The latter rain message is a warning of the approaching close of probation in conjunction with a call for personal preparation. Those two concepts are represented in chapters ten and eleven of Isaiah’s vision, and they are done so in the context of the message of Daniel eleven which was unsealed in 1989, and whose hidden history is unsealed during the sealing time of the one hundred and forty-four thousand, who are represented in the vision by Isaiah and his sons. The two lines together represent a warning for Ahaz, representing Laodiceans who have no “understanding” of these two internal and external lines that pervade biblical prophecy.
De boodschap van de late regen is een waarschuwing voor de naderende afsluiting van de genadetijd, verbonden met een oproep tot persoonlijke voorbereiding. Deze twee begrippen worden voorgesteld in hoofdstukken tien en elf van het visioen van Jesaja, en wel in de context van de boodschap van Daniël elf, die in 1989 werd ontzegeld, en waarvan de verborgen geschiedenis wordt ontzegeld gedurende de verzegelingstijd van de honderd vierenveertigduizend, die in het visioen worden voorgesteld door Jesaja en zijn zonen. Deze twee lijnen samen vormen een waarschuwing voor Achaz, die de Laodicenzen voorstelt, welke geen „verstand” hebben van deze twee innerlijke en uiterlijke lijnen die de bijbelse profetie doordringen.
Daniel 11:11 and Revelation 11:11 present the same internal and external representation with Daniel representing the external and Revelation the internal. These two internal and external “chapter and verses” directly connect with the external and internal messages of chapters ten and eleven, and they do so in Isaiah 11:11.
Daniël 11:11 en Openbaring 11:11 vertonen dezelfde innerlijke en uiterlijke voorstelling, waarbij Daniël het uiterlijke vertegenwoordigt en Openbaring het innerlijke. Deze twee innerlijke en uiterlijke „hoofdstukken en verzen” houden rechtstreeks verband met de uiterlijke en innerlijke boodschappen van hoofdstukken tien en elf, en dit doen zij in Jesaja 11:11.
Isaiah six is 9/11 and identifies the purification and anointing of Isaiah as a messenger at 9/11. Chapter seven onward is an outline of the message which arrived at 9/11. Chapter ten is identifying the role of the last six verses of Daniel eleven, for it was the message unsealed at the time of the end in 1989.
Jesaja zes is 9/11 en duidt de reiniging en zalving van Jesaja als boodschapper op 9/11 aan. Vanaf hoofdstuk zeven volgt een schets van de boodschap die op 9/11 aankwam. Hoofdstuk tien duidt de rol van de laatste zes verzen van Daniël elf aan, want het was de boodschap die in 1989, ten tijde van het einde, werd ontsloten.
Chapter eleven of Isaiah represents 9/11 and the anointing of Isaiah and his message. Verse one is tied together with verse ten by “Jessie” and verse ten says, “And in that day” and verse eleven continues by saying, “And it shall come to pass in that day that the Lord shall set his hand again the second time to recover the remnant of his people.”
Hoofdstuk elf van Jesaja vertegenwoordigt 9/11 en de zalving van Jesaja en zijn boodschap. Vers één is door „Isaï” verbonden met vers tien, en vers tien zegt: „En te dien dage”; en vers elf gaat verder met te zeggen: „En het zal geschieden te dien dage, dat de Heere opnieuw, ten tweeden male, Zijn hand zal uitstrekken om het overblijfsel van Zijn volk terug te winnen.”
That day was 1850.
Dat jaar was 1850.
And there shall come forth a rod out of the stem of Jesse, and a Branch shall grow out of his roots: And the spirit of the Lord shall rest upon him, the spirit of wisdom and understanding, the spirit of counsel and might, the spirit of knowledge and of the fear of the Lord; And shall make him of quick understanding in the fear of the Lord: and he shall not judge after the sight of his eyes, neither reprove after the hearing of his ears: But with righteousness shall he judge the poor, and reprove with equity for the meek of the earth: and he shall smite the earth with the rod of his mouth, and with the breath of his lips shall he slay the wicked. And righteousness shall be the girdle of his loins, and faithfulness the girdle of his reins. The wolf also shall dwell with the lamb, and the leopard shall lie down with the kid; and the calf and the young lion and the fatling together; and a little child shall lead them. And the cow and the bear shall feed; their young ones shall lie down together: and the lion shall eat straw like the ox. And the sucking child shall play on the hole of the asp, and the weaned child shall put his hand on the cockatrice’ den. They shall not hurt nor destroy in all my holy mountain: for the earth shall be full of the knowledge of the Lord, as the waters cover the sea.
En er zal een twijg voortkomen uit de tronk van Isaï, en een Scheut zal uit zijn wortelen opgroeien. En op Hem zal de Geest des HEEREN rusten, de Geest van wijsheid en van verstand, de Geest van raad en van sterkte, de Geest van kennis en van de vreze des HEEREN. En zijn welbehagen zal zijn in de vreze des HEEREN; Hij zal niet richten naar wat Zijn ogen zien, noch bestraffen naar wat Zijn oren horen. Maar met gerechtigheid zal Hij de armen richten, en met billijkheid bestraffen ten behoeve van de zachtmoedigen der aarde; en Hij zal de aarde slaan met de roede van Zijn mond, en met de adem van Zijn lippen zal Hij de goddeloze doden. Want gerechtigheid zal de gordel van Zijn lenden zijn, en trouw de gordel van Zijn heupen. Dan zal de wolf bij het lam verkeren, en de panter zich neerleggen bij het bokje; het kalf, de jonge leeuw en het mestvee zullen tezamen zijn, en een kleine jongen zal ze leiden. De koe en de berin zullen weiden, hun jongen zullen tezamen neerliggen; en de leeuw zal stro eten als het rund. En het zuigkind zal spelen bij het hol van de adder, en het gespeende kind zal zijn hand uitsteken naar het nest van de basilisk. Men zal nergens kwaad doen noch verderf aanrichten op heel Mijn heilige berg; want de aarde zal vol zijn van de kennis des HEEREN, zoals de wateren de bodem van de zee bedekken.
