For quite some time, in fact from immediately after 9/11, we have consistently taught that the judgment of the living began at 9/11. We understood this fact from a multitude of biblical witnesses, which upheld it from completely different directions. Since July 2023, we have understood even more details of the judgment of the living, which began at 9/11, compared to the details discovered shortly after 9/11. Why did the judgment of the living begin at 9/11? What is the biblical judgment of the living?
Reeds geruime tijd, ja zelfs vanaf onmiddellijk na 11 september 2001, hebben wij consequent geleerd dat het oordeel over de levenden op 11 september 2001 begon. Wij begrepen dit feit op grond van een veelheid aan bijbelse getuigenissen, die het vanuit geheel verschillende richtingen bevestigden. Sinds juli 2023 hebben wij nog meer bijzonderheden begrepen van het oordeel over de levenden, dat op 11 september 2001 begon, vergeleken met de bijzonderheden die kort na 11 september 2001 werden ontdekt. Waarom begon het oordeel over de levenden op 11 september 2001? Wat is het bijbelse oordeel over de levenden?
In the first chapter in the book of Revelation, the main characteristic identified of Christ is that He is Alpha and Omega, the Beginning and Ending, the First and the Last. He provides an example of that very attribute of His character when He commanded John to write the things that were, and in so doing John would also be writing things to come. Jesus always illustrates the end with the beginning. It is who He is.
In het eerste hoofdstuk van het boek Openbaring is het voornaamste kenmerk dat van Christus wordt genoemd, dat Hij de Alfa en de Omega is, het Begin en het Einde, de Eerste en de Laatste. Hij geeft een voorbeeld van juist dat kenmerk van Zijn karakter toen Hij Johannes gebood de dingen die waren op te schrijven, en door dat te doen zou Johannes ook de dingen die komen zouden opschrijven. Jezus beeldt altijd het einde uit met het begin. Dat is wie Hij is.
The Bible identifies Jesus as the Word. The first book in the Bible, Genesis, means ‘beginning.’ The last book of the Bible is the book of Revelation and the truths first presented in the book of Genesis are addressed in the book of Revelation. Genesis is the Alpha and Revelation is the Omega, and together they are the Word, and the Word is Jesus, who is the Alpha and Omega. God’s signature, or His name is written within every passage of biblical prophecy. That signature confirms that the light in the passage is truth.
De Bijbel duidt Jezus aan als het Woord. Het eerste boek van de Bijbel, Genesis, betekent ‘begin’. Het laatste boek van de Bijbel is het boek Openbaring, en de waarheden die voor het eerst in het boek Genesis worden voorgesteld, komen in het boek Openbaring aan de orde. Genesis is de Alfa en Openbaring is de Omega, en samen vormen zij het Woord, en het Woord is Jezus, Die de Alfa en de Omega is. Gods handtekening, ofwel Zijn naam, staat geschreven in elke passage van de Bijbelse profetie. Die handtekening bevestigt dat het licht in de passage waarheid is.
If an interpretation of a passage of prophecy does not bear the signature of God, which is His name, which is His character; therefore, the interpretation is incorrect. There are other tests which should be brought to bear when interpreting God’s prophetic Word, but whichever test a person might apply, the test should be defined within God’s Word. If there are no manmade tests, there are less manmade interpretations. So, why? And what? Is the biblical judgment of the living that began on 9/11?
Indien een uitleg van een profetische passage niet de handtekening van God draagt, namelijk Zijn naam, namelijk Zijn karakter, dan is die uitleg onjuist. Er zijn andere toetsen die moeten worden aangelegd bij de uitleg van Gods profetische Woord, maar welke toets iemand ook moge toepassen, die toets dient binnen Gods Woord te worden gedefinieerd. Als er geen door mensen bedachte toetsen zijn, zijn er minder door mensen bedachte uitleggingen. Dus, waarom? En wat? Is het bijbelse oordeel over de levenden op 9/11 begonnen?
When Christ introduces Himself in the book of Revelation, He identifies Himself as the beginning and ending, and uses the prophet John to illustrate what that attribute of His character represents. He identifies the message of the entire book as a revelation of Himself. He commands John to write what was then existing in John’s world, and in so doing John would be recording what shall be at the end of the world. John was one of the twelve leaders at the beginning of the Christian church, and John therefore is illustrating the ending of the Christian church, represented by the one hundred and forty-four thousand and the great multitude in Revelation chapter seven.
Wanneer Christus Zich in het boek Openbaring bekendmaakt, duidt Hij Zichzelf aan als het begin en het einde, en gebruikt Hij de profeet Johannes om te illustreren wat die eigenschap van Zijn karakter vertegenwoordigt. Hij duidt de boodschap van het gehele boek aan als een openbaring van Hemzelf. Hij gebiedt Johannes op te schrijven wat toen in Johannes’ wereld bestond, en door dat te doen zou Johannes vastleggen wat aan het einde van de wereld zal zijn. Johannes was een van de twaalf leiders aan het begin van de christelijke kerk, en Johannes beeldt daarom het einde van de christelijke kerk uit, voorgesteld door de honderdvierendertigduizend en de grote schare in Openbaring hoofdstuk zeven.
The biblical logic is this: Jesus is the Word, by which all things were created, the Word that has always existed with His Father and He is also the Bible, for He is the Word of God. The first attribute of Christ’s character that is introduced in the last message of God’s Word is that He illustrates the end of a thing, with the beginning of that very same thing. If this truth about God’s character is not applied to a person’s study of the Bible, they cannot truly know what the judgment of the living is, and why it began at 9/11, and more importantly, why it is almost over.
De bijbelse logica is deze: Jezus is het Woord, door Wie alle dingen geschapen zijn, het Woord dat altijd met Zijn Vader heeft bestaan, en Hij is ook de Bijbel, want Hij is het Woord van God. Het eerste kenmerk van Christus’ karakter dat in de laatste boodschap van Gods Woord wordt geïntroduceerd, is dat Hij het einde van een zaak illustreert aan de hand van het begin van diezelfde zaak. Indien deze waarheid omtrent Gods karakter niet wordt toegepast op iemands bestudering van de Bijbel, kan men niet werkelijk weten wat het oordeel over de levenden is, en waarom het op 11 september begon, en nog belangrijker, waarom het bijna ten einde is.
As an example of the principle of Alpha and Omega, ancient Israel typifies modern Israel, which is a prophetic truth that can also be identified as literal Israel typifies spiritual Israel. No matter how it might be expressed both ancient literal Israel and modern spiritual Israel have a beginning history and an ending history. Three of the four histories are in the past, and we are now in the fourth and final history.
Als voorbeeld van het beginsel van Alfa en Omega is het oude Israël een type van het moderne Israël, hetgeen een profetische waarheid is die ook aldus kan worden aangeduid: het letterlijke Israël is een type van het geestelijke Israël. Hoe men het ook onder woorden brengt, zowel het oude, letterlijke Israël als het moderne, geestelijke Israël hebben een begingeschiedenis en een eindgeschiedenis. Drie van de vier geschiedenissen liggen in het verleden, en wij bevinden ons thans in de vierde en laatste geschiedenis.
The three past histories represent three witnesses of the last generation of earth’s history. Those three past histories identify the generation that is represented as the one hundred and forty-four thousand in the book of Revelation. There are other prophetic lines of history that also address the one hundred and forty-four thousand, but the number of the one hundred and forty-four thousand contains the prophetic symbolism that the one hundred and forty-four thousand are those who are prophetically represented by multiplying the twelve tribes of ancient literal Israel, with the twelve disciples of modern spiritual Israel.
De drie voorbije geschiedenissen vertegenwoordigen drie getuigen van de laatste generatie van de geschiedenis der aarde. Die drie voorbije geschiedenissen identificeren de generatie die in het boek Openbaring wordt voorgesteld als de honderdvierenveertigduizend. Er zijn ook andere profetische geschiedenislijnen die eveneens de honderdvierenveertigduizend behandelen, maar het getal van de honderdvierenveertigduizend bevat de profetische symboliek dat de honderdvierenveertigduizend degenen zijn die profetisch worden voorgesteld door de twaalf stammen van het oude letterlijke Israël te vermenigvuldigen met de twaalf discipelen van het moderne geestelijke Israël.
