We were half way through the four references of ancient Israel, as the generation of “vipers” in the previous article. In Matthew, both John and Jesus label the Pharisees and Sadducees as the generation of vipers. John represents the beginning of a testing process that is identified when he taught that Jesus, who would follow him—would thoroughly purge His floor. Jesus added to the testing process of John, by including the judgment process, as He referenced the queen of Sheba and Nineveh. Judgment takes place in the fourth generation, and one class in the judgment manifests as serpents, for their father is the devil. Jesus added the issue of the fourth generation seeking a sign, when the sign was in plain sight.

In het vorige artikel waren wij halverwege de vier verwijzingen naar het oude Israël als de generatie van „adders”. In Mattheüs bestempelen zowel Johannes als Jezus de Farizeeën en Sadduceeën als de generatie van adders. Johannes vertegenwoordigt het begin van een beproevingsproces, dat wordt aangeduid wanneer hij leerde dat Jezus, Die na hem zou komen, Zijn dorsvloer grondig zou zuiveren. Jezus voegde aan het beproevingsproces van Johannes het oordeelsproces toe, toen Hij verwees naar de koningin van Scheba en Ninevé. Het oordeel vindt plaats in de vierde generatie, en één klasse in het oordeel openbaart zich als slangen, want hun vader is de duivel. Jezus voegde daaraan de kwestie toe van de vierde generatie die een teken zoekt, terwijl het teken duidelijk zichtbaar was.

In Matthew twenty-three the “woes” upon the Pharisees and Sadducees are set forth, and the process of testing and judgment is again associated with the final generation. Chapter twenty-two prepares the setting of the woes of chapter twenty-three.

In Mattheüs drieëntwintig worden de „weeën” over de Farizeeën en Sadduceeën uiteengezet, en het proces van beproeving en oordeel wordt opnieuw in verband gebracht met de laatste generatie. Hoofdstuk tweeëntwintig bereidt het kader voor de weeën van hoofdstuk drieëntwintig.

While the Pharisees were gathered together, Jesus asked them, Saying, What think ye of Christ? whose son is he?

Toen de Farizeeën bijeenvergaderd waren, vroeg Jezus hun, zeggende: Wat denkt gij van de Christus? Wiens Zoon is Hij?

They say unto him, The Son of David.

Zij zeiden tot Hem: De Zoon van David.

He saith unto them, How then doth David in spirit call him Lord, saying, The Lord said unto my Lord, Sit thou on my right hand, till I make thine enemies thy footstool? If David then call him Lord, how is he his son?

Hij zei tot hen: Hoe kan David Hem dan in de Geest Heer noemen, waar hij zegt: De Heer heeft tot mijn Heer gezegd: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden tot een voetbank voor Uw voeten gemaakt heb? Indien David Hem dan Heer noemt, hoe kan Hij dan zijn zoon zijn?

And no man was able to answer him a word, neither durst any man from that day forth ask him any more questions. Matthew 22:41–46.

En niemand kon Hem één woord antwoorden, noch durfde iemand Hem van die dag af nog enige vragen te stellen. Mattheüs 22:41–46.

When the door closed to any further interaction, Jesus then sets forth eight woes in the following chapter. In verse thirteen the woe is for shutting the doors to the kingdom of heaven. It is from Heaven’s doors that the latter rain is poured out. The eight woes are about those who profess to open the door which no man can open and close the door which no man can close. In vision, Sister White was shown those who did not follow Christ into the Most Holy Place sending their prayers to the empty holy place where Satan, pretending to be Christ, led them to believe everything was OK. They had re-opened the holy place, and closed the Most Holy Place.

Toen de deur voor elke verdere wisselwerking gesloten was, spreekt Jezus vervolgens in het volgende hoofdstuk acht weeën uit. In vers dertien betreft het wee het sluiten van de deuren van het koninkrijk der hemelen. Vanuit de deuren van de hemel wordt de late regen uitgestort. De acht weeën gaan over hen die belijden de deur te openen die niemand kan openen en de deur te sluiten die niemand kan sluiten. In een visioen werd Zuster White getoond hoe zij die Christus niet volgden in het Allerheiligste hun gebeden zonden naar het lege heilige, waar Satan, die zich voordeed als Christus, hen ertoe bracht te geloven dat alles in orde was. Zij hadden het heilige opnieuw geopend en het Allerheiligste gesloten.

“Many look with horror at the course of the Jews in rejecting and crucifying Christ; and as they read the history of His shameful abuse, they think they love Him, and would not have denied Him as did Peter, or crucified Him as did the Jews. But God who reads the hearts of all, has brought to the test that love for Jesus which they professed to feel. All heaven watched with the deepest interest the reception of the first angel’s message. But many who professed to love Jesus, and who shed tears as they read the story of the cross, derided the good news of His coming. Instead of receiving the message with gladness, they declared it to be a delusion. They hated those who loved His appearing and shut them out of the churches. Those who rejected the first message could not be benefited by the second; neither were they benefited by the midnight cry, which was to prepare them to enter with Jesus by faith into the most holy place of the heavenly sanctuary. And by rejecting the two former messages, they have so darkened their understanding that they can see no light in the third angel’s message, which shows the way into the most holy place. I saw that as the Jews crucified Jesus, so the nominal churches had crucified these messages, and therefore they have no knowledge of the way into the most holy, and they cannot be benefited by the intercession of Jesus there. Like the Jews, who offered their useless sacrifices, they offer up their useless prayers to the apartment which Jesus has left; and Satan, pleased with the deception, assumes a religious character, and leads the minds of these professed Christians to himself, working with his power, his signs and lying wonders, to fasten them in his snare.” Early Writings, 258–261.

“Velen zien met afschuw op de handelwijze van de Joden in het verwerpen en kruisigen van Christus; en wanneer zij de geschiedenis van Zijn smadelijke mishandeling lezen, menen zij dat zij Hem liefhebben, en Hem niet zouden hebben verloochend zoals Petrus deed, noch Hem zouden hebben gekruisigd zoals de Joden deden. Maar God, die de harten van allen leest, heeft die liefde tot Jezus, welke zij beweerden te gevoelen, op de proef gesteld. De gehele hemel zag met de diepste belangstelling toe op de ontvangst van de boodschap van de eerste engel. Maar velen die beleden Jezus lief te hebben, en tranen stortten bij het lezen van het verhaal van het kruis, bespotten het goede nieuws van Zijn komst. In plaats van de boodschap met blijdschap aan te nemen, verklaarden zij haar tot een misleiding. Zij haatten hen die Zijn verschijning liefhadden en sloten hen uit de kerken uit. Zij die de eerste boodschap verwierpen, konden geen nut trekken uit de tweede; evenmin hadden zij baat bij de middernachtsroep, die hen moest voorbereiden om door het geloof met Jezus het allerheiligste van het hemelse heiligdom binnen te gaan. En door de twee voorafgaande boodschappen te verwerpen, hebben zij hun verstand zó verduisterd dat zij geen licht kunnen zien in de boodschap van de derde engel, die de weg wijst naar het allerheiligste. Ik zag dat, zoals de Joden Jezus kruisigden, de naamchristelijke kerken deze boodschappen hadden gekruisigd, en daarom hebben zij geen kennis van de weg naar het allerheiligste, en kunnen zij geen baat hebben bij de voorbede van Jezus aldaar. Gelijk de Joden, die hun nutteloze offers brachten, zenden zij hun nutteloze gebeden op naar het vertrek dat Jezus heeft verlaten; en Satan, verheugd over het bedrog, neemt een godsdienstig karakter aan en leidt de gedachten van deze belijdende christenen tot zich, terwijl hij met zijn macht, zijn tekenen en leugenachtige wonderen werkt om hen in zijn strik gevangen te houden.” Early Writings, 258–261.