11:10 And in that day there shall be a root of Jesse, which shall stand for an ensign of the people; to it shall the Gentiles seek: and his rest shall be glorious.
11:10 En te dien dage zal er een wortel van Isaï zijn, die zal staan als een banier der volken; naar Hem zullen de heidenen vragen, en Zijn rust zal heerlijk zijn.
11:11 And it shall come to pass in that day, that the Lord shall set his hand again the second time to recover the remnant of his people, which shall be left, from Assyria, and from Egypt, and from Pathros, and from Cush, and from Elam, and from Shinar, and from Hamath, and from the islands of the sea.
11:11 En het zal geschieden te dien dage, dat de Heere voor de tweede maal Zijn hand zal uitstrekken om het overblijfsel van Zijn volk, dat overgebleven zal zijn, te herwinnen uit Assyrië, en uit Egypte, en uit Pathros, en uit Cusj, en uit Elam, en uit Sinear, en uit Hamath, en van de eilanden der zee.
11:12 And he shall set up an ensign for the nations, and shall assemble the outcasts of Israel, and gather together the dispersed of Judah from the four corners of the earth.
11:12 En Hij zal een banier oprichten voor de volken, en de verdrevenen van Israël verzamelen, en de verstrooiden van Juda bijeenbrengen uit de vier hoeken der aarde.
The envy also of Ephraim shall depart, and the adversaries of Judah shall be cut off: Ephraim shall not envy Judah, and Judah shall not vex Ephraim. But they shall fly upon the shoulders of the Philistines toward the west; they shall spoil them of the east together: they shall lay their hand upon Edom and Moab; and the children of Ammon shall obey them.
Ook de afgunst van Efraïm zal wijken, en de tegenstanders van Juda zullen uitgeroeid worden; Efraïm zal Juda niet benijden, en Juda zal Efraïm niet benauwen. Maar zij zullen neervliegen op de schouders van de Filistijnen westwaarts; samen zullen zij de kinderen van het oosten beroven; zij zullen hun hand uitstrekken tegen Edom en Moab, en de kinderen van Ammon zullen hun gehoorzamen.
And the Lord shall utterly destroy the tongue of the Egyptian sea; and with his mighty wind shall he shake his hand over the river, and shall smite it in the seven streams, and make men go over dryshod. And there shall be an highway for the remnant of his people, which shall be left, from Assyria; like as it was to Israel in the day that he came up out of the land of Egypt. Isaiah 11:1–16.
En de HEERE zal de tong van de Egyptische zee volkomen vernietigen; en met Zijn geweldige wind zal Hij Zijn hand over de rivier bewegen, en haar in de zeven stromen slaan, en maken dat men droogvoets daardoorheen trekt. En er zal een gebaande weg zijn voor het overblijfsel van Zijn volk, dat overblijven zal, uit Assyrië; gelijk het Israël was ten dage dat het optrok uit het land Egypte. Jesaja 11:1–16.
Verse one states, “And there shall come forth a rod out of the stem of Jesse, and a Branch shall grow out of his roots: And the spirit of the Lord shall rest upon him.” The powerful description of Christ continues on, BUT the description applies more to the last days, than the days of Isaiah or even the days when Christ walked among men.
Vers één luidt: “En er zal een twijg voortkomen uit de tronk van Isaï, en een Scheut zal opschieten uit zijn wortelen; en de Geest des Heren zal op Hem rusten.” De krachtige beschrijving van Christus gaat verder, MAAR de beschrijving heeft meer betrekking op de laatste dagen dan op de dagen van Jesaja of zelfs op de dagen waarin Christus onder de mensen wandelde.
A careful reading identifies that verses one through nine are all identifying characteristics of Christ and in verse ten it states, “And there shall come forth a rod.” There is no break in the flow of thought from verse one on through verse ten. Verse ten says, “and in that day” which must happen in the same day as verse one. Both verse ten and one identify the “root,” and in so doing tie the two verses together line upon line.
Een zorgvuldige lezing maakt duidelijk dat de verzen één tot en met negen alle kenmerken ter identificatie van Christus bevatten, en in vers tien staat: „En er zal een twijg voortkomen.” Er is geen onderbreking in de gedachtegang van vers één tot en met vers tien. Vers tien zegt: „en te dien dage”, wat op dezelfde dag moet plaatsvinden als in vers één. Zowel vers tien als vers één noemen de „wortel” en verbinden daardoor de twee verzen, regel op regel.
Together verse one and ten state, “And there shall come forth a rod out of the stem of Jesse, and a Branch shall grow out of his roots: And in that day there shall be a root of Jesse, which shall stand for an ensign of the people; to it shall the Gentiles seek: and his rest shall be glorious.
Samen luiden vers één en tien: „Maar er zal een twijg voortkomen uit de tronk van Isaï, en een Scheut zal uit zijn wortelen opgroeien; En te dien dage zal er een Wortel van Isaï zijn, die zal staan tot een banier der volken; naar Hem zullen de heidenen vragen, en zijn rust zal heerlijk zijn.”
A “rod” is a symbol of authority.
Een „staf” is een symbool van gezag.
And she brought forth a man child, who was to rule all nations with a rod of iron: and her child was caught up unto God, and to his throne. Revelation 12:5.
En zij baarde een mannelijk kind, dat alle volken zou hoeden met een ijzeren staf; en haar kind werd weggerukt tot God en tot Zijn troon. Openbaring 12:5.
A “rod” is a symbol of selection, division and separation.
Een „staf” is een symbool van uitverkiezing, verdeling en scheiding.
And Moses laid up the rods before the Lord in the tabernacle of witness. And it came to pass, that on the morrow Moses went into the tabernacle of witness; and, behold, the rod of Aaron for the house of Levi was budded, and brought forth buds, and bloomed blossoms, and yielded almonds. And Moses brought out all the rods from before the Lord unto all the children of Israel: and they looked, and took every man his rod. And the Lord said unto Moses, Bring Aaron’s rod again before the testimony, to be kept for a token against the rebels; and thou shalt quite take away their murmurings from me, that they die not. And Moses did so: as the Lord commanded him, so did he. Numbers 17:7–11.