As another example of Alpha and Omega, the three angels of Revelation chapter fourteen represent a beginning and ending history. The Millerite movement represents the beginning history of the three angels, and the movement of the one hundred and forty-four thousand represents the history at the ending of the message of the third angel. The alpha movement announced the opening of the investigative judgment on October 22, 1844. The omega movement announced the opening of the judgment of the living, identifying its commencement as 9/11.
Als een ander voorbeeld van Alfa en Omega vertegenwoordigen de drie engelen van Openbaring hoofdstuk veertien een geschiedenis van begin en einde. De Milleritische beweging vertegenwoordigt de begingeschiedenis van de drie engelen, en de beweging van de honderdvierenveertigduizend vertegenwoordigt de geschiedenis aan het einde van de boodschap van de derde engel. De alfa-beweging kondigde de opening van het onderzoekend oordeel aan op 22 oktober 1844. De omega-beweging kondigde de opening van het oordeel over de levenden aan en identificeerde het begin daarvan als 11 september.
A third example of Alpha and Omega, that is easily upheld by inspiration is that in the beginning is the alpha movement of the Millerites, the parable of the ten virgins was fulfilled to the very letter. Sister White identifies the history of the Millerites in the book, The Great Controversy in the context of that parable being fulfilled at that time. She teaches that the omega movement of the one hundred and forty-four thousand will also fulfill the parable of the ten virgins to the very letter. Three brief witnesses of Christ identifying the end with the beginning.
Een derde voorbeeld van Alfa en Omega, dat door de inspiratie gemakkelijk kan worden gehandhaafd, is dat in het begin, in de alfa-beweging van de Millerieten, de gelijkenis van de tien maagden tot op de letter werd vervuld. Zuster White duidt in het boek, The Great Controversy, de geschiedenis van de Millerieten aan in de context van de vervulling van die gelijkenis in die tijd. Zij leert dat ook de omega-beweging van de honderdvierenvierenveertigduizend de gelijkenis van de tien maagden tot op de letter zal vervullen. Drie korte getuigenissen van Christus die het einde met het begin vereenzelvigt.
At the beginning of ancient Israel, the Lord entered into covenant with the Hebrews as represented by the blood upon the doorposts, which is of course the very first mention of the Midnight Cry in God’s Word. Baptism is a symbol of a covenant relationship with Christ, and Paul teaches us that the Hebrews that left Egypt were all baptized ‘in the “cloud” and in the Red “Sea”.’ Once they were beyond the sea they were given manna, which among other things is a symbol of the seventh-day Sabbath in the context of it being a test.
Aan het begin van het oude Israël trad de Heere in een verbond met de Hebreeën, zoals vertegenwoordigd door het bloed op de deurposten, hetgeen natuurlijk de allereerste vermelding is van de Middernachtsroep in Gods Woord. De doop is een symbool van een verbondsverhouding met Christus, en Paulus leert ons dat de Hebreeën die Egypte verlieten allen gedoopt werden ‘in de “wolk” en in de Rode “Zee”.’ Zodra zij aan de overzijde van de zee waren, werd hun manna gegeven, dat onder andere een symbool is van de sabbat van de zevende dag in de context dat deze een beproeving is.
The “manna” represents their first test and when they failed their tenth and final test when they rejected the message of Joshua and Caleb, the Lord then rejected them as His covenant people and entered into covenant with Joshua and Caleb. When they eventually entered into the Promised Land, the rite of circumcision was not accomplished upon those men born during the forty years, for the rite was ended at the rebellion of Kadesh, and reinstituted at Kadesh just before the entrance. This is a signature of Alpha and Omega.
Het „manna” vertegenwoordigt hun eerste beproeving, en toen zij hun tiende en laatste beproeving niet doorstonden doordat zij de boodschap van Jozua en Kaleb verwierpen, verwierp de Heer hen vervolgens als Zijn verbondsvolk en trad Hij in een verbond met Jozua en Kaleb. Toen zij uiteindelijk het Beloofde Land binnengingen, werd het ritueel van de besnijdenis niet voltrokken aan die mannen die gedurende de veertig jaren geboren waren, want het ritueel was beëindigd bij de opstand te Kades en werd te Kades, vlak vóór de intocht, opnieuw ingesteld. Dit is een kenmerk van Alfa en Omega.
The forty years wandering in the wilderness began with the rebellion against the message of Joshua and Caleb, and it ended with the rebellion of Moses striking the Rock, and thus misrepresenting God’s character and work. The beginning of ancient Israel illustrates the end of ancient Israel.
De veertigjarige omzwerving in de woestijn begon met de opstand tegen de boodschap van Jozua en Kaleb, en zij eindigde met de opstand waarbij Mozes op de Rots sloeg en daardoor Gods karakter en werk verkeerd voorstelde. Het begin van het oude Israël illustreert het einde van het oude Israël.
At the end of ancient Israel, Jesus as the “Messenger of the Covenant” in Malachi chapter three, came to confirm the “covenant” with many for one week, in fulfillment of Daniel chapter nine. As the Messenger of the Covenant, Christ entered into covenant with the Christian church in the very history where He passed by the former covenant people. In the beginning of ancient Israel as God’s covenant people the Lord passed by a former covenant people and entered into covenant with a new chosen people. He did the very same thing at the end of ancient Israel.
Aan het einde van het oude Israël kwam Jezus, als de „Bode van het Verbond” in Maleachi hoofdstuk drie, om het „verbond” met velen te bevestigen gedurende één week, ter vervulling van Daniël hoofdstuk negen. Als de Bode van het Verbond trad Christus in verbond met de christelijke kerk in juist die geschiedenis waarin Hij aan het vroegere verbondsvolk voorbijging. Aan het begin van het oude Israël als Gods verbondsvolk ging de Heere aan een vroeger verbondsvolk voorbij en trad Hij in verbond met een nieuw uitverkoren volk. Precies hetzelfde deed Hij aan het einde van het oude Israël.
A symbol of a covenant is the marriage, and from the birth of Christ unto the destruction of Jerusalem in 70AD, prophecy sets forth a progressive divorce of God from ancient literal Israel. So, when was the divorce actually in force, at His birth, His death, the stoning of Stephen or the destruction of Jerusalem?
Een symbool van een verbond is het huwelijk, en vanaf de geboorte van Christus tot aan de verwoesting van Jeruzalem in 70 n.Chr. stelt de profetie een voortschrijdende echtscheiding van God van het oude letterlijke Israël voor. Wanneer trad de echtscheiding dan daadwerkelijk in werking: bij Zijn geboorte, Zijn dood, de steniging van Stefanus of de verwoesting van Jeruzalem?
“Meanwhile worshipers from every nation sought the temple which had been dedicated to the worship of God. Glittering with gold and precious stones, it was a vision of beauty and grandeur. But Jehovah was no longer to be found in that palace of loveliness. Israel as a nation had divorced herself from God. When Christ, near the close of His earthly ministry, looked for the last time upon the interior of the temple, He said, ‘Behold, your house is left unto you desolate.’ Matthew 23:38. Hitherto He had called the temple His Father’s house; but as the Son of God passed out from those walls, God’s presence was withdrawn forever from the temple built to His glory.” Acts of the Apostles, 145.
“Intussen zochten aanbidders uit alle volken de tempel op die was gewijd aan de aanbidding van God. Schitterend van goud en kostbare stenen was zij een schouwspel van schoonheid en majesteit. Maar Jehovah was in dat paleis van lieflijkheid niet langer te vinden. Israël had zich als natie van God losgemaakt. Toen Christus, tegen het einde van Zijn aardse bediening, voor de laatste maal het inwendige van de tempel aanschouwde, zei Hij: ‘Zie, uw huis wordt aan u woest overgelaten.’ Mattheüs 23:38. Tot dan toe had Hij de tempel het huis van Zijn Vader genoemd; maar toen de Zoon van God van binnen die muren naar buiten ging, werd Gods tegenwoordigheid voorgoed onttrokken aan de tempel die tot Zijn heerlijkheid was gebouwd.” Handelingen van de Apostelen, 145.
The day after the Triumphal Entry Christ proclaimed that the Jew’s house was desolate, and the divorce was finalized. So, the divorce was finalized when the sun went down on the day of the Triumphal Entry.
De dag na de Triomfantelijke Intocht verkondigde Christus dat het huis van de Jood woest gelaten was, en de echtscheiding was voltrokken. Zo werd de echtscheiding voltrokken toen de zon onderging op de dag van de Triomfantelijke Intocht.
