In article twenty-two I wrote, “Then in chapter eleven, the genealogy of the chosen people is represented by ten names from Shem to Abram. Chapter eleven is the story of the tower of Babel, but also the genealogy of the chosen people, as represented by Abraham. Chapter eleven introduces a chosen people who were to enter into a threefold covenant with God. The third and final step was the sacrifice of Isaac in chapter twenty-two. Chapter “eleven” is the alpha beginning and chapter “twenty-two” is the omega ending. The faith required to hear God’s voice in the meaning of names, is no different than the faith required to hear His voice in the numbering of His Word.”

In artikel tweeëntwintig schreef ik: „Vervolgens wordt in hoofdstuk elf de geslachtslijn van het uitverkoren volk weergegeven door tien namen, van Sem tot Abram. Hoofdstuk elf is het verhaal van de toren van Babel, maar ook de geslachtslijn van het uitverkoren volk, zoals vertegenwoordigd door Abraham. Hoofdstuk elf introduceert een uitverkoren volk dat geroepen was een drievoudig verbond met God aan te gaan. De derde en laatste stap was het offer van Izak in hoofdstuk tweeëntwintig. Hoofdstuk „elf” is het alfa-begin en hoofdstuk „tweeëntwintig” is het omega-einde. Het geloof dat vereist is om Gods stem te horen in de betekenis van namen, verschilt in niets van het geloof dat vereist is om Zijn stem te horen in de nummering van Zijn Woord.”

Chapter eleven presents the covenant of Cain, and the covenant of Abel. We have repeatedly shown through the years that the prophetic characteristics of the tower of Babel represent a counterfeit covenant. After the flood, there was a change of dispensations from worshipping at the gate of Eden before the flood, and after the flood, worship was to be at an altar. The altar had specific biblical requirements. It needed to be erected of natural stone, with no human chipping or chiseling the stone. It had to be rock upon rock, with no mortar.

Hoofdstuk elf stelt het verbond van Kaïn en het verbond van Abel voor. Door de jaren heen hebben wij herhaaldelijk aangetoond dat de profetische kenmerken van de toren van Babel een vervalst verbond vertegenwoordigen. Na de vloed vond er een verandering van bedelingen plaats: vóór de vloed werd er aan de poort van Eden aanbeden, en na de vloed diende de aanbidding bij een altaar plaats te vinden. Het altaar kende specifieke bijbelse vereisten. Het moest opgericht worden uit natuurlijke steen, zonder dat menselijke hand de steen afhakte of beitelde. Het moest steen op steen zijn, zonder mortel.

The purpose of the tower was to make Nimrod’s cohorts a name, which represents character. In the tower we see man attempting to save themselves, and lifting themselves up as the gods of heaven. The tower is a symbol of a church that thinks it can save itself, and thinks that it should be lifted up, as the ten kings do in Psalm 83, when they lift up the papal head at the evil confederacy of Bible prophecy, which takes place at the Sunday law.

Het doel van de toren was om Nimrods metgezellen een naam te maken, hetgeen karakter vertegenwoordigt. In de toren zien wij de mens proberen zichzelf te redden en zichzelf te verheffen als de goden des hemels. De toren is een symbool van een kerk die meent zichzelf te kunnen redden, en meent dat zij verheven behoort te worden, zoals de tien koningen doen in Psalm 83, wanneer zij het pauselijke hoofd verheffen in het boze verbond van de Bijbelprofetie, dat plaatsvindt bij de zondagswet.

A Song or Psalm of Asaph. Keep not thou silence, O God: hold not thy peace, and be not still, O God. For, lo, thine enemies make a tumult: and they that hate thee have lifted up the head. Psalms 83:1, 2.

Een lied, een psalm van Asaf. O God, zwijg niet; houd U niet stil, en wees niet gerust, o God. Want zie, Uw vijanden maken groot rumoer; en zij die U haten, heffen het hoofd op. Psalmen 83:1, 2.

The world had just been destroyed by Noah’s flood, and the reason God identified the closing probation on the antediluvian world was that man’s thoughts had become evil continually. The Bible speaks of unity in various ways, one of which is to see “eye to eye.” Can two walk together, except they be agreed?

De wereld was zojuist door de zondvloed van Noach verwoest, en de reden waarom God de sluiting van de genadetijd over de antediluviale wereld te kennen gaf, was dat de gedachten van de mens te allen tijde boos geworden waren. De Bijbel spreekt op verschillende wijzen over eenheid, waarvan er één is „oog in oog” te zien. Zullen twee tezamen wandelen, tenzij zij het eens zijn?

Now I beseech you, brethren, by the name of our Lord Jesus Christ, that ye all speak the same thing, and that there be no divisions among you; but that ye be perfectly joined together in the same mind and in the same judgment. 1 Corinthians 1:10.

Ik vermaan u dan, broeders, bij de Naam van onze Heere Jezus Christus, dat gij allen hetzelfde spreekt en dat er onder u geen scheuringen zijn, maar dat gij hecht samengevoegd zijt in dezelfde gezindheid en in hetzelfde oordeel. 1 Korinthe 1:10.

When God confused the language at the judgment upon Nimrod’s kingdom, it identifies that prior to the confusion, they were all in unity, and therefore they were all the same character, and that character was a religion based upon human works—as opposed to those in the very same chapter that are represented by Abraham. Shem was a faithful soul in the time of Nimrod. Historians point to Shem as the one who killed Nimrod, the mighty rebel before the Lord. The point stands without the historian’s ideas, for Shem is a covenant man, who traces his blood to Noah, a covenant man, who traces his blood back to Seth, another covenant man, who came into covenant history to replace his brother Abel, who was another covenant man who was a direct descendant of Adam.

Toen God de taal verwarde bij het oordeel over het koninkrijk van Nimrod, duidt dit erop dat zij vóór die verwarring allen in eenheid waren, en daarom allen van hetzelfde karakter; en dat karakter was een godsdienst gegrond op menselijke werken—tegenover hen die in datzelfde hoofdstuk door Abraham worden voorgesteld. Sem was een trouwe ziel in de tijd van Nimrod. Historici wijzen Sem aan als degene die Nimrod doodde, de machtige rebel voor het aangezicht des HEEREN. Het punt blijft overeind zonder de denkbeelden van de historicus, want Sem is een verbondsman, die zijn bloedlijn terugvoert op Noach, een verbondsman, die zijn bloedlijn terugvoert op Seth, een andere verbondsman, die in de verbondsgeschiedenis trad om zijn broer Abel te vervangen, die een andere verbondsman was en een rechtstreekse afstammeling van Adam.

Genesis eleven is the great controversy between Christ and Satan, in the context of a covenant of life and a covenant of death. Nimrod represents the great hunter before the Lord, for he represents a church that has many devotees. Abram, through Shem, represents a church that has but few devotees. Shem was the covenant man when Nimrod was building his tower, but the two covenants in chapter eleven are represented not by Shem and Nimrod, but by Nimrod and Abraham. Paul clearly identifies this prophetic rule.

Genesis elf is de grote strijd tussen Christus en Satan, in de context van een verbond ten leven en een verbond ten dode. Nimrod vertegenwoordigt de grote jager voor het aangezicht des HEEREN, want hij vertegenwoordigt een kerk die vele toegewijden heeft. Abram vertegenwoordigt, door Sem, een kerk die slechts weinig toegewijden heeft. Sem was de man van het verbond toen Nimrod zijn toren bouwde, maar de twee verbonden in hoofdstuk elf worden niet vertegenwoordigd door Sem en Nimrod, maar door Nimrod en Abraham. Paulus duidt deze profetische regel duidelijk aan.

For this Melchisedec, king of Salem, priest of the most high God, who met Abraham returning from the slaughter of the kings, and blessed him; To whom also Abraham gave a tenth part of all; first being by interpretation King of righteousness, and after that also King of Salem, which is, King of peace; Without father, without mother, without descent, having neither beginning of days, nor end of life; but made like unto the Son of God; abideth a priest continually. Now consider how great this man was, unto whom even the patriarch Abraham gave the tenth of the spoils.