En Mozes legde de staven neer voor het aangezicht des HEEREN in de tent der getuigenis. En het geschiedde op de volgende dag, dat Mozes de tent der getuigenis binnenging; en zie, de staf van Aäron voor het huis van Levi was uitgebot, en had knoppen voortgebracht, en bloesem gedragen, en amandelen voortgebracht. Toen bracht Mozes al de staven van voor het aangezicht des HEEREN naar buiten tot al de kinderen Israëls; en zij zagen het, en ieder nam zijn staf. En de HEERE zei tot Mozes: Breng de staf van Aäron terug vóór de getuigenis, om bewaard te worden tot een teken tegen de weerspannigen; zo zult gij hun gemor tegen Mij geheel doen ophouden, opdat zij niet sterven. En Mozes deed aldus; zoals de HEERE hem geboden had, zo deed hij. Numeri 17:7–11.
Aaron’s rod that budded identifies a “rod” in the latter rain time period, for Aaron’s was the only “rod” that budded out of the thirteen “rods.” The budding out is a symbol of the latter rain time period when God will manifest a distinction between the twelve rebellious “rods” that claim to have the message of the latter rain, and as also illustrated with Elijah’s demonstration by fire marking the distinction between the true and the false. A “rod” is also a symbol of measurement and judgment.
Aärons staf die bloeide, duidt een „staf” aan in de periode van de late regen, want Aärons staf was de enige „staf” die uit de dertien „staven” ontlook. Het ontluiken is een symbool van de periode van de late regen, wanneer God een onderscheid zal openbaren tussen de twaalf opstandige „staven” die beweren de boodschap van de late regen te hebben, en zoals ook geïllustreerd wordt door Elia’s demonstratie door vuur, die het onderscheid markeert tussen het ware en het valse. Een „staf” is ook een symbool van meting en oordeel.
And there was given me a reed like unto a rod: and the angel stood, saying, Rise, and measure the temple of God, and the altar, and them that worship therein. Revelation 11:1.
En mij werd een riet gegeven, aan een staf gelijk; en de engel stond daar en zei: Sta op en meet de tempel van God, en het altaar, en hen die daarin aanbidden. Openbaring 11:1.
The “rod” comes forth out of the stem of Jessie and “Jessie” means ‘to stand out’ as waymarks do in Bible prophecy. Pharez was the actual “root” of Jessie, and Pharez means “a breach, to break out or scatter.” Pharez is the root or beginning of Jessie’s blood line. The “root of Jessie” is therefore a symbol of the alpha Pharez and the omega is Jessie, the beginning and the ending. The root of Jessie begins with a scattering (Pharez) and ends at a waymark of a man standing. Men standing up prophetically marks a kingdom. In the Bible Pharez begins a blood line, with no linkage before his introduction and his name means a break, so the record of his genealogy and his name are identifying Pharez as the beginning, making Jessie the end. Melchizedek is also a biblical figure that is identified as having no prior lineage, as is the case with Pharez. The root of Pharez contains the truth that he represents a priesthood of Melchizedek, of whom Abraham paid tithes.
De „roede” komt voort uit de tronk van Jesse, en „Jesse” betekent ‘opvallen’, zoals wegwijzers dat doen in de Bijbelprofetie. Perez was de eigenlijke „wortel” van Jesse, en Perez betekent „een breuk, uitbarsten of verstrooien”. Perez is de wortel of het begin van Jesses bloedlijn. De „wortel van Jesse” is daarom een symbool van de alfa Perez, en de omega is Jesse, het begin en het einde. De wortel van Jesse begint met een verstrooiing (Perez) en eindigt bij een wegwijzer van een staande man. Mannen die profetisch opstaan, markeren een koninkrijk. In de Bijbel begint Perez een bloedlijn, zonder verbinding vóór zijn introductie, en zijn naam betekent een breuk; zo duiden het verslag van zijn geslachtsregister en zijn naam Perez aan als het begin, waardoor Jesse het einde wordt. Melchizedek is eveneens een bijbelse figuur die wordt aangeduid als iemand zonder voorafgaande afstamming, zoals ook het geval is met Perez. De wortel van Perez bevat de waarheid dat hij een priesterschap van Melchizedek vertegenwoordigt, aan wie Abraham tienden betaalde.
The order of Melchizedek is the priestly order of Christ.
De orde van Melchizedek is de priesterlijke orde van Christus.
Whither the forerunner is for us entered, even Jesus, made an high priest for ever after the order of Melchisedec. Hebrews 6:20.
Waarheen de Voorloper voor ons is binnengegaan, namelijk Jezus, Die tot in eeuwigheid Hogepriester is geworden naar de ordening van Melchisedek. Hebreeën 6:20.
The root of Jessie was the priesthood of Melchizedek and the beginning must reflect the end. Jessie represents the last group of the priesthood of Melchizedek to stand up, who according to Isaiah are an ensign to the nations.
De wortel van Isaï was het priesterschap van Melchizedek, en het begin moet het einde weerspiegelen. Isaï vertegenwoordigt de laatste groep van het priesterschap van Melchizedek die zal opstaan, die volgens Jesaja een banier voor de volken is.
The “stem” means ‘to cut down (trees); the trunk or stump of a tree (as felled or as planted),’ and the “stem” grows out of a kingdom that has been passed by as was Nebuchadnezzar in Daniel chapter four. A tree is a kingdom prophetically, and when a kingdom ends that tree has been cut down.
De „tronk” betekent ‘afhakken (van bomen); de stam of stronk van een boom (hetzij geveld, hetzij geplant)’, en de „tronk” groeit voort uit een koninkrijk dat terzijde is gesteld, zoals Nebukadnezar in Daniël hoofdstuk vier. Een boom is profetisch een koninkrijk, en wanneer een koninkrijk ten einde komt, is die boom omgehakt.