“Jerusalem had been the child of His care, and as a tender father mourns over a wayward son, so Jesus wept over the beloved city. How can I give thee up? How can I see thee devoted to destruction? Must I let thee go to fill up the cup of thine iniquity? One soul is of such value that, in comparison with it, worlds sink into insignificance; but here was a whole nation to be lost. When the fast westering sun should pass from sight in the heavens, Jerusalem’s day of grace would be ended. While the procession was halting on the brow of Olivet, it was not yet too late for Jerusalem to repent. The angel of mercy was then folding her wings to step down from the golden throne to give place to justice and swift-coming judgment. But Christ’s great heart of love still pleaded for Jerusalem, that had scorned His mercies, despised His warnings, and was about to imbrue her hands in His blood. If Jerusalem would but repent, it was not yet too late. While the last rays of the setting sun were lingering on temple, tower, and pinnacle, would not some good angel lead her to the Saviour’s love, and avert her doom? Beautiful and unholy city, that had stoned the prophets, that had rejected the Son of God, that was locking herself by her impenitence in fetters of bondage,—her day of mercy was almost spent!
‘Jeruzalem was het kind van Zijn zorg geweest, en zoals een tedere vader treurt over een afgedwaalde zoon, zo weende Jezus over de geliefde stad. Hoe zou Ik u kunnen prijsgeven? Hoe zou Ik kunnen toezien dat gij aan de ondergang wordt overgegeven? Moet Ik u laten gaan om de beker van uw ongerechtigheid vol te maken? Eén ziel is van zulk een waarde dat, vergeleken daarbij, werelden in het niet verzinken; maar hier stond een heel volk op het punt verloren te gaan. Wanneer de snel dalende zon in het westen aan de hemel uit het gezicht zou verdwijnen, zou voor Jeruzalem haar genadetijd ten einde zijn. Terwijl de stoet stilhield op de helling van de Olijfberg, was het voor Jeruzalem nog niet te laat om zich te bekeren. De engel van barmhartigheid vouwde toen haar vleugelen samen om af te dalen van de gouden troon en plaats te maken voor gerechtigheid en een snel naderend oordeel. Maar het grote liefdeshart van Christus pleitte nog steeds voor Jeruzalem, dat Zijn barmhartigheden had versmaad, Zijn waarschuwingen had veracht en op het punt stond haar handen in Zijn bloed te dopen. Indien Jeruzalem zich slechts wilde bekeren, was het nog niet te laat. Terwijl de laatste stralen van de ondergaande zon nog rustten op tempel, toren en tinne, zou dan niet een goede engel haar leiden tot de liefde van de Heiland en haar onheil afwenden? Schone en onheilige stad, die de profeten had gestenigd, die de Zoon van God had verworpen, die zich door haar onboetvaardigheid in boeien van slavernij opsloot,—haar tijd van barmhartigheid was bijna voorbij!’
“Yet again the Spirit of God speaks to Jerusalem. Before the day is done, another testimony is borne to Christ. The voice of witness is lifted up, responding to the call from a prophetic past. If Jerusalem will hear the call, if she will receive the Saviour who is entering her gates, she may yet be saved.
„Opnieuw spreekt de Geest van God tot Jeruzalem. Voordat de dag ten einde is, wordt er opnieuw getuigenis afgelegd van Christus. De stem van het getuigenis wordt verheven als antwoord op de roep uit een profetisch verleden. Indien Jeruzalem de roep zal horen, indien zij de Heiland die haar poorten binnengaat zal aannemen, kan zij nog worden gered.
“Reports have reached the rulers in Jerusalem that Jesus is approaching the city with a great concourse of people. But they have no welcome for the Son of God. In fear they go out to meet Him, hoping to disperse the throng. As the procession is about to descend the Mount of Olives, it is intercepted by the rulers. They inquire the cause of the tumultuous rejoicing. As they question, ‘Who is this?’ the disciples, filled with the spirit of inspiration, answer this question. In eloquent strains they repeat the prophecies concerning Christ:
„Berichten hebben de machthebbers in Jeruzalem bereikt dat Jezus de stad nadert met een grote menigte mensen. Maar zij hebben geen welkom voor de Zoon van God. In vrees gaan zij uit Hem tegemoet, hopende de schare uiteen te drijven. Terwijl de stoet op het punt staat de Olijfberg af te dalen, wordt hij door de machthebbers tegengehouden. Zij vragen naar de oorzaak van de onstuimige vreugde. Terwijl zij de vraag stellen: ‘Wie is Dit?’, beantwoorden de discipelen, vervuld met de geest der inspiratie, deze vraag. In welsprekende bewoordingen herhalen zij de profetieën aangaande Christus:”
“Adam will tell you, It is the seed of the woman that shall bruise the serpent’s head.
„Adam zal u zeggen: Het is het zaad van de vrouw dat de kop van de slang zal vermorzelen.‟
“Ask Abraham, he will tell you, It is ‘Melchizedek King of Salem,’ King of Peace. Genesis 14:18.
‘Vraag het Abraham, hij zal u zeggen: Het is “Melchizedek, koning van Salem”, Koning van de Vrede.’ Genesis 14:18.
“Jacob will tell you, He is Shiloh of the tribe of Judah.
‘Jakob zal u zeggen: Hij is Silo uit de stam van Juda.’
“Isaiah will tell you, ‘Immanuel,’ ‘Wonderful, Counselor, The mighty God, The everlasting Father, The Prince of Peace.’ Isaiah 7:14; 9:6.
„Jesaja zal u zeggen: ‘Immanuel,’ ‘Wonderlijk, Raadsman, de sterke God, de eeuwige Vader, de Vredevorst.’ Jesaja 7:14; 9:6.
“Jeremiah will tell you, The Branch of David, ‘the Lord our Righteousness.’ Jeremiah 23:6.
„Jeremia zal u spreken van de Spruit van David, ‘de HEERE, onze Gerechtigheid.’ Jeremia 23:6.״
“Daniel will tell you, He is the Messiah.
„Daniël zal u zeggen: Hij is de Messias.‟
“Hosea will tell you, He is ‘the Lord God of hosts; the Lord is His memorial.’ Hosea 12:5.
“Hosea zal u zeggen: Hij is ‘de HEERE, de God der heerscharen; de HEERE is Zijn gedachtenisnaam.’ Hosea 12:5.
“John the Baptist will tell you, He is ‘the Lamb of God, which taketh away the sin of the world.’ John 1:29.
„Johannes de Doper zal u zeggen: Hij is ‘het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt.’ Johannes 1:29.
“The great Jehovah has proclaimed from His throne, ‘This is My beloved Son.’ Matthew 3:17.
‘De grote Jehovah heeft vanaf Zijn troon verkondigd: “Dit is Mijn geliefde Zoon.”’ Mattheüs 3:17.
“We, His disciples, declare, This is Jesus, the Messiah, the Prince of life, the Redeemer of the world.
“Wij, Zijn discipelen, verklaren: Dit is Jezus, de Messias, de Vorst van het leven, de Verlosser van de wereld.
“And the prince of the powers of darkness acknowledges Him, saying, ‘I know Thee who Thou art, the Holy One of God.’ Mark 1:24.” The Desire of Ages, 577–579.
„En de vorst van de machten der duisternis erkent Hem met de woorden: ‘Ik weet wie Gij zijt, de Heilige Gods.’ Markus 1:24.” The Desire of Ages, 577–579.
The history of Christ’s Triumphal Entry typified the history of the Midnight Cry in the Millerite time period. The passage from Sister White identifies that when the entrance began the people came under the inspiration of the Holy Spirit, and then Christ stopped and wept over Jerusalem. Thereafter He continued the entry, and is then confronted by Jewish leadership. I would like to isolate certain attributes of this story in order to identify waymarks that are repeated in the history of the Millerites. But first I want to make a point about the beginning and ending. What we just cited from Sister White represents the end of a chapter, and the opening of the next chapter says the following.
De geschiedenis van Christus’ Triomfantelijke Intocht was een voorafbeelding van de geschiedenis van de Middernachtsroep in de Milleritische tijdsperiode. Het aangehaalde gedeelte van Zuster White maakt duidelijk dat, toen de intocht begon, het volk onder de inspiratie van de Heilige Geest kwam, en vervolgens bleef Christus staan en weende over Jeruzalem. Daarna zette Hij de intocht voort en werd Hij vervolgens geconfronteerd met de Joodse leiders. Ik wil bepaalde kenmerken van dit verhaal afzonderen om herkenningspunten vast te stellen die zich in de geschiedenis van de Millerieten herhalen. Maar eerst wil ik een opmerking maken over het begin en het einde. Wat wij zojuist uit Zuster White hebben aangehaald, vormt het slot van een hoofdstuk, en de opening van het volgende hoofdstuk luidt als volgt.