Want deze Melchizedek, koning van Salem, priester van de allerhoogste God, die Abraham tegemoetging toen hij terugkeerde van het verslaan der koningen, en hem zegende; aan wie ook Abraham van alles het tiende deel gaf; die vooreerst, naar de uitlegging van zijn naam, koning der gerechtigheid is, en daarna ook koning van Salem, dat is, koning des vredes; zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtsrekening, noch begin der dagen noch einde des levens hebbend, maar aan de Zoon van God gelijkgemaakt, blijft hij priester voor altijd. Aanschouwt nu, hoe groot deze was, aan wie zelfs de aartsvader Abraham het tiende van de buit gaf.

And verily they that are of the sons of Levi, who receive the office of the priesthood, have a commandment to take tithes of the people according to the law, that is, of their brethren, though they come out of the loins of Abraham:

En waarlijk, zij die uit de zonen van Levi zijn, en het ambt van het priesterschap ontvangen, hebben volgens de wet een gebod om tienden van het volk te nemen, dat is, van hun broeders, hoewel dezen uit de lendenen van Abraham zijn voortgekomen:

But he whose descent is not counted from them received tithes of Abraham, and blessed him that had the promises. And without all contradiction the less is blessed of the better. And here men that die receive tithes; but there he receiveth them, of whom it is witnessed that he liveth. And as I may so say, Levi also, who receiveth tithes, payed tithes in Abraham. For he was yet in the loins of his father, when Melchisedec met him. Hebrews 7:1–10.

Maar hij, wiens afstamming niet uit hen gerekend wordt, heeft tienden van Abraham ontvangen en hem gezegend die de beloften had. En zonder enige tegenspraak wordt het mindere door het meerdere gezegend. En hier ontvangen sterfelijke mensen tienden; maar daar ontvangt Hij ze, van Wie getuigd wordt dat Hij leeft. En, om zo te zeggen, heeft ook Levi, die tienden ontvangt, door Abraham tienden betaald. Want hij was nog in de lendenen van zijn vader, toen Melchisedek hem tegemoettrad. Hebreeën 7:1–10.

There is a great deal of present truth in the subject of Melchizedek, but I am simply identifying that Paul teaches directly that the prophetic characteristics of covenant men, and by that, I mean, men and women in the inspired testimony whose scriptural testimony is identifying a waymark in the prophetic line of God’s covenant with mankind. Paul teaches that Melchizedek, who lived before the Levitical priesthood was established at Sinai, and therefore over four hundred years before there was a Levitical priesthood, had accepted tithe from Levi. In order to be in the Levitical priesthood, you had to be a Levite who could prove his blood descent from Levi. Melchizedek could not show his descent was from the line of Levi, for Levi was not yet born.

Er is veel tegenwoordige waarheid gelegen in het onderwerp van Melchizedek, maar ik wijs er slechts op dat Paulus rechtstreeks leert dat de profetische kenmerken van verbondsmensen—en daarmee bedoel ik mannen en vrouwen in het geïnspireerde getuigenis, wier schriftuurlijk getuigenis een wegmerk aanduidt in de profetische lijn van Gods verbond met de mensheid—dit bevestigen. Paulus leert dat Melchizedek, die leefde vóórdat het Levitische priesterschap op de Sinaï werd ingesteld, en derhalve meer dan vierhonderd jaar voordat er een Levitisch priesterschap bestond, tienden van Levi had aangenomen. Om tot het Levitische priesterschap te behoren, moest men een Leviet zijn die zijn bloedafstamming van Levi kon bewijzen. Melchizedek kon niet aantonen dat zijn afstamming uit de lijn van Levi voortkwam, want Levi was nog niet geboren.

The line of prophecy that represents God’s covenant with Adam and Eve is actually two covenants. The first was a covenant of life with a simple test. After the fall and the failed test, the next covenant included the blood of a lamb in order to provide clothing. Then there was God’s covenant with mankind, represented by the rainbow, Noah and altar worship. Then there was Genesis eleven where God’s covenant with a chosen people, who would be called Hebrews began. In each of those stories the biblical characters are covenant men or women.

De profetische lijn die Gods verbond met Adam en Eva voorstelt, omvat in werkelijkheid twee verbonden. Het eerste was een levensverbond met een eenvoudige beproeving. Na de val en de mislukte beproeving omvatte het volgende verbond het bloed van een lam om kleding te verschaffen. Vervolgens was er Gods verbond met de mensheid, voorgesteld door de regenboog, Noach en altaarverering. Daarna kwam Genesis elf, waar Gods verbond met een uitverkoren volk, dat Hebreeën genoemd zou worden, een aanvang nam. In elk van die geschiedenissen zijn de bijbelse personages verbondsmannen of -vrouwen.

In Genesis eleven, the beginning of the covenant of life with a chosen people is set forth, and it is set forth, right where Nimrod establishes the covenant of death, as represented by the bricks and mortar, that were the counterfeit of the unchiseled rocks and no mortar represented by the altar. Sister White informs us the altar represents Christ, thus Nimrod’s religion, which is a counterfeit religion, represents a counterfeit Christ.

In Genesis elf wordt het begin van het levensverbond met een uitverkoren volk uiteengezet, en het wordt uiteengezet juist daar waar Nimrod het doodsverbond opricht, voorgesteld door de bakstenen en het specie, die de vervalsing waren van de onbehouwen stenen en het ontbreken van specie, voorgesteld door het altaar. Zuster White deelt ons mee dat het altaar Christus voorstelt; aldus vertegenwoordigt Nimrods godsdienst, die een vervalste godsdienst is, een vervalste Christus.

And they said one to another, Go to, let us make brick, and burn them thoroughly. And they had brick for stone, and slime had they for mortar. Genesis 11:3.

En zij zeiden tot elkander: Welaan, laat ons tichelstenen maken en die goed bakken. En de tichelsteen diende hun tot steen, en het asfalt diende hun tot leem. Genesis 11:3.

And if thou wilt make me an altar of stone, thou shalt not build it of hewn stone: for if thou lift up thy tool upon it, thou hast polluted it. Exodus 20:25.

En indien gij Mij een altaar van steen zult maken, zo zult gij dat niet bouwen van gehouwen steen; want indien gij uw beitel daarop heft, hebt gij het ontheiligd. Exodus 20:25.

“We are in danger of mingling the sacred and the common. The holy fire from God is to be used in our efforts. The true altar is Christ; the true fire is the Holy Spirit. This is our inspiration. It is only as the Holy Spirit leads and guides a man that he is a safe counselor. If we turn aside from God and from His chosen ones to inquire at strange altars we shall be answered according to our works.” Selected Messages, book 3, 300.

“Wij verkeren in gevaar het heilige met het gewone te vermengen. Het heilige vuur van God moet in onze inspanningen worden gebruikt. Het ware altaar is Christus; het ware vuur is de Heilige Geest. Dit is onze inspiratie. Alleen wanneer de Heilige Geest een mens leidt en bestuurt, is hij een veilige raadsman. Indien wij ons afwenden van God en van Zijn uitverkorenen om raad te vragen bij vreemde altaren, zal ons geantwoord worden naar onze werken.” Selected Messages, boek 3, 300.

Among other truths, one of the lessons that is derived prophetically from Genesis eleven is that it represents the beginning of a prophetic line. The flood of Noah marks a prophetic separation. When Noah left the ark there was to be a new method of worship, and the method of worship always produces two classes of worshippers, as set forth in the history of Cain and Abel. Genesis eleven is a new world, with a beginning history that becomes the foundational story of the ending history, as God’s last day covenant people call the eleventh-hour workers out of Babylon during the Sunday law crisis. Nimrod is the man of sin during the Sunday law crisis, and Shem, who is Abraham is the man of God in that very same crisis. Genesis eleven’s scattering and confusion of languages, began soon after Noah left the ark. The theme of chapter eleven is the two covenants, and the story reaches its conclusion when the third step of the Abrahamic covenant is set forth in chapter twenty-two.

