De apostel Paulus was de verbindende schakel tussen het oude Israël en het geestelijke Israël, want zijn bediening, zijn naam, zijn persoonlijke omstandigheden en zijn profetische werk getuigen alle van deze waarheid. Hij duidde zichzelf aan als de minste van de apostelen, omdat hij Gods volk had vervolgd.

Want ik ben de minste van de apostelen, niet waardig een apostel genoemd te worden, omdat ik de gemeente van God vervolgd heb. 1 Korinthe 15:19.

De naam die hem bij zijn bekering werd gegeven, was Paulus, wat klein of gering betekent, want hij was de minste van de apostelen. Toch was zijn oorspronkelijke naam Saul, wat „uitverkoren” betekent.

Toen antwoordde Ananias: Heere, ik heb van velen over deze man gehoord, hoeveel kwaad hij uw heiligen te Jeruzalem heeft aangedaan; en hier heeft hij volmacht van de overpriesters om allen die uw Naam aanroepen, te binden. Maar de Heere zei tot hem: Ga heen, want deze is Mij een uitverkoren vat om mijn Naam te dragen voor de heidenen en de koningen en de kinderen Israëls, Handelingen 9:13–15.

Saul was „een uitverkoren vat” om het Evangelie naar de heidenen te dragen, maar hij moest eerst bekeerd en vernederd worden tot Paulus (klein), want hij zou krachtig moeten zijn. Paulus begreep dat zijn kracht gevonden werd in zijn kleinheid, of in zijn zwakheid.

En opdat ik mij door de overvloed der openbaringen niet bovenmate zou verheffen, is mij een doorn in het vlees gegeven, een engel van de satan, om mij met vuisten te slaan, opdat ik mij niet bovenmate zou verheffen. Hierover heb ik de Heere driemaal gebeden, dat hij van mij zou wijken. En Hij heeft tot mij gezegd: Mijn genade is u genoeg, want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht. Daarom zal ik veel liever roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus op mij ruste. Daarom heb ik behagen in zwakheden, in smaadheden, in noden, in vervolgingen, in benauwdheden om Christus’ wil; want wanneer ik zwak ben, dan ben ik machtig. 2 Korinthe 12:7–10.

Saul werd „uitverkoren”, maar opdat hij sterk zou zijn, werd hij klein gemaakt (Paulus). Hij was gekozen om het evangelie naar de heidenen te brengen, maar hij was ten dele uitverkoren vanwege zijn kennis van het Oude Testament.

Te meer omdat ik weet dat gij bijzonder deskundig zijt in alle gebruiken en geschilpunten die onder de Joden bestaan; daarom verzoek ik u mij geduldig aan te horen. Mijn levenswandel van mijn jeugd af aan, die van den beginne onder mijn eigen volk te Jeruzalem was, is aan alle Joden bekend; zij kennen mij van meet af aan, indien zij daarvan getuigen wilden, dat ik naar de strengste sekte van onze godsdienst als een Farizeeër heb geleefd. Handelingen 26:3–5.

Saul was onderwezen door Gamaliël, die beschouwd werd als een van de grootste leraars van de Schriften van het Oude Testament.

Het verzoek werd ingewilligd, en ‘Paulus stond op de trappen en wenkte met de hand tot het volk.’ Dat gebaar trok hun aandacht, terwijl zijn houding eerbied afdwong. ‘En toen er een grote stilte ontstaan was, sprak hij hen toe in de Hebreeuwse taal en zei: Mannen, broeders en vaders, hoort nu mijn verdediging, die ik tot u richt.’ Bij het horen van de vertrouwde Hebreeuwse woorden ‘hielden zij zich des te stiller’, en in de algemene stilte vervolgde hij: ‘Ik ben waarlijk een man, een Jood, geboren te Tarsus, een stad in Cilicië, maar opgevoed in deze stad aan de voeten van Gamaliël, onderwezen overeenkomstig de gestrenge wijze van de wet der vaderen, en ijverig voor God, zoals u allen heden zijt.’ Niemand kon de verklaringen van de apostel ontkennen, want de feiten waarop hij doelde, waren bij velen die nog in Jeruzalem leefden, goed bekend.” Handelingen van de Apostelen, 408.