“The triumphal ride of Christ into Jerusalem was the dim foreshadowing of His coming in the clouds of heaven with power and glory, amid the triumph of angels and the rejoicing of the saints. Then will be fulfilled the words of Christ to the priests and Pharisees: ‘Ye shall not see Me henceforth, till ye shall say, Blessed is He that cometh in the name of the Lord.’ Matthew 23:39. In prophetic vision Zechariah was shown that day of final triumph; and he beheld also the doom of those who at the first advent had rejected Christ: ‘They shall look upon Me whom they have pierced, and they shall mourn for Him, as one mourneth for his only son, and shall be in bitterness for Him, as one that is in bitterness for his first-born.’ Zechariah 12:10. This scene Christ foresaw when He beheld the city and wept over it. In the temporal ruin of Jerusalem He saw the final destruction of that people who were guilty of the blood of the Son of God.
„De triomftocht van Christus naar Jeruzalem was de vage voorafschaduwing van Zijn komst op de wolken des hemels met kracht en heerlijkheid, te midden van de triomf der engelen en de vreugde der heiligen. Dan zullen de woorden van Christus tot de priesters en Farizeeën in vervulling gaan: ‘Gij zult Mij van nu aan niet zien, totdat gij zult zeggen: Gezegend is Hij Die komt in de Naam des Heeren.’ Mattheüs 23:39. In een profetisch gezicht werd Zacharia die dag van de uiteindelijke triomf getoond; en hij zag ook het lot van hen die Christus bij de eerste komst hadden verworpen: ‘Zij zullen Mij aanschouwen, Dien zij doorstoken hebben, en zij zullen over Hem rouw bedrijven, gelijk men rouw bedrijft over een enig kind, en over Hem bitterlijk klagen, gelijk men bitterlijk klaagt over een eerstgeborene.’ Zacharia 12:10. Dit tafereel voorzag Christus toen Hij de stad aanschouwde en over haar weende. In de tijdelijke ondergang van Jeruzalem zag Hij de uiteindelijke vernietiging van dat volk dat schuldig was aan het bloed van de Zoon van God.”
“The disciples saw the hatred of the Jews to Christ, but they did not yet see to what it would lead. They did not yet understand the true condition of Israel, nor comprehend the retribution that was to fall upon Jerusalem. This Christ opened to them by a significant object lesson.
„De discipelen zagen de haat van de Joden jegens Christus, maar zij zagen nog niet waartoe die zou leiden. Zij begrepen nog niet de ware toestand van Israël, noch doorzagen zij de vergelding die over Jeruzalem zou komen. Dit maakte Christus hun duidelijk door middel van een veelzeggende aanschouwelijke les.‟
“The last appeal to Jerusalem had been in vain. The priests and rulers had heard the prophetic voice of the past echoed by the multitude, in answer to the question, ‘Who is this?’ but they did not accept it as the voice of Inspiration. In anger and amazement they tried to silence the people. There were Roman officers in the throng, and to them His enemies denounced Jesus as the leader of a rebellion. They represented that He was about to take possession of the temple, and reign as king in Jerusalem.” The Desire of Ages, 580.
„De laatste oproep tot Jeruzalem was tevergeefs geweest. De priesters en oversten hadden de profetische stem uit het verleden horen weerklinken in de schare, als antwoord op de vraag: ‘Wie is Deze?’ maar zij aanvaardden die niet als de stem der Inspiratie. In toorn en verbazing trachtten zij het volk tot zwijgen te brengen. Er bevonden zich Romeinse officieren in de menigte, en bij hen klaagden Zijn vijanden Jezus aan als de leider van een opstand. Zij stelden het voor alsof Hij op het punt stond bezit te nemen van de tempel en als koning in Jeruzalem te regeren.” The Desire of Ages, 580.
The point I did not want to miss is that Christ’s Triumphal Entry into Jerusalem typifies not only the Midnight Cry of Millerite history, but also the end of the world. It is associated with the return of Christ at the beginning of Revelation chapter twenty’s millennium and also His return with New Jerusalem at the end of the millennium. It is also associated with the death of the wicked at His second coming, and their final judgment at the end of the millennium. The opening of the last paragraph states, “The last appeal to Jerusalem had been in vain. The priests and rulers had heard the prophetic voice of the past echoed by the multitude, in answer to the question, ‘Who is this?’ but they did not accept it as the voice of Inspiration.”
Het punt dat ik niet over het hoofd wilde zien, is dat Christus’ Triomfantelijke Intocht in Jeruzalem niet alleen een voorafbeelding is van de Middernachtsroep in de geschiedenis van de Millerieten, maar ook van het einde van de wereld. Zij houdt verband met de wederkomst van Christus aan het begin van het millennium van Openbaring hoofdstuk twintig en ook met Zijn komst met het Nieuwe Jeruzalem aan het einde van het millennium. Zij houdt eveneens verband met de dood van de goddelozen bij Zijn tweede komst, en met hun eindgericht aan het einde van het millennium. De opening van de laatste alinea luidt: „De laatste oproep tot Jeruzalem was tevergeefs geweest. De priesters en oversten hadden de profetische stem uit het verleden door de menigte horen weerklinken, als antwoord op de vraag: ‘Wie is deze?’ maar zij aanvaardden haar niet als de stem van de Inspiratie.”
The last appeal was in vain, and the appeal was represented as “the prophetic voice of the past.” The multitude in Christ’s day rejected their last appeal, for they rejected Jeremiah’s counsel to return to the old paths. They also refused the methodology of line upon line, for the disciples had answered the question of “Who is this,” by bringing several witnesses together, line upon line, from here a little and there a little.
De laatste oproep was vergeefs, en die oproep werd voorgesteld als „de profetische stem van het verleden.” De menigte in Christus’ dagen verwierp hun laatste oproep, want zij verwierpen Jeremia’s raad om terug te keren tot de oude paden. Ook weigerden zij de methodologie van regel op regel, want de discipelen hadden de vraag „Wie is deze?” beantwoord door verscheidene getuigen samen te brengen, regel op regel, hier een weinig en daar een weinig.
When Christ begins the entry into Jerusalem, He stops along the way. It begins with the fulfillment of prophecy as the disciples secure the ass for Christ to ride upon. He had never ridden an animal, and the animal had never been ridden. The logic identifies a miracle, for what animal allows a rider the first time, and who knows how to manage riding an ass that has never done it before. This is similar to when the Philistines placed an offering on the cart, along with the Ark, and hitched up two cows who both were nursing calves, and who had never pulled a cart before, and they immediately deserted the calves and began the trip to return the Ark to the Hebrews. The Ark is on its way to Jerusalem, and when David finally brings it into Jerusalem, he typified Christ’s triumphal entry.
Wanneer Christus de intocht in Jeruzalem aanvangt, houdt Hij onderweg stil. Het begint met de vervulling van de profetie, wanneer de discipelen de ezelin gereedmaken waarop Christus zal rijden. Hij had nooit op een dier gereden, en het dier was nooit bereden. De redenering wijst op een wonder, want welk dier laat zich de eerste keer door een ruiter berijden, en wie weet hoe men een ezelin moet besturen die dit nooit eerder heeft gedaan? Dit is vergelijkbaar met het moment waarop de Filistijnen een offergave op de wagen plaatsten, samen met de Ark, en twee koeien inspanden die beide zogende kalveren hadden en nooit eerder een wagen hadden getrokken, en zij lieten onmiddellijk de kalveren achter en begonnen de tocht om de Ark naar de Hebreeën terug te brengen. De Ark is op weg naar Jeruzalem, en wanneer David haar uiteindelijk Jeruzalem binnenbrengt, stelde hij Christus’ triomfantelijke intocht typologisch voor.
Once Christ is on the ass, the people began lining the street with their coats, cutting down palm branches and the shouts cry out, “Hosanna to the Son of David: Blessed is He that cometh in the name of the Lord! Hosanna in the highest.” (Matthew 21:9) The leaders resist and call for Jesus to silence the crowd. They move on and Jesus stops to weep for lost mankind, represented by Jerusalem. Then the procession proceeds and the leaders once again intercede, demanding to know who Jesus is. Then the disciples respond with the line upon line testimony of the prophets.