Verse fourteen is a woe for devouring widows houses and long prayers. Verse fifteen’s woe is for making their converts twice as mush the children of hell as they were. Verses sixteen through twenty-two the wicked are swearing by the temple.

Vers veertien is een wee over het verslinden van de huizen der weduwen en het opzenden van lange gebeden. Het wee van vers vijftien geldt het maken van hun bekeerlingen tot tweemaal zozeer kinderen der hel als zijzelf waren. In de verzen zestien tot en met tweeëntwintig zweren de goddelozen bij de tempel.

“These are not the words of Sister White, but the words of the Lord, and His messenger has given them to me to give to you. God calls upon you to no longer work at cross purposes with Him. Much instruction was given in regard to men claiming to be Christian when they are revealing the attributes of Satan, counteracting in spirit, word, and action the advancement of truth, and are surely following the path where Satan is leading them. In their hardness of heart they have grasped authority which in no way belongs to them, and which they should not exercise. Saith the great Teacher, ‘I will overturn, overturn, overturn.’ Men say in Battle Creek, ‘The temple of the Lord, the temple of the Lord are we’ but they are using common fire. Their hearts are not softened and subdued by the grace of God.” Manuscript Releases, volume 13, 222.

“Dit zijn niet de woorden van zuster White, maar de woorden van de Heere, en Zijn boodschapper heeft ze mij gegeven om ze aan u te geven. God roept u ertoe op niet langer Hem tegen te werken. Er werd veel onderricht gegeven met betrekking tot mannen die beweren christen te zijn, terwijl zij de eigenschappen van Satan openbaren en in geest, woord en daad de voortgang van de waarheid tegenwerken, en zeker het pad volgen waarop Satan hen leidt. In hun hardheid van hart hebben zij gezag naar zich toegeëigend dat hun geenszins toebehoort en dat zij niet behoren uit te oefenen. Zo spreekt de grote Leraar: ‘Ik zal omkeren, omkeren, omkeren.’ Mensen zeggen in Battle Creek: ‘De tempel des Heeren, de tempel des Heeren zijn wij,’ maar zij gebruiken vreemd vuur. Hun harten worden niet verzacht en onderworpen door de genade van God.” Manuscript Releases, deel 13, 222.

In verse twenty-three and twenty-four the woe is for neglecting justice, mercy and faithfulness. Verses twenty-five and twenty-six is about the pretention of cleaning the outside of the cup, but not the inside.

In vers drieëntwintig en vierentwintig geldt het wee hun verwaarlozing van recht, barmhartigheid en trouw. De verzen vijfentwintig en zesentwintig gaan over de schijn van het reinigen van de buitenkant van de beker, maar niet van de binnenkant.

“‘We have this treasure,’ the apostle continued, ‘in earthen vessels, that the excellency of the power may be of God, and not of us.’ God could have proclaimed His truth through sinless angels, but this is not His plan. He chooses human beings, men compassed with infirmity, as instruments in the working out of His designs. The priceless treasure is placed in earthen vessels. Through men His blessings are to be conveyed to the world. Through them His glory is to shine forth into the darkness of sin.” Acts of the Apostles, 330.

“‘Wij hebben deze schat,’ vervolgde de apostel, ‘in aarden vaten, opdat de uitnemendheid der kracht van God zij, en niet uit ons.’ God had Zijn waarheid kunnen verkondigen door zondeloze engelen, maar dit is niet Zijn plan. Hij verkiest menselijke wezens, mensen met zwakheid omvangen, als werktuigen bij de uitvoering van Zijn voornemens. De onschatbare schat wordt in aarden vaten gelegd. Door mensen moeten Zijn zegeningen aan de wereld worden overgebracht. Door hen moet Zijn heerlijkheid doorbreken in de duisternis der zonde.” Acts of the Apostles, 330.

Then verses twenty-seven and twenty-eight identifies the wicked as whitewashed tombs, connecting with Shebna of Isaiah chapter twenty-two where Shebna was exalting in the wonderful tomb he was making, but would never be in, for God was to cast him out of His mouth into a far field. The far field is represented by the tomb of the lying prophet of Bethel that led the disobedient prophet to be buried in the same tomb. Then the eighth woe says:

Dan identificeren verzen zevenentwintig en achtentwintig de goddelozen als witgepleisterde graven, in aansluiting op Sebna uit Jesaja hoofdstuk tweeëntwintig, waar Sebna zich verhief in het prachtige graf dat hij voor zichzelf liet maken, maar waarin hij nooit zou liggen, want God zou hem uit Zijn mond uitwerpen naar een ver veld. Dat verre veld wordt uitgebeeld door het graf van de leugenachtige profeet van Bethel, die de ongehoorzame profeet ertoe bracht in hetzelfde graf begraven te worden. Dan zegt het achtste wee:

Woe unto you, scribes and Pharisees, hypocrites! because ye build the tombs of the prophets, and garnish the sepulchres of the righteous, And say, If we had been in the days of our fathers, we would not have been partakers with them in the blood of the prophets. Wherefore ye be witnesses unto yourselves, that ye are the children of them which killed the prophets. Fill ye up then the measure of your fathers.

Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars! want gij bouwt de graven der profeten en versiert de grafsteden der rechtvaardigen, En zegt: Indien wij in de dagen van onze vaderen geleefd hadden, zouden wij geen deelgenoten met hen geweest zijn in het bloed der profeten. Daarom getuigt gij tegen uzelf, dat gij de kinderen zijt van hen die de profeten gedood hebben. Maakt dan de maat uwer vaderen vol.

Ye serpents, ye generation of vipers, how can ye escape the damnation of hell?

Gij slangen, gij adderengebroed, hoe zult gij het oordeel der hel kunnen ontvlieden?

Wherefore, behold, I send unto you prophets, and wise men, and scribes: and some of them ye shall kill and crucify; and some of them shall ye scourge in your synagogues, and persecute them from city to city: That upon you may come all the righteous blood shed upon the earth, from the blood of righteous Abel unto the blood of Zacharias son of Barachias, whom ye slew between the temple and the altar.

Daarom, zie, Ik zend tot u profeten en wijzen en schriftgeleerden; en sommigen van hen zult gij doden en kruisigen, en sommigen van hen zult gij in uw synagogen geselen en hen vervolgen van stad tot stad; opdat over u kome al het rechtvaardige bloed dat op de aarde vergoten is, van het bloed van de rechtvaardige Abel tot het bloed van Zacharias, de zoon van Barachias, die gij gedood hebt tussen de tempel en het altaar.

Verily I say unto you, All these things shall come upon this generation. Matthew 23:29–36.

Voorwaar, Ik zeg u: Al deze dingen zullen over dit geslacht komen. Mattheüs 23:29–36.

The serpents, who are the generation of vipers, are being judged in the passage. In the passage the judgment is not based upon the witnesses of the queen of Sheba and Ninevah, but by the blood of Abel to Zacharias. The fourth generation, who are vipers are judged by two witnesses from the external history of ancient Israel and two witnesses from the internal history of ancient Israel. Luke chapter three is the final of the four references to the vipers of the fourth and final generation and it is simply a parallel to Matthew chapter three. Four references that identify that during the final judgment of the house of God, during the fourth generation, one class will manifest their characters, as a sons and daughters of Satan, and the other class, as the sons and daughters of God. The testing process that begins the separation begins when the messenger who prepares the way for the Messenger of the Covenant lifts up his voice in the wilderness.