Saul was niet willekeurig gekozen, en een van de specifieke doeleinden van Paulus’ bediening was de heilige geschiedenis van het letterlijke Israël te verbinden met de heilige geschiedenis van het geestelijke Israël. In samenhang met dit feit schreef hij het grootste deel van het Nieuwe Testament. Een hoofdstuk uit zijn geschriften wijst de ondersteuning aan voor het raamwerk van de boodschap van de eerste engel en ook voor het raamwerk van de boodschap van de derde engel. De passage is een gedenkteken in de geschiedenis van het adventisme dat het onderscheid aanduidt tussen de wijzen en de dwazen aan het begin en aan het einde van het adventisme.

Nu verzoeken wij u, broeders, met betrekking tot de komst van onze Heere Jezus Christus en onze vereniging met Hem, dat gij niet spoedig in uw denken aan het wankelen wordt gebracht of verontrust, noch door geest, noch door woord, noch door een brief alsof die van ons afkomstig zou zijn, alsof de dag van Christus aanstaande zou zijn. Laat niemand u op enigerlei wijze misleiden; want die dag komt niet, tenzij eerst de afval gekomen is en de mens der zonde geopenbaard is, de zoon des verderfs; die zich verzet en zich verheft boven al wat God genoemd of als godsdienstig vereerd wordt, zodat hij als God in de tempel van God gaat zitten en van zichzelf vertoont dat hij God is. Herinnert gij u niet dat ik u deze dingen gezegd heb, toen ik nog bij u was? En nu weet gij wat hem tegenhoudt, opdat hij geopenbaard wordt op zijn eigen tijd. Want de verborgenheid der wetteloosheid is reeds werkzaam; alleen hij die nu tegenhoudt, zal dat blijven doen, totdat hij uit het midden weggenomen wordt. En dan zal de wetteloze geopenbaard worden, die de Heere verteren zal door de Geest van Zijn mond en tenietdoen door de verschijning van Zijn komst; hem, wiens komst is naar de werking van de satan, met allerlei kracht, tekenen en bedrieglijke wonderen, en met allerlei verleiding der ongerechtigheid in hen die verloren gaan, omdat zij de liefde tot de waarheid niet aangenomen hebben om zalig te worden. En daarom zal God hun een krachtige dwaling zenden, zodat zij de leugen geloven, opdat zij allen veroordeeld worden die de waarheid niet geloofd hebben, maar een welgevallen gehad hebben in de ongerechtigheid. 2 Thessalonicenzen 2:1–12.

De context van deze passage is de overweging van de vraag wanneer Christus voor de tweede maal zou terugkeren. Paulus herinnert de Thessalonicenzen eraan dat hij die zorg reeds eerder heeft beantwoord, toen hij zei: „Herinnert gij u niet, dat ik u deze dingen gezegd heb, toen ik nog bij u was?” Paulus trachtte te voorkomen dat de broeders misleid zouden worden ten aanzien van „de komst van onze Heere Jezus Christus en onze vereniging met Hem.”

De geschiedschrijvers stellen vast dat de helft van de boodschap van William Miller berustte op zijn identificatie van de tweeduizend driehonderd jaren van Daniël hoofdstuk acht, vers veertien. De andere helft van zijn boodschap, die soms niet wordt onderkend, is zijn werk in het weerleggen van de valse leringen aangaande de Wederkomst van Christus.

Op grond van de valse jezuïtische methodologie was er (en is er nog steeds) een vooraanstaande valse leer die William Miller consequent bestreed. Het was de valse leer dat aan de tweede komst van de Heere duizend jaren van vrede voorafgingen, het zogenoemde „tijdelijke millennium”, waartegen zuster White zich eveneens verzette.

Millers werk bevestigde tevens de waarheid van de letterlijke wederkomst van Christus, in tegenstelling tot de verschillende valse opvattingen omtrent het millennium die in zijn tijd gangbaar waren. Paulus spreekt in 2 Thessalonicenzen over de Tweede Komst, zodat dit gedeelte deel uitmaakte van Millers begrip van een letterlijke Tweede Komst. Het hoofdstuk was voor Miller „tegenwoordige waarheid”.