Zodra Christus op de ezel zit, begint het volk de straat met hun mantels te bedekken, palmtakken af te snijden, en de kreten weerklinken: „Hosanna de Zoon van David! Gezegend is Hij Die komt in de naam des Heeren! Hosanna in den hoge.” (Mattheüs 21:9) De leiders verzetten zich en roepen Jezus op de menigte tot zwijgen te brengen. Zij trekken verder en Jezus blijft staan om te wenen over de verloren mensheid, vertegenwoordigd door Jeruzalem. Daarna zet de stoet zich voort en de leiders treden opnieuw tussenbeide, eisend te weten wie Jezus is. Vervolgens antwoorden de discipelen met het regel op regel gegeven getuigenis der profeten.
The history we are now considering was preceded by the resurrection of Lazarus, which marks the first disappointment in the prophetic line illustrated in the parable of the ten virgins, and by Uzzah touching the Ark, in the line of David’s triumphal entry into Jerusalem. The first disappointment is associated with a tarrying time, and Christ has tarried when he first heard Lazarus was sick, just as David tarried by leaving the Ark where Uzzah died until he later retrieved it. Lazarus died, and was thereafter resurrected. Lazarus is the one who thereafter leads the ass that Jesus rides upon into Jerusalem.
De geschiedenis die wij thans beschouwen, werd voorafgegaan door de opstanding van Lazarus, die de eerste teleurstelling markeert in de profetische lijn die wordt geïllustreerd in de gelijkenis van de tien maagden, en door Uzza’s aanraking van de Ark, in de lijn van Davids triomfantelijke intocht in Jeruzalem. De eerste teleurstelling hangt samen met een vertoevenstijd, en Christus heeft vertoefd toen Hij voor het eerst hoorde dat Lazarus ziek was, evenals David vertoefde door de Ark te laten waar Uzza stierf, totdat hij haar later terughaalde. Lazarus stierf en werd daarna opgewekt. Lazarus is degene die vervolgens de ezel leidt waarop Jezus Jeruzalem binnenrijdt.
In Millerite history the second angel arrived on April 19, 1844, at the first disappointment, which marked the beginning of the tarrying time. Thereafter Samuel Snow began to progressively develop the message of the Midnight Cry. The progressive development of that message is represented by Christ’s entry into Jerusalem. The progression of Snow’s work is also represented in the travels of the Ark, from the Philistines, to the cart, to Uzzah and ultimately into Jerusalem.
In de geschiedenis van de Millerieten kwam de tweede engel op 19 april 1844, bij de eerste teleurstelling, die het begin van de vertoeftijd markeerde. Daarna begon Samuel Snow de boodschap van de Middernachtsroep geleidelijk te ontwikkelen. De geleidelijke ontwikkeling van die boodschap wordt voorgesteld door Christus’ intocht in Jeruzalem. De voortgang van Snows werk wordt ook voorgesteld in de reizen van de Ark, van de Filistijnen naar de wagen, naar Uzza en uiteindelijk naar Jeruzalem.
The entry has a beginning proclamation of the people when the leaders told Christ to silence the crowd, followed by Christ weeping, then the proclamation of the disciples when the obstinate leaders asked who Christ was. The manifestation of inspiration in the people that produced the first response of the obstinate leaders is repeated by the disciples when they produced “line upon line” a multitude of prophetic witnesses from the past. When the sun set that day, ancient Israel was divorced from God.
De intocht kent een beginproclamatie van het volk, toen de leiders Christus zeiden de menigte het zwijgen op te leggen, gevolgd door Christus’ geween, en vervolgens de proclamatie van de discipelen, toen de halsstarrige leiders vroegen wie Christus was. De openbaring van inspiratie in het volk, die de eerste reactie van de halsstarrige leiders voortbracht, wordt door de discipelen herhaald wanneer zij „regel op regel” een menigte profetische getuigen uit het verleden naar voren brengen. Toen de zon die dag onderging, werd het oude Israël van God gescheiden.
In that history we are informed that the disciples did not “comprehend the retribution that was to fall upon Jerusalem.” The “retribution” that was to “fall upon Jerusalem” was illustrated for the disciples by “a significant object lesson.” The significant object lesson was the cursing of the fig tree. The destruction of Jerusalem, which the disciples did not yet understand was illustrated by the cursing of the fig tree, and also the parable which Christ had previously taught concerning the fig tree.
In die geschiedenis wordt ons meegedeeld dat de discipelen de „vergelding die over Jeruzalem zou komen” niet begrepen. De „vergelding” die „over Jeruzalem zou komen” werd de discipelen verduidelijkt door „een belangrijke aanschouwelijke les”. Die belangrijke aanschouwelijke les was de vervloeking van de vijgenboom. De verwoesting van Jeruzalem, waarvan de discipelen nog niet begrepen dat zij daarin werd uitgebeeld, werd geïllustreerd door de vervloeking van de vijgenboom, en ook door de gelijkenis die Christus eerder met betrekking tot de vijgenboom had onderwezen.
“The warning is for all time. Christ’s act in cursing the tree which His own power had created stands as a warning to all churches and to all Christians. No one can live the law of God without ministering to others. But there are many who do not live out Christ’s merciful, unselfish life. Some who think themselves excellent Christians do not understand what constitutes service for God. They plan and study to please themselves. They act only in reference to self. Time is of value to them only as they can gather for themselves. In all the affairs of life this is their object. Not for others but for themselves do they minister. God created them to live in a world where unselfish service must be performed. He designed them to help their fellow men in every possible way. But self is so large that they cannot see anything else. They are not in touch with humanity. Those who thus live for self are like the fig tree, which made every pretension but was fruitless. They observe the forms of worship, but without repentance or faith. In profession they honor the law of God, but obedience is lacking. They say, but do not. In the sentence pronounced on the fig tree Christ demonstrates how hateful in His eyes is this vain pretense. He declares that the open sinner is less guilty than is he who professes to serve God, but who bears no fruit to His glory.
„De waarschuwing geldt voor alle tijden. Christus’ daad, toen Hij de boom vervloekte die door Zijn eigen macht was geschapen, staat als een waarschuwing voor alle kerken en voor alle christenen. Niemand kan de wet van God naleven zonder anderen te dienen. Maar er zijn velen die het barmhartige, onzelfzuchtige leven van Christus niet uitleven. Sommigen die zichzelf voortreffelijke christenen achten, begrijpen niet wat dienst voor God inhoudt. Zij plannen en overdenken alles om zichzelf te behagen. Zij handelen uitsluitend met het oog op zichzelf. Tijd heeft voor hen slechts waarde voor zover zij voor zichzelf kunnen vergaren. In alle aangelegenheden van het leven is dit hun doel. Niet voor anderen, maar voor zichzelf verrichten zij hun dienst. God heeft hen geschapen om te leven in een wereld waarin onzelfzuchtige dienst bewezen moet worden. Hij heeft hen bestemd hun medemensen op elke mogelijke wijze te helpen. Maar het ik is zo groot dat zij niets anders kunnen zien. Zij staan niet in verbinding met de mensheid. Wie aldus voor zichzelf leeft, is als de vijgenboom, die alle schijn vertoonde, maar zonder vrucht was. Zij onderhouden de vormen van de eredienst, maar zonder berouw of geloof. In hun belijdenis eren zij de wet van God, maar aan gehoorzaamheid ontbreekt het. Zij zeggen, maar doen niet. In het oordeel dat over de vijgenboom werd uitgesproken, toont Christus hoe verfoeilijk deze ijdele schijn in Zijn ogen is. Hij verklaart dat de openlijke zondaar minder schuldig is dan hij die belijdt God te dienen, maar geen vrucht draagt tot Zijn eer.”
“The parable of the fig tree, spoken before Christ’s visit to Jerusalem, had a direct connection with the lesson He taught in cursing the fruitless tree.” The Desire of Ages, 584.
„De gelijkenis van de vijgenboom, uitgesproken vóór Christus’ bezoek aan Jeruzalem, hield rechtstreeks verband met de les die Hij onderwees door de vruchteloze boom te vervloeken.” The Desire of Ages, 584.
After the last confrontation with the leaders, Jesus retired to pray through the night, then in the morning as He passed the fig tree He cursed it.
