We are currently addressing the “seven times” of Leviticus twenty-six in the book of Daniel. It is hidden to those who have chosen to close their eyes, but it is there for those who wish to see. We will begin in Daniel chapter eight, and verse thirteen.

Wij behandelen thans de „zeven tijden” van Leviticus zesentwintig in het boek Daniël. Het is verborgen voor hen die ervoor gekozen hebben hun ogen te sluiten, maar het is daar voor hen die wensen te zien. Wij zullen beginnen in Daniël hoofdstuk acht, vers dertien.

Then I heard one saint speaking, and another saint said unto that certain saint which spake, How long shall be the vision concerning the daily sacrifice, and the transgression of desolation, to give both the sanctuary and the host to be trodden under foot? Daniel 8:13.

Toen hoorde ik een heilige spreken, en een andere heilige zei tot die bepaalde heilige die sprak: Hoe lang zal het gezicht duren aangaande het dagelijks offer en de verwoestende overtreding, om zowel het heiligdom als de krijgsmacht prijs te geven om vertrapt te worden? Daniël 8:13.

The verse begins with the word “then,” and is making a distinction between the vision of prophetic history Daniel has just seen in the previous ten verses. Verse one and two of the chapter, identify the year when Daniel received the vision and also that he received it by the Ulai river. From verse three to verse twelve, he “sees” the vision of prophetic history. “Then” he “hears” a heavenly dialogue consisting of a question and an answer. In verse fifteen, he begins to seek what the vision of prophetic history that he had just “seen” represented. It is essential to recognize the distinction between the vision that Daniel “saw” in verses three through twelve, and the heavenly dialogue, which he “heard”—for they are two different visions.

Het vers begint met het woord „toen” en maakt een onderscheid tussen het gezicht van de profetische geschiedenis dat Daniël zojuist in de voorafgaande tien verzen heeft gezien. Vers één en twee van het hoofdstuk duiden het jaar aan waarin Daniël het gezicht ontving en ook dat hij het ontving aan de rivier de Ulai. Van vers drie tot en met vers twaalf „ziet” hij het gezicht van de profetische geschiedenis. „Toen” „hoort” hij een hemelse samenspraak, bestaande uit een vraag en een antwoord. In vers vijftien begint hij te zoeken wat het gezicht van de profetische geschiedenis dat hij zojuist had „gezien” betekende. Het is van wezenlijk belang het onderscheid te onderkennen tussen het gezicht dat Daniël in de verzen drie tot en met twaalf „zag” en de hemelse samenspraak die hij „hoorde” — want het zijn twee verschillende gezichten.

But blessed are your eyes, for they see: and your ears, for they hear. Matthew 13:16.

Maar zalig zijn uw ogen, omdat zij zien; en uw oren, omdat zij horen. Mattheüs 13:16.

The question in verse thirteen is, “How long shall be the vision,” and the word translated as “vision” is a different Hebrew word than the word translated as “vision” in verse sixteen.

De vraag in vers dertien luidt: „Hoe lang zal het gezicht duren,” en het woord dat met „gezicht” is vertaald, is een ander Hebreeuws woord dan het woord dat in vers zestien met „gezicht” is vertaald.

And I heard a man’s voice between the banks of Ulai, which called, and said, Gabriel, make this man to understand the vision. Daniel 8:16.

En ik hoorde een mensenstem tussen de oevers van de Ulai, die riep en zei: Gabriël, doe deze man het gezicht verstaan. Daniël 8:16.

By translating two different Hebrew words into the English word “vision,” the “seven times” of Leviticus twenty-six, became “hidden in plain sight”. Biblical students who are satisfied to simply skim the surface consider these two different Hebrew words as the same word, but they do so at their own peril.

Doordat twee verschillende Hebreeuwse woorden met het Engelse woord “vision” werden vertaald, werden de “zeven tijden” van Leviticus zesentwintig als het ware “verborgen in het volle zicht”. Bijbelstudenten die ermee tevreden zijn slechts de oppervlakte te verkennen, beschouwen deze twee verschillende Hebreeuwse woorden als hetzelfde woord, maar zij doen dat op eigen risico.

“To skim over the surface will do little good. Thoughtful investigation and earnest, taxing study are required to comprehend it. There are truths in the word which are like veins of precious ore concealed beneath the surface. By digging for them, as the man digs for gold and silver, the hidden treasures are discovered. Be sure that the evidence of truth is in the Scripture itself. One scripture is the key to unlock other scriptures. The rich and hidden meaning is unfolded by the Holy Spirit of God, making plain the word to our understanding: ‘The entrance of Thy words giveth light; it giveth understanding unto the simple.’” Fundamentals of Christian Education, 390.

„Het oppervlakkig overzien zal weinig baten. Zorgvuldig onderzoek en ernstige, inspannende studie zijn vereist om het te begrijpen. Er zijn waarheden in het Woord die zijn als aderen van kostbaar erts, verborgen onder de oppervlakte. Door ernaar te graven, zoals de mens naar goud en zilver graaft, worden de verborgen schatten ontdekt. Wees ervan verzekerd dat het bewijs van de waarheid in de Schrift zelf ligt. Het ene Schriftwoord is de sleutel om andere Schriftwoorden te ontsluiten. De rijke en verborgen betekenis wordt ontvouwd door de Heilige Geest van God, die het Woord duidelijk maakt voor ons verstand: ‘De opening van Uw woorden geeft licht, zij geeft de onverstandigen inzicht.’” Fundamentals of Christian Education, 390.

We are informed that “every fact has its bearing” in the Word of God, and if we choose to ignore the fact there are two different Hebrew words translated as “vision” in chapter eight, we are responsible for inflicting Laodicean blindness upon ourselves. The old adage is, “there are none so blind as those who will not see.”

Ons wordt te verstaan gegeven dat „elk feit zijn draagwijdte heeft” in het Woord van God, en indien wij ervoor kiezen het feit te negeren dat er in hoofdstuk acht twee verschillende Hebreeuwse woorden met „visioen” zijn vertaald, zijn wij er zelf verantwoordelijk voor dat wij ons Laodiceïsche blindheid op de hals halen. Het oude gezegde luidt: „niemand is zo blind als hij die niet wil zien.”

“The Bible contains all the principles that men need to understand in order to be fitted either for this life or for the life to come. And these principles may be understood by all. No one with a spirit to appreciate its teaching can read a single passage from the Bible without gaining from it some helpful thought. But the most valuable teaching of the Bible is not to be gained by occasional or disconnected study. Its great system of truth is not so presented as to be discerned by the hasty or careless reader. Many of its treasures lie far beneath the surface, and can be obtained only by diligent research and continuous effort. The truths that go to make up the great whole must be searched out and gathered up, ‘here a little, and there a little.’ Isaiah 28:10.

“De Bijbel bevat alle beginselen die de mens nodig heeft om te begrijpen teneinde geschikt te worden gemaakt, hetzij voor dit leven, hetzij voor het toekomende leven. En deze beginselen kunnen door allen worden begrepen. Niemand die een geest bezit om zijn onderwijzing te waarderen, kan ook maar één enkele passage uit de Bijbel lezen zonder daaruit een behulpzame gedachte te verkrijgen. Maar de meest waardevolle onderwijzing van de Bijbel wordt niet verkregen door incidentele of onsamenhangende studie. Zijn grote stelsel van waarheid wordt niet zó aangeboden dat het door de overhaaste of onoplettende lezer kan worden onderscheiden. Vele van zijn schatten liggen ver onder de oppervlakte verborgen en kunnen alleen door ijverig onderzoek en volgehouden inspanning worden verkregen. De waarheden die het grote geheel vormen, moeten worden opgespoord en bijeengebracht, ‘hier een weinig en daar een weinig.’ Jesaja 28:10.

