Ezechiël wordt aangeduid als de „rouwende profeet”, want hij is een symbool van de honderdvierendertigduizend, die in hoofdstuk negen van zijn boek rouw bedrijven (zuchten en schreien) over de gruwelen die in het land en in de kerk worden bedreven. In de passage uit Testimonies die wij in het vorige artikel hebben aangehaald, schreef zuster White: „De profeet zelf was een vreemdeling in een vreemd land, waar grenzeloze eerzucht en barbaarse wreedheid oppermachtig waren. Wat hij zag en hoorde van menselijke tirannie en onrecht benauwde zijn ziel, en hij rouwde dag en nacht bitterlijk.”

De honderdvierenveertigduizend zijn de „verstotenen van Israël”, die verstrooid waren, zoals uitgebeeld door Ezechiëls wegvoering in ballingschap. Het verzegelingsproces dat in Ezechiël 9 wordt voorgesteld, is hetzelfde als in Openbaring 7, en beide hoofdstukken worden voorgesteld als plaatsvindend in de laatste dagen.

„Deze verzegeling van de dienstknechten van God is dezelfde die in een gezicht aan Ezechiël werd getoond.” Testimonies to Ministers, 445.

Vanaf de troon geeft God leiding aan de cherubs, die op hun beurt de raderen besturen. Ezechiël moest uit het visioen begrijpen dat God de leiding had, zelfs in de periode waarin alles in verwarring scheen te zijn. Zuster White zegt „op gelijke wijze” nadat zij de orde van God op de troon heeft uiteengezet, terwijl Hij de cherubs leidt die de aangelegenheden der aarde besturen, zoals zij Johannes beschrijft in het heiligdom waar Christus te midden van de zeven gemeenten wandelde. Ezechiël en Johannes zijn symbolen van hen die leven in de verzegelingstijd van de honderd vierenveertigduizend van wie, zoals de Inspiratie vastlegt, „De taferelen die in onze wereld zullen plaatsvinden, worden thans nog niet eens gedroomd.”

Zeker, toen zuster White die woorden neerschreef, waren zij waar; maar in de tijd van de verzegeling vinden zij hun volmaakte vervulling. Zou u een jaar of twintig geleden hebben gedacht aan hetgeen zich thans in de wereld voltrekt in samenhang met het zwermen van de sprinkhanen van de islam? Sprinkhanen als symbool van de islam in hoofdstuk negen van Openbaring omvatten in de natuur de migratie van de sprinkhanen van Noord-Afrika. Het zwermen van die sprinkhanen langs de trekroute van Afrika stemt overeen met de geografie die door de islam werd ingenomen. De islam stamt af van Ismaël, en Ismaëls moeder was Hagar. Hagar betekent „vlucht” of „vluchten”. In het Arabisch wordt de naam gewoonlijk weergegeven als Hajar (هاجر), en hij is verbonden met dezelfde wortel die ons Hijra geeft (de migratie/vlucht van Mohammed). De wortels van de islam worden niet alleen geassocieerd met het zwermen van sprinkhanen, maar die wortels omvatten ook de betekenis van migratie. Heeft iemand ooit gedacht dat illegale immigratie een manifestatie was van de sprinkhaan van de islam?

Heeft iemand ooit gedroomd dat de wereldwijde communisten een verbond zouden sluiten met de islamitische horden? Zowel de islam als de draaksmacht van de globalisten stijgen op uit de afgrond in respectievelijk Openbaring 9/11, en de afgrond vertegenwoordigt een manifestatie van satanische macht. Beide huidige bondgenoten zijn volgens de Schriften der waarheid werktuigen van Satan.

“‘Wanneer zij hun getuigenis voleindigd hebben [aan het voleindigen zijn].’ De periode waarin de twee getuigen, met zakken bekleed, zouden profeteren, eindigde in 1798. Toen zij de beëindiging van hun werk in verborgenheid naderden, zou tegen hen oorlog gevoerd worden door de macht die wordt voorgesteld als ‘het beest dat opkomt uit de afgrond’. In vele van de naties van Europa waren de machten die in Kerk en Staat regeerden, gedurende eeuwen door Satan beheerst geweest door middel van het pausdom. Maar hier wordt een nieuwe openbaring van satanische macht voor ogen gesteld.” The Great Controversy, 268.