Naast andere waarheden is een van de lessen die profetisch uit Genesis elf wordt afgeleid, dat het het begin van een profetische lijn vertegenwoordigt. De zondvloed van Noach markeert een profetische scheiding. Toen Noach de ark verliet, moest er een nieuwe wijze van aanbidding zijn, en de wijze van aanbidding brengt altijd twee klassen van aanbidders voort, zoals uiteengezet in de geschiedenis van Kaïn en Abel. Genesis elf is een nieuwe wereld, met een aanvangsgeschiedenis die het fundamentele verhaal wordt van de eindgeschiedenis, wanneer Gods verbondsvolk van de laatste dagen tijdens de zondagswetcrisis de arbeiders van het elfde uur uit Babylon roept. Nimrod is de mens der zonde tijdens de zondagswetcrisis, en Sem, die Abraham is, is in diezelfde crisis de man Gods. De verstrooiing en verwarring van talen in Genesis elf begon kort nadat Noach de ark had verlaten. Het thema van hoofdstuk elf zijn de twee verbonden, en het verhaal bereikt zijn conclusie wanneer in hoofdstuk tweeëntwintig de derde stap van het Abrahamitische verbond wordt uiteengezet.

Chapter eleven is the alpha history of the line of Abraham that reaches omega history in chapter twenty-two. The beginning story of Nimrod’s Babel and the ending story of the offering of Isaac, both represent the final judgment upon mankind. The line begins at Nimrod’s tower, and extends to the offering of Isaac, and the line culminates in two opposite offerings. Nimrod’s offering receives God’s executive judgment, and Abraham’s judgment receives God’s blessing. Nimrod is the alpha of chapter eleven and Abraham is the omega of chapter twenty-two. The omega is always greater, by at least twenty-two times according to the Hebrew alphabet, and the power manifested in confusing the languages and scattering the nations abroad, was far exceeded by the power of the cross. Nimrod’s tower represents the Twin Towers of 9/11 and the offering of Isaac represents the Sunday law.

Hoofdstuk elf is de alfa-geschiedenis van de lijn van Abraham, die haar omega-geschiedenis bereikt in hoofdstuk tweeëntwintig. Het beginverhaal van Nimrods Babel en het eindverhaal van het offeren van Isaak vertegenwoordigen beide het laatste oordeel over de mensheid. De lijn begint bij de toren van Nimrod en strekt zich uit tot het offeren van Isaak, en de lijn culmineert in twee tegengestelde offers. Nimrods offer ontvangt Gods uitvoerend oordeel, en Abrahams oordeel ontvangt Gods zegen. Nimrod is de alfa van hoofdstuk elf en Abraham is de omega van hoofdstuk tweeëntwintig. De omega is altijd groter, met ten minste een factor van tweeëntwintig overeenkomstig het Hebreeuwse alfabet, en de kracht die geopenbaard werd in het verwarren van de talen en het verstrooien van de volken over de aarde, werd verre overtroffen door de kracht van het kruis. Nimrods toren vertegenwoordigt de Twin Towers van 9/11 en het offeren van Isaak vertegenwoordigt de zondagswet.

The line of the covenant with a chosen people begins with the symbol of the number eleven and it ends with the symbol of twenty-two. The line ends at the close of probation in the alpha history of Nimrod and also the omega history of Abraham. The very history of Nimrod and Abraham is set forth in the first book of the Bible, and it is set within the context of picking up the pieces from the very recent destruction of Noah’s flood. In the first book of the Bible the illustration of the two covenants, provides two witnesses that set forth the close of probation in the line of chapter eleven through to twenty-two.

De lijn van het verbond met een uitverkoren volk begint met het symbool van het getal elf en eindigt met het symbool van tweeëntwintig. De lijn eindigt bij het sluiten van de genadetijd in de alfa-geschiedenis van Nimrod en eveneens in de omega-geschiedenis van Abraham. Juist de geschiedenis van Nimrod en Abraham wordt uiteengezet in het eerste boek van de Bijbel, en zij is geplaatst binnen de context van het bijeenrapen van de brokstukken na de zeer recente verwoesting door de zondvloed van Noach. In het eerste boek van de Bijbel verschaft de illustratie van de twee verbonden twee getuigen die het sluiten van de genadetijd uiteenzetten in de lijn van hoofdstuk elf tot en met tweeëntwintig.

He that is unjust, let him be unjust still: and he which is filthy, let him be filthy still: and he that is righteous, let him be righteous still: and he that is holy, let him be holy still. Revelation 22:11.

Wie onrecht doet, laat hem nog meer onrecht doen; en wie verontreinigd is, laat hem nog verder verontreinigd worden; en wie rechtvaardig is, laat hem nog steeds rechtvaardig zijn; en wie heilig is, laat hem nog steeds geheiligd worden. Openbaring 22:11.

Nimrod is unjust and filthy still, and Abraham is righteous and holy still as identified in the alpha of Genesis 11–22, and also in the omega of Revelation 22:11. Just before probation closes, a pronouncement in verse 10 is made to seal not the sayings of the prophecy of this book. Just before probation closes in the very next verse, there is to be a prophecy in Revelation that is to be unsealed. Two verses after verse eleven, Christ supplies the key to unseal that prophecy.

Nimrod is nog steeds onrechtvaardig en bezoedeld, en Abraham is nog steeds rechtvaardig en heilig, zoals aangeduid in de alfa van Genesis 11–22, en ook in de omega van Openbaring 22:11. Vlak voordat de genadetijd sluit, wordt in vers 10 een uitspraak gedaan om de woorden van de profetie van dit boek niet te verzegelen. Vlak voordat de genadetijd sluit, moet er in het eerstvolgende vers een profetie in Openbaring zijn die ontzegeld moet worden. Twee verzen na vers elf verschaft Christus de sleutel om die profetie te ontzegelen.

And he saith unto me, Seal not the sayings of the prophecy of this book: for the time is at hand. He that is unjust, let him be unjust still: and he which is filthy, let him be filthy still: and he that is righteous, let him be righteous still: and he that is holy, let him be holy still. And, behold, I come quickly; and my reward is with me, to give every man according as his work shall be.

En hij zeide tot mij: Verzegel de woorden van de profetie van dit boek niet, want de tijd is nabij. Wie onrecht doet, laat hem nog meer onrecht doen; en wie vuil is, laat hem nog vuiler worden; en wie rechtvaardig is, laat hem nog meer gerechtvaardigd worden; en wie heilig is, laat hem nog meer geheiligd worden. En zie, Ik kom spoedig, en mijn loon is met Mij, om eenieder te vergelden naar zijn werk zal zijn.

I am Alpha and Omega, the beginning and the end, the first and the last. Revelation 22:10–13.

Ik ben de Alfa en de Omega, het begin en het einde, de eerste en de laatste. Openbaring 22:10–13.

Chapter twenty-two is the omega chapter of the entire Bible and the key to opening the prophecy in Revelation that is sealed up, is the principle that Christ identified above all others in chapter one of Revelation. Chapter one is the first letter of the Hebrew alphabet, and chapter twenty-two is the last. In verses nine through eleven of chapter one, John introduces himself, and identifies Christ as Alpha and Omega.

Hoofdstuk tweeëntwintig is het omegahoofdstuk van de gehele Bijbel, en de sleutel tot het ontsluiten van de verzegelde profetie in Openbaring is het beginsel dat Christus in hoofdstuk één van Openbaring boven alle andere heeft aangewezen. Hoofdstuk één is de eerste letter van het Hebreeuwse alfabet, en hoofdstuk tweeëntwintig is de laatste. In de verzen negen tot en met elf van hoofdstuk één stelt Johannes zichzelf voor en duidt hij Christus aan als de Alfa en de Omega.

