Daniël wordt in hoofdstuk tien geïdentificeerd als opgewekt uit de dagen van rouw door het drievoudige proces van het eeuwige evangelie. Vervolgens verschaft Gabriël aan Daniël de profetische geschiedenis van hoofdstuk elf, en identificeert aldus de geschiedenis van het licht van de grote rivier Hiddekel.
„Er is behoefte aan een veel nauwkeuriger studie van het Woord van God. Vooral Daniël en de Openbaring dienen aandacht te krijgen als nooit tevoren in de geschiedenis van ons werk. Het kan zijn dat wij over sommige onderwerpen minder te zeggen hebben met betrekking tot de Romeinse macht en het pausdom, maar wij behoren de aandacht te vestigen op wat de profeten en de apostelen onder de inspiratie van de Geest van God hebben geschreven. De Heilige Geest heeft de zaken zó beschikt, zowel bij het geven van de profetie als in de gebeurtenissen die daarin worden uitgebeeld, dat daardoor wordt geleerd dat het menselijk werktuig uit het gezicht moet worden gehouden, verborgen in Christus, en dat de Heere God des hemels en Zijn wet moeten worden verhoogd.
„Lees het boek Daniël. Roep, punt voor punt, de geschiedenis op van de koninkrijken die daarin worden voorgesteld. Zie staatslieden, raden, machtige legers, en aanschouw hoe God werkte om de trots van mensen te vernederen en menselijke heerlijkheid in het stof neer te leggen. Alleen God wordt als groot voorgesteld. In het visioen van de profeet wordt Hij gezien terwijl Hij de ene machtige heerser neerwerpt en een andere opricht. Hij wordt geopenbaard als de Monarch van het heelal, op het punt Zijn eeuwigdurend koninkrijk op te richten—de Oude van dagen, de levende God, de Bron van alle wijsheid, de Heerser van het heden, de Openbaarder van de toekomst. Lees en begrijp hoe arm, hoe broos, hoe kortstondig, hoe dwalend, hoe schuldig de mens is wanneer hij zijn ziel tot ijdelheid verheft.״
“De Heilige Geest wijst ons door Jesaja op God, de levende God, als het voornaamste voorwerp van aandacht—op God zoals geopenbaard in Christus. ‘Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven; en de heerschappij zal op Zijn schouder rusten; en men zal Zijn Naam noemen Wonderlijk, Raadsman, Sterke God, Eeuwige Vader, Vredevorst’ [Jesaja 9:6].”
‘Het licht dat Daniël rechtstreeks van God ontving, werd in het bijzonder voor deze laatste dagen gegeven. De visioenen die hij zag aan de oevers van de Ulai en de Hiddekel, de grote rivieren van Sinear, zijn nu bezig in vervulling te gaan, en alle voorzegde gebeurtenissen zullen spoedig hebben plaatsgevonden.’ Manuscript Releases, deel 16, 333, 334.
De Heilige Geest heeft bij het geven van de profetie en de „gebeurtenissen” van Daniëls laatste visioen „de zaken zó gevormd” dat het eerste hoofdstuk (tien) de ervaring van Gods volk in de laatste dagen voorstelt, evenals het laatste hoofdstuk (twaalf). De vormgeving van die drie hoofdstukken, die het licht van de rivier de Hiddekel uitmaken, dat „in het bijzonder voor deze laatste dagen werd gegeven”, was bedoeld om de drievoudige omschrijving van „waarheid” te dragen. Doordat het eerste met het laatste overeenstemt en het middelste op opstand wijst, hebben wij niet alleen de structuur van het Hebreeuwse woord „waarheid”, dat gevormd werd door de eerste, dertiende en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet, maar zien wij ook de handtekening van Alfa en Omega.
Daniël hoofdstuk tien identificeert de honderdvierenvierenveertigduizend die zowel het “chazon”-visioen van de tweeduizend vijfhonderdtwintig jaren als het “mareh”-visioen van de tweeduizend driehonderd jaren begrijpen. Zij begrijpen niet alleen die twee visioenen, maar bezitten ook de ervaring van rechtvaardiging door het geloof die voortgebracht wordt door het vrouwelijke en causatieve “marah”-visioen van “de verschijning”.
