De verzen zestien tot en met negentien van Daniël hoofdstuk elf vertegenwoordigen de geschiedenis die begint bij de spoedig komende zondagswet in de Verenigde Staten, tot het ogenblik waarop Michaël opstaat en de menselijke genadetijd wordt afgesloten. Zij vertegenwoordigen daarom ook de geschiedenis van vers eenenveertig tot en met vers vijfenveertig van hetzelfde hoofdstuk.
Maar hij die tegen hem optrekt, zal handelen naar zijn eigen wil, en niemand zal voor hem standhouden; en hij zal staan in het heerlijke land, dat door zijn hand verteerd zal worden. Ook zal hij zich voornemen binnen te trekken met de macht van zijn gehele koninkrijk, en oprechten met hem; aldus zal hij doen: en hij zal hem de dochter der vrouwen geven, om haar te verderven; maar zij zal niet aan zijn zijde standhouden, noch voor hem zijn. Daarna zal hij zich keren naar de eilanden en er vele innemen; maar een vorst zal om zijnentwil de smaad, door hem aangedaan, doen ophouden; zonder zijn eigen smaad zal hij die op hem doen terugkeren. Dan zal hij zich keren naar de vesting van zijn eigen land; maar hij zal struikelen en vallen, en niet gevonden worden. Daniël 11:16–19.
Toen zuster White het uiteindelijke in vervulling gaan van Daniël hoofdstuk elf behandelde, verklaarde zij „dat veel van de geschiedenis die in deze profetie in vervulling is gegaan, zal worden herhaald.” De verzen eenenveertig tot en met vijfenveertig herhalen de profetische geschiedenis van deze verzen. De verzen werden vervuld toen het heidense Rome de heerschappij over de wereld verwierf door eerst drie geografische gebieden te veroveren.
“Hoewel Egypte niet kon standhouden tegenover Antiochus, de koning van het noorden, kon Antiochus niet standhouden tegenover de Romeinen, die nu tegen hem optrokken. Geen koninkrijken waren nog langer in staat deze opkomende macht te weerstaan. Syrië werd veroverd en aan het Romeinse rijk toegevoegd, toen Pompejus in 65 v.Chr. Antiochus Asiaticus van zijn bezittingen beroofde en Syrië tot een Romeinse provincie maakte.
Diezelfde macht zou zich ook in het Heilige Land opstellen en het verteren. Rome raakte door een verbond in 162 v.Chr. verbonden met het volk van God, de Joden, vanaf welke datum het een vooraanstaande plaats inneemt op de profetische tijdschaal. Het verkreeg echter de heerschappij over Judea niet door daadwerkelijke verovering vóór 63 v.Chr.; en wel op de volgende wijze.
“Bij Pompejus’ terugkeer van zijn veldtocht tegen Mithridates, koning van Pontus, streden twee mededingers, Hyrcanus en Aristobulus, om de kroon van Judea. Hun zaak werd aan Pompejus voorgelegd, die weldra de onrechtvaardigheid van de aanspraken van Aristobulus inzag, maar wenste de beslissing in deze aangelegenheid uit te stellen tot na zijn lang begeerde veldtocht naar Arabië, met de belofte daarna terug te keren en hun zaken te regelen zoals recht en billijk zou schijnen. Aristobulus, die Pompejus’ werkelijke gezindheid doorgrondde, haastte zich terug naar Judea, bewapende zijn onderdanen en bereidde zich voor op een krachtig verweer, vastbesloten om, wat het ook mocht kosten, de kroon te behouden, die hij voorzag aan een ander te zullen worden toegewezen. Pompejus volgde de vluchteling op de voet. Toen hij Jeruzalem naderde, kwam Aristobulus, die berouw begon te krijgen over zijn handelwijze, hem tegemoet en poogde de zaken in der minne te schikken door volledige onderwerping en grote sommen gelds te beloven. Pompejus nam dit aanbod aan en zond Gabinius aan het hoofd van een afdeling soldaten om het geld in ontvangst te nemen. Maar toen die luitenant-generaal in Jeruzalem aankwam, vond hij de poorten voor hem gesloten, en vanaf de muren werd hem toegeroepen dat de stad zich niet aan de overeenkomst zou houden.”