I John, who also am your brother, and companion in tribulation, and in the kingdom and patience of Jesus Christ, was in the isle that is called Patmos, for the word of God, and for the testimony of Jesus Christ. I was in the Spirit on the Lord’s day, and heard behind me a great voice, as of a trumpet, Saying, I am Alpha and Omega, the first and the last: and, What thou seest, write in a book, and send it unto the seven churches which are in Asia; unto Ephesus, and unto Smyrna, and unto Pergamos, and unto Thyatira, and unto Sardis, and unto Philadelphia, and unto Laodicea. Revelation 1:9-11.

Ik, Johannes, die ook uw broeder ben en deelgenoot in de verdrukking, en in het Koninkrijk en de volharding van Jezus Christus, was op het eiland dat Patmos genoemd wordt, om het woord van God en om het getuigenis van Jezus Christus. Ik was in de Geest op de dag des Heeren, en ik hoorde achter mij een luide stem, als van een bazuin, die zei: Ik ben de Alfa en de Omega, de Eerste en de Laatste; en: Wat gij ziet, schrijf dat in een boek en zend het aan de zeven gemeenten die in Azië zijn; naar Efeze, en naar Smyrna, en naar Pergamus, en naar Thyatira, en naar Sardis, en naar Filadelfia, en naar Laodicea. Openbaring 1:9-11.

In verse eleven, John is in Patmos, but he turns around in verse twelve, and from there on, he is in the heavenly sanctuary. Thus, in verses 9/11, we find the testimony of John, which identifies Jesus as Alpha and Omega, something Jesus already identified of Himself in verse 8:

In vers elf bevindt Johannes zich op Patmos, maar in vers twaalf draait hij zich om, en vanaf dat moment bevindt hij zich in het hemelse heiligdom. Zo vinden wij in de verzen 9/11 het getuigenis van Johannes, dat Jezus aanduidt als Alpha en Omega, iets wat Jezus in vers 8 reeds van Zichzelf heeft verklaard:

I am Alpha and Omega, the beginning and the ending, saith the Lord, which is, and which was, and which is to come, the Almighty. Revelation 1:8.

Ik ben de Alfa en de Omega, het begin en het einde, zegt de Heere, Die is, en Die was, en Die komen zal, de Almachtige. Openbaring 1:8.

In verse eight, John is writing what he heard Christ speak of Himself. In verses nine through eleven, it is John speaking of himself. That represents two witnesses in the first eleven verses that identify Christ as Alpha and Omega. Verses nine through eleven represents its own unit of thought. Though connected with the entire chapter, in these verses John is speaking of himself, whereas; in verses four through eight, John is speaking for the godhead to His churches. Verse four begins a unit of thought, that ends in verse eight. This is recognized by the opening characteristics of Christ who was and is and is yet to come, being identified in verse four and then again in verse eight.

In vers acht schrijft Johannes op wat hij Christus over Zichzelf hoorde spreken. In de verzen negen tot en met elf spreekt Johannes over zichzelf. Dat vertegenwoordigt twee getuigen in de eerste elf verzen die Christus als Alfa en Omega identificeren. De verzen negen tot en met elf vormen een eigen gedachteseenheid. Hoewel zij met het gehele hoofdstuk verbonden zijn, spreekt Johannes in deze verzen over zichzelf, terwijl hij in de verzen vier tot en met acht namens de Godheid tot Zijn gemeenten spreekt. Vers vier begint een gedachteseenheid die in vers acht eindigt. Dit wordt erkend aan de openingskenmerken van Christus, Die was en is en nog komen zal, die in vers vier worden aangeduid en vervolgens opnieuw in vers acht.

John to the seven churches which are in Asia: Grace be unto you, and peace, from him which is, and which was, and which is to come; and from the seven Spirits which are before his throne; And from Jesus Christ, who is the faithful witness, and the first begotten of the dead, and the prince of the kings of the earth. Unto him that loved us, and washed us from our sins in his own blood, And hath made us kings and priests unto God and his Father; to him be glory and dominion for ever and ever. Amen. Behold, he cometh with clouds; and every eye shall see him, and they also which pierced him: and all kindreds of the earth shall wail because of him. Even so, Amen.

Johannes aan de zeven gemeenten die in Asia zijn: genade zij u en vrede, van Hem Die is, en Die was, en Die komen zal; en van de zeven Geesten Die voor Zijn troon zijn; en van Jezus Christus, Die de getrouwe Getuige is, de Eerstgeborene uit de doden, en de Overste van de koningen der aarde. Hem, Die ons heeft liefgehad en ons van onze zonden gewassen heeft in Zijn eigen bloed, en Die ons gemaakt heeft tot koningen en priesters voor God en Zijn Vader—toe zij de heerlijkheid en de heerschappij in alle eeuwigheid. Amen. Zie, Hij komt met de wolken, en elk oog zal Hem zien, ook zij die Hem doorstoken hebben; en alle geslachten der aarde zullen over Hem weeklagen. Ja, amen.

I am Alpha and Omega, the beginning and the ending, saith the Lord, which is, and which was, and which is to come, the Almighty. Revelation 1:4–8.

Ik ben de Alfa en de Omega, het begin en het einde, zegt de Heere, Die is, en Die was, en Die komen zal, de Almachtige. Openbaring 1:4–8.

The first three verses of chapter one present the revelation of Jesus Christ, which is unsealed just before probation closes, for verse three says, “the time is at hand.” “The time is at hand” is the identical statement of verse ten, of chapter twenty-two, that says “seal not the sayings of the prophecy of this book for the time is at hand.” The prophecy that is unsealed is the Revelation of Jesus Christ.

De eerste drie verzen van hoofdstuk één presenteren de openbaring van Jezus Christus, die wordt ontzegeld vlak voordat de genadetijd sluit, want vers drie zegt: „de tijd is nabij.” „De tijd is nabij” is dezelfde uitspraak als die van vers tien van hoofdstuk tweeëntwintig, die zegt: „verzegel de woorden van de profetie van dit boek niet, want de tijd is nabij.” De profetie die wordt ontzegeld, is de Openbaring van Jezus Christus.

Verse four begins the unsealing, and verse four begins with John’s testimony of, “I John,” and then in verse eight it is Christ who identifies Himself. A human witness in the first of the five verses and a divine witness at the end. Verse four identifies the Heavenly Father as the one who “is, and which was, and which is to come.” Verse eight identifies Christ as the one who “is, and which was, and which is to come.”

Vers vier begint de ontzegeling, en vers vier begint met het getuigenis van Johannes: „Ik, Johannes”, en vervolgens is het in vers acht Christus die Zichzelf identificeert. Een menselijke getuige in het eerste van de vijf verzen en een goddelijke Getuige aan het einde. Vers vier duidt de hemelse Vader aan als Degene die „is, en die was, en die komen zal.” Vers acht duidt Christus aan als Degene die „is, en die was, en die komen zal.”

The key to unsealing the Revelation of Jesus Christ is the principle of alpha and omega. As the first and last, Christ also exists in the present, though He was in the past and will be in the future. The fact that Jesus and the Father are both the God who was, and is, and is yet to come is another presentation of Christ as Alpha and Omega. He is Alpha and Omega, the First and the Last, the Beginning and Ending and He was in the beginning and will be in the ending. The “keys” of the kingdom, that are given to the church at Caesarea Philippi, is also the “key” placed upon Eliakim’s shoulder in Isaiah 22:22. The alpha of the book of Revelation is chapter one and the omega is chapter twenty-two, so we find all the Hebrew alphabet, in the chapters of Revelation. Chapter thirteen represents the rebellion of the United States and thereafter the world. Chapter one presents Christ as Alpha and Omega and chapter twenty-two identifies the same truth, but in connection with the unsealing mentioned in chapter one. Chapters one, thirteen and twenty-two represent the three Hebrew letters that together form the word “truth.”