De slangen, die het adderengebroed zijn, worden in de passage geoordeeld. In de passage is het oordeel niet gebaseerd op de getuigenissen van de koningin van Scheba en Ninevé, maar op het bloed van Abel tot Zacharias. De vierde generatie, die adders zijn, wordt geoordeeld door twee getuigen uit de uiterlijke geschiedenis van het oude Israël en twee getuigen uit de innerlijke geschiedenis van het oude Israël. Lucas hoofdstuk drie is de laatste van de vier verwijzingen naar de adders van de vierde en laatste generatie en is eenvoudigweg een parallel van Mattheüs hoofdstuk drie. Vier verwijzingen die aanduiden dat tijdens het laatste oordeel over het huis van God, gedurende de vierde generatie, één klasse haar karakter zal openbaren als zonen en dochters van Satan, en de andere klasse als zonen en dochters van God. Het beproevingsproces dat de scheiding aanvangt, begint wanneer de boodschapper die de weg bereidt voor de Boodschapper van het Verbond zijn stem verheft in de woestijn.

In the sacred weave of Scripture, names are not mere labels but whispered prophecies—second songs sung beneath history’s surface, revealing the heart of redemption. When the meanings of the descendants from Adam to Noah are organized into a statement, it produces a message that corresponds to the history represented by the genealogy. Adam means “man,” and Seth means “appointed.” Enosh means “mortal” (subject to death), and Kenan means “sorrow.” Through “the praise/blessing of God” (Mahalalel), Heaven would “come down” (Jared). Heaven came down as the “dedicated or anointed one” (Enoch), who proclaimed the judgment message through his son Methuselah (“when he dies, it shall be sent”). His death would be the climax of a “powerful” outpouring of the Holy Spirit, represented by Lamech (breath) joining Methuselah as the Midnight Cry joined the second angel. Methuselah was the second angel and Lamech the Midnight Cry that climaxed at the flood of Noah.

In het heilige weefsel van de Schrift zijn namen niet louter aanduidingen, maar gefluisterde profetieën—tweede liederen die onder het oppervlak van de geschiedenis worden gezongen en het hart van de verlossing openbaren. Wanneer de betekenissen van de nakomelingen van Adam tot Noach tot een uitspraak worden geordend, ontstaat er een boodschap die overeenkomt met de geschiedenis die door de geslachtslijn wordt weergegeven. Adam betekent „mens”, en Seth betekent „aangesteld”. Enos betekent „sterfelijk” (aan de dood onderworpen), en Kenan betekent „droefheid”. Door „de lofprijzing/zegen van God” (Mahalalel) zou de hemel „neerdalen” (Jared). De hemel daalde neer als „de toegewijde of gezalfde” (Henoch), die de boodschap van het oordeel verkondigde door middel van zijn zoon Methusalah („wanneer hij sterft, zal het gezonden worden”). Zijn dood zou het hoogtepunt zijn van een „krachtige” uitstorting van de Heilige Geest, voorgesteld door Lamech (adem) die zich bij Methusalah voegde, zoals de Middernachtsroep zich bij de tweede engel voegde. Methusalah was de tweede engel en Lamech de Middernachtsroep, die haar hoogtepunt bereikte bij de vloed van Noach.

Distilled further, the names declare: “Man was appointed mortal, subject to sorrow and death, in consequence of the first Adam; but through the blessing of God, Christ dedicated Himself to come down, proclaiming judgment through His death on the cross, which followed by the powerful outpouring of the Holy Spirit.”

Verder samengevat verklaren de namen: „De mens werd aangesteld als sterfelijk, onderworpen aan droefheid en dood, als gevolg van de eerste Adam; maar door de zegen van God heeft Christus Zichzelf toegewijd om neer te dalen en het oordeel te verkondigen door Zijn dood aan het kruis, gevolgd door de krachtige uitstorting van de Heilige Geest.”

These ten names encapsulate the gospel message while tracing earth’s history from creation to the latter rain, culminating in the Second Coming. This symbolism, hidden in the names finds its counterpart in Revelation. Genesis presents the alpha genealogy, and Revelation 7’s 144,000 presents the omega fulfillment in the sealed remnant.

Deze tien namen vatten de evangelieboodschap samen en volgen tegelijk de geschiedenis van de aarde vanaf de schepping tot aan de late regen, uitlopend op de Wederkomst. Deze symboliek, verborgen in de namen, vindt haar tegenhanger in Openbaring. Genesis presenteert de alfa-genealogie, en de 144.000 van Openbaring 7 tonen de omega-vervulling in het verzegelde overblijfsel.

Judah means “praise,” Reuben means “behold, a son,” Gad means “good fortune/troop,” Asher means “happy/blessed,” and Naphtali means “wrestling.” Manasseh means “causing to forget,” Simeon means “hearing,” Levi means “joined/attached,” Issachar means “reward,” Zebulun means “honor/dwelling,” Joseph means “increase,” and Benjamin means “son of the right hand.”

Juda betekent „lof”, Ruben betekent „zie, een zoon”, Gad betekent „goed geluk/troep”, Aser betekent „gelukkig/gezegend” en Naftali betekent „worsteling”. Manasse betekent „doende vergeten”, Simeon betekent „horen”, Levi betekent „gevoegd/gehecht”, Issachar betekent „beloning”, Zebulon betekent „eer/woning”, Jozef betekent „toename” en Benjamin betekent „zoon van de rechterhand”.

Those who follow the Lion of the tribe of Judah are the sons of God, blessed with good fortune as they pass through a testing process of wrestling with God as Jacob did. Through this struggle, their sins are forgotten in the sanctification process produced by hearing God’s Word, which in turns attaches them to Christ in a covenant relationship. Their reward is to dwell honorably with Christ on His throne, seated in heavenly places as God uses them to increase His kingdom—calling the great multitude out of Babylon as sons of His right hand.

Zij die de Leeuw uit de stam van Juda volgen, zijn de zonen van God, gezegend met voorspoed terwijl zij door een beproevingsproces gaan van worstelen met God, zoals Jakob deed. Door deze strijd worden hun zonden vergeten in het heiligingsproces dat wordt voortgebracht door het horen van Gods Woord, hetgeen hen op zijn beurt aan Christus verbindt in een verbondsrelatie. Hun beloning is eervol met Christus op Zijn troon te wonen, gezeten in de hemelse gewesten, terwijl God hen gebruikt om Zijn koninkrijk te vermeerderen door de grote schare uit Babylon te roepen als zonen van Zijn rechterhand.

The six sons of Leah were Rueben, Judah, Simeon, Levi, Issachar and Zebulun. Her maid Zilpah, whose names means “a fragrant dropping,” had two sons—Gad and Asher. The two sons of Rachel were Joseph and Benjamin. Rachel’s maid Bilhah means “shy or timid” and her sons were Dan and Naphtali. Prophetically the genealogy here provides several lines to consider. Unlike the alpha and ten generations in Genesis chapter five, the omega has twelve descendants, with its own specific prophetic variables. In the one hundred and forty-four thousand, Dan is not mentioned and Manasseh replaced his brother Ephraim.

De zes zonen van Lea waren Ruben, Juda, Simeon, Levi, Issaschar en Zebulon. Haar dienstmaagd Zilpa, wier naam „een welriekende druppel” betekent, had twee zonen — Gad en Aser. De twee zonen van Rachel waren Jozef en Benjamin. Rachels dienstmaagd Bilha betekent „verlegen of schuchter”, en haar zonen waren Dan en Naftali. Profetisch bezien biedt de hier vermelde geslachtslijn verschillende lijnen ter overweging. Anders dan de alfa en tien generaties in Genesis hoofdstuk vijf, heeft de omega twaalf nakomelingen, met haar eigen specifieke profetische variabelen. Onder de honderdvierenvijftigduizend wordt Dan niet genoemd en heeft Manasse zijn broer Efraïm vervangen.

Genesis’ alpha genealogy aligns with Revelation’s omega genealogy, for Genesis identifies Christ’s divine work in salvation, and Revelation identifies those who in the omega fulfillment of that alpha prophecy, perfectly fulfill the very promise and prophecy set forth in the alpha prophecy.