The “stem” in the passage comes out of a stump—not an upper branch. Out of a former kingdom represented by the stump, a “rod” a symbol of authority comes forth, and that authority is based upon whether the “rod” bears the “buds and blossoms” of the latter rain message. That authority is derived from a previous kingdom, that has been cut down.
De „stam” in de passage komt voort uit een tronk — niet uit een bovenste tak. Uit een voormalig koninkrijk, voorgesteld door de tronk, komt een „roede” — een symbool van gezag — voort, en dat gezag berust op de vraag of de „roede” de „knoppen en bloesems” van de boodschap van de late regen draagt. Dat gezag is afgeleid van een eerder koninkrijk dat is omgehouwen.
The “root” is the “root of Jessie” and the “stem” that comes from “the stump” is coming from the “stump” whose roots are the root of Jessie. The stem that produces the authority comes from the stump, but the Branch comes from the root—and the root is the ensign. The root is the beginning and the ending is the branch.
De „wortel” is de „wortel van Jesse”, en de „scheut” die voortkomt uit „de tronk” komt voort uit „de tronk” waarvan de wortels de wortel van Jesse zijn. De scheut die het gezag voortbrengt, komt uit de tronk, maar de Rijs komt voort uit de wortel — en de wortel is het banier. De wortel is het begin, en het einde is de Rijs.
The word “branch” means watchman or waymark. Isaiah informs us the Branch comes at the Sunday law.
Het woord „tak” betekent wachter of wegwijzer. Jesaja maakt ons duidelijk dat de Tak bij de zondagswet komt.
And in that day seven women shall take hold of one man, saying, We will eat our own bread, and wear our own apparel: only let us be called by thy name, to take away our reproach. In that day shall the branch of the Lord be beautiful and glorious, and the fruit of the earth shall be excellent and comely for them that are escaped of Israel. And it shall come to pass, that he that is left in Zion, and he that remaineth in Jerusalem, shall be called holy, even every one that is written among the living in Jerusalem: When the Lord shall have washed away the filth of the daughters of Zion, and shall have purged the blood of Jerusalem from the midst thereof by the spirit of judgment, and by the spirit of burning. Isaiah 4:1–4.
En te dien dage zullen zeven vrouwen één man aangrijpen en zeggen: Wij zullen ons eigen brood eten en onze eigen kleding dragen; laat ons slechts naar uw naam genoemd worden, neem onze smaad weg. Te dien dage zal de Spruit des HEEREN schoon en heerlijk zijn, en de vrucht der aarde voortreffelijk en sierlijk voor hen die uit Israël ontkomen zijn. En het zal geschieden dat wie in Sion overgebleven is en wie in Jeruzalem overgelaten is, heilig genoemd zal worden, ieder die in Jeruzalem ten leven opgeschreven is: wanneer de Heere de onreinheid der dochters van Sion zal hebben afgewassen en de bloedschulden van Jeruzalem uit haar midden zal hebben weggedaan door de Geest des oordeels en door de Geest der uitbranding. Jesaja 4:1–4.
The “one man” that the seven women take hold of is the pope, who becomes the eighth that is of the seven at the Sunday law, counterfeiting the 8 souls upon the ark. At the Sunday law, “in that day” “the branch of the Lord be beautiful and glorious” “when the Lord shall have washed away the filth of the daughters of Zion, and shall have purged the blood of Jerusalem from the midst thereof by the spirit of judgment, and by the spirit of burning.” The purging with the spirit of judgment and burning is accomplished by the Messenger of the Covenant in Malachi three at the Sunday law. The “beautiful branch” is the one hundred and forty-four thousand who come not from the stump, but from the root of Jessie, which is the ensign.
De „ene man” die door de zeven vrouwen wordt aangegrepen, is de paus, die bij de zondagswet de achtste wordt die uit de zeven is, als vervalsing van de 8 zielen op de ark. Bij de zondagswet, „te dien dage”, zal „de Spruit des HEEREN schoon en heerlijk zijn”, „wanneer de HEERE de vuilheid der dochteren van Sion zal afgewassen hebben, en het bloed van Jeruzalem uit het midden daarvan zal gezuiverd hebben door den geest des oordeels en door den geest der uitbranding.” De zuivering door den geest des oordeels en der uitbranding wordt volbracht door den Boodschapper des Verbonds in Maleachi drie bij de zondagswet. De „schone Spruit” zijn de honderd vierenveertig duizend, die niet uit den tronk, maar uit den wortel van Jesse voortkomen, welke het banier is.
Their authority is represented by the rod that came from a branch of a fallen kingdom. The kingdom of Philadelphia fell from 1856 unto 1863, and the authority established in that fallen kingdom is re-established at the Sunday law. When the branch that is the ensign is lifted up, the Laodicean movement of the one hundred and forty-four thousand transitions unto the Philadelphian movement of the one hundred and forty-four thousand. It is then that the authority or rod that came from the Millerite or Philadelphian kingdom is represented by a key that is placed upon Eliakim in Isaiah 22:22.
Hun gezag wordt voorgesteld door de staf die voortkwam uit een tak van een gevallen koninkrijk. Het koninkrijk van Filadelfia viel van 1856 tot 1863, en het gezag dat in dat gevallen koninkrijk werd gevestigd, wordt bij de zondagswet opnieuw gevestigd. Wanneer de tak die het banier is, wordt opgeheven, gaat de Laodiceaanse beweging van de honderd vierenveertigduizend over in de Filadelfische beweging van de honderd vierenveertigduizend. Dan wordt het gezag, of de staf, die uit het Milleritische of Filadelfische koninkrijk voortkwam, voorgesteld door een sleutel die in Jesaja 22:22 op Eljakim wordt gelegd.
And the key of the house of David will I lay upon his shoulder; so he shall open, and none shall shut; and he shall shut, and none shall open. Isaiah 22:22.
En Ik zal de sleutel van het huis van David op zijn schouder leggen; en hij zal openen, en niemand zal sluiten; en hij zal sluiten, en niemand zal openen. Jesaja 22:22.