“Pompejus, die zich niet ongestraft op deze wijze liet misleiden, sloeg Aristobulus, die hij bij zich had gehouden, in boeien en rukte terstond met zijn gehele leger op tegen Jeruzalem. De aanhangers van Aristobulus waren voor het verdedigen van de plaats; die van Hyrcanus, voor het openen van de poorten. Daar dezen in de meerderheid waren en de overhand kregen, werd aan Pompejus vrije toegang tot de stad verleend. Daarop trokken de aanhangers van Aristobulus zich terug op de tempelberg, vastbesloten die plaats te verdedigen, evenzeer als Pompejus vastbesloten was haar in te nemen. Aan het einde van drie maanden was er in de muur een bres geslagen die voldoende was voor een bestorming, en de plaats werd met het zwaard veroverd. In de vreselijke slachting die daarop volgde, werden twaalfduizend personen gedood. Het was een aangrijpend schouwspel, merkt de geschiedschrijver op, de priesters te zien, die op dat ogenblik met de goddelijke dienst bezig waren en met kalme hand en standvastig voornemen hun gebruikelijke werk voortzetten, blijkbaar onbewust van het woeste rumoer, hoewel rondom hen hun vrienden werden afgeslacht en hoewel dikwijls hun eigen bloed zich vermengde met dat van hun offers.”
“Nadat Pompejus een einde had gemaakt aan de oorlog, slechttte hij de muren van Jeruzalem, bracht verscheidene steden over van het rechtsgebied van Judea naar dat van Syrië, en legde de Joden schatting op. Aldus werd Jeruzalem voor het eerst door verovering gebracht in de handen van die macht welke het ‘heerlijke land’ in haar ijzeren greep zou houden totdat zij het geheel had verteerd.
“‘VERS 17. Daarna zal hij zijn aangezicht richten om binnen te trekken met de kracht van zijn gehele koninkrijk, en oprechten met hem; aldus zal hij doen: en hij zal hem de dochter der vrouwen geven, haar verdervend; maar zij zal niet aan zijn zijde standhouden, noch voor hem zijn.’”
‘Bisschop Newton geeft voor dit vers een andere lezing, die de strekking schijnt duidelijker weer te geven, als volgt: “Ook zal hij zijn aangezicht erop richten om met geweld het gehele koninkrijk binnen te trekken.” Vers 16 bracht ons tot aan de verovering van Syrië en Judea door de Romeinen. Rome had tevoren Macedonië en Thracië veroverd. Egypte was nu al wat overbleef van het “gehele koninkrijk” van Alexander, dat niet onderworpen was aan de Romeinse macht, welke macht nu haar aangezicht erop richtte om met geweld dat land binnen te trekken.’
Ptolemaeus Auletes stierf in 51 v.Chr. Hij liet de kroon en het koninkrijk Egypte na aan zijn oudste zoon en dochter, Ptolemaeus en Cleopatra. In zijn testament was bepaald dat zij met elkaar zouden trouwen en gezamenlijk zouden regeren; en omdat zij nog jong waren, werden zij onder de voogdij van de Romeinen geplaatst. Het Romeinse volk aanvaardde deze taak en stelde Pompejus aan als voogd over de jonge erfgenamen van Egypte.
„Niet lang daarna brak er twist uit tussen Pompejus en Caesar, en tussen de beide veldheren werd de beroemde slag bij Pharsalus geleverd. Pompejus, verslagen zijnde, vluchtte naar Egypte. Caesar volgde hem onmiddellijk daarheen; maar vóór zijn aankomst werd Pompejus op lafhartige wijze vermoord door Ptolemaeus, wiens voogd hij was aangesteld. Caesar nam daarom de aanstelling over die aan Pompejus was gegeven, als voogd van Ptolemaeus en Cleopatra. Hij trof Egypte aan in beroering door binnenlandse onlusten, daar Ptolemaeus en Cleopatra vijandig tegenover elkaar waren komen te staan en zij van haar aandeel in de regering was beroofd. Desondanks aarzelde hij niet om met zijn kleine strijdmacht, 800 ruiters en 3200 man voetvolk, bij Alexandrië aan land te gaan, kennis te nemen van het geschil en de beslechting ervan op zich te nemen. Daar de moeilijkheden van dag tot dag toenamen, bevond Caesar dat zijn kleine strijdmacht ontoereikend was om zijn positie te handhaven, en omdat hij wegens de noordenwind die in dat jaargetijde waaide Egypte niet kon verlaten, zond hij naar Azië met bevel dat alle troepen die hij in dat gewest had hem zo spoedig mogelijk te hulp zouden komen.