“When thus searched out and brought together, they will be found to be perfectly fitted to one another. Each Gospel is a supplement to the others, every prophecy an explanation of another, every truth a development of some other truth. The types of the Jewish economy are made plain by the gospel. Every principle in the word of God has its place, every fact its bearing. And the complete structure, in design and execution, bears testimony to its Author. Such a structure no mind but that of the Infinite could conceive or fashion.” Education, 123.

„Wanneer zij aldus onderzocht en samengebracht worden, zal blijken dat zij volkomen op elkaar zijn afgestemd. Elk Evangelie vormt een aanvulling op de andere, elke profetie een verklaring van een andere, elke waarheid een ontvouwing van een andere waarheid. De typen van de Joodse bedeling worden door het evangelie verklaard. Elk beginsel in het Woord van God heeft zijn plaats, elk feit zijn betekenis. En het volkomen bouwwerk getuigt, zowel in ontwerp als in uitvoering, van zijn Auteur. Een zodanige structuur kon door geen ander verstand dan dat van de Oneindige worden bedacht of gevormd.” Education, 123.

The word “vision” occurs ten times in Daniel chapter eight, but those ten times consist of two different Hebrew words, and the meanings of those words are not the same. If they meant the same thing, Daniel would have only used one of those words in each of the ten occurrences. Daniel wrote two words, for each of those two words possess their own meanings, and one represents a vision Daniel “saw”, and the other a vision he “heard”. In verse thirteen, the word translated as “vision” is châzôn, and it means “a sight”, or “a vision”, “a dream” or “an oracle”. I call it the “vision of prophetic history” based upon its definition and on how Daniel employs it.

Het woord „visioen” komt tienmaal voor in Daniël hoofdstuk acht, maar die tien voorkomens bestaan uit twee verschillende Hebreeuwse woorden, en de betekenissen van die woorden zijn niet dezelfde. Indien zij hetzelfde betekenden, zou Daniël in elk van die tien voorkomens slechts één van die woorden hebben gebruikt. Daniël schreef twee woorden, want elk van die twee woorden bezit zijn eigen betekenis, en het ene duidt op een visioen dat Daniël „zag”, en het andere op een visioen dat hij „hoorde”. In vers dertien is het woord dat als „visioen” is vertaald châzôn, en het betekent „een gezicht” of „een visioen”, „een droom” of „een godsspraak”. Ik noem het het „visioen van de profetische geschiedenis” op grond van de definitie ervan en van de wijze waarop Daniël het gebruikt.

In verse one, of Daniel chapter eight, Daniel says “a vision appeared unto me,” and in verse two he twice states that he “saw in a vision.” Then in verse thirteen, the question is raised of “how long shall be the vision.” All of those usages are the Hebrew word “châzôn.” Then in verse fifteen, we come to perhaps the most important time Daniel used that very same word, for he says, “when I”…“had seen the vision and sought for the meaning.” After Daniel had seen the châzôn vision, he wanted to understand what it meant. This is a fact that has great bearing on the hiding of the “seven times” of Leviticus twenty-six in the chapter.

In het eerste vers van Daniël hoofdstuk acht zegt Daniël: „een gezicht verscheen mij”, en in vers twee verklaart hij tweemaal dat hij „in een gezicht” zag. Vervolgens wordt in vers dertien de vraag gesteld: „Hoe lang zal het gezicht duren?” Al die gebruiken zijn het Hebreeuwse woord „châzôn”. Dan komen wij in vers vijftien bij wellicht het belangrijkste moment waarop Daniël juist datzelfde woord gebruikte, want hij zegt: „toen ik”…„het gezicht gezien had en naar de betekenis zocht.” Nadat Daniël het châzôn-gezicht had gezien, wilde hij begrijpen wat het betekende. Dit is een feit dat van groot gewicht is voor het verborgen zijn van de „zeven tijden” van Leviticus zesentwintig in dit hoofdstuk.

He also uses the word châzôn in verses seventeen and twenty-six. The word “vision” appears ten times in Daniel chapter eight, and the word châzôn represents seven of those occurrences. Daniel uses the other Hebrew word that is translated as “vision” four times. The other Hebrew word is mar’eh, and means “appearance”.

Hij gebruikt ook het woord châzôn in de verzen zeventien en zesentwintig. Het woord „visioen” komt tienmaal voor in Daniël hoofdstuk acht, en het woord châzôn vertegenwoordigt zeven van die voorkomens. Daniël gebruikt het andere Hebreeuwse woord dat met „visioen” wordt vertaald viermaal. Het andere Hebreeuwse woord is mar’eh en betekent „verschijning”.

Châzôn is found seven times in Daniel chapter eight, and mar’eh is found four times, and together they represent the ten times the English word “vision” occurs in Daniel chapter eight. Seven plus four is eleven, for one of the times Daniel employed the word mar’eh, it was translated just as it is defined, for in verse fifteen, when Daniel “sought for the meaning” of the châzôn vision of prophetic history, there “stood before” him “as the appearance of a man.” The word “appearance” is mar’eh. Therefore, mar’eh is used by Daniel four times in Daniel eight, and it is translated once in agreement with its primary definition of “appearance,” and the other three times it is translated as “vision.”

Châzôn komt zevenmaal voor in Daniël hoofdstuk acht, en mar’eh komt viermaal voor, en tezamen vertegenwoordigen zij de tien malen dat het Engelse woord “vision” in Daniël hoofdstuk acht voorkomt. Zeven plus vier is elf, want op een van de plaatsen waar Daniël het woord mar’eh gebruikte, werd het vertaald precies zoals het wordt gedefinieerd; want in vers vijftien, toen Daniël “de betekenis zocht” van het châzôn-visioen van de profetische geschiedenis, “stond” er voor hem “iets dat eruitzag als een man.” Het woord “appearance” is mar’eh. Daarom gebruikt Daniël mar’eh viermaal in Daniël acht, en eenmaal wordt het vertaald in overeenstemming met zijn primaire betekenis van “appearance”, en de andere drie malen wordt het vertaald als “vision.”

I am not suggesting any criticism of the men who translated the King James Bible. It needs to be noted though, that in verse thirteen, is found the only added word in the King James Bible (sacrifice), that inspiration states definitively, “does not belong to the text.” Inspiration further states that the added word had been “added by human wisdom.” In the very same chapter, two different Hebrew words are both translated as the same English word. The reason it is essential to recognize the distinction between these two words is profoundly important.

Ik uit hiermee geenszins enige kritiek op de mannen die de King James-Bijbel hebben vertaald. Er dient echter te worden opgemerkt dat in vers dertien het enige toegevoegde woord in de King James-Bijbel wordt aangetroffen (sacrifice), waarvan de inspiratie uitdrukkelijk verklaart dat het „niet tot de tekst behoort”. De inspiratie verklaart voorts dat het toegevoegde woord „door menselijke wijsheid” was toegevoegd. In hetzelfde hoofdstuk worden bovendien twee verschillende Hebreeuwse woorden beide met hetzelfde Engelse woord vertaald. De reden waarom het van wezenlijk belang is het onderscheid tussen deze twee woorden te onderkennen, is van diepgaande betekenis.