Na de laatste confrontatie met de leiders trok Jezus Zich terug om de nacht in gebed door te brengen; en toen Hij de volgende morgen langs de vijgenboom kwam, vervloekte Hij die.
“It was not the season for ripe figs, except in certain localities; and on the highlands about Jerusalem it might truly be said, ‘The time of figs was not yet.’ But in the orchard to which Jesus came, one tree appeared to be in advance of all the others. It was already covered with leaves. It is the nature of the fig tree that before the leaves open, the growing fruit appears. Therefore this tree in full leaf gave promise of well-developed fruit. But its appearance was deceptive. Upon searching its branches, from the lowest bough to the topmost twig, Jesus found ‘nothing but leaves.’ It was a mass of pretentious foliage, nothing more.
„Het was niet de tijd voor rijpe vijgen, behalve op bepaalde plaatsen; en op de hoogten rondom Jeruzalem kon men naar waarheid zeggen: ‘De tijd der vijgen was nog niet gekomen.’ Maar in de boomgaard waar Jezus kwam, scheen één boom alle andere vooruit te zijn. Hij was reeds met bladeren bedekt. Het is de aard van de vijgenboom dat, voordat de bladeren zich openen, de zich ontwikkelende vrucht verschijnt. Daarom bood deze boom, vol in het blad, de belofte van goed ontwikkelde vrucht. Maar zijn uiterlijk was bedrieglijk. Toen Jezus zijn takken doorzocht, van de laagste tak tot de hoogste twijg, vond Hij ‘niets dan bladeren’. Het was een massa aanmatigend loof, niets meer.
“Christ uttered against it a withering curse. ‘No man eat fruit of thee hereafter forever,’ He said. The next morning, as the Saviour and His disciples were again on their way to the city, the blasted branches and drooping leaves attracted their attention. ‘Master,’ said Peter, ‘behold, the fig tree which Thou cursedst is withered away.’
„Christus sprak er een vernietigende vloek tegen uit. ‘Nooit meer ete iemand vrucht van u in eeuwigheid,’ zei Hij. De volgende morgen, toen de Heiland en Zijn discipelen opnieuw op weg waren naar de stad, trokken de verdorde takken en neerhangende bladeren hun aandacht. ‘Meester,’ zei Petrus, ‘zie, de vijgenboom die Gij vervloekt hebt, is verdord.’
“Christ’s act in cursing the fig tree had astonished the disciples. It seemed to them unlike His ways and works. Often they had heard Him declare that He came not to condemn the world, but that the world through Him might be saved. They remembered His words, ‘The Son of man is not come to destroy men’s lives, but to save them.’ Luke 9:56. His wonderful works had been done to restore, never to destroy. The disciples had known Him only as the Restorer, the Healer. This act stood alone. What was its purpose? they questioned.
„De daad van Christus in het vervloeken van de vijgenboom had de discipelen verbaasd. Het scheen hun niet in overeenstemming met Zijn wegen en werken. Dikwijls hadden zij Hem horen verklaren dat Hij niet gekomen was om de wereld te veroordelen, maar opdat de wereld door Hem behouden zou worden. Zij herinnerden zich Zijn woorden: ‘Want de Zoon des mensen is niet gekomen om der mensen zielen te verderven, maar om te behouden.’ Lukas 9:56. Zijn wonderbare werken waren verricht om te herstellen, nooit om te vernietigen. De discipelen hadden Hem alleen gekend als de Hersteller, de Genezer. Deze daad stond op zichzelf. Wat was het doel ervan? zo vroegen zij zich af.
“God ‘delighteth in mercy.’ ‘As I live, saith the Lord God, I have no pleasure in the death of the wicked.’ Micah 7:18; Ezekiel 33:11. To Him the work of destruction and the denunciation of judgment is a ‘strange work.’ Isaiah 28:21. But it is in mercy and love that He lifts the veil from the future, and reveals to men the results of a course of sin.
God „heeft behagen in barmhartigheid”. „Zo waar Ik leef, spreekt de Heere HEERE, Ik heb geen lust in de dood van de goddeloze.” Micha 7:18; Ezechiël 33:11. Voor Hem is het werk van verwoesting en de aankondiging van het oordeel een „vreemd werk”. Jesaja 28:21. Maar het is in barmhartigheid en liefde dat Hij de sluier van de toekomst opheft en aan de mensen de gevolgen van een weg der zonde openbaart.
“The cursing of the fig tree was an acted parable. That barren tree, flaunting its pretentious foliage in the very face of Christ, was a symbol of the Jewish nation. The Saviour desired to make plain to His disciples the cause and the certainty of Israel’s doom. For this purpose He invested the tree with moral qualities, and made it the expositor of divine truth. The Jews stood forth distinct from all other nations, professing allegiance to God. They had been specially favored by Him, and they laid claim to righteousness above every other people. But they were corrupted by the love of the world and the greed of gain. They boasted of their knowledge, but they were ignorant of the requirements of God, and were full of hypocrisy. Like the barren tree, they spread their pretentious branches aloft, luxuriant in appearance, and beautiful to the eye, but they yielded ‘nothing but leaves.’ The Jewish religion, with its magnificent temple, its sacred altars, its mitered priests and impressive ceremonies, was indeed fair in outward appearance, but humility, love, and benevolence were lacking.” The Desire of Ages, 581, 582.
„De vervloeking van de vijgenboom was een uitgebeelde gelijkenis. Die onvruchtbare boom, die zijn aanmatigende loof ten aanschouwen van Christus ten toon spreidde, was een symbool van het Joodse volk. De Heiland wenste aan Zijn discipelen de oorzaak en de zekerheid van Israëls ondergang duidelijk te maken. Daartoe bekleedde Hij de boom met morele eigenschappen en maakte hem tot verkondiger van goddelijke waarheid. De Joden traden duidelijk onderscheiden van alle andere volken naar voren en beweerden trouw aan God te betonen. Zij waren door Hem op bijzondere wijze begunstigd, en zij maakten aanspraak op een gerechtigheid die die van alle andere volken te boven ging. Maar zij waren verdorven door de liefde tot de wereld en de hebzucht naar gewin. Zij beroemden zich op hun kennis, maar zij waren onkundig van Gods vereisten en waren vol huichelarij. Gelijk de onvruchtbare boom spreidden zij hun aanmatigende takken omhoog, weelderig van aanzien en schoon voor het oog, maar zij brachten ‘niets voort dan bladeren.’ De Joodse godsdienst, met zijn prachtige tempel, zijn heilige altaren, zijn priesters met de mijter en zijn indrukwekkende plechtigheden, was inderdaad schoon in uiterlijke verschijning, maar ootmoed, liefde en weldadigheid ontbraken.” The Desire of Ages, 581, 582.
We began by raising two questions which we are in the process of answering. Those questions were, “Why did the judgment of the living begin at 9/11? What is the biblical judgment of the living?”
Wij begonnen met het opwerpen van twee vragen die wij thans aan het beantwoorden zijn. Die vragen waren: “Waarom begon het oordeel over de levenden op 9/11? Wat is het bijbelse oordeel over de levenden?”
The few lines of prophecy we just put in place are biblical witnesses of the judgment of the living. Those lines of prophecy address much more than simply the “A, B, C’s” of the judgment, but we are first answering the questions of 9/11 and the judgment of the living.
De enkele regels profetie die wij zojuist hebben neergezet, zijn bijbelse getuigenissen van het oordeel over de levenden. Die regels profetie behandelen veel meer dan enkel de „A, B, C’s” van het oordeel, maar wij beantwoorden eerst de vragen van 9/11 en van het oordeel over de levenden.
“‘I beheld,’ says the prophet Daniel, ‘till thrones were placed, and One that was Ancient of Days did sit: His raiment was white as snow, and the hair of His head like pure wool; His throne was fiery flames, and the wheels thereof burning fire. A fiery stream issued and came forth from before Him: thousand thousands ministered unto Him, and ten thousand times ten thousand stood before Him: the judgment was set, and the books were opened.’ Daniel 7:9, 10, R.V.
“‘Ik aanschouwde,’ zegt de profeet Daniël, ‘totdat tronen werden geplaatst en Een, de Oude van dagen, Zich neerzette; Zijn kleed was wit als sneeuw, en het haar van Zijn hoofd als reine wol; Zijn troon bestond uit vuurvlammen, en de raderen daarvan uit brandend vuur. Een stroom van vuur vloeide uit en ging van voor Zijn aangezicht uit; duizendmaal duizenden dienden Hem, en tienduizendmaal tienduizenden stonden voor Hem: het gericht werd gehouden en de boeken werden geopend.’ Daniël 7:9, 10, R.V.”