Paulus duidt een belangrijke opeenvolging van gebeurtenissen aan die verband houden met de Tweede Komst, en verschaft tevens de redenering waarom de Thessalonicenzen de wederkomst van de Heer niet in hun leven moesten verwachten. Paulus zegt: “Now we beseech you, brethren, by the coming of our Lord Jesus Christ, and by our gathering together unto him.” Het woord “beseech” betekent ondervragen. Paulus beredeneert de elementen die met de Tweede Komst verbonden zijn en leidt zijn gehoor door een soort ondervraging, bedoeld om bij zijn toehoorders een analyse van zijn redenering teweeg te brengen.

De structuur van zijn redenering is dat, voordat Christus een tweede maal terugkeert, het pausdom moet worden geïdentificeerd en heersen, en dat er, voordat het pausdom in de geschiedenis verschijnt, eerst een afval moet zijn. Die afval lag nog in de toekomst, zodat de komst van het pausdom nog verder daarachter lag. Hoe kon iemand er dan toe verleid worden te menen dat de wederkomst van Christus nabij was? Hij gebruikt verscheidene symbolen van het pausdom om vast te stellen welke macht het is die na de afval geopenbaard wordt. Hij noemt het pausdom de “mens der zonde”, “die wetteloze”, “de zoon des verderfs” en het “verborgenheid der ongerechtigheid”. Zuster White maakt duidelijk dat dit alles symbolen zijn die het pausdom identificeren.

“Maar vóór de komst van Christus moesten in de godsdienstige wereld belangrijke ontwikkelingen plaatsvinden, voorzegd in de profetie. De apostel verklaarde: ‘Laat u niet spoedig in uw denken aan het wankelen brengen of verschrikken, noch door geest, noch door woord, noch door brief alsof van ons afkomstig, alsof de dag van Christus aanstaande zou zijn. Laat niemand u op enigerlei wijze misleiden; want die dag komt niet, tenzij eerst de afval gekomen is en de mens der zonde geopenbaard is, de zoon des verderfs; die zich verzet en zich verheft boven al wat God genoemd wordt of als god wordt vereerd, zodat hij als God in de tempel van God zit en van zichzelf toont dat hij God is.’”

„Paulus’ woorden mochten niet verkeerd worden uitgelegd. Men mocht niet leren dat hij door bijzondere openbaring de Thessalonicenzen had gewaarschuwd voor de onmiddellijke komst van Christus. Een dergelijk standpunt zou verwarring in het geloof veroorzaken; want teleurstelling leidt dikwijls tot ongeloof. Daarom waarschuwde de apostel de broeders geen dergelijke boodschap aan te nemen alsof zij van hem afkomstig was, en hij ging vervolgens ertoe over te benadrukken dat de pauselijke macht, zo duidelijk beschreven door de profeet Daniël, nog moest opkomen en oorlog voeren tegen Gods volk. Zolang deze macht haar dodelijke en godslasterlijke werk niet zou hebben volbracht, zou het tevergeefs zijn als de gemeente uitzag naar de komst van haar Heer. ‘Gedenkt gij niet,’ vroeg Paulus, ‘dat ik u deze dingen gezegd heb, toen ik nog bij u was?’”

Verschrikkelijk waren de beproevingen die de ware kerk zouden treffen. Reeds in de tijd dat de apostel schreef, was het ‘mysterie der ongerechtigheid’ begonnen te werken. De ontwikkelingen die zich in de toekomst zouden voordoen, zouden zijn ‘naar de werking des satans, met allerlei kracht en tekenen en leugenachtige wonderen, en met allerlei verleiding der ongerechtigheid in hen die verloren gaan.’

‘Bijzonder plechtig is de verklaring van de apostel aangaande hen die zouden weigeren “de liefde der waarheid” te ontvangen. “En daarom,” verklaarde hij met betrekking tot allen die de boodschappen der waarheid opzettelijk zouden verwerpen, “zal God hun zenden een krachtige dwaling, dat zij de leugen zouden geloven; opdat zij allen veroordeeld worden die de waarheid niet geloofd hebben, maar behagen hebben gehad in de ongerechtigheid.” Mensen kunnen niet ongestraft de waarschuwingen verwerpen die God hun in Zijn barmhartigheid zendt. Van hen die volharden in het afwenden van deze waarschuwingen, trekt God Zijn Geest terug en laat Hij hen over aan de misleidingen die zij liefhebben.’ Handelingen der Apostelen, 265, 266.