And it came to pass, when I, even I Daniel, had seen the vision, and sought for the meaning, then, behold, there stood before me as the appearance of a man. And I heard a man’s voice between the banks of Ulai, which called, and said, Gabriel, make this man to understand the vision. Daniel 8:15, 16.

En het geschiedde, toen ik, ja ik, Daniël, het gezicht gezien had en de betekenis trachtte te verstaan, zie, daar stond vóór mij iets dat de gestalte van een man had. En ik hoorde een mensenstem tussen de oevers van de Ulai, die riep en zei: Gabriël, doe deze man het gezicht verstaan. Daniël 8:15, 16.

As Daniel “sought for the meaning” of the “châzôn vision” which he had just “seen,” Christ informs Gabriel to “make” Daniel to understand the “mar’eh vision” which he had just “heard”. Daniel wanted to understand the vision of prophetic history, but Christ, who had been identified in verse thirteen as Palmoni (that certain saint which spake), instructed Gabriel to make Daniel understand the “mar’eh vision”, not the “châzôn vision”. In verses fifteen and sixteen, the stated purpose for Gabriel is that he is to make Daniel understand the “mar’eh vision”, which is the word translated as “vision” which means “appearance,” not the vision of prophetic history which Daniel wanted to understand. Without recognizing Gabriel’s job assignment, the “seven times” of Leviticus twenty-six is hidden in plain sight.

Terwijl Daniël „naar de betekenis zocht” van het „châzôn-gezicht” dat hij zojuist had „gezien”, draagt Christus Gabriël op Daniël inzicht te geven in het „mar’eh-gezicht” dat hij zojuist had „gehoord”. Daniël verlangde het gezicht van de profetische geschiedenis te verstaan, maar Christus, die in vers dertien was aangeduid als Palmoni (die zekere heilige die sprak), droeg Gabriël op Daniël het „mar’eh-gezicht” te doen verstaan, niet het „châzôn-gezicht”. In de verzen vijftien en zestien is het uitdrukkelijke doel van Gabriël dat hij Daniël het „mar’eh-gezicht” doet verstaan, het woord dat vertaald is als „gezicht” en „verschijning” betekent, niet het gezicht van de profetische geschiedenis dat Daniël wenste te begrijpen. Zonder Gabriëls taakopdracht te onderkennen, blijven de „zeven tijden” van Leviticus zesentwintig verborgen in het volle zicht.

In verse twenty-six both Hebrew words that are translated as “vision” are located in the same verse, and the verse becomes one of the primary keys to opening the truth of Daniel’s testimony of the “seven times.”

In vers zesentwintig bevinden beide Hebreeuwse woorden die als „visioen” zijn vertaald zich in hetzelfde vers, en wordt dit vers een van de voornaamste sleutels tot het ontsluiten van de waarheid van Daniëls getuigenis van de „zeven tijden”.

And the vision of the evening and the morning which was told is true: wherefore shut thou up the vision; for it shall be for many days. Daniel 8:26.

En het gezicht van de avond en de morgen, waarvan gesproken is, is waar; daarom, sluit het gezicht toe, want het zal zijn voor vele dagen. Daniël 8:26.

In verse twenty-six, the “vision of the evening and mornings” is the mar’eh vision, meaning “appearance”, but the vision that was to be “shut up,” is the châzôn vision of prophetic history. The expression “evening and mornings” is what isolates and identifies the distinction between the two visions. It does so with another illustration of the human factor in producing the Bible. The human factor consisted of both the prophets that recorded the words of the Bible, but also of those that translated the Bible. The Bible, as with Christ, represents a combination of divinity and humanity. That humanity descended down through history, from Adam after he sinned to those who recorded and translated the Bible. Christ and the Bible are both the Word of God, and the Word of God’s is pure, for the divinity of the combination always overruled any limitations that existed in the flesh.

In vers zesentwintig is het „gezicht van de avonden en morgens” het mar’eh-gezicht, dat „verschijning” betekent; maar het gezicht dat „verzegeld” moest worden, is het châzôn-gezicht van de profetische geschiedenis. De uitdrukking „avonden en morgens” is wat het onderscheid tussen de twee gezichten afbakent en identificeert. Dit doet zij door middel van nog een illustratie van de menselijke factor bij het tot stand komen van de Bijbel. Die menselijke factor bestond niet alleen uit de profeten die de woorden van de Bijbel optekenden, maar ook uit hen die de Bijbel vertaalden. De Bijbel vertegenwoordigt, evenals Christus, een combinatie van goddelijkheid en menselijkheid. Die menselijkheid daalde door de geschiedenis heen af, vanaf Adam nadat hij gezondigd had tot hen die de Bijbel optekenden en vertaalden. Christus en de Bijbel zijn beide het Woord van God, en Gods Woord is zuiver, want de goddelijkheid van die combinatie overheerste altijd iedere beperking die in het vlees bestond.

Paul, a servant of Jesus Christ, called to be an apostle, separated unto the gospel of God, (Which he had promised afore by his prophets in the holy scriptures,) Concerning his Son Jesus Christ our Lord, which was made of the seed of David according to the flesh. Romans 1:1–3.

Paulus, een dienstknecht van Jezus Christus, geroepen om een apostel te zijn, afgezonderd tot het evangelie van God, (dat Hij tevoren beloofd had door Zijn profeten in de heilige Schriften,) aangaande Zijn Zoon Jezus Christus, onze Heere, Die geworden is uit het zaad van David naar het vlees. Romeinen 1:1–3.

The expression “evening and morning” is found repeatedly in God’s Word, and it is always translated as “evening and morning,” as it is in verse twenty-six, and as it is so often translated in the creation story in Genesis that repeatedly states, “and the evening and the morning were….” In fact, and every fact has its bearing (and this fact is essential to understand), the only place in the Bible that the expression “evening and morning” is not translated as “evening and morning” (as it is in verse twenty-six), is in verse fourteen of Daniel eight. There, and only there in God’s Word the phrase “evening and morning” is translated as simply “days.”

De uitdrukking „avond en morgen” komt herhaaldelijk voor in Gods Woord, en zij wordt steeds vertaald als „avond en morgen”, zoals in vers zesentwintig, en zoals zij zo vaak wordt vertaald in het scheppingsverhaal in Genesis, waar herhaaldelijk staat: „en het was avond geweest en het was morgen geweest….” Inderdaad, en ieder feit heeft zijn betekenis (en dit feit is wezenlijk om te begrijpen), de enige plaats in de Bijbel waar de uitdrukking „avond en morgen” niet wordt vertaald als „avond en morgen” (zoals in vers zesentwintig), is in vers veertien van Daniël acht. Daar, en alleen daar in Gods Woord, wordt de uitdrukking „avond en morgen” vertaald als eenvoudigweg „dagen.”

And he said unto me, Unto two thousand and three hundred days; then shall the sanctuary be cleansed. Daniel 8:14.

En hij zei tot mij: Tot tweeduizend driehonderd dagen; daarna zal het heiligdom gereinigd worden. Daniël 8:14.

