitting upon a throne, high and lifted up, and his train filled the temple’ [Isaiah 6:1–8 quoted].” The Seventh-day Adventist Bible Commentary, volume 4, 1139.

“Het was deze heerlijkheid die aan Jesaja werd geopenbaard, wanneer hij zegt: ‘In het jaar dat koning Uzzia stierf, zag ook ik de Heere, zittende op een hoge en verheven troon, en de zomen van Zijn kleed vulden de tempel’ [Jesaja 6:1–8 geciteerd].” The Seventh-day Adventist Bible Commentary, deel 4, 1139.

“The vision given to Isaiah represents the condition of God’s people in the last days. They are privileged to see by faith the work that is going forward in the heavenly sanctuary. ‘And the temple of God was opened in heaven, and there was seen in his temple the ark of his testament.’ As they look by faith into the holy of holies, and see the work of Christ in the heavenly sanctuary, they perceive that they are a people of unclean lips,—a people whose lips have often spoken vanity, and whose talents have not been sanctified and employed to the glory of God. Well may they despair as they contrast their own weakness and unworthiness with the purity and loveliness of the glorious character of Christ. But if they, like Isaiah, will receive the impression the Lord designs shall be made upon the heart, if they will humble their souls before God, there is hope for them. The bow of promise is above the throne, and the work done for Isaiah will be performed in them. God will respond to the petitions coming from the contrite heart.

“Het visioen dat aan Jesaja werd gegeven, stelt de toestand van Gods volk in de laatste dagen voor. Hun is het voorrecht gegeven door het geloof het werk te aanschouwen dat in het hemelse heiligdom voortgaat. ‘En de tempel van God werd geopend in de hemel, en men zag in zijn tempel de ark van zijn testament.’ Terwijl zij door het geloof in het heilige der heiligen zien en het werk van Christus in het hemelse heiligdom aanschouwen, beseffen zij dat zij een volk van onreine lippen zijn,—een volk waarvan de lippen dikwijls ijdelheid hebben gesproken en waarvan de talenten niet zijn geheiligd en aangewend tot Gods eer. Terecht mogen zij wanhopen wanneer zij hun eigen zwakheid en onwaardigheid vergelijken met de reinheid en lieflijkheid van het heerlijke karakter van Christus. Maar indien zij, evenals Jesaja, de indruk willen ontvangen die de Heere bedoelt op het hart te maken, indien zij hun ziel voor God willen verootmoedigen, dan is er hoop voor hen. De boog der belofte is boven de troon, en het werk dat voor Jesaja werd gedaan, zal in hen worden verricht. God zal antwoorden op de smeekbeden die uit het verbrijzelde hart opklimmen.”

The object of this great and solemn work of God is to gather together the sheaves for the heavenly garner; for the earth is to be filled with the glory of the Lord. Then let none be dismayed as they see the prevailing wickedness and hear the language coming from unclean lips. When the powers of darkness set themselves in array against the people of God; when Satan shall muster his forces for the last great conflict, and his power seems to be great and almost overwhelming, the clear view of the divine glory, the throne high and lifted up, arched with the bow of promise, will give comfort, assurance, and peace.” Review and Herald, December 22, 1896.

“Het doel van dit grote en plechtige werk van God is de schoven te verzamelen voor de hemelse schuur; want de aarde moet vervuld worden met de heerlijkheid des Heren. Laat dan niemand moedeloos worden wanneer hij de heersende goddeloosheid ziet en de taal hoort die van onreine lippen komt. Wanneer de machten der duisternis zich opstellen tegen het volk van God; wanneer Satan zijn strijdkrachten zal verzamelen voor het laatste grote conflict en zijn macht groot en bijna overweldigend schijnt te zijn, zal het heldere gezicht op de goddelijke heerlijkheid, op de troon hoog en verheven, overkoepeld door de boog der belofte, troost, zekerheid en vrede schenken.” Review and Herald, 22 december 1896.