De sleutel tot het ontzegelen van de Openbaring van Jezus Christus is het beginsel van alfa en omega. Als de Eerste en de Laatste bestaat Christus ook in het heden, hoewel Hij in het verleden was en in de toekomst zal zijn. Het feit dat Jezus en de Vader beiden de God zijn Die was, en is, en nog komen zal, is een andere voorstelling van Christus als Alfa en Omega. Hij is Alfa en Omega, de Eerste en de Laatste, het Begin en het Einde, en Hij was in het begin en zal in het einde zijn. De “sleutels” van het koninkrijk, die aan de gemeente te Caesarea Filippi worden gegeven, zijn ook de “sleutel” die op de schouder van Eljakim is gelegd in Jesaja 22:22. De alfa van het boek Openbaring is hoofdstuk één en de omega is hoofdstuk tweeëntwintig, zodat wij in de hoofdstukken van Openbaring het gehele Hebreeuwse alfabet aantreffen. Hoofdstuk dertien vertegenwoordigt de opstand van de Verenigde Staten en daarna die van de wereld. Hoofdstuk één stelt Christus voor als Alfa en Omega en hoofdstuk tweeëntwintig duidt dezelfde waarheid aan, maar in verband met het ontzegelen dat in hoofdstuk één wordt genoemd. Hoofdstukken één, dertien en tweeëntwintig vertegenwoordigen de drie Hebreeuwse letters die samen het woord “waarheid” vormen.

In chapter twenty-three of Matthew Jesus sets forth eight woes upon the Pharisees and Sadducees. In the final verse of chapter twenty-two the interaction of Christ with the quibbling Jews ended with the enigma of David, an enigma that can only be solve if you understand the principle of alpha and omega.

In hoofdstuk drieëntwintig van Mattheüs spreekt Jezus acht weeën uit over de Farizeeën en Sadduceeën. In het laatste vers van hoofdstuk tweeëntwintig eindigde de woordenwisseling van Christus met de vitzuchtige Joden met het raadsel van David, een raadsel dat slechts kan worden opgelost indien men het beginsel van alfa en omega verstaat.

While the Pharisees were gathered together, Jesus asked them, Saying, What think ye of Christ? whose son is he?

Toen de Farizeeën bijeenvergaderd waren, vroeg Jezus hun: Wat denkt gij van de Christus? Wiens Zoon is Hij?

They say unto him, The Son of David.

Zij zeggen tot Hem: De Zoon van David.

He saith unto them, How then doth David in spirit call him Lord, saying, The Lord said unto my Lord, Sit thou on my right hand, till I make thine enemies thy footstool? If David then call him Lord, how is he his son?

Hij zei tot hen: Hoe kan David Hem dan in de Geest Heer noemen, wanneer hij zegt: De Heer heeft tot mijn Heer gezegd: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden tot een voetbank voor Uw voeten zal maken? Indien David Hem dan Heer noemt, hoe is Hij dan zijn Zoon?

And no man was able to answer him a word, neither durst any man from that day forth ask him any more questions. Matthew 22:41–46.

En niemand kon Hem een woord antwoorden, en evenmin durfde iemand Hem vanaf die dag nog vragen te stellen. Mattheüs 22:41–46.

The conclusion of chapter twenty-two identifies a waymark of covenant history. Jeremiah addresses this line of truth as well:

De conclusie van hoofdstuk tweeëntwintig markeert een baken in de geschiedenis van het verbond. Jeremia spreekt deze lijn van waarheid eveneens aan:

The word that came to Jeremiah from the Lord, saying, Stand in the gate of the Lord’s house, and proclaim there this word, and say, Hear the word of the Lord, all ye of Judah, that enter in at these gates to worship the Lord. Thus saith the Lord of hosts, the God of Israel, Amend your ways and your doings, and I will cause you to dwell in this place. Trust ye not in lying words, saying, The temple of the Lord, The temple of the Lord, The temple of the Lord, are these.

Het woord dat van de HEERE tot Jeremia kwam, zeggende: Ga staan in de poort van het huis des HEEREN, en verkondig daar dit woord, en zeg: Hoort het woord des HEEREN, gij allen van Juda, die door deze poorten binnengaat om de HEERE te aanbidden. Zo zegt de HEERE der heerscharen, de God van Israël: Betert uw wegen en uw daden, en Ik zal u doen wonen in deze plaats. Vertrouwt niet op leugenachtige woorden, zeggende: Des HEEREN tempel, des HEEREN tempel, des HEEREN tempel zijn deze.

For if ye throughly amend your ways and your doings; if ye throughly execute judgment between a man and his neighbour; If ye oppress not the stranger, the fatherless, and the widow, and shed not innocent blood in this place, neither walk after other gods to your hurt: Then will I cause you to dwell in this place, in the land that I gave to your fathers, for ever and ever. Behold, ye trust in lying words, that cannot profit. Will ye steal, murder, and commit adultery, and swear falsely, and burn incense unto Baal, and walk after other gods whom ye know not; And come and stand before me in this house, which is called by my name, and say, We are delivered to do all these abominations?

Want indien gij uw wegen en uw handelingen grondig betert; indien gij rechtvaardig recht oefent tussen de ene man en zijn naaste; indien gij de vreemdeling, de wees en de weduwe niet verdrukt, en op deze plaats geen onschuldig bloed vergiet, en evenmin andere goden navolgt, tot uw eigen verderf: dan zal Ik u doen wonen op deze plaats, in het land dat Ik uw vaderen gegeven heb, van eeuwigheid tot eeuwigheid. Zie, gij vertrouwt op leugenachtige woorden, die geen nut kunnen doen. Zult gij stelen, moorden en echtbreken, vals zweren, voor Baäl reukwerk ontsteken, en andere goden navolgen die gij niet kent; en dan komen en voor Mijn aangezicht staan in dit huis, dat naar Mijn Naam genoemd is, en zeggen: Wij zijn verlost om al deze gruwelen te bedrijven?

Is this house, which is called by my name, become a den of robbers in your eyes? Behold, even I have seen it, saith the Lord. But go ye now unto my place which was in Shiloh, where I set my name at the first, and see what I did to it for the wickedness of my people Israel.

Is dan dit huis, dat naar mijn naam genoemd is, in uw ogen tot een rovershol geworden? Zie, ook Ík heb het gezien, spreekt de HEERE. Maar gaat nu naar mijn plaats die te Silo was, waar Ik in het eerst mijn naam heb doen wonen, en ziet wat Ik daaraan gedaan heb vanwege de boosheid van mijn volk Israël.

And now, because ye have done all these works, saith the Lord, and I spake unto you, rising up early and speaking, but ye heard not; and I called you, but ye answered not; Therefore will I do unto this house, which is called by my name, wherein ye trust, and unto the place which I gave to you and to your fathers, as I have done to Shiloh. And I will cast you out of my sight, as I have cast out all your brethren, even the whole seed of Ephraim. Therefore pray not thou for this people, neither lift up cry nor prayer for them, neither make intercession to me: for I will not hear thee. Jeremiah 7:1–16.

En nu, omdat gij al deze werken hebt gedaan, spreekt de HEERE, en Ik tot u gesproken heb, vroeg op zijnde en sprekende, maar gij niet gehoord hebt, en Ik u geroepen heb, maar gij niet geantwoord hebt; daarom zal Ik met dit huis, dat naar Mijn Naam genoemd is, waarop gij vertrouwt, en met de plaats die Ik aan u en uw vaderen gegeven heb, doen zoals Ik met Silo gedaan heb. En Ik zal u van voor Mijn aangezicht wegwerpen, zoals Ik al uw broeders heb weggeworpen, namelijk het gehele zaad van Efraïm. Bid dan niet voor dit volk, hef voor hen geen geroep noch gebed op, en doe geen voorbede bij Mij; want Ik zal naar u niet horen. Jeremia 7:1–16.