„Zowel voor de geest en de ziel als voor het lichaam geldt Gods wet dat kracht door inspanning wordt verworven. Het is oefening die ontwikkeling bevordert. In overeenstemming met deze wet heeft God in Zijn woord de middelen verschaft voor verstandelijke en geestelijke ontwikkeling.
„De Bijbel bevat alle beginselen die de mens nodig heeft te verstaan om geschikt gemaakt te worden, hetzij voor dit leven, hetzij voor het toekomende leven. En deze beginselen kunnen door allen worden begrepen. Niemand die de gezindheid heeft om zijn onderricht te waarderen, kan ook maar één enkele passage uit de Bijbel lezen zonder daaruit enige behulpzame gedachte te verkrijgen. Maar het meest waardevolle onderricht van de Bijbel wordt niet verkregen door toevallige of onsamenhangende studie. Zijn grote stelsel van waarheid is niet zó voorgesteld dat het door de haastige of onzorgvuldige lezer kan worden onderkend. Vele van zijn schatten liggen ver onder de oppervlakte en kunnen slechts door ijverig onderzoek en aanhoudende inspanning worden verkregen. De waarheden die het grote geheel vormen, moeten worden opgespoord en bijeengebracht, ‘hier een weinig en daar een weinig.’ Jesaja 28:10.”
„Wanneer zij aldus worden onderzocht en samengebracht, zal blijken dat zij volkomen op elkaar zijn afgestemd. Elk Evangelie vormt een aanvulling op de andere, elke profetie een verklaring van een andere, elke waarheid een ontvouwing van een andere waarheid. De typen van de Joodse bedeling worden door het evangelie verklaard. Elk beginsel in het woord van God heeft zijn plaats, elk feit zijn strekking. En het volledige bouwwerk legt, zowel in ontwerp als in uitvoering, getuigenis af van zijn Auteur. Geen ander verstand dan dat van de Oneindige kon zulk een bouwwerk bedenken of vormen.
„Bij het naspeuren van de verschillende onderdelen en het bestuderen van hun onderlinge samenhang worden de hoogste vermogens van de menselijke geest tot intense werkzaamheid geroepen. Niemand kan zich met zulk een studie bezighouden zonder verstandelijke kracht te ontwikkelen.
“En de geestelijke waarde van de Bijbelstudie bestaat niet alleen in het opsporen van de waarheid en het bijeenbrengen ervan. Zij bestaat ook in de inspanning die vereist is om de behandelde thema’s te begrijpen. De geest die zich uitsluitend bezighoudt met alledaagse zaken, verschrompelt en verzwakt. Indien hij nooit wordt geoefend om grootse en ver reikende waarheden te bevatten, verliest hij na verloop van tijd het vermogen tot groei. Als bescherming tegen deze ontaarding en als prikkel tot ontwikkeling kan niets zich meten met de studie van Gods woord. Als middel tot verstandelijke vorming is de Bijbel doeltreffender dan enig ander boek, of dan alle andere boeken tezamen. De grootheid van zijn thema’s, de waardige eenvoud van zijn uitspraken, de schoonheid van zijn beeldspraak verlevendigen en verheffen de gedachten zoals niets anders dat kan. Geen enkele andere studie kan zulk een geesteskracht schenken als de inspanning om de ontzagwekkende waarheden van de openbaring te bevatten. De geest die aldus in aanraking wordt gebracht met de gedachten van de Oneindige, kan niet anders dan zich verruimen en versterken.
“En nog groter is de kracht van de Bijbel in de ontwikkeling van de geestelijke natuur. De mens, geschapen voor gemeenschap met God, kan alleen in zulk een gemeenschap zijn werkelijke leven en ontwikkeling vinden. Geschapen om in God zijn hoogste vreugde te vinden, kan hij in niets anders datgene vinden wat het verlangen van het hart tot rust kan brengen, wat de honger en dorst van de ziel kan stillen. Hij die met een oprechte en leerzame geest Gods Woord bestudeert en ernaar zoekt de waarheden ervan te begrijpen, zal in aanraking worden gebracht met de Auteur ervan; en, behalve door zijn eigen keuze, is er geen grens aan de mogelijkheden van zijn ontwikkeling.”