Hoewel zuster White de „mens der zonde”, „die goddeloze”, „de zoon des verderfs” en „de verborgenheid der ongerechtigheid” uit de passage van Paulus rechtstreeks aanduidt, en deze de „pauselijke macht” noemt, zegt zij nog meer. Zij stelt vast dat deze door Paulus gebruikte symbolen om de paus van Rome aan te duiden, ontleend waren aan het boek Daniël, toen zij verklaarde: „De apostel waarschuwde daarom de broeders om geen zodanige boodschap als van hem afkomstig te aanvaarden, en hij ging ertoe over te benadrukken dat de pauselijke macht, zo duidelijk beschreven door de profeet Daniël, nog moest opkomen en oorlog voeren tegen Gods volk. Voordat deze macht haar dodelijke en godslasterlijke werk zou hebben volbracht, zou het vergeefs zijn voor de kerk om uit te zien naar de komst van hun Heer.” Paulus baseerde dat gedeelte van de boodschap aan de Thessalonicenzen waarin het pausdom werd aangeduid, op Daniël hoofdstuk elf, en vers zesendertig.

En de koning zal handelen naar zijn welgevallen; en hij zal zich verheffen en zich groot maken boven elke god, en wonderlijke dingen spreken tegen de God der goden, en voorspoedig zijn totdat de verbolgenheid voleindigd is; want wat vast besloten is, zal geschieden. Daniël 11:36.

Wanneer Paulus de paus aanduidt als degene „die zich verzet en zich verheft boven al wat God genoemd of als god vereerd wordt, zodat hij als God in de tempel van God zit en van zichzelf te kennen geeft dat hij God is”, parafraseerde Paulus de beschrijving van de profeet Daniël van de „koning” die „naar zijn welbehagen” handelde en zichzelf verhief en groot maakte „boven elke god”. De paus is de koning die „wonderlijke dingen tegen de God der goden” spreekt, en de paus is de macht die zou „voorspoedig zijn totdat de” eerste „gramschap” in 1798 „volbracht” zou „zijn”.

Daniël elf, en vers zesendertig, is absoluut essentieel om juist te verstaan, indien de toename van kennis in 1989 juist begrepen moet worden. Om deze reden werd de valse leer dat de koning in het vers Frankrijk was, zoals ingevoerd door Uriah Smith, in de eerste generatie van het adventisme (1863 tot 1888) geïntroduceerd. Smith veranderde de tekst van vers zesendertig van „de” koning (wat het pausdom is dat in de voorgaande verzen werd beschreven) in „een” koning (welke koning dan ook), teneinde aan het atheïstische Frankrijk de kenmerken van de wijze van aanbidding van Rome toe te schrijven; maar dat was slechts een vertrekpunt om zijn stokpaardjetheorie naar voren te brengen dat Turkije de koning van het noorden is in vers veertig en verder.

Satan begon al vroeg het feit te verduisteren dat de koning in het vers het pausdom is, en het is de apostel Paulus die aan Daniëls getuigenis een tweede getuige van dit feit toevoegt. Zuster White leverde de derde getuige.

Satan trachtte niet alleen de waarheid te verduisteren dat de koning in het vers de paus is, maar door de waarheid die in het vers besloten ligt verkeerd voor te stellen, maakte hij ook de betekenis duister van wat de „gramschap” in het vers vertegenwoordigde. Het pausdom in het vers zou voorspoedig zijn tot 1798, toen het zijn dodelijke wond werd toegebracht. 1798 is het einde van de tweeduizend vijfhonderd twintig jaren van Gods gramschap, die werd voltrokken over het noordelijke koninkrijk van Israël, te beginnen in 723 v.Chr.

Als het adventisme in 1863 de „zeven tijden” had verdedigd en gehandhaafd, zou het voor Uriah Smith vrijwel onmogelijk zijn geweest met zulke dwaasheid over vers zesendertig weg te komen, want de „gramschap” zou zijn begrepen als een voorstelling van Gods eerste gramschap van „zeven tijden”, en zou dus in het geheel geen verband hebben gehad met Frankrijk. De vermeerdering van kennis in 1989 wordt door Paulus in de desbetreffende passage ondersteund, en om deze reden geldt de waarschuwing van Paulus in die passage aangaande hen die de liefde der waarheid niet aannemen, maar een krachtige dwaling ontvangen, dat zij dit doen door hun verwerping van de waarheden die Paulus in de passage uiteenzet. Een van die waarheden is de juiste identificatie van de koning van het noorden in Daniël hoofdstuk elf, verzen veertig tot en met vijfenveertig.