Jeremiah was told to not pray for ancient Israel, for they had reached a point of no return, as did the quibbling Jews at the end of chapter twenty-two. When Moses, (a covenant man) was confronted with God’s decision to destroy the chosen covenant people, Moses interceded with prayer. In chapter seven, Jeremiah is told not to pray for the very same covenant people. The prophetic history of Shiloh is identified as the line upon line evidence of God rejecting a chosen covenant people when their sin reaches an unredeemable point, as expressed in one verse.

Jeremia werd opgedragen niet voor het oude Israël te bidden, want zij hadden een punt bereikt van waar geen terugkeer meer mogelijk was, evenals de twistzieke Joden aan het einde van hoofdstuk tweeëntwintig. Toen Mozes, (een verbondsman) werd geconfronteerd met Gods besluit om het uitverkoren verbondsvolk te vernietigen, trad Mozes biddend tussenbeide. In hoofdstuk zeven wordt Jeremia opgedragen niet te bidden voor datzelfde verbondsvolk. De profetische geschiedenis van Silo wordt aangeduid als het opeenvolgende bewijs van Gods verwerping van een uitverkoren verbondsvolk wanneer hun zonde een onherstelbaar punt bereikt, zoals in één vers wordt uitgedrukt.

Ephraim is joined to idols: let him alone. Hosea 4:17.

Efraïm heeft zich aan de afgoden verbonden; laat hem met rust. Hosea 4:17.

In covenant history the point where God ends His covenant relationship is a specific waymark. The rejection of the report of Joshua and Caleb marking the tenth test is another example. Jeremiah is also told to not pray for this people a few chapters later.

In de verbondsgeschiedenis is het punt waarop God Zijn verbondsverhouding beëindigt een specifieke wegmarkering. De verwerping van het verslag van Jozua en Kaleb, waarmee de tiende beproeving werd gemarkeerd, is een ander voorbeeld. Enkele hoofdstukken later wordt Jeremia eveneens opgedragen niet voor dit volk te bidden.

Therefore pray not thou for this people, neither lift up a cry or prayer for them: for I will not hear them in the time that they cry unto me for their trouble. Jeremiah 11:14.

Bid daarom niet voor dit volk en hef voor hen geen geroep of gebed op; want Ik zal niet naar hen horen ten tijde dat zij tot Mij roepen vanwege hun benauwdheid. Jeremia 11:14.

In chapter seven, the spewing out of the Laodiceans at the Sunday law as represented by the symbolism of Shiloah and is identifying what He “will do,” in the near future.

In hoofdstuk zeven wordt het uitspuwen van de Laodiceeërs bij de zondagswet, zoals weergegeven door de symboliek van Siloah, voorgesteld en wordt aangeduid wat Hij in de nabije toekomst „zal doen”.

Therefore will I do unto this house, which is called by my name, wherein ye trust, and unto the place which I gave to you and to your fathers, as I have done to Shiloh. And I will cast you out of my sight, as I have cast out all your brethren, even the whole seed of Ephraim. Therefore pray not thou for this people, neither lift up cry nor prayer for them, neither make intercession to me: for I will not hear thee. Jeremiah 7:14–16.

Daarom zal Ik met dit huis, dat naar Mijn Naam genoemd is, waarop gij vertrouwt, en met de plaats die Ik aan u en aan uw vaderen gegeven heb, doen zoals Ik met Silo gedaan heb. En Ik zal u van voor Mijn aangezicht wegwerpen, zoals Ik al uw broederen heb weggeworpen, ja, het gehele zaad van Efraïm. Bid daarom niet voor dit volk, hef voor hen geen geroep noch gebed op, en doe geen voorbede bij Mij; want Ik zal u niet horen. Jeremia 7:14–16.

In chapter eleven, the command to not pray is about the fear that shall overtake the Laodiceans when they find themselves in the time of trouble that follows the Sunday law. The fear they experience is set within the history of their rejection of the covenant.

In hoofdstuk elf heeft het gebod om niet te bidden betrekking op de vrees die de Laodicenzen zal overvallen wanneer zij zich bevinden in de tijd van benauwdheid die volgt op de zondagswet. De vrees die zij ervaren, is geplaatst binnen de geschiedenis van hun verwerping van het verbond.

Hear ye the words of this covenant, and speak unto the men of Judah, and to the inhabitants of Jerusalem; And say thou unto them,

Hoort de woorden van dit verbond, en spreekt tot de mannen van Juda en tot de inwoners van Jeruzalem; en gij zult tot hen zeggen,

Thus saith the Lord God of Israel;

Zo zegt de Heere, de God van Israël;

Cursed be the man that obeyeth not the words of this covenant, Which I commanded your fathers in the day that I brought them forth out of the land of Egypt, from the iron furnace, saying, Obey my voice, and do them, according to all which I command you: so shall ye be my people, and I will be your God: That I may perform the oath which I have sworn unto your fathers, to give them a land flowing with milk and honey, as it is this day.

Vervloekt zij de man die niet gehoorzaamt aan de woorden van dit verbond, dat Ik uw vaderen geboden heb op de dag dat Ik hen uit het land Egypte heb geleid, uit de ijzeroven, zeggende: Gehoorzaamt Mijn stem en doet ze, overeenkomstig alles wat Ik u gebied; dan zult gij Mij tot een volk zijn, en Ik zal u tot een God zijn; opdat Ik de eed bevestige die Ik uw vaderen gezworen heb, hun een land te geven, vloeiende van melk en honing, zoals het is op deze dag.

Then answered I, and said, So be it, O Lord. Then the Lord said unto me,

Toen antwoordde ik en zei: Zo zij het, o Heer. Toen zei de Heer tot mij,

Proclaim all these words in the cities of Judah, and in the streets of Jerusalem, saying, Hear ye the words of this covenant, and do them. For I earnestly protested unto your fathers in the day that I brought them up out of the land of Egypt, even unto this day, rising early and protesting, saying, Obey my voice. Yet they obeyed not, nor inclined their ear, but walked everyone in the imagination of their evil heart: therefore I will bring upon them all the words of this covenant, which I commanded them to do; but they did them not.

Verkondig al deze woorden in de steden van Juda en op de straten van Jeruzalem, zeggende: Hoort de woorden van dit verbond en doet ze. Want Ik heb uw vaderen ernstig vermaand op de dag dat Ik hen uit het land Egypte heb opgevoerd, ja, tot op deze dag, vroeg op zijnde en vermanende, zeggende: Gehoorzaamt Mijn stem. Toch hebben zij niet gehoorzaamd, noch hun oor geneigd, maar zij wandelden ieder in de verbeelding van zijn boze hart; daarom zal Ik over hen brengen al de woorden van dit verbond, die Ik hun geboden heb te doen, maar zij hebben die niet gedaan.

And the Lord said unto me, A conspiracy is found among the men of Judah, and among the inhabitants of Jerusalem. They are turned back to the iniquities of their forefathers, which refused to hear my words; and they went after other gods to serve them: the house of Israel and the house of Judah have broken my covenant which I made with their fathers.

En de HEERE zeide tot mij: Er is een samenzwering gevonden onder de mannen van Juda en onder de inwoners van Jeruzalem. Zij zijn teruggekeerd tot de ongerechtigheden van hun voorvaderen, die geweigerd hebben naar Mijn woorden te luisteren; en zij zijn achter andere goden aangegaan om die te dienen: het huis van Israël en het huis van Juda hebben Mijn verbond verbroken dat Ik met hun vaderen gesloten heb.