„In haar brede verscheidenheid van stijl en onderwerpen biedt de Bijbel iets dat ieder verstand boeit en tot ieder hart spreekt. Op zijn bladzijden vindt men de oudste geschiedenis; de meest levensechte biografie; beginselen van bestuur voor de leiding van de staat, voor de ordening van het gezin—beginselen die de menselijke wijsheid nooit heeft geëvenaard. Hij bevat de diepzinnigste filosofie, de lieflijkste en verhevenste poëzie, de meest hartstochtelijke en de meest aangrijpende. De geschriften van de Bijbel zijn, zelfs wanneer zij aldus worden beschouwd, in waarde onmetelijk verheven boven de voortbrengselen van welke menselijke auteur ook; maar van oneindig wijder strekking, van oneindig grotere waarde, zijn zij wanneer zij worden bezien in hun verhouding tot de grote centrale gedachte. Bezien in het licht van deze gedachte krijgt ieder onderwerp een nieuwe betekenis. In de eenvoudigst geformuleerde waarheden liggen beginselen besloten die zo hoog zijn als de hemel en de eeuwigheid omvatten.”
‘Het centrale thema van de Bijbel, het thema waaromheen elk ander in het gehele boek zich groepeert, is het verlossingsplan, het herstel in de menselijke ziel van het beeld van God. Vanaf de eerste aanduiding van hoop in het vonnis dat in Eden werd uitgesproken tot aan die laatste heerlijke belofte van de Openbaring: “Zij zullen Zijn aangezicht zien, en Zijn Naam zal op hun voorhoofden zijn” (Openbaring 22:4), is de strekking van elk boek en van iedere passage van de Bijbel de ontvouwing van dit wonderbare thema,—de verheffing van de mens,—de kracht van God, “die ons de overwinning geeft door onze Heere Jezus Christus.” 1 Korintiërs 15:57.’ Education, 123–125.
In de zojuist aangehaalde passage wordt vastgesteld dat de Bijbel, beschouwd vanuit welk literair gezichtspunt ook, verreweg uitmunt boven elke menselijke voortbrenging. Zuster White verklaarde: „Op zijn bladzijden vindt men de oudste geschiedenis; de meest levensechte biografie; staatsbeginselen voor het bestuur van de staat, voor de regeling van het gezin—beginselen die de menselijke wijsheid nooit heeft geëvenaard. Hij bevat de diepzinnigste filosofie, de lieflijkste en verhevenste poëzie, de meest hartstochtelijke en aangrijpendste,” en dat „geen andere geest dan die van de Oneindige zulk een opbouw zou kunnen bedenken of vormen.”
Alle erkende regels van de mensheid waarmee de regels worden vastgesteld die de structuur van de literatuur verschaffen, worden door de Bijbel overtroffen. De beginselen die aan de universiteiten van de mensheid worden onderwezen, welke het onderscheid aangeven tussen middelmatige of mindere literatuur en de meesterwerken van de menselijke literatuur, worden alle door de Bijbel overtroffen. Met dat in gedachten is het de moeite waard te erkennen dat het hoogtepunt, de grootse afsluiting van het profetische getuigenis van de gehele Bijbel, wordt weergegeven in Daniëls laatste visioen. Het is de sluitsteen van het profetische getuigenis, en er is geen hoogtepunt in de menselijke literatuur dat ook maar in de buurt komt van het getuigenis van Daniël hoofdstuk elf, beginnend bij vers één en doorgaand tot en met hoofdstuk twaalf, vers vier.
In het boek Openbaring komen alle boeken van de Bijbel samen en vinden zij hun voltooiing, en in de Openbaring worden dezelfde lijnen van profetie weer opgenomen als in het boek Daniël; maar in hun onderlinge verhouding is het boek Daniël de eerste vermelding en Openbaring de laatste. Alles bestaat in de eerste vermelding, en alles bestaat in het boek Daniël, en het hoogtepunt van dat boek is het visioen dat bij de rivier de Hiddekel werd gegeven. Het hoogtepunt van de gebeurtenissen die in dat visioen worden voorgesteld, begint in vers veertig en gaat door totdat het boek in hoofdstuk twaalf, vers vier, verzegeld wordt. Die verzen vertegenwoordigen de grote finale van iedere profetische waarheid die ooit door de heilige mannen vanouds is uitgesproken of opgetekend, met inbegrip van Zuster White.