De alfa-genealogie van Genesis stemt overeen met de omega-genealogie van Openbaring, want Genesis duidt op Christus’ goddelijke werk in de zaligheid, en Openbaring duidt hen aan die in de omega-vervulling van die alfa-profetie de juist in die alfa-profetie uiteengezette belofte en profetie volmaakt vervullen.

The application of these two lines is often done by the theologians, but never with the perspective of line upon line methodology. The two genealogies in Genesis and Revelation provide two witnesses that God speaks at a secondary level. One language is the written testimony as it is recorded, and a secondary line within that testimony is set forth at a symbolic level. The theologians typically go no further than the surface observations about the message conveyed through the meanings of names in Genesis and Revelation. They treat what they see as a novelty that speaks more about their own human wisdom, as evidenced to by their sanctimonious ability to see the metaphor within the meanings of the names. They never see the message set forth in the twelve sons of Ishmael. They don’t see correctly the genealogies of Jesus in Matthew and Luke. They don’t see the genealogies of the last seven kings of Judah, and the last seven kings of Israel, the first seven kings of Judah or the first seven kings of Israel.

De toepassing van deze twee lijnen wordt door de theologen dikwijls gemaakt, maar nooit vanuit het perspectief van de methodologie van regel op regel. De twee geslachtsregisters in Genesis en Openbaring leveren twee getuigen dat God op een secundair niveau spreekt. De ene taal is het schriftelijke getuigenis zoals het is opgetekend, en een secundaire lijn binnen dat getuigenis wordt op symbolisch niveau ontvouwd. De theologen gaan gewoonlijk niet verder dan de oppervlakkige waarnemingen omtrent de boodschap die wordt overgebracht door de betekenis van de namen in Genesis en Openbaring. Zij behandelen wat zij zien als een nieuwigheid die meer spreekt over hun eigen menselijke wijsheid, zoals blijkt uit hun zelfgenoegzame vermogen de metafoor binnen de betekenissen van de namen te onderscheiden. Zij zien nooit de boodschap die in de twaalf zonen van Ismaël wordt uiteengezet. Zij zien de geslachtsregisters van Jezus in Mattheüs en Lukas niet op de juiste wijze. Zij zien de geslachtsregisters van de laatste zeven koningen van Juda en de laatste zeven koningen van Israël niet, evenmin als die van de eerste zeven koningen van Juda of de eerste zeven koningen van Israël.

When I am saying they don’t see, I mean if you ask Google if there are teachings about these genealogies, the answer is “yes,” to Genesis’s Adam to Noah, and “yes” to the one hundred and forty-four thousand. But do they apply the ten descendants of Abram in Genesis eleven in this fashion? No. Do they apply the genealogy of Cain and the genealogy of Seth? Yes, but so far from the actual meaning, that it is as if they are on another subject. They no doubt address the genealogies of Christ in Matthew and Luke, but once again, they miss the mark by a mile. Why does that matter, you ask? Because I intend to give an overview of these prophetic lines of genealogies, and I want to be clear from the outset that I am trying to identify the significance of the fourth generation as a symbol of biblical prophecy. The overview of these genealogies will help in that regard, but it would be negligence on anyone’s part, if they thought the simple summary of these things which shall follow, is all there is to understand about these lines of genealogies.

Wanneer ik zeg dat zij niet zien, bedoel ik het volgende: als u Google vraagt of er leringen bestaan over deze geslachtsregisters, dan luidt het antwoord „ja” voor Genesis’ lijn van Adam tot Noach, en „ja” voor de honderd vierenveertigduizend. Maar passen zij de tien afstammelingen van Abram in Genesis elf op deze wijze toe? Nee. Behandelen zij de geslachtslijn van Kaïn en de geslachtslijn van Seth? Ja, maar zó ver verwijderd van de werkelijke betekenis dat het is alsof zij over een ander onderwerp spreken. Ongetwijfeld behandelen zij de geslachtsregisters van Christus in Mattheüs en Lukas, maar opnieuw slaan zij de plank op ruime afstand mis. Waarom is dat van belang, vraagt u? Omdat ik voornemens ben een overzicht te geven van deze profetische lijnen van geslachtsregisters, en ik vanaf het begin duidelijk wil maken dat ik de betekenis van de vierde generatie als symbool van bijbelse profetie tracht te identificeren. Het overzicht van deze geslachtsregisters zal daarbij behulpzaam zijn, maar het zou nalatigheid van ieders zijde zijn, indien men zou menen dat de eenvoudige samenvatting van deze zaken die hierna volgt, alles is wat er over deze lijnen van geslachtsregisters te verstaan valt.

After the genealogy of Adam to Noah, we find two lines of genealogies in chapters four and five of Genesis. Those two lines are represented by the descendants of Cain and the descendants of Seth. Unlike the genealogy of Adam to Noah which represented ten descendants, the line of Seth and Cain both identify eight descendants. For this reason, they are to be treated as two periods of four. Seth and Cain are covenant symbols, and Cain represents those who in Isaiah twenty-eight and twenty-nine, make a covenant of death, that is to be disannulled at the overflowing scourge. They are those who build their houses upon sand. Those who build upon the Rock, make a covenant of life as represented in first Peter, chapter two as those who have tasted that the Lord is good, and are the “chosen generation.” The “many” build upon the sand, but “few” are chosen.

Na de geslachtslijn van Adam tot Noach vinden wij in hoofdstuk vier en vijf van Genesis twee lijnen van geslachtsregisters. Die twee lijnen worden vertegenwoordigd door de nakomelingen van Kaïn en de nakomelingen van Seth. Anders dan het geslachtsregister van Adam tot Noach, dat tien nakomelingen vertegenwoordigde, noemen de lijn van Seth en die van Kaïn beide acht nakomelingen. Om deze reden moeten zij worden behandeld als twee perioden van vier. Seth en Kaïn zijn verbondssymbolen, en Kaïn vertegenwoordigt hen die in Jesaja achtentwintig en negenentwintig een verbond met de dood sluiten, dat bij de overvloeiende gesel tenietgedaan zal worden. Zij zijn het die hun huizen op zand bouwen. Zij die op de Rots bouwen, sluiten een verbond van leven, zoals voorgesteld in 1 Petrus, hoofdstuk twee, als degenen die gesmaakt hebben dat de Heere goedertieren is en het „uitverkoren geslacht” zijn. De „velen” bouwen op het zand, maar „weinigen” zijn uitverkoren.

Cain’s genealogy is a rebellious chord in the symphony of names, for the names represent human glory that is vain, leading to aimless wandering, after being smitten by heaven. Disregarding the warning Cain’s line professes a false divinity, cloaked in vengeful human power, represented by the arts of humanity, that forges an iron culture; beautiful, but violent, and barren of hope. That last statement is an overview of the message in the eight generations of Cain that is derived from the names.

Kaïns geslachtsregister is een opstandige dissonant in de symfonie van namen, want de namen vertegenwoordigen menselijke heerlijkheid die ijdel is en, nadat zij door de hemel is geslagen, tot doelloos rondzwerven leidt. Zonder acht te slaan op de waarschuwing belijdt Kaïns geslacht een valse goddelijkheid, gehuld in wrekende menselijke macht, vertegenwoordigd door de kunsten van de mensheid, die een ijzeren cultuur smeedt: schoon, maar gewelddadig en verstoken van hoop. Die laatste uitspraak is een overzicht van de boodschap in de acht generaties van Kaïn die uit de namen wordt afgeleid.

Seth’s line answers Cain’s line with grace. In the human frailty that has been appointed to mankind, those who call on God will have their sorrow turned to praise as heaven descends. Faithfully walking the path that rises to glory, during a probationary period, until the cry of “hope,” brings rest, through waters of deliverance. That last statement is an overview of the message in the eight generations of Seth that is derived from the names.