“Upon the banks of the river Chebar, Ezekiel beheld a whirlwind seeming to come from the north, ‘a great cloud, and a fire infolding itself, and a brightness was about it, and out of the midst thereof as the color of amber.’ A number of wheels, intersecting one another, were moved by four living beings. High above all these ‘was the likeness of a throne, as the appearance of a sapphire stone: and upon the likeness of the throne was the likeness as the appearance of a man above upon it.’ ‘And there appeared in the cherubims the form of a man’s hand under their wings.’ Ezekiel 1:4, 26; 10:8. The wheels were so complicated in arrangement that at first sight they appeared to be in confusion; but they moved in perfect harmony. Heavenly beings, sustained and guided by the hand beneath the wings of the cherubim, were impelling these wheels; above them, upon the sapphire throne, was the Eternal One; and round about the throne a rainbow, the emblem of divine mercy.

„Aan de oevers van de rivier de Kebar aanschouwde Ezechiël een wervelwind die scheen uit het noorden te komen, ‘een grote wolk, en een vuur dat in zichzelf omkrullende was, en een glans was rondom haar, en uit haar midden als de kleur van barnsteen.’ Een aantal raderen, die elkaar doorkruisten, werden bewogen door vier levende wezens. Hoog boven dit alles ‘was de gelijkenis van een troon, als het aanzien van een saffiersteen; en op de gelijkenis van de troon was een gelijkenis als het aanzien van een mens daarboven erop.’ ‘En in de cherubs verscheen de vorm van eens mensen hand onder hun vleugels.’ Ezechiël 1:4, 26; 10:8. De raderen waren in hun ordening zo ingewikkeld dat zij op het eerste gezicht in verwarring schenen te zijn; maar zij bewogen zich in volmaakte harmonie. Hemelse wezens, ondersteund en geleid door de hand onder de vleugels van de cherubs, dreven deze raderen voort; boven hen, op de saffieren troon, was de Eeuwige; en rondom de troon was een regenboog, het zinnebeeld van goddelijke barmhartigheid.

“As the wheel like complications were under the guidance of the hand beneath the wings of the cherubim, so the complicated play of human events is under divine control. Amidst the strife and tumult of nations, He that sitteth above the cherubim still guides the affairs of the earth.

“Zoals de ingewikkelde raderen onder de leiding stonden van de hand onder de vleugels van de cherubs, zo staat ook het ingewikkelde spel van menselijke gebeurtenissen onder goddelijke leiding. Te midden van de strijd en het rumoer der naties bestuurt Hij die boven de cherubs troont nog steeds de aangelegenheden der aarde.

“The history of nations that one after another have occupied their allotted time and place, unconsciously witnessing to the truth of which they themselves knew not the meaning, speaks to us. To every nation and to every individual of today God has assigned a place in His great plan. Today men and nations are being measured by the plummet in the hand of Him who makes no mistake. All are by their own choice deciding their destiny, and God is overruling all for the accomplishment of His purposes.

„De geschiedenis van de volken die, het ene na het andere, hun hun toegewezen tijd en plaats hebben ingenomen en daarbij onbewust getuigenis hebben afgelegd van de waarheid waarvan zij zelf de betekenis niet kenden, spreekt tot ons. Aan ieder volk en aan ieder individu van heden heeft God een plaats toegewezen in Zijn grote plan. Vandaag worden mensen en volken gemeten met het paslood in de hand van Hem die geen vergissing maakt. Allen bepalen door hun eigen keuze hun bestemming, en God bestuurt dit alles ten uitvoer van Zijn voornemens.

“The history which the great I AM has marked out in His word, uniting link after link in the prophetic chain, from eternity in the past to eternity in the future, tells us where we are today in the procession of the ages, and what may be expected in the time to come. All that prophecy has foretold as coming to pass, until the present time, has been traced on the pages of history, and we may be assured that all which is yet to come will be fulfilled in its order.” Education, 178.

“De geschiedenis die de grote IK BEN in Zijn woord heeft afgebakend, terwijl Hij schakel na schakel in de profetische keten aaneenvoegt, van de eeuwigheid in het verleden tot de eeuwigheid in de toekomst, zegt ons waar wij ons heden bevinden in de voortgang der eeuwen, en wat in de komende tijd te verwachten is. Alles wat de profetie heeft voorzegd als iets dat zou geschieden, tot op de tegenwoordige tijd, is op de bladzijden van de geschiedenis nagespeurd, en wij mogen verzekerd zijn dat al hetgeen nog moet komen, op zijn tijd vervuld zal worden.” Education, 178.