Therefore thus saith the Lord, Behold, I will bring evil upon them, which they shall not be able to escape; and though they shall cry unto me, I will not hearken unto them. Then shall the cities of Judah and inhabitants of Jerusalem go, and cry unto the gods unto whom they offer incense: but they shall not save them at all in the time of their trouble. For according to the number of thy cities were thy gods, O Judah; and according to the number of the streets of Jerusalem have ye set up altars to that shameful thing, even altars to burn incense unto Baal.

Daarom, zo zegt de HEERE: Zie, Ik zal onheil over hen brengen, waaraan zij niet zullen kunnen ontkomen; en al roepen zij tot Mij, Ik zal naar hen niet horen. Dan zullen de steden van Juda en de inwoners van Jeruzalem heengaan en roepen tot de goden aan wie zij reukwerk ontsteken; maar die zullen hen geenszins verlossen ten tijde van hun benauwdheid. Want naar het getal van uw steden waren uw goden, o Juda; en naar het getal van de straten van Jeruzalem hebt gij altaren opgericht voor die schandelijke zaak, altaren om voor Baäl reukwerk te ontsteken.

Therefore pray not thou for this people, neither lift up a cry or prayer for them: for I will not hear them in the time that they cry unto me for their trouble. Jeremiah 11:1–14.

Bid daarom niet voor dit volk, en hef voor hen geen geroep of gebed op; want Ik zal naar hen niet horen ten tijde dat zij tot Mij roepen vanwege hun benauwdheid. Jeremia 11:1–14.

The resurrection of the candidates, to be among the one hundred and forty-four thousand, is identified in Revelation 11:11; and their final gathering is identified in Isaiah 11:11; and the external line of the dragon, the beast and the false prophet is identified in Daniel 11:11; The Sunday law judgment of the tares is identified in Ezekiel 11:11 and the punishment and fear that comes upon the foolish virgins is identified in Jeremiah 11:11.

De opstanding van de kandidaten om onder de honderdvierenveertigduizend te zijn, wordt aangeduid in Openbaring 11:11; en hun uiteindelijke vergadering wordt aangeduid in Jesaja 11:11; en de uiterlijke linie van de draak, het beest en de valse profeet wordt aangeduid in Daniël 11:11; het oordeel van de zondagwet over het onkruid wordt aangeduid in Ezechiël 11:11 en de straf en vrees die over de dwaze maagden komt, wordt aangeduid in Jeremia 11:11.

The command to not pray for this people is the waymark in the last verses of Matthew chapter twenty-two, and chapter twenty-three identifies eight woes upon Adventism. Chapter twenty-three is either October 22, 1844, or the Sunday law. Both of those waymarks are a fulfillment of the marriage, and the marriage is between a bride and a husband, who come together as one flesh. The consummation of the marriage represents atonement, or “at-one-ment.” Man was created in the image of God, and He created male and female. Their offspring are represented by twenty-three chromosomes from the man and twenty-three from the woman. Together their forty-six chromosomes make up the temple. Each individual is a temple, for know ye not that ye are the temple of the Lord?

Het gebod om niet voor dit volk te bidden is het wegmerk in de laatste verzen van Mattheüs hoofdstuk tweeëntwintig, en hoofdstuk drieëntwintig duidt acht weeën over het adventisme aan. Hoofdstuk drieëntwintig is óf 22 oktober 1844, óf de zondagswet. Beide wegmerken zijn een vervulling van het huwelijk, en het huwelijk is tussen een bruid en een echtgenoot, die samenkomen als één vlees. De voltrekking van het huwelijk stelt de verzoening voor, of “at-one-ment”. De mens werd geschapen naar het beeld van God, en Hij schiep mannelijk en vrouwelijk. Hun nageslacht wordt voorgesteld door drieëntwintig chromosomen van de man en drieëntwintig van de vrouw. Samen vormen hun zesenveertig chromosomen de tempel. Ieder individu is een tempel, want weet gij niet dat gij de tempel des Heeren zijt?

The consummation of the marriage, when the two become one is the combination of two temples of twenty-three, to form one temple of forty-six. Christ is the one who builds the temple, and He builds His church as the female temple that is to join with His male temple. The connection is when the human temple is joined with the Divine in the Most Holy Place of God’s temple. “Twenty-three” is a symbol of the sealing of the one hundred and forty-four thousand, and that work began at the end of the twenty-three hundred year prophecy. Matthew twenty-three is the pronouncement against Laodicean Seventh-day Adventists, who are a counterfeit of the one hundred and forty-four thousand.

De voltrekking van het huwelijk, wanneer die twee één worden, is de samenvoeging van twee tempels van drieëntwintig, om één tempel van zesenveertig te vormen. Christus is Degene die de tempel bouwt, en Hij bouwt Zijn gemeente als de vrouwelijke tempel die zich met Zijn mannelijke tempel moet verenigen. De verbinding vindt plaats wanneer de menselijke tempel met het Goddelijke wordt verenigd in het Allerheiligste van Gods tempel. „Drieëntwintig” is een symbool van de verzegeling van de honderd vierenveertig duizend, en dat werk begon aan het einde van de profetie van tweeduizend driehonderd jaar. Mattheüs drieëntwintig is de aankondiging van het oordeel tegen Laodiceaanse Zevende-dags Adventisten, die een vervalsing zijn van de honderd vierenveertig duizend.

The one hundred and forty-four thousand are the eighth that is of the seven, and they are those who are resurrected on the eighth day, and the are the eight souls on Noah’s ark, they are the eight descendants of Seth and the seal upon their foreheads was typified by circumcision, that was carried out on the eighth day. They are the priests that are anointed for service on the eighth day, and the pronouncement of eight woes upon Adventism in chapter twenty-three, is a pronouncement against the counterfeit eight.

De honderd vierenveertigduizend zijn de achtste die uit de zeven is, en zij zijn degenen die op de achtste dag worden opgewekt, en zij zijn de acht zielen in de ark van Noach; zij zijn de acht afstammelingen van Seth, en het zegel op hun voorhoofden werd voorafgebeeld door de besnijdenis, die op de achtste dag werd voltrokken. Zij zijn de priesters die op de achtste dag voor de dienst worden gezalfd, en de uitspraak van acht weeën over het adventisme in hoofdstuk drieëntwintig is een uitspraak tegen de valse acht.

The pronouncement of woe upon the foolish virgins is proceeded by the sealing of God’s people in the final verse of chapter twenty-two. Chapter twenty-two aligns with chapter twenty-two in Genesis, for the first book of the Old Testament typifies the first book of the New Testament. In the heart of the prophetic line of Matthew eleven through chapter twenty-two representing twelve chapters, and the sixth of those twelve chapters is chapter sixteen, where Simon Barjona’s name was changed to Peter.

De wee-uitspraak over de dwaze maagden wordt voorafgegaan door de verzegeling van Gods volk in het laatste vers van hoofdstuk tweeëntwintig. Hoofdstuk tweeëntwintig correspondeert met hoofdstuk tweeëntwintig in Genesis, want het eerste boek van het Oude Testament is een type van het eerste boek van het Nieuwe Testament. In het midden van de profetische lijn van Mattheüs elf tot en met hoofdstuk tweeëntwintig, die twaalf hoofdstukken omvat, bevindt zich als zesde van die twaalf hoofdstukken hoofdstuk zestien, waar de naam van Simon Barjona werd veranderd in Petrus.

And I say also unto thee, That thou art Peter, and upon this rock I will build my church; and the gates of hell shall not prevail against it. Matthew 16:18.

En Ik zeg u ook: gij zijt Petrus, en op deze rots zal Ik Mijn gemeente bouwen; en de poorten van de hel zullen haar niet overweldigen. Mattheüs 16:18.

There are 459 verses in Matthew eleven through twenty-two. The middle verse is verse seventeen, of chapter sixteen, but that verse cannot be separated from verses eighteen and nineteen, for they are one statement.