De lijn van Seth beantwoordt de lijn van Kaïn met genade. In de menselijke broosheid die de mensheid is toebedeeld, zal voor hen die God aanroepen hun smart worden omgekeerd tot lofprijzing wanneer de hemel neerdaalt. Terwijl zij, gedurende een proeftijd, getrouw de weg bewandelen die opstijgt tot heerlijkheid, totdat de roep van „hoop” weerklinkt, brengt deze rust, door wateren van verlossing. Die laatste uitspraak is een overzicht van de boodschap in de acht generaties van Seth, zoals die uit de namen wordt afgeleid.

The reason for dividing the eight generations into two sets of four generations is established in the first step of the covenant, when the prophecy of bondage in Egypt is identified as 400 years and also that the 400 years, would end in the fourth generation. When Paul’s testimony is incorporated into the alpha covenant prophecy, it produces two periods of 215 years that were made up of four generations in each period. The eight generations, in the 430 years represents two periods of 215 years. The first period is represented by the good Pharaoh who knew Joseph. 215 years later, there was a new Pharaoh, that knew not Joseph. Then the next set of four generations began.

De reden om de acht generaties in twee groepen van vier generaties te verdelen, wordt vastgesteld in de eerste stap van het verbond, wanneer de profetie van de slavernij in Egypte wordt aangeduid als 400 jaar en tevens dat die 400 jaar in de vierde generatie zouden eindigen. Wanneer het getuigenis van Paulus in de alfa-verbondsprofetie wordt opgenomen, brengt dit twee perioden van 215 jaar voort, die in elke periode uit vier generaties bestonden. De acht generaties in de 430 jaar vertegenwoordigen twee perioden van 215 jaar. De eerste periode wordt vertegenwoordigd door de goede farao die Jozef kende. 215 jaar later was er een nieuwe farao, die Jozef niet kende. Toen begon de volgende reeks van vier generaties.

Eight generations divided equally into two periods, distinctly marked as its own period of four generations, upholds applying the eight generations of Cain and of Seth in the same fashion. When that application is made, you have Seth’s eight generations aligned with Cain’s eight generations. Cain represents the many who receive the mark of the beast, and Seth represents the few who receive the seal of God. Cain is the sign of humanity, and Seth is the sign of humanity combined with Divinity in the context of the covenant of Noah, whereas; the line of Joseph and Moses is in the context of the covenant of Abram.

Acht generaties, gelijk verdeeld over twee perioden, elk duidelijk afgebakend als een eigen periode van vier generaties, rechtvaardigen dat de acht generaties van Kaïn en van Seth op dezelfde wijze worden toegepast. Wanneer die toepassing wordt gemaakt, worden Seths acht generaties in lijn gebracht met Kaïns acht generaties. Kaïn vertegenwoordigt de velen die het merkteken van het beest ontvangen, en Seth vertegenwoordigt de weinigen die het zegel van God ontvangen. Kaïn is het teken van de mensheid, en Seth is het teken van de mensheid verenigd met de Godheid in de context van het verbond van Noach, terwijl de lijn van Jozef en Mozes in de context van het verbond van Abram staat.

Then in chapter eleven, the genealogy of the chosen people is represented by ten names from Shem to Abram. Chapter eleven is the story of the tower of Babel, but also the genealogy of the chosen people, as represented by Abraham. Chapter eleven introduces a chosen people who were to enter into a threefold covenant with God. The third and final step was the sacrifice of Isaac in chapter twenty-two. Chapter “eleven” is the alpha beginning and chapter “twenty-two” is the omega ending. The faith required to hear God’s voice in the meaning of names, is no different than the faith required to hear His voice in the numbering of His Word. An application of a genealogy that is not taken up by the theologians, is the genealogy of Ishmael, the symbol of Islam.

Vervolgens wordt in hoofdstuk elf de genealogie van het uitverkoren volk weergegeven door tien namen van Sem tot Abram. Hoofdstuk elf is het verhaal van de toren van Babel, maar ook de genealogie van het uitverkoren volk, zoals vertegenwoordigd door Abraham. Hoofdstuk elf introduceert een uitverkoren volk dat een drievoudig verbond met God zou aangaan. De derde en laatste stap was het offer van Isaak in hoofdstuk tweeëntwintig. Hoofdstuk „elf” is het alfa-begin en hoofdstuk „tweeëntwintig” is het omega-einde. Het geloof dat vereist is om Gods stem te horen in de betekenis van namen, verschilt niet van het geloof dat vereist is om Zijn stem te horen in de nummering van Zijn Woord. Een toepassing van een genealogie die door de theologen niet ter hand wordt genomen, is de genealogie van Ismaël, het symbool van de islam.

And these are the names of the sons of Ishmael, by their names, according to their generations: the firstborn of Ishmael, Nebajoth; and Kedar, and Adbeel, and Mibsam, And Mishma, and Dumah, and Massa, Hadar, and Tema, Jetur, Naphish, and Kedemah: These are the sons of Ishmael, and these are their names, by their towns, and by their castles; twelve princes according to their nations. Genesis 25:13–16.

En dit zijn de namen van de zonen van Ismaël, naar hun namen, overeenkomstig hun geslachten: de eerstgeborene van Ismaël, Nebajoth; en Kedar, en Adbeël, en Mibsam, en Misma, en Duma, en Massa, Hadar, en Tema, Jetur, Nafis en Kedma. Dit zijn de zonen van Ismaël, en dit zijn hun namen, naar hun steden en naar hun legerplaatsen; twaalf vorsten naar hun volken. Genesis 25:13–16.

When the definitions of these twelve names are set forth into a statement, it reads as, “Prophetically the descendants of Ishmael are a fruitful dark-skinned people that are renowned as warriors, but are grieved historically and prophetically on August 11, 1840 and thereafter on September 11, 2001. They are called the children of the east in biblical history. They originated from Arabia where the fragrant spices employed in the Hebrew sanctuary services are grown. The word “assassins” is derived from Islamic history and represents death that is brought about in silence. In the time of the Crusades Islam enclosed, encircled and besieged Catholic Europe, but their subsequent restraint marked the arrival of the refreshing of 1840 through 1844, and also from 9/11 through to the Sunday law crisis. The definitions of the twelve names of Ishmael’s sons are all represented in the previous statement by the bold-faced type.

Wanneer de definities van deze twaalf namen worden samengevoegd tot één verklaring, luidt die als volgt: „Profetisch zijn de nakomelingen van Ismaël een vruchtbaar donkerhuidig volk dat vermaard is als krijgers, maar dat historisch en profetisch bedroefd wordt op 11 augustus 1840 en daarna op 11 september 2001. In de Bijbelse geschiedenis worden zij de kinderen van het oosten genoemd. Zij zijn voortgekomen uit Arabië, waar de welriekende specerijen groeien die in de Hebreeuwse heiligdomsdiensten werden gebruikt. Het woord „moordenaars” is afgeleid van de islamitische geschiedenis en vertegenwoordigt de dood die in stilte wordt teweeggebracht. In de tijd van de Kruistochten omsloot, omringde en belegerde de islam het katholieke Europa, maar hun daaropvolgende terughouding markeerde de komst van de verkwikking van 1840 tot 1844, en ook van 9/11 tot aan de zondagswetcrisis. De definities van de twaalf namen van de zonen van Ismaël worden alle in de voorgaande verklaring weergegeven door het vetgedrukte lettertype.״

The twelve names of the line of Ishmael represent thirteen, if you include Ishmael on the list. Thirteen is the symbolic number of “rebellion,” which is what Hagar did, that brought about Abraham allowing Hagar and Ishmael to be cast out. Paul uses that incident to describe the casting out of ancient Israel as God’s covenant people, at the same time that He was establishing a covenant with His Christian bride.