The verse marks October 22, 1844 and is identifying Eliakim as receiving a “key.” In the previous two verses the authority of Laodicea is taken from Shebna and given to Eliakim. At the Sunday law the authority once given to the chosen covenant people is taken from the kingdom of Laodicean Seventh-day Adventism and given to the kingdom of the Philadelphian movement of the one hundred and forty-four thousand—which is the kingdom of glory.
Het vers markeert 22 oktober 1844 en duidt Eliakim aan als degene die een „sleutel” ontvangt. In de twee voorgaande verzen wordt het gezag van Laodicea van Sebna afgenomen en aan Eliakim gegeven. Bij de zondagswet wordt het gezag dat eens aan het uitverkoren verbondsvolk was gegeven, afgenomen van het koninkrijk van het Laodicese Zevendedagsadventisme en gegeven aan het koninkrijk van de Filadelfische beweging van de honderd vierenveertigduizend — het koninkrijk der heerlijkheid.
He saith unto them, But whom say ye that I am? And Simon Peter answered and said, Thou art the Christ, the Son of the living God. And Jesus answered and said unto him, Blessed art thou, Simon Barjona: for flesh and blood hath not revealed it unto thee, but my Father which is in heaven. And I say also unto thee, That thou art Peter, and upon this rock I will build my church; and the gates of hell shall not prevail against it. And I will give unto thee the keys of the kingdom of heaven: and whatsoever thou shalt bind on earth shall be bound in heaven: and whatsoever thou shalt loose on earth shall be loosed in heaven. Matthew 16:16–19.
Hij zei tot hen: Maar gij, wie zegt gij dat Ik ben? En Simon Petrus antwoordde en zei: Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God. En Jezus antwoordde en zei tot hem: Zalig zijt gij, Simon Barjona, want vlees en bloed hebben u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader, Die in de hemelen is. En ook Ik zeg u, dat gij Petrus zijt, en op deze rots zal Ik Mijn gemeente bouwen, en de poorten van de hel zullen haar niet overweldigen. En Ik zal u de sleutels van het Koninkrijk der hemelen geven; en wat gij op de aarde binden zult, zal in de hemelen gebonden zijn; en wat gij op de aarde ontbinden zult, zal in de hemelen ontbonden zijn. Mattheüs 16:16–19.
The rod of authority, represented as a key given to Peter, is placed upon Eliakim’s shoulder in Isaiah 22:22. Peter represents the branch of the one hundred and forty-four thousand who enter into covenant with Christ just before the Sunday law. In the passage Peter is in Caesarea Philippi, which is Panium of verses thirteen to fifteen of Daniel eleven. His name is changed, representing a covenant relationship, and the name Peter when approached with multiplying the numbered positions of each letter, equates to 144,000. The authority, or rod, or key that is placed upon Eliakim when Shebna is cast into a field like a ball, and is the “rod” which comes from the stump of Philadelphian Millerite Adventism that was cut down from 1856 unto 1863.
De staf van gezag, voorgesteld als een sleutel die aan Petrus wordt gegeven, wordt in Jesaja 22:22 op de schouder van Eljakim gelegd. Petrus vertegenwoordigt de tak van de honderdvierenvijftigduizend die vlak vóór de zondagwet in verbond treden met Christus. In de passage bevindt Petrus zich in Caesarea Filippi, dat Panium is van de verzen dertien tot vijftien van Daniël elf. Zijn naam wordt veranderd, als voorstelling van een verbondsverhouding, en de naam Petrus, benaderd door de genummerde posities van elke letter met elkaar te vermenigvuldigen, komt uit op 144.000. Het gezag, of de staf, of de sleutel die op Eljakim wordt gelegd wanneer Sebna als een bal in een veld wordt geworpen, is de „staf” die voortkomt uit de tronk van het Filadelfische Milleritische Adventisme dat van 1856 tot 1863 werd omgehouwen.
Peter is receiving the authority of God’s covenant people at the separation of the wheat and tares, for the wheat is to be lifted up as the wave loaf offering of Pentecost. The tares first are separated, as represented by the leaven in the Pentecostal wave loaves being removed through the baking process. The authority of the rod or key comes from the stump of a fallen kingdom and the branch that is the ensign comes from the root of Jessie and is the root of Jessie, for Jesus illustrates the end of a thing with the beginning of a thing. The root is the beginning and the branch the end. This prophetic application cannot be understood by the quibbling Jews of Christ time or today, for it is the primary principle of the methodology of the latter rain, and it is also represented as the key of the house of David. The key opens the door to the house of David which has been shut. The key opens the door unto the heavenly sanctuary, the house of David. The alpha of October 22, 1844 repeats in the omega of the Sunday law.
Petrus ontvangt het gezag van Gods verbondsvolk bij de scheiding van de tarwe en het onkruid, want de tarwe moet worden opgeheven als het beweegbroodoffer van Pinksteren. Eerst wordt het onkruid afgescheiden, zoals voorgesteld door het zuurdeeg in de pinksterlijke beweegbroden dat door het bakproces wordt verwijderd. Het gezag van de staf of sleutel komt voort uit de stronk van een gevallen koninkrijk, en de tak die het banier is, komt voort uit de wortel van Isaï en is de wortel van Isaï, want Jezus illustreert het einde van een zaak door middel van het begin van een zaak. De wortel is het begin en de tak het einde. Deze profetische toepassing kan niet worden begrepen door de kibbelende Joden uit de tijd van Christus, noch door die van heden, want zij is het voornaamste beginsel van de methodologie van de late regen, en zij wordt ook voorgesteld als de sleutel van het huis van David. De sleutel opent de deur tot het huis van David, die gesloten is geweest. De sleutel opent de deur naar het hemelse heiligdom, het huis van David. De alpha van 22 oktober 1844 herhaalt zich in de omega van de zondagswet.
David, the son of Jessie records an enigma that marked the end of any further discussion with the quibbling Jews in the days of Christ, thus marking the end of His testimony to the Jews.
David, de zoon van Isaï, vermeldt een raadsel dat een einde maakte aan elke verdere discussie met de kibbelende Joden in de dagen van Christus, en aldus het einde markeerde van Zijn getuigenis aan de Joden.