Twelve verses later, in the same chapter of Daniel, the Hebrew phrase “evening and morning” is translated as it always is; but in the verse that is the central pillar and foundation of Adventism, the phrase is simply translated as “days.” What influence led the translators of the King James Bible to make such a glaring contradiction? They had translated the phrase in verse twenty-six in agreement with every other occurrence of the phrase in the rest of the Bible. But twelve verses before verse twenty-six, in verse fourteen, their humanity placed a special distinction upon the answer to the question of verse thirteen. And the question of verse thirteen, included the one word (sacrifice), that was not to be added to the Bible. God wanted verse fourteen, to stand out in a very profound and distinctive way. In doing so, he also identified what Gabriel was instructed to make Daniel understand.

Twaalf verzen later, in hetzelfde hoofdstuk van Daniël, wordt de Hebreeuwse uitdrukking „avond en morgen” vertaald zoals zij altijd wordt vertaald; maar in het vers dat de centrale pijler en grondslag van het adventisme vormt, wordt de uitdrukking eenvoudig vertaald als „dagen”. Welke invloed bracht de vertalers van de King James-Bijbel ertoe zulk een in het oog springende tegenstrijdigheid te maken? Zij hadden de uitdrukking in vers zesentwintig vertaald in overeenstemming met elke andere vindplaats van de uitdrukking in de rest van de Bijbel. Maar twaalf verzen vóór vers zesentwintig, in vers veertien, legde hun menselijkheid een bijzonder onderscheid op het antwoord op de vraag van vers dertien. En de vraag van vers dertien omvatte dat ene woord (offer), dat niet aan de Bijbel mocht worden toegevoegd. God wilde dat vers veertien op een zeer diepgaande en onderscheidende wijze zou uitblinken. Door dit te doen, wees Hij tevens aan wat Gabriël opgedragen was Daniël te doen verstaan.

In verse sixteen, Jesus commanded Gabriel to make Daniel understand the mar’eh vision, in spite of the fact that Daniel was seeking to understand the châzôn vision of prophetic history. Verse twenty-six says the “vision of the evenings and mornings which was told” was “true.” The châzôn vision had been a prophetic “sight”, but the mar’eh vision was “told,” for it had been spoken. It had been spoken in verse fourteen when Palmoni said “unto two thousand and three hundred evenings and mornings; then shall the sanctuary be cleansed.” Verse twenty-six, employs the expression “evening and mornings,” as it identifies it as the vision that had been “spoken” to identify the distinction between the two visions in Daniel chapter eight. The vision of prophetic history that Daniel had “seen”, and that Daniel wished to understand, was different from the vision that was “spoken” which Daniel had “heard”. More importantly, the vision that Daniel “heard” was the vision that Gabriel was to give Daniel understanding of.

In vers zestien gebood Jezus Gabriël Daniël inzicht te geven in het gezicht van de mar’eh, ondanks het feit dat Daniël trachtte het gezicht van de châzôn van de profetische geschiedenis te begrijpen. Vers zesentwintig zegt dat het “gezicht van de avonden en morgens dat meegedeeld was” “waar” was. Het gezicht van de châzôn was een profetisch “zien” geweest, maar het gezicht van de mar’eh was “meegedeeld”, want het was uitgesproken. Het was uitgesproken in vers veertien, toen Palmoni zei: “tot tweeduizend en driehonderd avonden en morgens; dan zal het heiligdom gereinigd worden.” Vers zesentwintig gebruikt de uitdrukking “avonden en morgens” en duidt dit aan als het gezicht dat “uitgesproken” was, om het onderscheid tussen de twee gezichten in Daniël hoofdstuk acht aan te geven. Het gezicht van de profetische geschiedenis dat Daniël had “gezien” en dat Daniël wenste te begrijpen, was verschillend van het gezicht dat “uitgesproken” was en dat Daniël had “gehoord”. Nog belangrijker is dat het gezicht dat Daniël “gehoord” had, het gezicht was waarvan Gabriël Daniël het inzicht moest geven.

The humanity that participated in creating the Holy Bible recorded the word “vision” ten times in Daniel chapter eight, and in so doing it hid the distinction of a vision that was “seen” and another vision that was “heard”. In doing so, it obscured the emphasis that identifies that Christ’s intent was for Daniel to understand the vision he had “heard”, above understanding the vision he had “seen”. We can now consider what Gabriel does in order to fulfill his job assignment.

De menselijkheid die deelnam aan het tot stand brengen van de Heilige Bijbel heeft in Daniël hoofdstuk acht tienmaal het woord „visioen” weergegeven, en heeft daarmee het onderscheid verhuld tussen een visioen dat werd „gezien” en een ander visioen dat werd „gehoord”. Daardoor heeft zij de nadruk verduisterd die aangeeft dat het Christus’ bedoeling was dat Daniël het visioen dat hij had „gehoord” zou begrijpen, meer nog dan het visioen dat hij had „gezien”. Wij kunnen nu beschouwen wat Gabriël doet om zijn opgedragen taak te vervullen.

So he came near where I stood: and when he came, I was afraid, and fell upon my face: but he said unto me, Understand, O son of man: for at the time of the end shall be the vision. Now as he was speaking with me, I was in a deep sleep on my face toward the ground: but he touched me, and set me upright. And he said, Behold, I will make thee know what shall be in the last end of the indignation: for at the time appointed the end shall be. Daniel 8:17–19.

Zo kwam hij dicht bij de plaats waar ik stond; en toen hij kwam, werd ik bevreesd en viel op mijn aangezicht. Maar hij zei tot mij: Versta, mensenkind, want het visioen ziet op de tijd van het einde. Terwijl hij nu met mij sprak, lag ik in een diepe slaap met mijn aangezicht ter aarde; maar hij raakte mij aan en zette mij overeind. En hij zei: Zie, ik zal u doen weten wat er geschieden zal aan het laatste van de gramschap; want op de vastgestelde tijd zal het einde zijn. Daniël 8:17–19.

Gabriel now begins his work of making Daniel to understand the vision of the twenty-three hundred evenings and mornings, which is true. He first informs him that the vision of prophetic history, the châzôn vision, would be at the “time of the end.” Then, while Daniel was in a prophetic sleep, Gabriel touched Daniel and set him upright. He informs him “I will make thee know.”

Gabriël begint nu zijn werk om Daniël de visie van de tweeduizend driehonderd avonden en morgens, die waar is, te doen verstaan. Eerst deelt hij hem mee dat de visie van de profetische geschiedenis, de châzôn-visie, in de „tijd van het einde” zou zijn. Vervolgens, terwijl Daniël in een profetische slaap verkeerde, raakte Gabriël Daniël aan en zette hem rechtop. Hij deelt hem mee: „Ik zal u doen weten.”

That is what Palmoni (Christ), had told Gabriel to do, when he said, “Gabriel, make this man to understand the mar’eh vision” of the evening and mornings. Gabriel says that he will make Daniel “know what shall be in the last end of the indignation.” There it is! There is the “seven times” of Leviticus twenty-six! It is hidden by the very prophetic technique which Gabriel had led the prophets repeatedly to testify to and employ in their writings! That technique is “line upon line, here a little and there a little”.

Dat is wat Palmoni (Christus) Gabriël had opgedragen te doen, toen Hij zei: “Gabriël, doe deze man het mar’eh-gezicht van avonden en morgens verstaan.” Gabriël zegt dat hij Daniël zal doen “weten wat er zal geschieden in het laatste einde der gramschap.” Daar is het! Daar zijn de “zeven tijden” van Leviticus zesentwintig! Het is verborgen door juist die profetische techniek waarvan Gabriël de profeten herhaaldelijk had geleid getuigenis af te leggen en die zij in hun geschriften hadden toegepast! Die techniek is “regel op regel, hier een weinig en daar een weinig”.