De twaalf namen van de lijn van Ismaël vertegenwoordigen dertien, indien men Ismaël op de lijst opneemt. Dertien is het symbolische getal van „opstand”, en dat is wat Hagar deed, hetgeen ertoe leidde dat Abraham toestond dat Hagar en Ismaël werden uitgeworpen. Paulus gebruikt dat voorval om de verwerping van het oude Israël als Gods verbondsvolk te beschrijven, terwijl Hij tegelijkertijd een verbond sloot met Zijn christelijke bruid.

For it is written, that Abraham had two sons, the one by a bondmaid, the other by a freewoman. But he who was of the bondwoman was born after the flesh; but he of the freewoman was by promise. Which things are an allegory: for these are the two covenants; the one from the mount Sinai, which gendereth to bondage, which is Agar. For this Agar is mount Sinai in Arabia, and answereth to Jerusalem which now is, and is in bondage with her children. But Jerusalem which is above is free, which is the mother of us all. For it is written, Rejoice, thou barren that bearest not; break forth and cry, thou that travailest not: for the desolate hath many more children than she which hath an husband. Now we, brethren, as Isaac was, are the children of promise. But as then he that was born after the flesh persecuted him that was born after the Spirit, even so it is now. Nevertheless what saith the scripture? Cast out the bondwoman and her son: for the son of the bondwoman shall not be heir with the son of the freewoman. So then, brethren, we are not children of the bondwoman, but of the free. Galatians 4:22–31.

Want er staat geschreven dat Abraham twee zonen had, de een bij een slavin, de ander bij een vrije vrouw. Maar hij die uit de slavin was, is naar het vlees geboren; doch hij die uit de vrije vrouw was, door de belofte. Deze dingen hebben een allegorische betekenis; want deze vrouwen zijn de twee verbonden: het ene, van de berg Sinaï, brengt voort tot slavernij, en dat is Hagar. Want deze Hagar is de berg Sinaï in Arabië en komt overeen met het tegenwoordige Jeruzalem, dat met zijn kinderen in slavernij is. Maar het Jeruzalem dat boven is, is vrij, en dat is de moeder van ons allen. Want er staat geschreven: Verheug u, gij onvruchtbare, die niet baart; breek uit en roep, gij die geen weeën hebt; want de eenzame heeft veel meer kinderen dan zij die de man heeft. Nu, broeders, zijn wij, evenals Izak, kinderen van de belofte. Maar zoals toen hij die naar het vlees geboren was, hem vervolgde die naar de Geest geboren was, zo is het ook nu. Doch wat zegt de Schrift? Werp de slavin en haar zoon uit; want de zoon van de slavin zal geenszins erven met de zoon van de vrije vrouw. Daarom, broeders, zijn wij geen kinderen van de slavin, maar van de vrije. Galaten 4:22–31.

Ishmael is a symbol of Islam, and Hagar, Ishmael’s mother is the symbol of the church of the covenant of death. Isaac is a symbol of Christianity, and Sarah is the symbol of the church of the covenant of life. For this reason, Ishmael had twelve sons, for twelve is a symbol of God’s covenant people, and Islam is a counterfeit of God’s covenant people.

Ismaël is een symbool van de islam, en Hagar, Ismaëls moeder, is het symbool van de kerk van het verbond van de dood. Izak is een symbool van het christendom, en Sara is het symbool van de kerk van het verbond van het leven. Om deze reden had Ismaël twaalf zonen, want twaalf is een symbool van Gods verbondsvolk, en de islam is een vervalsing van Gods verbondsvolk.

There are two genealogies for Christ in the gospels. One in Matthew and another in Luke.

Er zijn in de evangeliën twee geslachtsregisters van Christus: het ene in Matteüs en het andere in Lukas.

And Jacob begat Joseph the husband of Mary, of whom was born Jesus, who is called Christ. So all the generations from Abraham to David are fourteen generations; and from David until the carrying away into Babylon are fourteen generations; and from the carrying away into Babylon unto Christ are fourteen generations. Now the birth of Jesus Christ was on this wise: When as his mother Mary was espoused to Joseph, before they came together, she was found with child of the Holy Ghost. Matthew 1:16–18.

En Jakob verwekte Jozef, de man van Maria, uit wie Jezus geboren is, die Christus genoemd wordt. Al de geslachten dan, van Abraham tot David, zijn veertien geslachten; en van David tot de wegvoering naar Babylon zijn veertien geslachten; en van de wegvoering naar Babylon tot Christus zijn veertien geslachten. De geboorte van Jezus Christus nu was aldus: Toen Zijn moeder Maria met Jozef in ondertrouw was, bleek zij, voordat zij samengekomen waren, zwanger te zijn uit de Heilige Geest. Mattheüs 1:16–18.

Matthew’s genealogy identifies three equal periods of fourteen which make up one period of forty-two. Christ is the omega of covenant history in relation to Moses as the alpha of covenant history. Moses prophesies that Christ would be “like unto himself.” Moses had three periods of forty years in his one-hundred-and-twenty-year life. Each forty-year period of Moses’ life, when placed line upon line, concludes at Kadesh, a symbol of 1863 and the Sunday law. Christ’s three periods end at David, the captivity in Babylon and Christ confirming the covenant with His blood at the cross. David represents the lifting up of the church triumphant at the Sunday law, and the second line identifies the foolish virgins being carried to Babylon, at the Sunday law. The third period ends at the cross, which once again, typifies the Sunday law where Christ confirms Abraham’s covenant with the one hundred and forty-four thousand and Noah’s covenant with the great multitude.

Mattheüs’ geslachtsregister onderscheidt drie gelijke perioden van veertien, die samen één periode van tweeënveertig vormen. Christus is de omega van de verbondsgeschiedenis in verhouding tot Mozes als de alfa van de verbondsgeschiedenis. Mozes profeteert dat Christus „aan hem gelijk” zou zijn. Mozes kende in zijn honderdtwintigjarige leven drie perioden van veertig jaar. Elke periode van veertig jaar in het leven van Mozes, wanneer zij regel op regel wordt geplaatst, eindigt bij Kades, een symbool van 1863 en de zondagswet. De drie perioden van Christus eindigen bij David, de Babylonische gevangenschap en Christus die het verbond met Zijn bloed aan het kruis bevestigt. David vertegenwoordigt de verheffing van de triomferende kerk bij de zondagswet, en de tweede lijn duidt de dwaze maagden aan die bij de zondagswet naar Babylon worden weggevoerd. De derde periode eindigt aan het kruis, dat wederom een voorafbeelding is van de zondagswet, waar Christus het verbond van Abraham met de honderd-vierenveertigduizend en het verbond van Noach met de grote schare bevestigt.

What can be understood when these two lines are laid over the top of one another is amazing. Moses’ one hundred and twenty years connects with Noah’s 120 years, and Christ’s forty-two generations connects with the antichrist reigning for forty-two symbolic months at the Sunday law.

Wat kan worden begrepen wanneer deze twee lijnen over elkaar heen worden gelegd, is verbazingwekkend. De honderdtwintig jaren van Mozes houden verband met de honderdtwintig jaren van Noach, en de tweeënveertig geslachten van Christus houden verband met de antichrist die gedurende tweeënveertig symbolische maanden regeert bij de zondagswet.

And the Lord said, My spirit shall not always strive with man, for that he also is flesh: yet his days shall be an hundred and twenty years. Genesis 6:3.

En de HEERE zei: Mijn Geest zal niet voor altijd met de mens twisten, omdat ook hij vlees is; nochtans zullen zijn dagen honderdtwintig jaar zijn. Genesis 6:3.