A Psalm of David. The Lord said unto my Lord, Sit thou at my right hand, until I make thine enemies thy footstool. The Lord shall send the rod of thy strength out of Zion: rule thou in the midst of thine enemies. Thy people shall be willing in the day of thy power, in the beauties of holiness from the womb of the morning: thou hast the dew of thy youth. The Lord hath sworn, and will not repent, Thou art a priest for ever after the order of Melchizedek. Psalms 110:1–4.
Een psalm van David. De HEERE heeft tot mijn Heere gesproken: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gezet zal hebben tot een voetbank voor Uw voeten. De HEERE zal de scepter van Uw sterkte uitzenden uit Sion: heers te midden van Uw vijanden. Uw volk zal zeer gewillig zijn op de dag van Uw heirkracht, in heilige sieraden; uit de baarmoeder van de dageraad zal U de dauw van Uw jeugd toekomen. De HEERE heeft gezworen, en het zal Hem niet berouwen: Gij zijt Priester in der eeuwigheid naar de ordening van Melchizedek. Psalmen 110:1–4.
Palmoni determined to place this passage in Psalm 110, which is of course another number in the world of mathematics that is recognized as a special number. Half of “220” and ten times “11” would lead a soul to expect the number “110” holds some significance, and it does—as does the passage itself. It is a song of David, and David is a symbol of the one hundred and forty-four thousand, so it is a verse from the song of the vineyard, which is the song of Moses and the Lamb. It identifies when the former husbandmen of the vineyard are passed by and the vineyard is given to the one hundred and forty-four thousand. When that happens, it is the “day of thy power” aligning with the power of Pentecost at the climax of the Pentecostal season.
Palmoni bepaalde dit gedeelte in Psalm 110 te plaatsen, wat uiteraard nog een getal is in de wereld van de wiskunde dat als een bijzonder getal wordt erkend. De helft van „220” en tienmaal „11” zouden een ziel doen verwachten dat het getal „110” enige betekenis draagt, en dat doet het inderdaad—zoals ook het gedeelte zelf. Het is een lied van David, en David is een symbool van de honderd vierenveertigduizend, zodat het een vers is uit het lied van de wijngaard, dat het lied van Mozes en het Lam is. Het geeft aan wanneer de vroegere pachters van de wijngaard worden voorbijgegaan en de wijngaard aan de honderd vierenveertigduizend wordt gegeven. Wanneer dat gebeurt, is het de „dag van Uw kracht”, in overeenstemming met de kracht van Pinksteren op het hoogtepunt van het pinksterseizoen.
God’s people will be “willing” in the day they come from “the womb of the morning,” with the “dew of thy youth.” New birth is an illustration of conversion and life. The one hundred and forty-four thousand were taken from the womb in July of 2023, and they were born with the dew of their youth, for they were born into the message of the Midnight Cry, which also occurred with the Millerites in the beginning, or their “youth.” It is the same dew, for it is a repetition of the alpha history within the history of the omega. In the “day of their” ‘empowerment,’ when Shebna is driven “from” his “station, and from” his “state” and pulled “down” Eliakim, the one hundred and forty-four thousand are made omega priests, for they are made after the order of Melchizedek, for the one hundred and forty-four thousand shall not taste death, or as with Melchizedek they are priests forever.
Gods volk zal „gewillig” zijn op de dag dat zij uit „de schoot van de morgen” voortkomen, met „de dauw van uw jeugd”. Wedergeboorte is een illustratie van bekering en leven. De honderdvierenveertigduizend werden in juli 2023 uit de schoot genomen, en zij werden geboren met de dauw van hun jeugd, want zij werden geboren in de boodschap van de Middernachtsroep, die ook bij de Millerieten in het begin, of hun „jeugd”, plaatsvond. Het is dezelfde dauw, want het is een herhaling van de alfageschiedenis binnen de geschiedenis van de omega. Op de „dag van hun” ‘bekrachtiging’, wanneer Sebna „uit” zijn „post, en uit” zijn „staat” verdreven en „neergetrokken” wordt, wordt Eljakim verheven; de honderdvierenveertigduizend worden tot omega-priesters gemaakt, want zij worden gemaakt naar de ordening van Melchizedek, want de honderdvierenveertigduizend zullen de dood niet smaken, of, zoals bij Melchizedek, zij zijn priesters voor eeuwig.
In the “day of his power” the Lord will send the “rod of His strength out of Zion.” The authority of His kingdoms both grace (justification) and glory (sanctification) has been placed upon those who wear His crown of glory, for they represent His kingdom. The are sent out of Zion, for Zion’s meaning represents the ensign of the one hundred and forty-four thousand.
Op de „dag van zijn macht” zal de Heer de „staf van Zijn kracht uit Sion” zenden. Het gezag van Zijn koninkrijken, zowel genade (rechtvaardiging) als heerlijkheid (heiliging), is gelegd op hen die Zijn kroon der heerlijkheid dragen, want zij vertegenwoordigen Zijn koninkrijk. Zij worden uitgezonden uit Sion, want de betekenis van Sion vertegenwoordigt het vaandel van de honderdvierenveertigduizend.
While the Pharisees were gathered together, Jesus asked them, Saying, What think ye of Christ? whose son is he? They say unto him, The son of David.
Terwijl de Farizeeën bijeenwaren, vroeg Jezus hun, zeggende: Wat denkt gij van de Christus? Wiens Zoon is Hij? Zij zeiden tot Hem: Davids Zoon.
He saith unto them, How then doth David in spirit call him Lord, saying, The Lord said unto my Lord, Sit thou on my right hand, till I make thine enemies thy footstool? If David then call him Lord, how is he his son?
Hij zegt tot hen: Hoe noemt David Hem dan in de Geest Heer, wanneer hij zegt: De Heer heeft tot mijn Heer gezegd: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden tot een voetbank voor Uw voeten gemaakt heb? Indien David Hem dan Heer noemt, hoe is Hij zijn zoon?