“Op de meest hoogmoedige wijze verordende hij dat Ptolemaeus en Cleopatra hun legers zouden ontbinden, voor hem zouden verschijnen om hun geschillen te doen beslechten, en zich aan zijn beslissing zouden onderwerpen. Aangezien Egypte een onafhankelijk koninkrijk was, werd dit hoogmoedige decreet beschouwd als een aantasting van zijn koninklijke waardigheid, waarop de Egyptenaren, hevig verbolgen, naar de wapenen grepen. Caesar antwoordde dat hij handelde krachtens de wil van hun vader, Auletes, die zijn kinderen onder de voogdij van de senaat en het volk van Rome had geplaatst, waarvan de gehele macht thans in zijn persoon als consul berustte; en dat hij als voogd het recht had tussen hen te bemiddelen.”
“De zaak werd uiteindelijk aan hem voorgelegd, en er werden pleitbezorgers aangewezen om de zaak van de onderscheiden partijen te bepleiten. Cleopatra, zich bewust van de zwakke plek van de grote Romeinse veroveraar, oordeelde dat de schoonheid van haar verschijning doeltreffender zou zijn om een uitspraak in haar voordeel te verkrijgen dan enige pleitbezorger die zij zou kunnen inschakelen. Om onopgemerkt in zijn tegenwoordigheid te komen, nam zij haar toevlucht tot het volgende kunstgreep: Zich over haar volle lengte uitstrekkend in een bundel kleren, werd zij door Apollodorus, haar Siciliaanse dienaar, in een doek gewikkeld, met een riem vastgebonden, en hij hief die op zijn herculische schouders en begaf zich naar de vertrekken van Caesar. Onder het voorwendsel een geschenk voor de Romeinse veldheer te hebben, werd hij door de poort van de citadel binnengelaten, trad in Caesars tegenwoordigheid en legde de last aan zijn voeten neer. Toen Caesar deze levende bundel had losgemaakt, zie, de schone Cleopatra stond voor hem. Hij was verre van misnoegd over deze kunstgreep, en daar hij van een karakter was als beschreven in 2 Petrus 2:14, had, zegt Rollin, de eerste aanblik van zulk een schone persoon op hem geheel de uitwerking die zij had gewenst.”
‘Caesar bepaalde ten slotte dat de broer en de zuster overeenkomstig de bedoeling van het testament gezamenlijk de troon zouden bezetten. Pothinus, de voornaamste minister van staat, die in hoofdzaak ertoe had bijgedragen Cleopatra van de troon te verdrijven, vreesde de gevolgen van haar herstel. Daarom begon hij jaloezie en vijandigheid tegen Caesar op te wekken door onder het volk te laten doorschemeren dat hij uiteindelijk van plan was Cleopatra de alleenheerschappij te geven. Weldra volgde openlijke opstand. Achillas rukte aan het hoofd van 20.000 man op om Caesar uit Alexandrië te verdrijven. Door zijn kleine troepenmacht kundig over de straten en stegen van de stad te verdelen, had Caesar geen moeite de aanval af te slaan. De Egyptenaren ondernamen zijn vloot te vernietigen. Hij beantwoordde dit door de hunne in brand te steken. Doordat enkele van de brandende schepen in de nabijheid van de kade dreven, vatten verscheidene gebouwen van de stad vlam, en de beroemde Alexandrijnse bibliotheek, die bijna 400.000 boekrollen bevatte, werd verwoest.
“Omdat de oorlog steeds dreigender werd, zond Caesar naar alle naburige landen om hulp. Een grote vloot kwam uit Klein-Azië hem te hulp. Mithridates trok naar Egypte met een leger dat in Syrië en Cilicië was geworven. Antipater, de Idumeeër, voegde zich met 3.000 Joden bij hem. De Joden, die de bergpassen naar Egypte in handen hadden, lieten het leger zonder onderbreking doortrekken. Zonder deze medewerking van hun kant zou het gehele plan hebben moeten mislukken. De aankomst van dit leger besliste de strijd. Bij de Nijl werd een beslissende slag geleverd, die uitliep op een volledige overwinning voor Caesar. Ptolemaeus, die trachtte te ontkomen, verdronk in de rivier. Alexandrië en heel Egypte onderwierpen zich toen aan de overwinnaar. Rome was nu binnengetreden in en had het gehele oorspronkelijke rijk van Alexander in zich opgenomen.”