In the book “Thoughts on Daniel and the Revelation”, by Uriah Smith (which all Adventists, and even their neighbors, should be familiar with), Smith comments on verses seventeen to nineteen of Daniel chapter eight:

In het boek “Gedachten over Daniël en de Openbaring”, van Uriah Smith (waarmee alle adventisten, en zelfs hun buren, vertrouwd zouden moeten zijn), geeft Smith commentaar op de verzen zeventien tot en met negentien van Daniël hoofdstuk acht:

“With a general statement that at the time appointed the end shall be, and that he will make him to know what shall be in the last end of the indignation, he enters upon an interpretation of the vision. The indignation must be understood to cover a period of time. What time? God told his people Israel that he would pour upon them his indignation for their wickedness; and thus he gave directions concerning the ‘profane wicked prince of Israel:’ ‘Remove the diadem, and take off the crown. . . . I will overturn, overturn, overturn it: and it shall be no more, until he come whose right it is; and I will give it him.’ Ezekiel 21:25–27, 31.

‘Met een algemene verklaring dat ten tijde van de vastgestelde tijd het einde zal zijn, en dat hij hem bekend zal maken wat er in het laatste einde van de gramschap zal geschieden, gaat hij over tot een uitleg van het gezicht. De gramschap moet worden verstaan als een tijdsperiode te omvatten. Welke tijd? God zei tot zijn volk Israël dat Hij zijn gramschap over hen zou uitstorten om hun goddeloosheid; en zo gaf Hij aanwijzingen betreffende de “goddeloze, onheilige vorst van Israël:” “Doe de tulband weg en neem de kroon af.... Ik zal haar omkeren, omkeren, omkeren; ook zij zal niet meer zijn, totdat hij komt die er recht op heeft; en Ik zal ze hem geven.” Ezechiël 21:25–27, 31.’

Here is the period of God’s indignation against his covenant people; the period during which the sanctuary and host are to be trodden under foot. The diadem was removed, and the crown taken off, when Israel was subjected to the kingdom of Babylon. It was overturned again by the Medes and Persians, again by the Grecians, again by the Romans, corresponding to the three times the word is repeated by the prophet. The Jews then, having rejected Christ, were soon scattered abroad over the face of the earth; and spiritual Israel has taken the place of the literal seed; but they are in subjection to earthly powers, and will be till the throne of David is again set up,—till He who is its rightful heir, the Messiah, the Prince of peace, shall come, and then it will be given him. Then the indignation will have ceased. What shall take place in the last end of this period, the angel is now to make known to Daniel.” Uriah Smith, Daniel and the Revelation, 201, 202.

„Hier is de tijd van Gods gramschap tegen zijn verbondsvolk; de tijd gedurende welke het heiligdom en het heerleger vertreden zullen worden. Het diadeem werd weggenomen en de kroon afgezet, toen Israël aan het koninkrijk van Babylon werd onderworpen. Het werd opnieuw omvergeworpen door de Meden en Perzen, opnieuw door de Grieken, opnieuw door de Romeinen, overeenkomstig de drie maal dat het woord door de profeet wordt herhaald. De Joden werden vervolgens, nadat zij Christus hadden verworpen, spoedig over de gehele aardbodem verstrooid; en het geestelijke Israël heeft de plaats van het letterlijke zaad ingenomen; maar zij zijn onderworpen aan aardse machten, en zullen dat blijven totdat de troon van David opnieuw wordt opgericht,—totdat Hij die er de rechtmatige erfgenaam van is, de Messias, de Vredevorst, zal komen, en dan zal zij Hem gegeven worden. Dan zal de gramschap geëindigd zijn. Wat er aan het laatste einde van deze tijd zal plaatsvinden, gaat de engel nu aan Daniël bekendmaken.” Uriah Smith, Daniël en de Openbaring, 201, 202.

The “indignation” that Smith is identifying, began when Manasseh was carried to Babylon by the Assyrians in 677 BC. Unfortunately, Smith takes Zedekiah’s overthrow in 586 BC and assigns that as the starting point of the period of the “indignation” of verse nineteen. Smith simply does not address what it means that the verse states “the last end of the indignation.” He treats it as simply “indignation,” though if there is a “last end” of the indignation, grammar and logic demand that there is also at minimum a “first end” of the indignation. Smith knew the seventy years of captivity began with the first attack of Nebuchadnezzar against Jehoiakim in 606 BC, but determined the starting for the period of the indignation was the third of Nebuchadnezzar’s attacks, which was carried out against Zedekiah, the last Judean king.

De „gramschap” die Smith aanwijst, begon toen Manasse door de Assyriërs in 677 v.Chr. naar Babylon werd weggevoerd. Helaas neemt Smith de omverwerping van Zedekia in 586 v.Chr. en wijst die aan als het beginpunt van de periode van de „gramschap” van vers negentien. Smith gaat eenvoudigweg niet in op wat het betekent dat het vers spreekt van „het laatste einde van de gramschap”. Hij behandelt het eenvoudig als „gramschap”, hoewel, indien er een „laatste einde” van de gramschap is, grammatica en logica vereisen dat er op zijn minst ook een „eerste einde” van de gramschap is. Smith wist dat de zeventig jaren van gevangenschap begonnen met de eerste aanval van Nebukadnezar op Jojakim in 606 v.Chr., maar stelde vast dat het beginpunt van de periode van de gramschap de derde van Nebukadnezars aanvallen was, die tegen Zedekia, de laatste Judese koning, werd uitgevoerd.

“Though we have a more minute account of his [Daniel’s] early life than is recorded of that of any other prophet, yet his birth and lineage are left in complete obscurity, except that he was of the royal line, probably of the house of David, which had at this time become very numerous. He first appears as one of the noble captives of Judah, in the first year of Nebuchadnezzar, king of Babylon, at the commencement of the seventy years’ captivity, BC 606. Jeremiah and Habakkuk were yet uttering their prophecies. Ezekiel commenced soon after, and a little later, Obadiah; but both these finished their work years before the close of the long and brilliant career of Daniel. Three prophets only succeeded him, Haggai and Zechariah, who exercised the prophetic office for a brief period contemporaneously, BC 520–518, and Malachi, the last of the Old Testament prophets, who flourished a little season about BC 397.” Uriah Smith, Daniel and the Revelation, 19.

“Hoewel wij van zijn [Daniëls] vroege leven een nauwkeuriger verslag hebben dan van dat van enige andere profeet is opgetekend, blijven toch zijn geboorte en afkomst in volkomen duisternis gehuld, behalve dat hij van koninklijken bloede was, waarschijnlijk uit het huis van David, dat tegen die tijd zeer talrijk was geworden. Hij treedt voor het eerst naar voren als een van de edele gevangenen van Juda, in het eerste jaar van Nebukadnezar, koning van Babylon, bij de aanvang van de zeventigjarige gevangenschap, 606 v.Chr. Jeremia en Habakuk spraken toen nog hun profetieën uit. Ezechiël begon kort daarna, en iets later Obadja; maar beiden voltooiden hun werk jaren vóór het einde van de lange en luisterrijke loopbaan van Daniël. Slechts drie profeten volgden hem op: Haggai en Zacharia, die het profetisch ambt gedurende een korte periode gelijktijdig uitoefenden, 520–518 v.Chr., en Maleachi, de laatste van de oudtestamentische profeten, die gedurende korte tijd omstreeks 397 v.Chr. optrad.” Uriah Smith, Daniël and de Openbaring, 19.