And no man was able to answer him a word, neither durst any man from that day forth ask him any more questions. Matthew 24:41–46.
En niemand was in staat Hem ook maar één woord te antwoorden, noch durfde iemand Hem van die dag af nog meer vragen te stellen. Matteüs 24:41–46.
David’s prophetic relationship to Christ in terms of alpha and omega—the beginning and ending, is the primary rule of the “line upon line” methodology, and that rule could not be fathomed by the quibbling Jews anymore than a Laodicean Seventh-day Adventist can understand that the history of the Millerites during the message of the Midnight Cry was where the dew of heaven was poured out during the youth of Adventism. The “dew” of thy youth is upon the one hundred and forty-four thousand, and it began to sprinkle at 9/11, and the Sunday law is the “day of power,” when the remnant is anointed as priests after the order of Melchizedek.
Davids profetische verhouding tot Christus in termen van alfa en omega — het begin en het einde — is de voornaamste regel van de methodologie van „regel op regel”, en die regel kon door de haarklovende Joden evenmin worden doorgrond als een Laodiceïsche Zevende-dags Adventist kan begrijpen dat de geschiedenis van de Millerieten ten tijde van de boodschap van de Middernachtsroep de plaats was waar de dauw des hemels werd uitgestort gedurende de jeugd van het adventisme. De „dauw” van uw jeugd rust op de honderd vierenveertigduizend, en zij begon te neerdruppelen op 11 september, en de zondagswet is de „dag van kracht”, wanneer het overblijfsel wordt gezalfd tot priesters naar de ordening van Melchizedek.
Out of the stump of Laodicean Seventh-day Adventism (the church militant) comes the branch (the church triumphant), while out of the root of Jessie, the one hundred and forty-four thousand—are the branch of glorious fruit lifted up as a wave offering in the day of his power.
Uit de tronk van het Laodiceïsche Zevendedags Adventisme (de strijdende kerk) komt de twijg voort (de triomferende kerk), terwijl uit de wortel van Isaï de honderdvierenveertigduizend voortkomen—de tak van heerlijke vrucht, omhooggeheven als een beweegoffer op de dag van zijn macht.
We will continue these thoughts in the next article.
Wij zullen deze gedachten in het volgende artikel voortzetten.
“Proverbs One
“Spreuken Eén
“April 1, 1850 To the ‘Little Flock.’
„1 april 1850 Aan de ‘Kleine Kudde.’
“Dear Brethren.—The Lord gave me a view, January 26, which I will relate. I saw that some of the people of God were stupid and dormant; and were but half awake, and did not realize the time we were now living in; and that the ‘man’ with the ‘dirt-brush’ had entered, and that some were in danger of being swept away. I begged of Jesus to save them, to spare them a little longer, and let them see their awful danger, that they might get ready before it should be forever too late. The angel said, ‘Destruction is coming like a mighty whirlwind.’ I begged of the angel to pity and to save those who loved this world, and were attached to their possessions, and were not willing to cut loose from them, and sacrifice them to speed the messengers on their way to feed the hungry sheep, who were perishing for want of spiritual food.
„Geliefde broeders.—De Heere gaf mij op 26 januari een gezicht, dat ik zal verhalen. Ik zag dat sommigen van het volk van God stompzinnig en sluimerend waren; zij waren slechts half ontwaakt en beseften niet de tijd waarin wij nu leven; en dat de ‘man’ met de ‘vuilborstel’ was binnengekomen, en dat sommigen gevaar liepen weggevaagd te worden. Ik smeekte Jezus hen te redden, hen nog een weinig langer te sparen, en hun hun ontzaglijke gevaar te laten zien, opdat zij zich gereed mochten maken voordat het voor eeuwig te laat zou zijn. De engel zei: ‘Verderf komt als een machtige wervelwind.’ Ik smeekte de engel medelijden te hebben en hen te redden die deze wereld liefhadden en aan hun bezittingen gehecht waren, en niet bereid waren zich daarvan los te maken en die op te offeren om de boodschappers op hun weg voort te helpen, teneinde de hongerige schapen te voeden, die omkwamen bij gebrek aan geestelijk voedsel.
“As I viewed poor souls dying for want of the present truth, and some who professed to believe the truth were letting them die, by withholding the necessary means to carry forward the work of God, the sight was too painful, and I begged of the angel to remove it from me. I saw that when the cause of God called for some of their property, like the young man who came to Jesus, [Matthew 19:16–22.] they went away sorrowful; and that soon the overflowing scourge would pass over and sweep their possessions all away, and then it would be too late to sacrifice earthly goods, and lay up a treasure in heaven.
“Toen ik zag hoe arme zielen stierven bij gebrek aan de tegenwoordige waarheid, en sommigen die beweerden de waarheid te geloven hen lieten sterven door de noodzakelijke middelen om het werk van God voort te zetten achter te houden, was dat gezicht te pijnlijk, en ik smeekte de engel het van mij weg te nemen. Ik zag dat wanneer de zaak van God een deel van hun bezit opeiste, zoals bij de jongeman die tot Jezus kwam, [Mattheüs 19:16–22.] zij bedroefd weggingen; en dat weldra de overvloeiende gesel zou voorbijgaan en al hun bezittingen zou wegvagen, en dan zou het te laat zijn om aardse goederen te offeren en een schat in de hemel weg te leggen.
“I then saw the glorious Redeemer, beautiful and lovely, that he left the realms of glory, and came to this dark and lonely world, to give his precious life and die, the just for the unjust. He bore the cruel mocking and scourging, and wore the platted crown of thorns, and sweat great drops of blood in the garden; while the burden of the sins of the whole world were upon him. The angel asked, ‘What for?’ O, I saw and knew that it was for us; for our sins he suffered all this, that by his precious blood he might redeem us unto God.