Zuster White duidt hier op de komst van het socialisme in de periode van de Franse Revolutie, terwijl zij tevens opmerkt dat Satan ook de pauselijke macht beheerst. De pauselijke macht komt in Openbaring zeventien eveneens op uit de afgrond, en in Openbaring hoofdstuk negen is de islam de rook die uit de afgrond opsteeg. Het punt blijft echter staan: bedoelde de Inspiratie werkelijk: “The scenes to be enacted in our world are not yet even dreamed of”? Wie heeft gedroomd dat de islam zich nu over Europa zou verspreiden en nu op de Amerika’s neerdaalt? Hebt u gedroomd dat de sprinkhanen over de gehele aardbol zouden worden verspreid door de globalisten van de Verenigde Naties, de Europese Unie en de Democratische Partij van de Verenigde Staten?

Wie had kunnen denken dat de onderwijsinstellingen zouden worden overgenomen door de communistische en islamitische alliantie die nu wordt gefinancierd met belastinggelden van burgers die nooit de bedoeling hebben gehad dat hun belastinggeld zou worden aangewend om de natie te vernietigen die dat belastinggeld verschaft.

Wie had kunnen dromen dat Groot-Brittannië het bevorderen en handhaven zou steunen van het in benden verkrachten, ontvoeren, gevangenzetten en vermoorden van blanke meisjes door de islam? Velen wijzen erop dat elk communistisch systeem dat ooit in de menselijke geschiedenis heeft bestaan een volslagen mislukking is geweest, maar de vrucht van het socialisme van Groot-Brittannië is evenzeer een veroordeling van het socialisme als het falen van de economische en politieke filosofieën van dat systeem.

Wie zou ooit hebben kunnen denken dat de kooplieden der aarde toestemming zou worden gegeven om vergiften in te voeren teneinde een massamoord op meer dan zeventien miljoen mensen te voltrekken?

Wie had kunnen denken dat mannen als George Soros, Bill Gates en Anthony Fauci in staat zouden worden gesteld hun demonische boze daden te volbrengen, zonder dat dit volstrekt enige gevolgen zou hebben?

Toen zuster White verklaarde dat van de taferelen die zich zouden voltrekken niet eens gedroomd zou worden, deed zij dat in de context van de verzegelingstijd van de honderd vierenveertigduizend. Zij sloot daarmee aan bij haar opmerkingen over Christus’ waarschuwing in Mattheüs vierentwintig, waar zij optekende: “Deze lessen zijn tot ons nut. Wij moeten ons geloof op God vestigen, want vlak voor ons ligt een tijd die de zielen van mensen op de proef zal stellen. Christus heeft op de Olijfberg de vreselijke oordelen uiteengezet die aan Zijn tweede komst zouden voorafgaan.”

De lessen waarnaar zij zojuist had verwezen, waren de uitbeeldingen van zowel Ezechiël als Johannes in het heiligdom, waar zij leerden te verstaan dat God alle dingen onder Zijn heerschappij heeft. Te midden van de verwarring en opstand die thans gaande zijn, een verwarring en opstand die slechts zullen toenemen naarmate de geschiedenis voortschrijdt, zullen zij die Gods boodschappers zijn, zoals niet alleen Ezechiël en Johannes in de tempel, maar ook Jesaja die vertegenwoordigen, de geschiedenis slechts zó kunnen doorkruisen dat de Heere wordt verheerlijkt, indien zij verstaan dat zelfs de dingen waarvan wij nooit hebben gedroomd, nog steeds onder Gods heerschappij staan.

Die wielen die de andere wielen doorkruisen, omvatten de gebeurtenissen waarvan men nooit had gedroomd, en het zijn de gebeurtenissen die plaatsvinden in de verzegelingstijd die op 11 september is begonnen. De lessen die geleerd moeten worden, worden slechts geleerd door hen die door het geloof het Allerheiligste binnengaan en Christus en Zijn licht zien schijnen vanuit de Ark. Wanneer die heerlijkheid wordt aanschouwd zoals voorgesteld door Daniël in hoofdstuk tien, wordt de groep die door het licht wordt gebaat, gescheiden van hen die voor het visioen zijn gevlucht.