“Thus was presented to the prophet’s vision the great and solemn day when the characters and the lives of men should pass in review before the Judge of all the earth, and to every man should be rendered ‘according to his works.’ The Ancient of Days is God the Father. Says the psalmist: ‘Before the mountains were brought forth, or ever Thou hadst formed the earth and the world, even from everlasting to everlasting, Thou art God.’ Psalm 90:2. It is He, the source of all being, and the fountain of all law, that is to preside in the judgment. And holy angels as ministers and witnesses, in number ‘ten thousand times ten thousand, and thousands of thousands,’ attend this great tribunal.
„Zo werd aan het profetisch gezicht van de profeet de grote en plechtige dag voorgesteld waarop het karakter en het leven van de mensen aan het onderzoek van de Rechter van de ganse aarde zouden worden onderworpen, en aan ieder mens zou worden vergolden ‘naar zijn werken’. De Oude van dagen is God de Vader. De psalmist zegt: ‘Eer de bergen geboren waren, en Gij de aarde en de wereld voortgebracht hadt, ja, van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt Gij God.’ Psalm 90:2. Hij, de oorsprong van al het bestaan en de bron van alle wet, is het die in het oordeel zal voorzitten. En heilige engelen, als dienaren en getuigen, ten getale van ‘tienduizendmaal tienduizenden en duizenden maal duizenden’, wonen dit grote gericht bij.”
“‘And, behold, one like the Son of man came with the clouds of heaven, and came to the Ancient of Days, and they brought Him near before Him. And there was given Him dominion, and glory, and a kingdom, that all people, nations, and languages, should serve Him: His dominion is an everlasting dominion, which shall not pass away.’ Daniel 7:13, 14. The coming of Christ here described is not His second coming to the earth. He comes to the Ancient of Days in heaven to receive dominion and glory and a kingdom, which will be given Him at the close of His work as a mediator. It is this coming, and not His second advent to the earth, that was foretold in prophecy to take place at the termination of the 2300 days in 1844. Attended by heavenly angels, our great High Priest enters the holy of holies and there appears in the presence of God to engage in the last acts of His ministration in behalf of man—to perform the work of investigative judgment and to make an atonement for all who are shown to be entitled to its benefits.
“‘En zie, er kwam met de wolken des hemels Iemand als een Mensenzoon, en Hij kwam tot de Oude van dagen, en men leidde Hem voor Diens aangezicht. En Hem werd heerschappij gegeven, en eer en koningschap, opdat alle volken, natiën en talen Hem zouden dienen; Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die niet zal vergaan.’ Daniël 7:13, 14. De komst van Christus die hier wordt beschreven, is niet Zijn tweede komst naar de aarde. Hij komt tot de Oude van dagen in de hemel om heerschappij en eer en een koninkrijk te ontvangen, die Hem gegeven zullen worden aan het einde van Zijn werk als Middelaar. Het is deze komst, en niet Zijn tweede advent naar de aarde, die in de profetie was voorzegd plaats te vinden bij de beëindiging van de 2300 dagen in 1844. Vergezeld door hemelse engelen gaat onze grote Hogepriester het heilige der heiligen binnen en verschijnt daar in de tegenwoordigheid van God om de laatste daden van Zijn bediening ten behoeve van de mens te verrichten—het werk van het onderzoekend oordeel te volbrengen en verzoening te doen voor allen van wie wordt aangetoond dat zij recht hebben op de weldaden daarvan.
“In the typical service only those who had come before God with confession and repentance, and whose sins, through the blood of the sin offering, were transferred to the sanctuary, had a part in the service of the Day of Atonement. So in the great day of final atonement and investigative judgment the only cases considered are those of the professed people of God. The judgment of the wicked is a distinct and separate work, and takes place at a later period. ‘Judgment must begin at the house of God: and if it first begin at us, what shall the end be of them that obey not the gospel?’ 1 Peter 4:17.
“In de zinnebeeldige dienst hadden alleen zij die met belijdenis en berouw voor God waren gekomen, en wier zonden door het bloed van het zondoffer op het heiligdom waren overgebracht, deel aan de dienst van de Grote Verzoendag. Zo worden op de grote dag van de uiteindelijke verzoening en het onderzoekend oordeel alleen de gevallen van het belijdende volk van God in aanmerking genomen. Het oordeel over de goddelozen is een onderscheiden en afzonderlijk werk en vindt op een later tijdstip plaats. ‘Want het oordeel moet beginnen bij het huis Gods; en als het eerst bij ons begint, wat zal het einde zijn van hen die aan het evangelie van God ongehoorzaam zijn?’ 1 Petrus 4:17.”
“The books of record in heaven, in which the names and the deeds of men are registered, are to determine the decisions of the judgment. Says the prophet Daniel: ‘The judgment was set, and the books were opened.’ The revelator, describing the same scene, adds: ‘Another book was opened, which is the book of life: and the dead were judged out of those things which were written in the books, according to their works.’ Revelation 20:12.
“De boeken der herinnering in de hemel, waarin de namen en de daden der mensen zijn opgetekend, zullen de uitspraken van het oordeel bepalen. De profeet Daniël zegt: ‘Het gericht werd gezet, en de boeken werden geopend.’ De openbarer voegt, bij de beschrijving van hetzelfde tafereel, eraan toe: ‘En een ander boek werd geopend, hetwelk is des levens; en de doden werden geoordeeld uit hetgeen in de boeken geschreven was, naar hun werken.’ Openbaring 20:12.”
“The book of life contains the names of all who have ever entered the service of God. Jesus bade His disciples: ‘Rejoice, because your names are written in heaven.’ Luke 10:20. Paul speaks of his faithful fellow workers, ‘whose names are in the book of life.’ Philippians 4:3. Daniel, looking down to ‘a time of trouble, such as never was,’ declares that God’s people shall be delivered, ‘everyone that shall be found written in the book.’ And the revelator says that those only shall enter the city of God whose names ‘are written in the Lamb’s book of life.’ Daniel 12:1; Revelation 21:27.
„Het boek des levens bevat de namen van allen die ooit in de dienst van God zijn getreden. Jezus gebood Zijn discipelen: ‘Verblijdt u, omdat uw namen opgeschreven zijn in de hemel.’ Lukas 10:20. Paulus spreekt van zijn trouwe medearbeiders, ‘wier namen in het boek des levens zijn.’ Filippenzen 4:3. Daniël, uitziende naar ‘een tijd van benauwdheid, zoals er niet geweest is,’ verklaart dat Gods volk verlost zal worden, ‘ieder die geschreven gevonden wordt in het boek.’ En de ziener zegt dat alleen zij de stad Gods zullen binnengaan wier namen ‘geschreven staan in het boek des levens van het Lam.’ Daniël 12:1; Openbaring 21:27.
“‘A book of remembrance’ is written before God, in which are recorded the good deeds of ‘them that feared the Lord, and that thought upon His name.’ Malachi 3:16. Their words of faith, their acts of love, are registered in heaven. Nehemiah refers to this when he says: ‘Remember me, O my God, … and wipe not out my good deeds that I have done for the house of my God.’ Nehemiah 13:14. In the book of God’s remembrance every deed of righteousness is immortalized. There every temptation resisted, every evil overcome, every word of tender pity expressed, is faithfully chronicled. And every act of sacrifice, every suffering and sorrow endured for Christ’s sake, is recorded. Says the psalmist: ‘Thou tellest my wanderings: put Thou my tears into Thy bottle: are they not in Thy book?’ Psalm 56:8.
“Een gedenkboek” wordt voor God geschreven, waarin de goede daden staan opgetekend van “hen die de HEERE vrezen en Zijn Naam in gedachten houden.” Maleachi 3:16. Hun woorden van geloof, hun daden van liefde, zijn in de hemel geregistreerd. Nehemia verwijst hiernaar wanneer hij zegt: “Denk aan mij, o mijn God, … en delg mijn goede daden niet uit, die ik gedaan heb voor het huis van mijn God.” Nehemia 13:14. In het gedenkboek van God wordt elke daad van gerechtigheid vereeuwigd. Daar wordt elke weerstane verzoeking, elk overwonnen kwaad, elk woord van tedere ontferming getrouw opgetekend. En elke daad van zelfopoffering, elk lijden en elk verdriet dat om Christus’ wil is gedragen, wordt geregistreerd. De psalmist zegt: “Gij telt mijn omzwervingen; doe mijn tranen in Uw fles; zijn zij niet in Uw boek?” Psalm 56:8.