Along with the genealogy of Matthew, which emphasizes the covenant of Abraham, the genealogy of Christ, as set forth by Luke goes all the way to creation, thus emphasizing the covenant of life that Adam broke in Eden. Luke’s genealogy begins with Jesus, and goes backward through His genealogy all the way to Adam, who is identified as the son of God. The line ends with the perfect second Adam, and it begins with the perfect first Adam. From the first Adam unto the second Adam is set forth as 77 generations.

Samen met de geslachtsregisters van Matteüs, die het verbond met Abraham benadrukken, gaat het geslachtsregister van Christus, zoals door Lukas uiteengezet, helemaal terug tot aan de schepping, en benadrukt aldus het levensverbond dat Adam in Eden verbrak. Het geslachtsregister van Lukas begint met Jezus en gaat vervolgens terug door Zijn afstamming helemaal tot Adam, die wordt aangeduid als de zoon van God. De lijn eindigt met de volmaakte tweede Adam, en zij begint met de volmaakte eerste Adam. Van de eerste Adam tot de tweede Adam worden 77 geslachten voorgesteld.

The genealogies of Scripture represent lines of truth. We have just identified several that far exceed the necessary witnesses needed to establish a truth. The genealogical lines contain the voice of historical fulfillments and future predictions, and they contain the voice of Palmoni, the Wonderful Numberer of secrets, as the numerical enigmas which were placed within the lines provide a second voice. Those two voices are heard with another third voice, the voice of the Wonderful Linguist, who created and controls all things, including the names of people, places and things.

De geslachtsregisters van de Schrift vertegenwoordigen lijnen van waarheid. Wij hebben zojuist verscheidene daarvan geïdentificeerd die de noodzakelijke getuigen ruimschoots overtreffen die vereist zijn om een waarheid vast te stellen. De genealogische lijnen bevatten de stem van historische vervullingen en toekomstige voorzeggingen, en zij bevatten de stem van Palmoni, de Wonderbare Tellenaar van verborgenheden, aangezien de numerieke raadsels die binnen die lijnen zijn aangebracht een tweede stem verschaffen. Deze twee stemmen worden gehoord tezamen met een andere, derde stem: de stem van de Wonderbare Taalkundige, die alle dingen heeft geschapen en bestuurt, met inbegrip van de namen van mensen, plaatsen en dingen.

When John turned to see the voice behind him, it was as the voice of many waters, and when Daniel had the same vision, His voice was the voice of a multitude. The surface message of the Scriptures, as well as the names found with the message, and also the numbering within the message are three voices in one passage. When you take a line with the three voices and lay it over the top of a parallel line, three voices become many voices.

Toen Johannes zich omkeerde om de stem achter hem te zien, was zij als het geluid van vele wateren; en toen Daniël hetzelfde visioen had, was Zijn stem als de stem van een menigte. De boodschap aan de oppervlakte van de Schriften, evenals de namen die bij de boodschap worden aangetroffen, en ook de nummering binnen de boodschap, zijn drie stemmen in één passage. Wanneer u een regel met de drie stemmen neemt en die over een parallelle regel heen legt, worden drie stemmen tot vele stemmen.

And a voice came out of the throne, saying, Praise our God, all ye his servants, and ye that fear him, both small and great. And I heard as it were the voice of a great multitude, and as the voice of many waters, and as the voice of mighty thunderings, saying, Alleluia: for the Lord God omnipotent reigneth. Revelation 19:5, 6.

En er kwam een stem uit de troon, die zei: Looft onze God, al gij zijn dienstknechten, en gij die Hem vreest, kleinen en groten. En ik hoorde als het ware de stem van een grote menigte, en als de stem van vele wateren, en als de stem van machtige donderslagen, zeggende: Halleluja! want de Heere God, de Almachtige, regeert. Openbaring 19:5, 6.

Some of the most significant genealogies are found in the kings of Israel. The first seven kings of Israel, the northern kingdom, end with Ahab, Jezebel and Elijah, thus representing the Sunday law. The line of the last seven kings of the northern tribes, begins at the Sunday law and ends at the close of human probation, when Michael stands up in Daniel 12. The first seven kings of Judah illustrate the history from the Sunday law until Michael stands up, and the last seven kings identify the history that leads to the Sunday law. Two genealogical lines, both possessing an alpha history and an omega history. The alpha history is the period of 9/11 unto the Sunday law, and the omega period is the Sunday law until the close of probation. The first seven kings of Israel, align with the last seven kings of Judah; and the last seven kings of Israel, align with the first seven kings of Judah.

Enkele van de meest betekenisvolle genealogieën worden aangetroffen bij de koningen van Israël. De eerste zeven koningen van Israël, het noordelijke koninkrijk, eindigen met Achab, Izebel en Elia, en vertegenwoordigen aldus de zondagswet. De reeks van de laatste zeven koningen van de noordelijke stammen begint bij de zondagswet en eindigt bij het sluiten van de menselijke genadetijd, wanneer Michaël opstaat in Daniël 12. De eerste zeven koningen van Juda illustreren de geschiedenis vanaf de zondagswet totdat Michaël opstaat, en de laatste zeven koningen identificeren de geschiedenis die tot de zondagswet leidt. Twee genealogische lijnen, die beide een alfageschiedenis en een omegageschiedenis bezitten. De alfageschiedenis is de periode van 9/11 tot aan de zondagswet, en de omegaperiode is de zondagswet tot aan het sluiten van de genadetijd. De eerste zeven koningen van Israël komen overeen met de laatste zeven koningen van Juda; en de laatste zeven koningen van Israël komen overeen met de eerste zeven koningen van Juda.

We will continue in the next article.

Wij zullen in het volgende artikel verdergaan.

“Be Steadfast Unto the End

„Wees standvastig tot het einde”

“[Revelation 1:1, 2, quoted.] The whole Bible is a revelation; for all revelation to men comes through Christ, and all centers in him. God has spoken unto us by His Son, whose we are by creation and by redemption. Christ came to John exiled on the Isle of Patmos to give him the truth for these last days, to show him that which must shortly come to pass. Jesus Christ is the great trustee of divine revelation. It is through him that we have a knowledge of what we are to look for in the closing scenes of this earth’s history. God gave this revelation to Christ, and Christ communicated the same to John.

“[Openbaring 1:1, 2, geciteerd.] De gehele Bijbel is een openbaring; want alle openbaring aan de mensen komt door Christus, en alles is in Hem gecentreerd. God heeft tot ons gesproken door Zijn Zoon, aan Wie wij toebehoren door schepping en door verlossing. Christus kwam tot Johannes, verbannen op het eiland Patmos, om hem de waarheid voor deze laatste dagen te geven, om hem te tonen wat weldra moet geschieden. Jezus Christus is de grote beheerder van de goddelijke openbaring. Door Hem hebben wij kennis van hetgeen wij mogen verwachten in de slottonelen van de geschiedenis van deze aarde. God gaf deze openbaring aan Christus, en Christus deelde haar mee aan Johannes.”

“John, the beloved disciple, was the one chosen to receive this revelation. He was the last survivor of the first chosen disciples. Under the New Testament dispensation he was honored as the prophet Daniel was honored under the Old Testament dispensation.

„Johannes, de geliefde discipel, was degene die uitverkoren werd om deze openbaring te ontvangen. Hij was de laatste overlevende van de eerstgekozen discipelen. Onder de bedeling van het Nieuwe Testament werd hem dezelfde eer bewezen als de profeet Daniël onder de bedeling van het Oude Testament werd bewezen.