In de passage, nadat Paulus de paus van Rome heeft geïdentificeerd, beschrijft hij een opeenvolging van gebeurtenissen aan het einde van de wereld die leidt tot de wederkomst van Christus, hetgeen het onderwerp van de passage is. Hij verklaart: „dan zal die Wetteloze geopenbaard worden.” Die „wetteloze” is de paus, „die de Heere verteren zal door de Geest van Zijn mond en tenietdoen door de verschijning van Zijn komst.” Vervolgens zegt Paulus: „ook hem, wiens komst is naar de werking van de satan, met alle kracht en tekenen en leugenachtige wonderen.” Jezus is degene „wiens komst is naar de werking van de satan.”

Satans wonderbare werking is de periode vanaf de spoedig komende zondagswet totdat Michaël opstaat en de menselijke genadetijd wordt afgesloten. Satan verricht geen wonderen gedurende de zeven laatste plagen, die worden uitgegoten vanaf het sluiten van de genadetijd totdat Christus terugkeert.

“Christus zegt: ‘Aan hun vruchten zult gij hen kennen.’ Indien zij door wie genezingen worden verricht, op grond van deze manifestaties geneigd zijn hun veronachtzaming van de wet van God te verontschuldigen en in ongehoorzaamheid voort te gaan, volgt daaruit niet dat zij, hoe groot hun macht ook in welk opzicht dan ook moge zijn, de grote kracht van God bezitten. Integendeel, het is de wonderwerkende macht van de grote misleider. Hij is een overtreder van de zedelijke wet en wendt ieder middel aan waarover hij meester kan worden om de mensen blind te maken voor haar ware aard. Wij worden gewaarschuwd dat hij in de laatste dagen zal werken met tekenen en leugenachtige wonderen. En hij zal deze wonderen blijven verrichten tot aan het einde van de genadetijd, opdat hij daarop moge wijzen als bewijs dat hij een engel des lichts is en niet der duisternis.” The Seventh-day Adventist Bible Commentary, deel 7, 911.

Paulus geeft aan dat er een afval zou zijn die voorafging aan de openbaring van het pausdom, en dat de wederkomst van Christus zou plaatsvinden „na” de wonderbaarlijke werking van Satan. Satans wonderbaarlijke werking begint bij de zondagwet in de Verenigde Staten en eindigt bij het aanbreken van het einde van de genadetijd en de zeven laatste plagen. Satans wonderbaarlijke werking begint bij de zondagwet in de Verenigde Staten.

„Door het decreet dat de instelling van het pausdom afdwingt in overtreding van de wet van God, zal onze natie zich volledig losmaken van de gerechtigheid. Wanneer het protestantisme haar hand over de kloof zal uitstrekken om de hand van de Roomse macht te grijpen, wanneer het over de afgrond zal reiken om de handen ineen te slaan met het spiritisme, wanneer ons land onder de invloed van deze drievoudige vereniging elk beginsel van zijn Grondwet als een protestantse en republikeinse regering zal verwerpen, en voorzieningen zal treffen voor de verbreiding van pauselijke onwaarheden en misleidingen, dan mogen wij weten dat de tijd is gekomen voor de wonderbaarlijke werking van Satan en dat het einde nabij is.” Testimonies, deel 5, 451.

De zondagswet is het einde van het zesde koninkrijk, het beest uit de aarde van Openbaring hoofdstuk dertien. Het beest uit de aarde begon te regeren aan het einde van de twaalfhonderdzestig jaren van pauselijke heerschappij in 1798. Het pausdom werd derhalve geopenbaard in het jaar 538, hoewel haar werk om de wereld in haar macht te krijgen reeds werkzaam was toen Paulus zijn woorden neerschreef. Vóór het jaar 538 zou er een afval zijn die voorafging aan de openbaring van de mens der zonde, die in de tempel van God zit.