Met de ‘oprechten’ van de tekst worden ongetwijfeld de Joden bedoeld, die hem de reeds genoemde hulp verleenden. Zonder deze zou hij hebben moeten falen; met deze onderwierp hij Egypte in 47 v.Chr. volledig aan zijn macht.
“‘De dochter der vrouwen, om haar te verderven.’ De hartstocht die Caesar had opgevat voor Cleopatra, bij wie hij één zoon had, wordt door de geschiedschrijver aangewezen als de enige reden waarom hij een zo gevaarlijke veldtocht als de Egyptische oorlog ondernam. Hierdoor bleef hij veel langer in Egypte dan zijn omstandigheden vereisten, daar hij gehele nachten doorbracht met feesten en brassen met de losbandige koningin. ‘Maar,’ zei de profeet, ‘zij zal niet aan zijn zijde standhouden, noch voor hem zijn.’ Cleopatra verbond zich later met Antonius, de vijand van Augustus Caesar, en stelde haar gehele macht te werk tegen Rome.”
‘VERS 18. Daarna zal hij zijn aangezicht naar de eilanden wenden en er vele innemen; maar een vorst zal, ten behoeve van zichzelf, de door hem aangedane smaad doen ophouden; zonder zijn eigen smaad zal hij die op hem doen terugkeren.’
„De oorlog met Pharnaces, koning van het Cimmerische Bosporusrijk, trok hem ten slotte uit Egypte weg. ‘Bij zijn aankomst ter plaatse waar de vijand was,’ zegt Prideaux, ‘viel hij, zonder zichzelf of hen enige adempauze te gunnen, onmiddellijk aan en behaalde een volstrekte overwinning op hen; hiervan schreef hij aan een vriend van hem in deze drie woorden rekenschap: Veni, vidi, vici; ik kwam, ik zag, ik overwon.’ Het laatste gedeelte van dit vers is in enige duisterheid gehuld, en er bestaat verschil van mening met betrekking tot de toepassing ervan. Sommigen passen het op een vroeger tijdstip in Caesars leven toe, en menen daarin een vervulling te vinden in zijn twist met Pompejus. Maar de voorafgaande en daaropvolgende gebeurtenissen, die in de profetie duidelijk zijn omschreven, dwingen ons de vervulling van dit deel der voorspelling te zoeken tussen de overwinning op Pharnaces en Caesars dood te Rome, zoals die in het volgende vers onder de aandacht wordt gebracht. Een vollediger geschiedenis van deze periode zou mogelijk gebeurtenissen aan het licht brengen die de toepassing van deze passage zonder moeilijkheid zouden maken.“
“‘VERS 19. Daarna zal hij zijn aangezicht wenden naar de vesting van zijn eigen land; maar hij zal struikelen en vallen, en niet gevonden worden.’”
‘Na deze overwinning versloeg Caesar de laatste overgebleven resten van Pompejus’ partij, Cato en Scipio in Afrika en Labienus en Varus in Spanje. Toen hij naar Rome terugkeerde, de “vesting van zijn eigen land”, werd hij tot dictator voor het leven gemaakt; en hem werden zodanige andere machten en eerbewijzen verleend dat zij hem feitelijk tot absoluut heerser over het gehele rijk maakten. Maar de profeet had gezegd dat hij zou struikelen en vallen. De bewoordingen houden in dat zijn ondergang plotseling en onverwacht zou zijn, als van iemand die toevallig struikelt tijdens het gaan. En zo viel deze man, die vijfhonderd veldslagen had gestreden en gewonnen, duizend steden had ingenomen en één miljoen honderd tweeënnegentigduizend mannen had gedood, niet te midden van het strijdgewoel en in het uur van de worsteling, maar toen hij meende dat zijn pad effen en met bloemen bestrooid was, en toen men veronderstelde dat het gevaar ver verwijderd was; want toen hij in de senaatszaal plaatsnam op zijn gouden troon om uit de hand van dat lichaam de titel van koning te ontvangen, trof de dolk van verraad hem plotseling in het hart. Cassius, Brutus en andere samenzweerders stortten zich op hem, en hij viel, doorboord met drieëntwintig wonden. Zo struikelde en viel hij plotseling, en werd niet meer gevonden, 44 v.Chr.’ Uriah Smith, Daniel and the Revelation, 258–264.