Wat tot die conclusie in hoofdstuk elf leidt, zijn geschiedenissen binnen het hoofdstuk die getuigenissen verschaffen voor het juiste begrip van de laatste zes verzen van hoofdstuk elf, waar de drievoudige vijanden van de draak, het beest en de valse profeet de wereld nu naar het einde van de menselijke genadetijd voeren. Zuster White identificeert dit interne beginsel rechtstreeks.
‘Wij hebben geen tijd te verliezen. Benauwde tijden liggen vóór ons. De wereld wordt beroerd door de geest van oorlog. Weldra zullen de tonelen van benauwdheid, waarvan in de profetieën is gesproken, plaatsvinden. De profetie in het elfde hoofdstuk van Daniël heeft haar volledige vervulling bijna bereikt. Veel van de geschiedenis die in vervulling van deze profetie heeft plaatsgevonden, zal zich herhalen. In het dertigste vers wordt gesproken van een macht die “bedroefd zal worden, en wederkeren, en gramschap zal hebben tegen het heilige verbond; alzo zal hij doen; ja, hij zal wederkeren, en achting hebben op degenen die het heilige verbond verlaten. En er zullen armen uit hem ontstaan, en zij zullen het heiligdom der sterkte ontheiligen, en zullen het gedurige offer wegnemen, en zij zullen den verwoestenden gruwel stellen. En degenen die goddeloos handelen tegen het verbond, zal hij door vleierijen doen huichelen; maar het volk dat zijn God kent, zal zich sterk houden, en daden doen. En de verstandigen onder het volk zullen er velen onderwijzen; nochtans zullen zij vallen door het zwaard, en door vlam, door gevangenschap en door beroving, vele dagen. En als zij vallen zullen, zullen zij met een kleine hulp geholpen worden; maar velen zullen zich met vleierijen bij hen voegen. En van de verstandigen zullen er vallen, om hen te beproeven, en om hen te reinigen, en om hen wit te maken, tot den tijd van het einde; want het zal nog zijn tot den bestemden tijd. En die koning zal doen naar zijn welgevallen, en hij zal zichzelven verheffen, en zichzelven groot maken boven allen god, en hij zal wonderlijke dingen spreken tegen den God der goden; en hij zal voorspoedig zijn, totdat de gramschap voleind zij, want het is vastelijk besloten, het zal geschieden.” Daniël 11:30–36.’
„Taferelen gelijk aan die welke in deze woorden worden beschreven, zullen plaatsvinden. Wij zien bewijzen dat Satan zich snel meester maakt van de menselijke geest van hen die de vreze Gods niet voor ogen hebben. Laat allen de profetieën van dit boek lezen en verstaan, want wij treden thans de tijd der benauwdheid binnen waarvan gesproken is:
“‘En te dien tijde zal Michaël opstaan, de grote Vorst, Die de kinderen van uw volk terzijde staat; en er zal een tijd van benauwdheid zijn, zoals er niet geweest is sinds er een volk is geweest tot op diezelfde tijd; en in die tijd zal uw volk ontkomen, ieder die in het boek geschreven gevonden wordt. En velen van hen die slapen in het stof der aarde zullen ontwaken, sommigen tot het eeuwige leven en sommigen tot smaad en eeuwige afgrijzing. En zij die verstandig zijn, zullen blinken als de glans van het uitspansel; en zij die velen tot gerechtigheid brengen, als de sterren, voor eeuwig en altoos. Maar gij, o Daniël, sluit de woorden toe en verzegel het boek, tot de tijd van het einde; velen zullen het doorzoeken, en de kennis zal vermeerderd worden.’ Daniël 12:1–4.” Manuscript Releases, nummer 13, 394.
In deze passage verwijst Zuster White eerst naar Daniël hoofdstuk elf en noemt vervolgens het beginsel „dat veel van de geschiedenis die heeft plaatsgevonden in vervulling van deze profetie, herhaald zal worden.” Daarna citeert zij rechtstreeks vers dertig tot en met zesendertig en vervolgt met de verklaring dat „taferelen die gelijk zijn aan die welke in deze woorden worden beschreven, zullen plaatsvinden.” Nadat zij vers dertig tot en met zesendertig heeft aangeduid en heeft gezegd dat taferelen die met die verzen overeenkomen zullen plaatsvinden, duidt zij vervolgens het einde van de genadetijd aan, wanneer Michaël opstaat in vers één van hoofdstuk twaalf. Door dit te doen, zondert zij die zeven verzen af en plaatst zij die in de geschiedenis die onmiddellijk voorafgaat aan het opstaan van Michaël.