‘Toen zag ik de heerlijke Verlosser, schoon en beminnelijk, dat Hij de gewesten der heerlijkheid verliet en naar deze donkere en eenzame wereld kwam om Zijn kostbaar leven te geven en te sterven, de Rechtvaardige voor de onrechtvaardigen. Hij verdroeg de wrede bespotting en geseling, en droeg de gevlochten kroon van doornen, en zweette in de hof grote droppelen bloed; terwijl de last van de zonden der gehele wereld op Hem rustte. De engel vroeg: “Waartoe?” O, ik zag en wist dat het om ons was; om onze zonden heeft Hij dit alles geleden, opdat Hij ons door Zijn kostbaar bloed tot God zou verlossen.
“Then again was held up before me those who were not willing to dispose of this world’s goods to save perishing souls, by sending them the truth, while Jesus stands before the Father, pleading his blood, his sufferings and his death for them; and while God’s messengers were waiting, ready to carry them the saving truth that they might be sealed with the seal of the living God. It was hard for some who professed to believe the present truth, to even do so little as to hand the messengers God’s own money, that he had lent them to be stewards over.
“Vervolgens werden mij opnieuw degenen voorgehouden die niet bereid waren zich van de goederen van deze wereld te ontdoen om verloren gaande zielen te redden door hun de waarheid te zenden, terwijl Jezus voor de Vader staat en voor hen zijn bloed, zijn lijden en zijn dood bepleit; en terwijl Gods boodschappers wachtten, gereed om hun de zaligmakende waarheid te brengen, opdat zij verzegeld zouden worden met het zegel van de levende God. Voor sommigen die beleden de tegenwoordige waarheid te geloven, was het moeilijk zelfs zó weinig te doen als Gods eigen geld, dat Hij hun had geleend om er als rentmeesters over te beschikken, aan de boodschappers ter hand te stellen.”
“Then the suffering Jesus, his sacrifice and love so deep, as to give his life for them, was again held up before me; and then the lives of those who professed to be his followers, who had this world’s goods, and considered it so great a thing to help the cause of salvation. The angel said, ‘Can such enter heaven?’ Another angel answered, ‘No, never, never, never. Those who are not interested in the cause of God on earth, can never sing the song of redeeming love above.’
“Toen werd de lijdende Jezus, Zijn offer en Zijn liefde, zo diep dat Hij Zijn leven voor hen gaf, opnieuw aan mij voorgesteld; en vervolgens het leven van hen die beweerden Zijn volgelingen te zijn, die de goederen van deze wereld bezaten en het als zulk een groot offer beschouwden de zaak van de zaligheid te helpen. De engel zei: ‘Kunnen zulken de hemel binnengaan?’ Een andere engel antwoordde: ‘Nee, nooit, nooit, nooit. Zij die geen belang stellen in de zaak van God op aarde, kunnen hierboven nimmer het lied der verlossende liefde zingen.’”
“I saw that the quick work that God was doing on earth would soon be cut short in righteousness, and that the swift messengers must speed on their way to search out the scattered flock. An angel said, ‘Are all messengers? No, no, God’s messengers have a message.’
„Ik zag dat het snelle werk dat God op aarde deed, spoedig in gerechtigheid zou worden verkort, en dat de snelle boodschappers zich moesten haasten op hun weg om de verstrooide kudde op te zoeken. Een engel zei: ‘Zijn allen boodschappers? Nee, nee, Gods boodschappers hebben een boodschap.’”
“I saw that the cause of God had been hindered, and dishonored by some travelling who had no message from God. Such will have to give an account to God for every dollar they have used in travelling where it was not their duty to go; for that money might have helped on the cause of God, and for the lack of it, souls have starved and died for the want of spiritual food, that might have been given them by God’s called and chosen messengers if they had had the means.
„Ik zag dat de zaak van God was belemmerd en onteerd door sommigen die rondreisden zonder een boodschap van God te hebben. Zulken zullen aan God rekenschap moeten afleggen voor iedere dollar die zij hebben gebruikt om te reizen naar plaatsen waar het niet hun plicht was heen te gaan; want dat geld had de zaak van God kunnen bevorderen, en door het gebrek daaraan zijn zielen verhongerd en gestorven door gebrek aan geestelijk voedsel, dat hun had kunnen worden gegeven door Gods geroepen en uitverkoren boodschappers, indien zij over de middelen hadden beschikt.
“The mighty shaking has commenced, and will go on, and all will be shaken out who are not willing to take a hold and unyielding stand for the truth, and sacrifice for God and his cause. The angel said, ‘Think ye that any will be compelled to sacrifice. No. no. It must be a free-will offering. It will take all to buy the field.’—I cried to God to spare his people, some of whom were fainting and dying.
“De machtige schudding is begonnen en zal voortgaan, en allen zullen worden uitgeschud die niet bereid zijn zich vast te grijpen en onwankelbaar voor de waarheid stand te houden, en offers te brengen voor God en zijn zaak. De engel zei: ‘Meent gij dat iemand gedwongen zal worden te offeren? Nee, nee. Het moet een vrijwillige gave zijn. Het zal alles kosten om de akker te kopen.’—Ik riep tot God zijn volk te sparen, van wie sommigen bezweken en stierven.”
“I saw that those who have strength to labor with their hands, and help sustain the cause, were as accountable for that strength, as others were for their property.
„Ik zag dat zij die de kracht hebben om met hun handen te arbeiden en te helpen de zaak te onderhouden, evenzeer verantwoordelijk waren voor die kracht als anderen voor hun eigendom.
“Then I saw that the judgments of Almighty God were speedily coming. I begged of the angel to speak in his language to the people. Said he, ‘All the thunders and lightnings of Mount Sinai would not move those who will not be moved by the plain truths of the word of God; neither would an angel’s message awake them.’” Review and Herald, April 1, 1850.
“Toen zag ik dat de oordelen van de almachtige God spoedig zouden komen. Ik smeekte de engel in zijn taal tot het volk te spreken. Hij zei: ‘Al de donderslagen en bliksemstralen van de berg Sinaï zouden hen die zich niet laten bewegen door de klare waarheden van het Woord van God, niet in beweging brengen; evenmin zou de boodschap van een engel hen doen ontwaken.’” Review and Herald, 1 april 1850.