“The instruction to be communicated to John was so important that Christ came from heaven to give it to His servant, telling him to send it to the churches. This instruction is to be the object of our careful and prayerful study; for we are living in a time when men who are not under the teaching of the Holy Spirit will bring in false theories. These men have been standing in high places, and they have ambitious projects to carry out. They seek to exalt themselves, and to revolutionize the whole showing of things. God has given us special instruction to guard us against such ones. He bade John write in a book that which should take place in the closing scenes of this earth’s history.

„De onderrichting die aan Johannes moest worden meegedeeld, was zo belangrijk dat Christus uit de hemel kwam om die aan Zijn dienstknecht te geven, met de opdracht haar aan de gemeenten te zenden. Deze onderrichting moet het voorwerp zijn van onze zorgvuldige en biddende studie; want wij leven in een tijd waarin mensen die niet onder het onderwijs van de Heilige Geest staan, valse theorieën zullen binnenbrengen. Deze mensen hebben op hoge plaatsen gestaan, en zij koesteren eerzuchtige plannen die zij ten uitvoer willen brengen. Zij trachten zichzelf te verheffen en het gehele bestel van zaken omver te werpen. God heeft ons bijzondere onderrichting gegeven om ons tegen dezulken te behoeden. Hij droeg Johannes op in een boek te schrijven hetgeen zou plaatsvinden in de afsluitende taferelen van de geschiedenis van deze aarde.

“After the passing of the time, God entrusted to His faithful followers the precious principles of present truth. These principles were not given to those who had had no part in the giving of the first and second angel’s messages. They were given to the workers who had had a part in the cause from the beginning.

„Nadat de tijd was verstreken, vertrouwde God aan Zijn getrouwe volgelingen de kostbare beginselen van de tegenwoordige waarheid toe. Deze beginselen werden niet gegeven aan hen die geen deel hadden gehad aan de verkondiging van de boodschap van de eerste en de tweede engel. Zij werden gegeven aan de werkers die vanaf het begin een aandeel in de zaak hadden gehad.

“Those who passed through these experiences are to be as firm as a rock to the principles that have made us Seventh-day Adventists. They are to be workers together with God, binding up the testimony and sealing the law among His disciples. Those who took part in the establishment of our work upon a foundation of Bible truth, those who know the waymarks that have pointed out the right path, are to be regarded as workers of the highest value. They can speak from personal experience regarding the truths entrusted to them. These men are not to permit their faith to be changed to infidelity; they are not to permit the banner of the third angel to be taken from their hands. They are to hold the beginning of their confidence firm unto the end.

“Zij die door deze ervaringen zijn heengegaan, moeten zo standvastig als een rots zijn in de beginselen die ons tot Zevendedagsadventisten hebben gemaakt. Zij moeten medewerkers van God zijn, het getuigenis verbindend en de wet verzegelend onder Zijn discipelen. Zij die hebben deelgenomen aan de vestiging van ons werk op een fundament van Bijbelse waarheid, zij die de wegtekens kennen die het rechte pad hebben aangewezen, moeten worden beschouwd als arbeiders van de hoogste waarde. Zij kunnen uit persoonlijke ervaring spreken aangaande de waarheden die hun zijn toevertrouwd. Deze mannen mogen niet toelaten dat hun geloof tot ongeloof wordt veranderd; zij mogen niet toelaten dat het vaandel van de derde engel hun uit de handen wordt genomen. Zij moeten het begin van hun vrijmoedigheid standvastig vasthouden tot het einde.”

The Lord has declared that the history of the past shall be rehearsed as we enter upon the closing work. Every truth that He has given for these last days is to be proclaimed to the world. Every pillar that He has established is to be strengthened. We cannot now step off the foundation that God has established. We cannot now enter into any new organization; for this would mean apostasy from the truth.

“De Heer heeft verklaard dat de geschiedenis van het verleden opnieuw voorgehouden zal worden terwijl wij het afsluitende werk binnengaan. Elke waarheid die Hij voor deze laatste dagen heeft gegeven, moet aan de wereld verkondigd worden. Elke zuil die Hij heeft opgericht, moet versterkt worden. Wij kunnen nu niet afwijken van het fundament dat God heeft gelegd. Wij kunnen nu geen enkele nieuwe organisatie binnengaan; want dit zou afval van de waarheid betekenen.

“The medical missionary work needs to be purified and cleansed from everything that would weaken the faith of believers in the past experience of the people of God. Eden, beautiful Eden, was degraded by the introduction of sin. There is need now to rehearse the experience of the men who acted a part in the establishment of our work at the beginning.

“Het medisch-zendingswerk moet gezuiverd en gereinigd worden van alles wat het geloof van de gelovigen in de vroegere ervaring van het volk van God zou verzwakken. Eden, het schone Eden, werd ontheiligd door de intrede van de zonde. Het is nu nodig de ervaring in herinnering te brengen van de mannen die in het begin een aandeel hadden in de vestiging van ons werk.

“From time to time we read the death notices of the great men of the world. Their time came suddenly, as in a moment. Many, supposed to be in good health, die after a feast, or after laying selfish plans for their own exaltation. The word goes forth, ‘He is joined to his idols; let him alone.’ This means that the Lord no longer guards him from harm. Sudden death comes, and what is his lifework worth? His life has been a failure. The tree falls because the power that has sustained it leaves it to its idolatrous sacrifice.

“Van tijd tot tijd lezen wij de overlijdensberichten van de groten der aarde. Hun tijd kwam plotseling, als in een ogenblik. Velen, van wie men aannam dat zij in goede gezondheid verkeerden, sterven na een feestmaal, of nadat zij zelfzuchtige plannen voor hun eigen verheffing hadden beraamd. Het woord gaat uit: ‘Hij is aan zijn afgoden verbonden; laat hem met rust.’ Dit betekent dat de Heere hem niet langer voor schade behoedt. Een plotselinge dood treedt in, en wat is het levenswerk van zulk een waard? Zijn leven is een mislukking geweest. De boom valt, omdat de kracht die hem staande heeft gehouden, hem overlaat aan zijn afgodisch offer.”

“Men and women are absorbed in searching for something to enjoy. They sell their souls for naught, and God withdraws His longsuffering forbearance. They are left to their choice.

“Mannen en vrouwen gaan geheel op in het zoeken naar iets om van te genieten. Zij verkopen hun ziel voor niets, en God trekt Zijn lankmoedige verdraagzaamheid terug. Zij worden aan hun keuze overgelaten.

“There are those who, while professing to believe present truth have degraded their faith and refused to walk in the light. Who will now lay aside their selfish, worldly principles? Who will now strive to realize the worth of the soul? What shall it profit a man, if he shall gain the whole world, and lose his own soul? Or what shall a man give in exchange for his soul? Are you hungering and thirsting for the bread of life and the water of salvation? Do you realize the value of the souls for whom Christ died? Are those who are supposed to be Christians living up to their profession of faith? Are they conscious of the worth of the soul? Are they striving to purify their souls through obedience to the truth?” Manuscript Releases, volume 20, 150, 151.

“Er zijn er die, terwijl zij belijden de tegenwoordige waarheid te geloven, hun geloof hebben ontheiligd en geweigerd hebben in het licht te wandelen. Wie zal nu zijn zelfzuchtige, wereldse beginselen afleggen? Wie zal zich nu beijveren om de waarde van de ziel te beseffen? Want wat baat het een mens, zo hij de gehele wereld wint en schade lijdt aan zijn ziel? Of wat zal een mens geven tot losprijs voor zijn ziel? Hongert en dorst gij naar het brood des levens en het water des heils? Beseft gij de waarde van de zielen voor wie Christus gestorven is? Leven zij die geacht worden christenen te zijn in overeenstemming met hun geloofsbelijdenis? Zijn zij zich bewust van de waarde van de ziel? Spannen zij zich in om hun zielen te reinigen door gehoorzaamheid aan de waarheid?” Manuscript Releases, volume 20, 150, 151.