De afval werd voorgesteld door de gemeente van Pergamus, toen de christelijke kerk een compromis sloot met de godsdienst van het heidendom, zoals gesymboliseerd door keizer Constantijn. Paulus duidde de profetische wegmarkeringen aan die moesten plaatsvinden vóór de Tweede Komst van Christus. Nadat hij had herhaald wat hij de Thessalonicenzen eerder had onderwezen, vraagt hij vervolgens of zij zich niet herinnerden dat hij hun deze waarheden reeds eerder had geleerd. Vervolgens herinnert hij hen eraan dat zij zich ook moesten herinneren dat hij hun had geleerd dat een macht de pausheid zou “wederhouden”, “opdat” de pausheid “geopenbaard zou worden te zijner tijd”. Het woord “wederhouden” betekent tegenhouden. Het woord “wederhouden” wordt later in dezelfde passage vertaald met “nu nog wederhoudt”.

De passage wordt derhalve terecht weergegeven als: „En nu weet gij wat het pausdom weerhoudt, opdat het pausdom geopenbaard zou worden op zijn tijd. Want de verborgenheid der ongerechtigheid (het pausdom) is reeds werkzaam; alleen hij die het pausdom thans weerhoudt, zal het pausdom blijven weerhouden totdat hij uit de weg genomen is.” Toen William Miller deze passage in Thessalonicenzen herkende, besefte hij dat de macht die verhinderde dat het pausdom in het jaar 538 de troon der aarde besteeg, het heidense Rome was, en dat het heidense Rome de opkomst van de pauselijke macht zou weerhouden, totdat het heidense Rome „uit de weg genomen” was.

„Gedurende de twaalf jaren dat ik deïst was, las ik alle geschiedenissen die ik kon vinden; maar nu had ik de Bijbel lief. Hij onderwees over Jezus! Toch was er nog een aanzienlijk deel van de Bijbel dat voor mij duister was. In 1818 of 1819, terwijl ik in gesprek was met een vriend bij wie ik op bezoek was en die mij gekend en gehoord had spreken toen ik deïst was, vroeg hij op tamelijk veelbetekenende wijze: ‘Wat denkt u van deze tekst, en van die?’ waarbij hij verwees naar de oude teksten waartegen ik als deïst bezwaren had ingebracht. Ik begreep wat hij bedoelde en antwoordde: Als u mij tijd wilt geven, zal ik u zeggen wat zij betekenen. ‘Hoeveel tijd wilt u hebben?’ Ik weet het niet, maar ik zal het u zeggen, antwoordde ik, want ik kon niet geloven dat God een openbaring had gegeven die niet begrepen kon worden. Toen nam ik mij voor mijn Bijbel te bestuderen, in de overtuiging dat ik kon ontdekken wat de Heilige Geest bedoelde. Maar zodra ik dit voornemen had opgevat, kwam de gedachte bij mij op: ‘Stel dat u een passage vindt die u niet kunt begrijpen, wat zult u dan doen?’ Toen kwam deze wijze van Bijbelstudie in mij op: Ik zal de woorden van zulke passages nemen, ze door de hele Bijbel heen naspeuren, en op deze wijze hun betekenis ontdekken. Ik bezat Crudens Concordantie, die naar mijn mening de beste ter wereld is; dus nam ik die en mijn Bijbel, ging aan mijn schrijftafel zitten, en las niets anders, behalve een weinig in de kranten, want ik was vastbesloten te weten wat mijn Bijbel betekende.

‘Ik begon bij Genesis en las langzaam verder; en toen ik bij een tekst kwam die ik niet kon begrijpen, doorzocht ik de Bijbel om te ontdekken wat die betekende. Nadat ik de Bijbel op deze wijze had doorgegaan, o, hoe helder en heerlijk verscheen de waarheid! Ik vond wat ik u heb gepredikt. Ik was ervan overtuigd dat de zeven tijden in 1843 eindigden. Toen kwam ik bij de 2300 dagen; ook die brachten mij tot dezelfde slotsom; maar ik had er niet aan gedacht te ontdekken wanneer de Heiland zou komen, en ik kon het niet geloven; maar het licht trof mij zo krachtig dat ik niet wist wat ik moest doen. Nu, dacht ik, ik moet sporen en teugel aanleggen; ik zal niet sneller gaan dan de Bijbel, en ik zal er niet bij achterblijven. Wat de Bijbel ook leert, daaraan zal ik vasthouden. Maar toch waren er enkele teksten die ik niet kon begrijpen.’