De historische vervulling van het heidense Rome (de koning van het noorden), dat op de troon werd gevestigd, is een geschiedenis die vooruitwijst naar de geschiedenis van de troonsbestijging van het moderne Rome bij de drievoudige verbintenis die plaatsvindt bij de spoedig komende zondagwet. Deze geschiedenis wordt ook uitgebeeld in de verzen dertig tot en met zesendertig, die aangeven wanneer het pausdom in 538 voor het eerst op de troon werd geplaatst. De verzen zestien tot en met negentien, en de verzen eenendertig tot en met zesendertig, stellen beide de uiteindelijke opkomst en val van de hoer van Tyrus voor. Die geschiedenis werd ook weergegeven in de verzen vijf tot en met negen, toen de eerste koning van het noorden werd gevestigd nadat hij drie geografische gebieden had veroverd. Daarna ging hij een verbond aan met de koning van het zuiden, maar verbrak het verbond, en als reactie bracht de koning van het zuiden een dodelijke wond toe, en de koning van het noorden stierf in de gevangenschap van Egypte.
Verzen vijf tot en met negen, verzen zestien tot en met negentien, en verzen dertig tot en met zesendertig verschaffen drie profetische lijnen die in verzen veertig tot en met vijfenveertig worden vervuld. Toen zuster White aangaf dat „een groot deel van de geschiedenis die in deze profetie vervuld is, herhaald zal worden”, betekende dit in werkelijkheid dat het gehele hoofdstuk de verzen veertig tot en met vijfenveertig illustreert. Verzen twintig tot en met tweeëntwintig duiden de geboorte en de dood van Christus aan, en vertegenwoordigen aldus de tijd van het einde zowel in 1798 als in 1989 door Zijn geboorte; vervolgens vertegenwoordigde Zijn dood aan het kruis 22 oktober 1844 en de zondagswet.
Vers drieëntwintig identificeert het verbond tussen de Joden en Rome gedurende de geschiedenis van de Makkabese opstand. Het „verbond” in die geschiedenis wordt weergegeven door de data 161 v.Chr. en 158 v.Chr. De Makkabese geschiedenis vertegenwoordigt een interne lijn die haar begin vindt met een „verbond” tussen Rome en de Makkabese Joden, dat door de Joden werd geïnitieerd, en uiteindelijk eindigde met het uitspreken door de Joden dat zij geen koning hebben dan de keizer. Vers drieëntwintig volgt uiteraard op vers eenentwintig en tweeëntwintig, en vers eenentwintig identificeert de geboorte van Christus, die een profetische tijd van het einde is, en vers tweeëntwintig identificeert het kruis, dat de zondagswet vertegenwoordigt.
Aan het kruis erkenden de Joden Caesar (Rome) als hun koning, en het „verbond” van vers drieëntwintig verwijst naar het begin van de keuze van de Joden om Rome te dienen, juist op het eindpunt van de verkondiging van hun trouw aan Rome door de Joden. Het einde van de Joden, zoals voorgesteld aan het kruis, wordt gevolgd door het begin van de verbondenheid van de Joden met Rome.
Verzen vierentwintig tot en met dertig beschrijven de driehonderdzestig jaren waarin het heidense Rome oppermachtig heerste, vanaf de Slag bij Actium in 31 v.Chr. tot aan de verplaatsing van de hoofdstad van Rome naar Constantinopel in het jaar 330. De periode van driehonderdzestig jaren is een type van de twaalfhonderdzestig jaren waarin het pauselijke Rome oppermachtig heerste, en samen vertegenwoordigen zij de periode van vers eenenveertig, en de drievoudige unie die plaatsvindt bij de spoedig komende zondagwet, tot aan het einde van de genadetijd.
Alle profetische lijnen van de geschiedenis in hoofdstuk elf stemmen overeen met de laatste zes verzen van Daniël elf, maar het is de profetische geschiedenis vanaf de tijd van het einde in 1989, weergegeven in vers veertig, tot aan de zondagswet in vers eenenveertig, die „dat gedeelte van de profetie van Daniël betreffende de laatste dagen” is. De geschiedenis die in vers veertig oningevuld blijft, is de Openbaring van Jezus Christus, die wordt ontsloten wanneer de tijd nabij is, vlak voordat de genadetijd wordt afgesloten.