“There is a record also of the sins of men. ‘For God shall bring every work into judgment, with every secret thing, whether it be good, or whether it be evil.’ ‘Every idle word that men shall speak, they shall give account thereof in the day of judgment.’ Says the Saviour: ‘By thy words thou shalt be justified, and by thy words thou shalt be condemned.’ Ecclesiastes 12:14; Matthew 12:36, 37. The secret purposes and motives appear in the unerring register; for God ‘will bring to light the hidden things of darkness, and will make manifest the counsels of the hearts.’ 1 Corinthians 4:5. ‘Behold, it is written before Me, … your iniquities, and the iniquities of your fathers together, saith the Lord.’ Isaiah 65:6, 7.
Er bestaat ook een verslag van de zonden der mensen. ‘Want God zal ieder werk in het gericht brengen, met al wat verborgen is, hetzij goed, hetzij kwaad.’ ‘Van elk ijdel woord dat de mensen spreken, daarvan zullen zij rekenschap geven op de dag des oordeels.’ De Heiland zegt: ‘Want uit uw woorden zult gij gerechtvaardigd worden, en uit uw woorden zult gij veroordeeld worden.’ Prediker 12:14; Mattheüs 12:36, 37. De geheime voornemens en beweegredenen verschijnen in het onfeilbare register; want God ‘zal aan het licht brengen wat in de duisternis verborgen is, en de overleggingen der harten openbaar maken.’ 1 Korinthe 4:5. ‘Zie, het staat voor Mijn aangezicht geschreven, … uw ongerechtigheden en de ongerechtigheden uwer vaderen tezamen, zegt de HEERE.’ Jesaja 65:6, 7.
“Every man’s work passes in review before God and is registered for faithfulness or unfaithfulness. Opposite each name in the books of heaven is entered with terrible exactness every wrong word, every selfish act, every unfulfilled duty, and every secret sin, with every artful dissembling. Heaven-sent warnings or reproofs neglected, wasted moments, unimproved opportunities, the influence exerted for good or for evil, with its far-reaching results, all are chronicled by the recording angel.
“Ieders werk komt in Gods beoordeling voor en wordt opgetekend naar trouw of ontrouw. Tegenover elke naam wordt in de boeken des hemels met ontzagwekkende nauwkeurigheid elk verkeerd woord, elke zelfzuchtige daad, elke onvervulde plicht en elke verborgen zonde ingeschreven, met iedere listige veinzerij. Door de hemel gezonden waarschuwingen of vermaningen die veronachtzaamd zijn, verspilde ogenblikken, ongebruikte gelegenheden, de invloed die ten goede of ten kwade is uitgeoefend, met haar ver reikende gevolgen — dit alles wordt door de registrerende engel opgetekend.
“The law of God is the standard by which the characters and the lives of men will be tested in the judgment. Says the wise man: ‘Fear God, and keep His commandments: for this is the whole duty of man. For God shall bring every work into judgment.’ Ecclesiastes 12:13, 14. The apostle James admonishes his brethren: ‘So speak ye, and so do, as they that shall be judged by the law of liberty.’ James 2:12.
“De wet van God is de maatstaf waaraan het karakter en het leven van de mensen in het oordeel zullen worden getoetst. De wijze zegt: ‘Vrees God en onderhoud Zijn geboden, want dit geldt voor alle mensen. Want God zal iedere daad in het gericht brengen.’ Prediker 12:13, 14. De apostel Jakobus vermaant zijn broeders: ‘Spreekt alzo en handelt alzo als zij die geoordeeld zullen worden naar de wet der vrijheid.’ Jakobus 2:12.”
“Those who in the judgment are ‘accounted worthy’ will have a part in the resurrection of the just. Jesus said: ‘They which shall be accounted worthy to obtain that world, and the resurrection from the dead, … are equal unto the angels; and are the children of God, being the children of the resurrection.’ Luke 20:35, 36. And again He declares that ‘they that have done good’ shall come forth ‘unto the resurrection of life.’ John 5:29. The righteous dead will not be raised until after the judgment at which they are accounted worthy of ‘the resurrection of life.’ Hence they will not be present in person at the tribunal when their records are examined and their cases decided.
“Zij die in het oordeel ‘waardig geacht’ worden, zullen deelhebben aan de opstanding der rechtvaardigen. Jezus zei: ‘Maar zij, die waardig geacht zullen worden die wereld te verkrijgen, en de opstanding uit de doden, … zijn aan de engelen gelijk; en zij zijn kinderen Gods, omdat zij kinderen der opstanding zijn.’ Lukas 20:35, 36. En opnieuw verklaart Hij dat ‘zij die het goede gedaan hebben’, zullen uitgaan ‘tot de opstanding des levens.’ Johannes 5:29. De rechtvaardige doden zullen niet worden opgewekt vóór het oordeel waarin zij waardig geacht worden voor ‘de opstanding des levens.’ Daarom zullen zij niet persoonlijk aanwezig zijn voor de rechterstoel wanneer hun verslagen worden onderzocht en hun zaken worden beslist.”
“Jesus will appear as their advocate, to plead in their behalf before God. ‘If any man sin, we have an advocate with the Father, Jesus Christ the righteous.’ 1 John 2:1. ‘For Christ is not entered into the holy places made with hands, which are the figures of the true; but into heaven itself, now to appear in the presence of God for us.’ ‘Wherefore He is able also to save them to the uttermost that come unto God by Him, seeing He ever liveth to make intercession for them.’ Hebrews 9:24; 7:25.
„Jezus zal verschijnen als hun Voorspraak, om ten behoeve van hen vóór God te pleiten. ‘Indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige.’ 1 Johannes 2:1. ‘Want Christus is niet binnengegaan in heiligdommen met handen gemaakt, die afbeeldingen zijn van het ware, maar in de hemel zelf, om nu voor ons te verschijnen in de tegenwoordigheid van God.’ ‘Daarom kan Hij ook volkomen zalig maken hen die door Hem tot God gaan, omdat Hij altijd leeft om voor hen te pleiten.’ Hebreeën 9:24; 7:25.
“As the books of record are opened in the judgment, the lives of all who have believed on Jesus come in review before God. Beginning with those who first lived upon the earth, our Advocate presents the cases of each successive generation, and closes with the living. Every name is mentioned, every case closely investigated. Names are accepted, names rejected. When any have sins remaining upon the books of record, unrepented of and unforgiven, their names will be blotted out of the book of life, and the record of their good deeds will be erased from the book of God’s remembrance. The Lord declared to Moses: ‘Whosoever hath sinned against Me, him will I blot out of My book.’ Exodus 32:33. And says the prophet Ezekiel: ‘When the righteous turneth away from his righteousness, and committeth iniquity, … all his righteousness that he hath done shall not be mentioned.’ Ezekiel 18:24.” The Great Controversy, 479–483.
„Wanneer in het oordeel de gedenkboeken worden geopend, komen de levens van allen die in Jezus hebben geloofd ter beoordeling voor God. Beginnend met hen die het eerst op de aarde hebben geleefd, legt onze Voorspraak de gevallen van elke opeenvolgende generatie voor en besluit met de levenden. Elke naam wordt genoemd, elk geval nauwkeurig onderzocht. Namen worden aangenomen, namen verworpen. Wanneer van enigen zonden in de gedenkboeken blijven staan, waarover geen berouw is gehad en die niet vergeven zijn, zullen hun namen uit het boek des levens worden uitgewist, en de vermelding van hun goede daden zal worden uitgedelgd uit het gedenkboek van God. De Heere verklaarde aan Mozes: ‘Wie tegen Mij gezondigd heeft, die zal Ik uit Mijn boek delgen.’ Exodus 32:33. En de profeet Ezechiël zegt: ‘Wanneer nu de rechtvaardige zich afkeert van zijn gerechtigheid en ongerechtigheid doet, … al zijn gerechtigheden die hij gedaan heeft, zullen niet vermeld worden.’ Ezechiël 18:24.” De Grote Strijd, 479–483.
We will continue this study and answer the questions raised in the next article of this series.
Wij zullen deze studie voortzetten en de opgeworpen vragen beantwoorden in het volgende artikel van deze reeks.