Meer dan eens hebben wij de geschiedenis van de verzen dertig tot en met zesendertig behandeld, en hoe deze parallel lopen met de verzen veertig tot en met vijfenveertig van Daniël elf; en wij zullen nu andere perioden van de profetische geschiedenis in hoofdstuk elf gaan beschouwen die in die laatste zes verzen worden herhaald. Voordat wij dit echter doen, zullen wij nogmaals een beknopte samenvatting geven van de parallel tussen de verzen dertig tot en met zesendertig en de verzen veertig tot en met vijfenveertig.
Vers dertig markeert de overgang van heidens Rome naar pauselijk Rome. Die overgangsgeschiedenis wordt behandeld in een verscheidenheid aan profetische passages die zulke data aanwijzen als de jaren 330, 508, 533 en 538. Er zijn andere profetische markeringen in de overgang van het vierde koninkrijk naar het vijfde koninkrijk van de Bijbelse profetie, maar in vers eenendertig staat heidens Rome op ten behoeve van het pausdom, zoals vertegenwoordigd door Clovis in het jaar 496. De heidense machten die in het vers aanvankelijk door Clovis worden vertegenwoordigd, volbrengen het werk om elke heidense weerstand (het dagelijkse) tegen de opkomst van het pausdom tegen het jaar 508 weg te nemen. De oorlogvoering van die tijden brengt verwoesting over de Stad Rome gedurende die geschiedenis, zoals voorgesteld door het “heiligdom der sterkte”, en tegen het jaar 538 plaatsen de heidense machten het pausdom op de troon der aarde, en zij vaardigt vervolgens op het Concilie van Orléans een zondagwet uit.
Verzen tweeëndertig tot en met zesendertig duiden de moorddadige oorlogvoering aan die het pausdom toen gedurende de twaalfhonderdzestig jaren van de Donkere Middeleeuwen tegen Gods getrouwen voerde. Uiteindelijk komt het pausdom in vers zesendertig aan haar einde. In vers veertig smeedde Reagan een geheime alliantie met de antichrist, waarmee werd gemarkeerd dat de weerstand van het protestantisme was weggenomen, zoals voorgesteld door het jaar 508. Reagans inzet van financiële middelen en militaire macht was vooraf uitgebeeld door de „wapenen” die in 496 optraden ten gunste van het pausdom. De vernietiging van het heiligdom der sterkte van het heidense Rome, voorgesteld door de stad Rome, is een type van de vernietiging van de Amerikaanse Grondwet bij de spoedig komende zondagswet, want de Grondwet is het heiligdom der sterkte voor de Verenigde Staten. Bij de zondagswet zal het pausdom opnieuw op de troon der aarde worden geplaatst, zoals voorgesteld door het jaar 538.
Dan zal de laatste periode van moorddadige pauselijke vervolging tegen Gods getrouwen beginnen, zoals die plaatsvond in de Donkere Middeleeuwen van 538 tot 1798. Dit zal leiden tot de sluiting van de menselijke genadetijd, wanneer Michaël opstaat, zoals uitgebeeld door 1798, toen het pausdom, dat twaalfhonderdzestig jaar lang had voorspoed genoten, de verontwaardiging van de dodelijke wond ontving.
Wij zullen deze studie in het volgende artikel voortzetten.
‘Bij een bepaalde gelegenheid, toen ik mij in New York City bevond, werd ik in het nachtelijk gezicht geroepen om gebouwen te aanschouwen die verdieping na verdieping naar de hemel rezen. Van deze gebouwen werd verzekerd dat zij brandvrij waren, en zij werden opgericht tot verheerlijking van hun eigenaars en bouwers. Hoger en steeds hoger rezen deze gebouwen, en daarin werd het kostbaarste materiaal gebruikt. Degenen aan wie deze gebouwen toebehoorden, vroegen zich niet af: “Hoe kunnen wij God het best verheerlijken?” De Heere was niet in hun gedachten.‘
„Ik dacht: ‘Och, konden zij die hun middelen aldus besteden hun handelwijze zien zoals God die ziet! Zij stapelen prachtige gebouwen op, maar hoe dwaas is hun plannen en beramen in de ogen van de Heerser van het heelal. Zij onderzoeken niet met alle krachten van hart en verstand hoe zij God kunnen verheerlijken. Zij hebben dit uit het oog verloren, de eerste plicht van de mens.’”