Er zijn 459 verzen in Mattheüs elf tot en met tweeëntwintig. Het middelste vers is vers zeventien van hoofdstuk zestien, maar dat vers kan niet van de verzen achttien en negentien worden gescheiden, want zij vormen één uitspraak.

And Jesus answered and said unto him, Blessed art thou, Simon Barjona: for flesh and blood hath not revealed it unto thee, but my Father which is in heaven. And I say also unto thee, That thou art Peter, and upon this rock I will build my church; and the gates of hell shall not prevail against it. And I will give unto thee the keys of the kingdom of heaven: and whatsoever thou shalt bind on earth shall be bound in heaven: and whatsoever thou shalt loose on earth shall be loosed in heaven. Matthew 16:17–19.

En Jezus antwoordde en zeide tot hem: Zalig zijt gij, Simon Barjona; want vlees en bloed hebben u dit niet geopenbaard, maar Mijn Vader, Die in de hemelen is. En ook Ik zeg u, dat gij Petrus zijt, en op deze rots zal Ik Mijn gemeente bouwen; en de poorten der hel zullen haar niet overweldigen. En Ik zal u de sleutels van het Koninkrijk der hemelen geven; en al wat gij op de aarde binden zult, zal in de hemelen gebonden zijn; en al wat gij op de aarde ontbinden zult, zal in de hemelen ontbonden zijn. Matteüs 16:17–19.

The very center of chapters eleven unto twenty-two is the foundational covenant statement for Christianity. In that statement, Simon’s name is changed to Peter, which; when you apply the numerical position that each letter of the English language holds; such as “a” is one, and “z” is twenty-six—you find “p” is 16, “e” is 5, and “t” is 20, and another “e” is 5 and “r” is 18. When you multiply 16 X 5 X 20 X 5 X 18 it equals 144,000, and the reference to Peter’s name change, a symbol of covenant relationship, is found in chapter 16 verse 18, and the first letter of Peter is the number 16 and the last letter is the number 18. All of this is in the center of twelve chapters that begin with the symbol of eleven and end with the symbol of twenty-two.

Het ware middelpunt van hoofdstukken elf tot en met tweeëntwintig is de fundamentele verbondsverklaring voor het christendom. In die verklaring wordt Simons naam veranderd in Petrus, hetgeen; wanneer men de numerieke positie toepast die elke letter van de Engelse taal heeft; zoals “a” één is en “z” zesentwintig—doet blijken dat “p” 16 is, “e” 5, en “t” 20, en nog een “e” 5 en “r” 18. Wanneer men 16 X 5 X 20 X 5 X 18 vermenigvuldigt, is de uitkomst 144.000, en de verwijzing naar de naamsverandering van Petrus, een symbool van verbondsrelatie, wordt gevonden in hoofdstuk 16 vers 18, en de eerste letter van Petrus is het getal 16 en de laatste letter is het getal 18. Dit alles bevindt zich in het midden van twaalf hoofdstukken die beginnen met het symbool van elf en eindigen met het symbool van tweeëntwintig.

That line is also found in Genesis chapters eleven through twenty-two, and in that line, there are 305 verses, which identifies chapter seventeen and verse eleven as the center of that line. That line of twelve chapters of the first book of the Old Testament identifies the covenant with Abraham, and represents the alpha line that meets the omega line, in the same chapters of the first book of the New Testament. The center of the line of the omega in Matthew is the high point of the covenant relationship of the one hundred and forty-four thousand, who are the covenant sign that is lifted up at the Sunday law. The center verse of Genesis’s line identifies not only the center verse, but also the second or middle step of the threefold covenant with Abraham, and just as significantly the sign of the covenant.

Die lijn is ook te vinden in Genesis, hoofdstukken elf tot en met tweeëntwintig, en in die lijn bevinden zich 305 verzen, hetgeen hoofdstuk zeventien en vers elf als het middelpunt van die lijn aanduidt. Die lijn van twaalf hoofdstukken van het eerste boek van het Oude Testament duidt het verbond met Abraham aan en vertegenwoordigt de alfalijn die de omegalijn ontmoet, in dezelfde hoofdstukken van het eerste boek van het Nieuwe Testament. Het middelpunt van de lijn van de omega in Mattheüs is het hoogtepunt van de verbondsverhouding van de honderdvierenvijftigduizend, die het verbondsteken zijn dat wordt opgeheven bij de zondagswet. Het centrale vers van de lijn in Genesis duidt niet alleen het middelste vers aan, maar ook de tweede, of middelste, stap van het drievoudige verbond met Abraham, en evenzeer betekenisvol het teken van het verbond.

And ye shall circumcise the flesh of your foreskin; and it shall be a token of the covenant betwixt me and you. Genesis 17:11.

En gij zult het vlees van uw voorhuid besnijden; en het zal een teken zijn van het verbond tussen Mij en u. Genesis 17:11.

We will continue these things in the next article.

Wij zullen deze dingen in het volgende artikel voortzetten.

“Then, while he brushed the dirt and rubbish, false jewels and counterfeit coin, all rose and went out of the window like a cloud, and the wind carried them away. In the bustle I closed my eyes for a moment; when I opened them, the rubbish was all gone. The precious jewels, the diamonds, the gold and silver coins, lay scattered in profusion all over the room.

“Toen, terwijl hij het vuil en afval, valse juwelen en namaakmunten wegveegde, steeg dit alles op en dreef als een wolk door het venster naar buiten, en de wind voerde het weg. In de drukte sloot ik een ogenblik mijn ogen; toen ik ze opende, was al het afval verdwenen. De kostbare juwelen, de diamanten, de gouden en zilveren munten lagen in overvloed door de hele kamer verspreid.

“He then placed on the table a casket, much larger and more beautiful than the former, and gathered up the jewels, the diamonds, the coins, by the handful, and cast them into the casket, till not one was left, although some of the diamonds were not bigger than the point of a pin.

“Vervolgens plaatste hij op de tafel een kistje, veel groter en veel mooier dan het vorige, en hij verzamelde de juwelen, de diamanten, de munten, handvol na handvol, en wierp ze in het kistje, totdat er niet één was overgebleven, hoewel sommige van de diamanten niet groter waren dan de punt van een speld.

“He then called upon me to ‘come and see.’

“Hij riep mij toen op om te ‘komen en te zien.’”

“I looked into the casket, but my eyes were dazzled with the sight. They shone with ten times their former glory. I thought they had been scoured in the sand by the feet of those wicked persons who had scattered and trod them in the dust. They were arranged in beautiful order in the casket, every one in its place, without any visible pains of the man who cast them in. I shouted with very joy, and that shout awoke me.” Early Writings, 83.

„Ik keek in de kist, maar mijn ogen werden verblind door wat ik zag. Zij schitterden met tienmaal hun vroegere heerlijkheid. Ik dacht dat zij in het zand waren geschuurd door de voeten van die goddeloze personen die ze hadden verstrooid en in het stof hadden vertrapt. Zij lagen in de kist in een prachtige orde gerangschikt, ieder op zijn plaats, zonder enig zichtbaar spoor van de inspanningen van de man die ze erin had geworpen. Ik juichte van pure vreugde, en die juichkreet deed mij ontwaken.” Early Writings, 83.

“You are getting the coming of the Lord too far off. I saw the latter rain was coming as [suddenly as] the midnight cry, and with ten times the power.” Spalding and Magan, 5.

„U schuift de komst van de Heere te ver vooruit. Ik zag dat de late regen kwam [even plotseling als] de middernachtsroep, en met tienvoudige kracht.” Spalding and Magan, 5.

And in all matters of wisdom and understanding, that the king inquired of them, he found them ten times better than all the magicians and astrologers that were in all his realm. Daniel 1:20.

En in alle zaken van wijsheid en inzicht waarover de koning hen ondervroeg, bevond hij hen tienmaal beter dan al de magiërs en sterrenwichelaars die in zijn gehele koninkrijk waren. Daniël 1:20.