Smith correctly identified the “indignation” of verse nineteen as a period of time. He correctly identified the period as the treading down of the sanctuary and host in agreement with Daniel chapter eight verse thirteen, and he correctly identified the ending point as October 22, 1844.

Smith heeft de „gramschap” van vers negentien terecht als een tijdsperiode aangeduid. Hij heeft die periode terecht geïdentificeerd als de vertreding van het heiligdom en het heerleger, overeenkomstig Daniël hoofdstuk acht, vers dertien, en hij heeft het eindpunt terecht vastgesteld op 22 oktober 1844.

Smith was partially correct, but missed the truth by doing what was the characteristic of his prophetic applications. He allowed history to guide his interpretation of the prophetic word, instead of allowing the prophetic word to guide his understanding of history. If we allow the Bible to define prophetic history, we then have the correct information to approach history.

Smith had gedeeltelijk gelijk, maar miste de waarheid doordat hij deed wat kenmerkend was voor zijn profetische toepassingen. Hij liet de geschiedenis zijn uitleg van het profetische woord bepalen, in plaats van het profetische woord zijn begrip van de geschiedenis te laten leiden. Indien wij de Bijbel toestaan de profetische geschiedenis te definiëren, hebben wij vervolgens de juiste informatie om de geschiedenis te benaderen.

The Bible teaches that by whom a man is overcome, he is that man’s servant.

De Bijbel leert dat door wie een mens wordt overwonnen, diens knecht hij is.

While they promise them liberty, they themselves are the servants of corruption: for of whom a man is overcome, of the same is he brought in bondage. 2 Peter 2:19.

Terwijl zij hun vrijheid beloven, zijn zijzelf slaven van het verderf; want door wie iemand overwonnen is, door diezelfde is hij ook tot slaaf gemaakt. 2 Petrus 2:19.

Manasseh was taken captive to Babylon in 677 BC. It is there that Judah was overcome and brought into bondage. This is the starting point that is represented on both the 1843 and the 1850 charts, which Sister White endorses as correct. Smith starts the treading down of Daniel chapter eight, and verse thirteen with Zedekiah, the last of Judah’s kings. Zedekiah was the end of a progressive judgment and not the beginning. Sister White identifies that Manasseh’s captivity in Babylon was an “earnest” of what was to come. An “earnest” is a down payment, and marks the beginning of a purchase that has other payments to follow.

Manasse werd in 677 v.Chr. gevankelijk naar Babylon weggevoerd. Daar werd Juda overwonnen en in slavernij gebracht. Dit is het beginpunt dat zowel op de kaart van 1843 als op die van 1850 wordt weergegeven, welke Zuster White als juist bekrachtigt. Smith laat het vertreden van Daniël, hoofdstuk acht, vers dertien beginnen met Zedekia, de laatste van Juda’s koningen. Zedekia was het einde van een voortschrijdend oordeel en niet het begin. Zuster White geeft te kennen dat Manasse’s gevangenschap in Babylon een „onderpand” was van wat komen zou. Een „onderpand” is een aanbetaling en markeert het begin van een aankoop waarop nog andere betalingen zullen volgen.

“Faithfully the prophets continued their warnings and their exhortations; fearlessly they spoke to Manasseh and to his people; but the messages were scorned; backsliding Judah would not heed. As an earnest of what would befall the people should they continue impenitent, the Lord permitted their king to be captured by a band of Assyrian soldiers, who ‘bound him with fetters, and carried him to Babylon,’ their temporary capital. This affliction brought the king to his senses; ‘he besought the Lord his God, and humbled himself greatly before the God of his fathers, and prayed unto Him: and He was entreated of him, and heard his supplication, and brought him again to Jerusalem into his kingdom. Then Manasseh knew that the Lord He was God.’ 2 Chronicles 33:11–13. But this repentance, remarkable though it was, came too late to save the kingdom from the corrupting influence of years of idolatrous practices. Many had stumbled and fallen, never again to rise.” Prophets and Kings, 382.

„Getrouw gingen de profeten voort met hun waarschuwingen en hun vermaningen; onbevreesd spraken zij tot Manasse en tot zijn volk; maar de boodschappen werden veracht; het afvallige Juda wilde niet luisteren. Als een voorafschaduwing van wat het volk zou overkomen indien het onboetvaardig bleef, liet de Heere toe dat hun koning werd gevangengenomen door een groep Assyrische soldaten, die ‘hem met ketenen bonden en hem naar Babel voerden’, hun tijdelijke hoofdstad. Deze beproeving bracht de koning tot bezinning; ‘hij smeekte de HEERE, zijn God, en verootmoedigde zich diep voor het aangezicht van de God van zijn vaderen, en bad tot Hem; en Hij liet Zich door hem verbidden, en hoorde zijn smeking, en bracht hem terug naar Jeruzalem in zijn koninkrijk. Toen erkende Manasse dat de HEERE God is.’ 2 Kronieken 33:11–13. Maar dit berouw, hoe opmerkelijk het ook was, kwam te laat om het koninkrijk te redden van de verderfelijke invloed van jarenlang afgodische gebruiken. Velen waren gestruikeld en gevallen, om nooit meer op te staan.” Profeten en Koningen, 382.

Manasseh marked the “down payment” that began the “curse” of the “seven times,” which was the last “indignation,” for the “first indignation,” had already begun when the northern kingdom was taken into captivity in 723 BC. Then at Jehoiakim’s overthrow, when Daniel was carried into captivity, the seventy years of captivity that Jeremiah identified began in 606 BC. Two kings after Jehoiakim, Jerusalem was destroyed and the last Judean king, Zedekiah, watched as his sons were slain before him, then he had his eyes gouged out and was carried captive into Babylon.

Manasse markeerde de „aanbetaling” die de „vloek” van de „zeven tijden” inleidde, hetgeen de laatste „gramschap” was, want de „eerste gramschap” was reeds begonnen toen het noordelijke koninkrijk in 723 v.Chr. in gevangenschap werd weggevoerd. Vervolgens begonnen bij de val van Jojakim, toen Daniël in gevangenschap werd weggevoerd, de zeventig jaren van gevangenschap die Jeremia aanduidde, in 606 v.Chr. Twee koningen na Jojakim werd Jeruzalem verwoest, en de laatste Judese koning, Sedekia, zag toe hoe zijn zonen voor zijn ogen werden gedood; daarna werden zijn ogen uitgestoken en werd hij als gevangene naar Babylon weggevoerd.

Smith assigned the entire progressive judgment to Zedekiah and employed the judgment of Zedekiah as the proof text for his supposition. The judgment of Zedekiah, who was the “wicked and profane prince,” did identify that the crown of Judah was to be removed until Christ came to set up a kingdom. Smith said, “they are in subjection to earthly powers, and will be till the throne of David is again set up,—till He who is its rightful heir, the Messiah, the Prince of peace, shall come, and then it will be given him.” On October 22, 1844, in fulfillment of Daniel chapter seven, and verses thirteen and fourteen, Christ, represented as the Son of man, came before the Father to receive a kingdom.