“Toen deze statige gebouwen verrezen, verheugden de eigenaars zich in hoogmoedige eerzucht dat zij geld hadden om te gebruiken tot bevrediging van het eigen ik en tot het opwekken van de afgunst van hun buren. Een groot deel van het geld dat zij aldus investeerden, was verkregen door afpersing, door de armen uit te persen. Zij vergaten dat in de hemel van iedere zakelijke transactie rekenschap wordt gehouden; iedere onrechtvaardige overeenkomst, iedere bedrieglijke daad, staat daar opgetekend. De tijd komt dat de mensen in hun bedrog en vermetelheid een punt zullen bereiken dat de Heer hun niet zal toestaan te overschrijden, en zij zullen leren dat er een grens is aan de lankmoedigheid van Jehovah.
“Het tafereel dat zich vervolgens aan mij voordeed, was een brandalarm. Mensen keken naar de hoge en zogenaamd brandvrije gebouwen en zeiden: ‘Zij zijn volkomen veilig.’ Maar deze gebouwen werden verteerd alsof zij van pek waren gemaakt. De brandspuiten konden niets doen om de verwoesting te stuiten. De brandweerlieden waren niet in staat de spuiten te bedienen.”
„Mij is te kennen gegeven dat, wanneer de tijd des Heren komt, indien er geen verandering heeft plaatsgevonden in de harten van trotse, eerzuchtige mensen, de mensen zullen bevinden dat de hand die sterk was om te redden, sterk zal zijn om te verdelgen. Geen aardse macht kan de hand van God tegenhouden. Geen enkel materiaal kan bij het oprichten van gebouwen worden gebruikt dat deze voor vernietiging zal behoeden, wanneer Gods bestemde tijd komt om vergelding over de mensen te zenden wegens hun veronachtzaming van Zijn wet en wegens hun zelfzuchtige eerzucht.״
Er zijn er niet velen, zelfs niet onder opvoeders en staatslieden, die de oorzaken begrijpen die ten grondslag liggen aan de huidige toestand van de samenleving. Degenen die de teugels van het bestuur in handen houden, zijn niet in staat het probleem van moreel verval, armoede, behoeftigheid en toenemende misdaad op te lossen. Zij worstelen tevergeefs om het zakenleven op een zekerder grondslag te plaatsen. Indien de mensen meer acht zouden slaan op het onderwijs van Gods Woord, zouden zij een oplossing vinden voor de problemen die hen in verwarring brengen.
“De Schriften beschrijven de toestand van de wereld vlak vóór de tweede komst van Christus. Over de mensen die zich door roof en afpersing grote rijkdommen vergaren, staat geschreven: ‘Gij hebt schatten opgehoopt voor de laatste dagen. Ziet, het loon van de arbeiders die uw velden hebben gemaaid, dat door u door bedrog is achtergehouden, roept; en de kreten van hen die geoogst hebben, zijn doorgedrongen tot de oren van de Heere der heirscharen. Gij hebt in weelde op de aarde geleefd en u in wellust overgegeven; gij hebt uw harten gevoed als op een slachtdag. Gij hebt de rechtvaardige veroordeeld en gedood; hij weerstaat u niet.’ Jakobus 5:3–6.”
‘Maar wie leest de waarschuwingen die worden gegeven door de tekenen der tijden, die zich snel vervullen? Welke indruk wordt op wereldlingen gemaakt? Welke verandering wordt gezien in hun houding? Niet meer dan werd gezien in de houding van de bewoners der Noachitische wereld. Opgeslorpt door wereldse zaken en genot, “beseften de antediluvianen het niet, totdat de zondvloed kwam en hen allen wegnam.” Mattheüs 24:39. Zij hadden uit de hemel gezonden waarschuwingen, maar zij weigerden te luisteren. En heden snelt de wereld, volkomen onverschillig voor de waarschuwende stem van God, voort naar het eeuwig verderf.
„De wereld wordt bewogen door de geest van oorlog. De profetie van het elfde hoofdstuk van Daniël heeft bijna haar volledige vervulling bereikt. Spoedig zullen de tonelen van benauwdheid waarover in de profetieën gesproken wordt, plaatsvinden.” Testimonies, deel 9, 12–14.