Wij zullen deze studie in het volgende artikel voortzetten.
„Wij hebben de geboden van God en het getuigenis van Jezus Christus, dat de geest der profetie is. Onschatbare schatten zijn te vinden in het Woord van God. Zij die dit Woord onderzoeken, dienen de geest helder te houden. Nooit mogen zij toegeven aan een verdorven eet- of drinklust.״
‘Indien zij dit doen, zal het verstand in verwarring raken; zij zullen niet in staat zijn de inspanning te verdragen die het diep graven vereist om de betekenis te ontdekken van die dingen welke betrekking hebben op de slottonelen van de geschiedenis van deze aarde.‘
„Wanneer de boeken Daniël en Openbaring beter worden begrepen, zullen gelovigen een geheel andere godsdienstige ervaring hebben. Hun zullen zodanige blikken op de open poorten van de hemel worden gegund, dat hart en verstand onder de indruk zullen komen van het karakter dat allen moeten ontwikkelen om de zaligheid te verwerven die de beloning zal zijn van de reinen van hart.״
„De Heer zal allen zegenen die in nederigheid en zachtmoedigheid ernaar streven te verstaan wat in de Openbaring is geopenbaard. Dit boek bevat zo veel dat zwanger is van onsterfelijkheid en vol van heerlijkheid, dat allen die het lezen en het ernstig doorzoeken, de zegen ontvangen die is toegezegd aan hen ‘die de woorden van deze profetie horen en bewaren wat daarin geschreven staat.’”
„Eén ding zal uit de bestudering van Openbaring zeker worden begrepen—dat de band tussen God en Zijn volk nauw en onmiskenbaar is.‟
„Er wordt een wonderbaar verband gezien tussen het heelal van de hemel en deze wereld. Wat aan Daniël werd geopenbaard, werd later aangevuld door de openbaring die aan Johannes op het eiland Patmos werd gegeven. Deze twee boeken dienen zorgvuldig te worden bestudeerd. Tweemaal vroeg Daniël: Hoe lang zal het zijn tot het einde der tijd?”
“‘En ik hoorde het, maar ik begreep het niet; toen zei ik: O mijn Heer, wat zal het einde van deze dingen zijn? En Hij zei: Ga heen, Daniël, want deze woorden blijven verborgen en verzegeld tot de tijd van het einde. Velen zullen gereinigd, wit gemaakt en beproefd worden; maar de goddelozen zullen goddeloos handelen; en geen van de goddelozen zal het begrijpen; maar de verstandigen zullen het begrijpen. En vanaf de tijd dat het dagelijks offer zal worden weggenomen en de verwoestende gruwel zal worden opgericht, zullen er duizend tweehonderd negentig dagen zijn. Zalig is hij die verwacht en komt tot duizend driehonderdvijfendertig dagen. Maar ga gij heen tot het einde daar is; want gij zult rusten en opstaan in uw toegewezen deel aan het einde der dagen.’”
“Het was de Leeuw uit de stam van Juda die het boek ontzegelde en aan Johannes de openbaring gaf van wat er in deze laatste dagen zou zijn.
“Daniël stond in zijn deel om zijn getuigenis te dragen, dat verzegeld was tot de tijd van het einde, wanneer de boodschap van de eerste engel aan onze wereld verkondigd zou worden. Deze zaken zijn in deze laatste dagen van oneindig belang; maar terwijl ‘velen zullen gereinigd en wit gemaakt en beproefd worden’, ‘zullen de goddelozen goddeloos handelen; en geen van de goddelozen zal het verstaan.’ Hoe waar is dit! Zonde is de overtreding van de wet van God; en zij die het licht met betrekking tot de wet van God niet willen aannemen, zullen de verkondiging van de boodschappen van de eerste, tweede en derde engel niet verstaan. Het boek Daniël wordt ontsloten in de openbaring aan Johannes en voert ons voort tot de laatste tonelen van de geschiedenis van deze aarde.
„Zullen onze broeders in gedachten houden dat wij leven te midden van de gevaren der laatste dagen? Lees Openbaring in samenhang met Daniël. Onderwijs deze dingen.” Testimonies to Ministers, 114, 115.