Smith schreef het gehele voortschrijdende oordeel toe aan Zedekia en gebruikte het oordeel over Zedekia als bewijsplaats voor zijn veronderstelling. Het oordeel over Zedekia, die de „goddeloze en onheilige vorst” was, wees er inderdaad op dat de kroon van Juda zou worden weggenomen totdat Christus kwam om een koninkrijk op te richten. Smith zei: „zij zijn onderworpen aan aardse machten, en zullen dat blijven totdat de troon van David opnieuw wordt opgericht,—totdat Hij die de rechtmatige erfgenaam ervan is, de Messias, de Vredevorst, zal komen, en dan zal het hem worden gegeven.” Op 22 oktober 1844 kwam Christus, ter vervulling van Daniël hoofdstuk zeven, verzen dertien en veertien, voorgesteld als de Zoon des mensen, voor de Vader om een koninkrijk te ontvangen.

I saw in the night visions, and, behold, one like the Son of man came with the clouds of heaven, and came to the Ancient of days, and they brought him near before him. And there was given him dominion, and glory, and a kingdom, that all people, nations, and languages, should serve him: his dominion is an everlasting dominion, which shall not pass away, and his kingdom that which shall not be destroyed. Daniel 7:13, 14.

Ik zag in de nachtgezichten, en zie, er kwam met de wolken des hemels iemand gelijk een Mensenzoon, en Hij kwam tot de Oude van dagen, en men deed Hem voor Hem naderen. En Hem werd heerschappij gegeven, en heerlijkheid, en het koningschap, opdat alle volken, natiën en talen Hem zouden dienen; Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die niet zal vergaan, en Zijn koninkrijk zal niet te gronde gericht worden. Daniël 7:13, 14.

Sister White confirms that Daniel chapter seven, and verses thirteen and fourteen were fulfilled on October 22, 1844.

Zuster White bevestigt dat Daniël hoofdstuk zeven, verzen dertien en veertien, op 22 oktober 1844 in vervulling gingen.

“The coming of Christ as our high priest to the most holy place, for the cleansing of the sanctuary, brought to view in Daniel 8:14; the coming of the Son of man to the Ancient of Days, as presented in Daniel 7:13; and the coming of the Lord to His temple, foretold by Malachi, are descriptions of the same event; and this is also represented by the coming of the bridegroom to the marriage, described by Christ in the parable of the ten virgins, of Matthew 25.” The Great Controversy, 426.

„De komst van Christus als onze Hogepriester naar het allerheiligste, voor de reiniging van het heiligdom, zoals voorgesteld in Daniël 8:14; de komst van de Mensenzoon tot de Oude van dagen, zoals weergegeven in Daniël 7:13; en de komst van de Heere tot Zijn tempel, voorzegd door Maleachi, zijn beschrijvingen van dezelfde gebeurtenis; en deze wordt ook uitgebeeld door de komst van de bruidegom tot de bruiloft, zoals door Christus beschreven in de gelijkenis van de tien maagden, in Mattheüs 25.” The Great Controversy, 426.

Smith did not address the key element of the “last end of the indignation.” He avoided the biblical principle that identified that Judah was overcome in the time of Manasseh, and that the captivity which began two kings before Zedekiah, also represented that Judah was already in subjection to Babylon, before Zedekiah met his fate. With these blatant omissions, he still stated, “here is the period of God’s indignation against his covenant people; the period during which the sanctuary and host are to be trodden under foot.” He therefore, directly associates “the period of God’s indignation” with Daniel chapter eight, and verse thirteen’s question of “how long.” The answer in verse fourteen, was until October 22, 1844.

Smith behandelde niet het sleutelelement van het „laatste einde van de gramschap”. Hij vermeed het bijbelse beginsel dat aantoonde dat Juda in de tijd van Manasse overmeesterd werd, en dat de gevangenschap die twee koningen vóór Zedekia begon, eveneens vertegenwoordigde dat Juda reeds aan Babylon onderworpen was, voordat Zedekia zijn lot onderging. Ondanks deze flagrante weglatingen verklaarde hij toch: „hier is de periode van Gods gramschap tegen zijn verbondsvolk; de periode gedurende welke het heiligdom en het heerleger vertreden zullen worden.” Hij verbindt daarom „de periode van Gods gramschap” rechtstreeks met Daniël hoofdstuk acht en de vraag van vers dertien: „tot hoelang”. Het antwoord in vers veertien luidde: tot 22 oktober 1844.

The scattering into Babylonian slavery was a progressive history beginning in 677 BC, and continuing until 1844. That period equates to twenty-five hundred and twenty years, which is of course the “seven times” of Leviticus twenty-six. The end of that period of time on October 22, 1844 provided Daniel with a second witness to the “mar’eh vision” of the twenty-three hundred evening and mornings.

De verstrooiing in de Babylonische slavernij was een voortschrijdende geschiedenis die begon in 677 v.Chr. en voortduurde tot 1844. Die periode komt overeen met tweeduizend vijfhonderd twintig jaar, wat uiteraard de „zeven tijden” van Leviticus zesentwintig is. Het einde van die tijdsperiode op 22 oktober 1844 verschafte Daniël een tweede getuige voor het „mar’eh-visioen” van de tweeduizend driehonderd avonden en morgens.

Gabriel was told to make Daniel understand that vision, and what Gabriel did was provide a second witness to the termination date of October 22, 1844. Not only did he provide a second witness to establish the date of the fulfillments of both time prophecies, but as Smith correctly pointed out, the period of time associated with the second witness to 1844, had been identified in verse thirteen, as the period that the sanctuary and host were to be trodden under foot. The question in verse thirteen is, “How long shall be the vision concerning the daily sacrifice, and the transgression of desolation, to give both the sanctuary and the host to be trodden under foot?” That period of time was the “seven times” of Leviticus twenty-six.

Gabriël werd opgedragen Daniël dat gezicht te doen verstaan, en wat Gabriël deed, was een tweede getuige verschaffen voor de einddatum van 22 oktober 1844. Hij verschafte niet alleen een tweede getuige om de datum van de vervullingen van beide tijdsprofetieën vast te stellen, maar, zoals Smith terecht opmerkte, was de tijdsperiode die verband hield met de tweede getuige van 1844 in vers dertien aangeduid als de periode waarin het heiligdom en het heir vertrapt zouden worden. De vraag in vers dertien luidt: „Hoe lang zal het gezicht duren aangaande het dagelijks offer en de overtreding der verwoesting, om zowel het heiligdom als het heir prijs te geven om vertrapt te worden?” Die tijdsperiode was de „zeven tijden” van Leviticus zesentwintig.

What Smith did not see, or avoided identifying, was that the “indignation” of verse nineteen, was the “last end” of that indignation. If there is a “last” then there is also a “first”, and Daniel identifies when the “first indignation” ended, in chapter eleven. He is identifying the papacy reigning during the Dark Ages, and he states that the papacy would prosper until the indignation was accomplished, or ended.

Wat Smith niet zag, of vermeed te onderkennen, was dat de „gramschap” van vers negentien het „laatste einde” van die gramschap was. Als er een „laatste” is, dan is er ook een „eerste”, en Daniël geeft in hoofdstuk elf aan wanneer de „eerste gramschap” eindigde. Hij duidt het pausdom aan dat tijdens de Donkere Middeleeuwen regeerde, en hij stelt dat het pausdom voorspoed zou hebben totdat de gramschap voleindigd was, of ten einde gekomen.

And the king shall do according to his will; and he shall exalt himself, and magnify himself above every god, and shall speak marvellous things against the God of gods, and shall prosper till the indignation be accomplished: for that that is determined shall be done. Daniel 11:36.