„Zoveel dan over zijn algemene wijze van Bijbelstudie. Bij een andere gelegenheid zette hij zijn manier uiteen om de betekenis vast te stellen van de tekst die vóór ons ligt — de betekenis van ‘het dagelijkse’. ‘Ik las verder,’ zei hij, ‘en kon geen ander geval vinden waarin het voorkwam dan in Daniël. Toen nam ik die woorden die ermee in verband stonden, “wegnemen”. Hij zal het dagelijkse wegnemen, “vanaf de tijd dat het dagelijkse zal worden weggenomen”, enz. Ik las verder en dacht dat ik geen licht over de tekst zou vinden; ten slotte kwam ik bij 2 Thessalonicenzen 2:7–8. “Want de verborgenheid der ongerechtigheid werkt reeds; alleen hij die haar nu weerhoudt, zal haar weerhouden, totdat hij uit de weg genomen wordt; en dan zal de wetteloze geopenbaard worden”, enz. En toen ik bij die tekst gekomen was, o, hoe helder en heerlijk verscheen de waarheid! Daar is het! dat is “het dagelijkse!” Welnu, wat bedoelt Paulus met “hij die nu weerhoudt”, of belemmert? Met “de mens der zonde” en “de wetteloze” wordt het pausdom bedoeld. Welnu, wat is het dat het pausdom verhindert geopenbaard te worden? Waarom, het is het heidendom; welnu dan, “het dagelijkse” moet het heidendom betekenen.’ William Miller, Apollos Hale, The Second Advent Manual, 65, 66.

Zonder het inzicht dat „het gedurige” in het boek Daniël een symbool van het heidendom was, zou het voor Miller uiterst moeilijk zijn geweest het raamwerk te ontwikkelen waarop hij zijn profetische structuur bouwde. „Het gedurige” komt vijfmaal voor in het boek Daniël, en het wordt steeds gevolgd door een symbool van het pausdom. Het bewijs dat „het gedurige” in het boek Daniël het heidendom is, bevindt zich in Paulus’ brief aan de Thessalonicenzen. Daar bevindt zich een van de ernstigste waarschuwingen in Gods Woord, want daar verklaart Paulus duidelijk dat hun die de waarheid niet liefhebben, een krachtige dwaling gezonden zal worden. De waarheid die met opzet in Thessalonicenzen werd geplaatst, was de identificatie van de verbinding van het heidendom met het pausdom, en die waarheid te verwerpen is te waarborgen dat krachtige dwaling het gevolg van die verwerping zal zijn.

Wij zullen dit onderwerp in het volgende artikel voortzetten.

Verstomt u en verbaast u; roept uit en schreeuwt: zij zijn dronken, maar niet van wijn; zij wankelen, maar niet van sterke drank. Want de HEERE heeft over u uitgestort een geest van diepe slaap, en Hij heeft uw ogen gesloten; de profeten en uw oversten, de zieners, heeft Hij bedekt. En het gezicht van dit alles is voor u geworden als de woorden van een verzegeld boek, dat men geeft aan iemand die geleerd is, met de woorden: Lees dit toch; en hij zegt: Ik kan niet, want het is verzegeld. En het boek wordt gegeven aan iemand die niet geleerd is, met de woorden: Lees dit toch; en hij zegt: Ik ben niet geleerd. Daarom zei de Heere: Omdat dit volk tot Mij nadert met zijn mond en Mij eert met zijn lippen, maar zijn hart ver van Mij heeft verwijderd, en hun vreze voor Mij bestaat uit aangeleerde geboden van mensen, daarom, zie, Ik zal voortgaan wonderlijk te handelen onder dit volk, wonder op wonder; want de wijsheid van hun wijzen zal vergaan, en het verstand van hun verstandigen zal verborgen worden. Wee hun die diep graven om hun raad voor de HEERE te verbergen, en wier werken in de duisternis zijn, en die zeggen: Wie ziet ons? en wie kent ons? O, uw verdraaiing van zaken zal geacht worden als de klei van de pottenbakker; want zal het maaksel van hem die het gemaakt heeft zeggen: Hij heeft mij niet gemaakt? of zal het gevormde van hem die het gevormd heeft zeggen: Hij had geen verstand? Jesaja 29:9–16.