En de koning zal doen naar zijn welgevallen; en hij zal zichzelf verheffen en zichzelf grootmaken boven elke god, en wonderlijke dingen spreken tegen de God der goden; en hij zal voorspoedig zijn totdat de gramschap voleindigd is; want wat vastbesloten is, zal geschieden. Daniël 11:36.

Verse thirty-six is widely understood to be the verse the apostle Paul paraphrases in his second letter to the Thessalonians.

Vers zesendertig wordt algemeen beschouwd als het vers dat de apostel Paulus in zijn tweede brief aan de Thessalonicenzen parafraseert.

Let no man deceive you by any means: for that day shall not come, except there come a falling away first, and that man of sin be revealed, the son of perdition; Who opposeth and exalteth himself above all that is called God, or that is worshipped; so that he as God sitteth in the temple of God, showing himself that he is God. 2 Thessalonians 2:3, 4.

Laat niemand u op enigerlei wijze misleiden; want die dag zal niet komen, tenzij eerst de afval gekomen is en de mens der zonde geopenbaard is, de zoon des verderfs; die zich verzet en zich verheft boven al wat God genaamd of als God vereerd wordt, zodat hij als God in de tempel Gods zit en van zichzelf laat zien dat hij God is. 2 Thessalonicenzen 2:3, 4.

Paul’s “man of sin” who is also “the son of perdition,” who “opposeth and exalteth himself above all that is called God, or that is worshipped,” is also the “king” who “shall do according to his will; and he shall exalt himself, and magnify himself above every god.” Both passages refer to the pope of Rome. Daniel writes that the pope would prosper, which means push forward, until the “indignation be accomplished.” The indignation in verse thirty-six had been “determined.” The word “determined” means “to wound”.

Paulus’ „mens der zonde”, die ook „de zoon des verderfs” is, die „zich verzet en zich verheft boven al wat God genoemd of als God vereerd wordt”, is ook de „koning” die „zal doen naar zijn wil; en hij zal zich verheffen en zich grootmaken boven elke god.” Beide passages verwijzen naar de paus van Rome. Daniël schrijft dat de paus voorspoedig zal zijn, wat betekent voortgaan, totdat de „gramschap voleindigd is.” De gramschap in vers zesendertig was „bepaald”. Het woord „bepaald” betekent „verwonden”.

The papacy received its “deadly wound” in 1798, and at that point the “first indignation” was accomplished or terminated. The word “accomplish” means to end or cease. The end of “the indignation” in chapter eight, and verse nineteen identified the end of the period that the sanctuary and host were to be trampled down. It ended in 1844, but the “first” indignation ended in 1798.

Het pausdom ontving in 1798 zijn „dodelijke wond”, en op dat moment werd de „eerste verontwaardiging” volbracht of beëindigd. Het woord „volbrengen” betekent beëindigen of ophouden. Het einde van „de verontwaardiging” in hoofdstuk acht, vers negentien, duidde het einde aan van de periode waarin het heiligdom en het leger vertrapt zouden worden. Die eindigde in 1844, maar de „eerste” verontwaardiging eindigde in 1798.

The “last indignation” ended in 1844, twenty-five hundred and twenty years after king Manasseh was carried to Babylon by the Assyrians in 677 BC. The “first” indignation ended in 1798, twenty-five hundred and twenty years after the northern kingdom of Israel was carried into slavery by the Assyrians in 723 BC.

De „laatste gramschap” eindigde in 1844, tweeduizend vijfhonderd twintig jaar nadat koning Manasse door de Assyriërs in 677 v.Chr. naar Babylon was weggevoerd. De „eerste” gramschap eindigde in 1798, tweeduizend vijfhonderd twintig jaar nadat het noordelijke koninkrijk Israël door de Assyriërs in 723 v.Chr. in slavernij was weggevoerd.

There is more to say about the hidden “seven times” in the book of Daniel and we will address that in our next article.

Er valt meer te zeggen over de verborgen „zeven tijden” in het boek Daniël, en daarop zullen wij in ons volgende artikel ingaan.

“‘And unto the angel of the church of the Laodiceans write: These things saith the Amen, the faithful and true Witness, the beginning of the creation of God; I know thy works, that thou art neither cold nor hot: I would thou wert cold or hot. So then because thou art lukewarm, and neither cold nor hot, I will spew thee out of My mouth. Because thou sayest, I am rich, and increased with goods, and have need of nothing; and knowest not that thou art wretched, and miserable, and poor, and blind, and naked.’

“En schrijf aan de engel van de gemeente van de Laodicenzen: Dit zegt de Amen, de getrouwe en waarachtige Getuige, het begin van de schepping Gods; Ik ken uw werken, dat gij noch koud zijt noch heet. Och, waart gij maar koud of heet! Daarom, omdat gij lauw zijt en noch koud noch heet, zal Ik u uit Mijn mond spuwen. Omdat gij zegt: Ik ben rijk en verrijkt geworden en heb aan niets gebrek; en gij niet weet dat gij ellendig zijt en jammerlijk en arm en blind en naakt.”

“The Lord here shows us that the message to be borne to His people by ministers whom He has called to warn the people is not a peace-and-safety message. It is not merely theoretical, but practical in every particular. The people of God are represented in the message to the Laodiceans as in a position of carnal security. They are at ease, believing themselves to be in an exalted condition of spiritual attainments. ‘Because thou sayest, I am rich, and increased with goods, and have need of nothing; and knowest not that thou art wretched, and miserable, and poor, and blind, and naked.’

„De Heer toont ons hier dat de boodschap die door dienaren die Hij heeft geroepen om het volk te waarschuwen, aan Zijn volk moet worden gebracht, geen boodschap van vrede en veiligheid is. Zij is niet louter theoretisch, maar in elk opzicht praktisch. Het volk van God wordt in de boodschap aan de Laodicenzen voorgesteld als verkerend in een toestand van vleselijke zekerheid. Zij zijn gerust en menen zich in een verheven staat van geestelijke verworvenheden te bevinden. ‘Omdat gij zegt: Ik ben rijk en verrijkt geworden en heb aan niets gebrek; en gij weet niet dat gij ellendig zijt en jammerlijk en arm en blind en naakt.’”

What greater deception can come upon human minds than a confidence that they are right when they are all wrong! The message of the True Witness finds the people of God in a sad deception, yet honest in that deception. They know not that their condition is deplorable in the sight of God. While those addressed are flattering themselves that they are in an exalted spiritual condition, the message of the True Witness breaks their security by the startling denunciation of their true condition of spiritual blindness, poverty, and wretchedness. The testimony, so cutting and severe, cannot be a mistake, for it is the True Witness who speaks, and His testimony must be correct.” Testimonies, volume 3, 252.

„Welke grotere misleiding kan over menselijke geesten komen dan het vertrouwen dat zij gelijk hebben, terwijl zij geheel ongelijk hebben! De boodschap van de Waarachtige Getuige treft het volk van God in een droevige misleiding aan, en toch oprecht in die misleiding. Zij weten niet dat hun toestand in de ogen van God beklagenswaardig is. Terwijl de aangesprokenen zichzelf vleien dat zij zich in een verheven geestelijke toestand bevinden, verbreekt de boodschap van de Waarachtige Getuige hun gerustheid door de ontstellende aanklacht van hun ware toestand van geestelijke blindheid, armoede en ellende. Het getuigenis, zo scherp en streng, kan geen vergissing zijn, want het is de Waarachtige Getuige die spreekt, en Zijn getuigenis moet juist zijn.” Testimonies, deel 3, 252.