En ik, Daniël, zag alleen het visioen; want de mannen die bij mij waren, zagen het visioen niet; maar een grote beving overviel hen, zodat zij wegvluchtten om zich te verbergen. Daniël 10:7.

Er valt veel meer te ontlenen aan de passage in het vorige artikel, maar ter afsluiting van dit artikel zullen wij een wiel behandelen. In het laatste artikel hebben wij de symboliek van het getal vijfentwintig opgemerkt, en daarvoor hebben wij enige tijd besteed aan het getal dertig. Het licht uit het boek Ezechiël bestaat niet louter uit symbolische getallen, maar het is de moeite waard ons eerst met enkele van die numerieke symbolen vertrouwd te maken, alvorens enige helderheid uit de verwarring tevoorschijn te brengen.

Zeventien

De drie profetieën van tweehonderdvijftig jaar duiden op een periode van zeventien jaar die aanvangt aan het einde van de geschiedenis van de gemeente van Smyrna. Van 313 tot 330 vormen zeventien jaren een type van het oprichten van het beeld van het beest.

De tweehonderdvijftig jaar die in 457 v.Chr. begonnen, eindigden in 207 v.Chr., zeven jaar na de slag bij Raphia en tien jaar vóór de slag bij Panium. Van Raphia tot Panium verliepen zeventien jaar, en dit vertegenwoordigt de verborgen geschiedenis van vers veertig, zoals uiteengezet in de verzen elf tot en met vijftien van Daniël elf.

Ptolemaeus IV Philopator (ook bekend als Ptolemaeus IV) was de heerser die in 217 v.Chr. de Slag bij Raphia won. Hij regeerde als koning (en farao) van het Ptolemeïsche Egypte van 221 v.Chr. tot 204 v.Chr., en regeerde aldus zeventien jaar. Hij begon zijn regering vóór de slag bij Raphia, maar stierf vóór de slag bij Panium.

De slag bij Raphia, die de Oekraïense Oorlog voorstelt, begon in 2014, toen de Verenigde Staten een kleurenrevolutie in Oekraïne teweegbrachten. Ptolemaeus IV, de koning van het zuiden, is een type van Vladimir Poetin, die zijn regering begon in 2000, het jaar voordat de verzegeling van de honderdvierenvierenveertigduizend in 2001 aanving. Zoals bij Ptolemaeus begon Poetin te regeren vóór de Oekraïense oorlog, die wordt voorgesteld door de slag bij Raphia, die in 2014 begon. Vóór Panium wordt Poetin, zoals voorgesteld door Ptolemaeus, verwijderd. Poetin begon te regeren in 2000 en stemt aldus overeen met het begin van de verzegelingstijd, die het volgende jaar, in 2001, aanving. Zeventien symbolische jaren, zoals voorgesteld door Ptolemaeus, duiden de periode aan waarin Poetin regeert, en dat doet hij gedurende de verzegelingstijd.

Trump, vertegenwoordigd door het einde van de tweehonderdvijftig jaren die in 457 v.Chr. begonnen, bevindt zich in dezelfde verborgen geschiedenis als Poetin, een geschiedenis van zeventien jaar die begint bij de slag bij Rafia. De draak (Poetin) en de valse profeet (Trump) bevinden zich binnen de verborgen geschiedenis. In die geschiedenis bevindt zich het beest, voorgesteld als „de rovers van uw volk”, als symbool van de pauselijke macht, aan het einde van de zeventien jaren van Rafia tot Panium.

Het jaar 321 vertegenwoordigt de zondagswet in de Verenigde Staten, en 321 bevindt zich binnen een periode van zeventien jaar vanaf het Edict van Milaan in 313 tot aan de verdeling van het rijk in 330.

De geschiedenis die wordt voorgesteld vanaf Josia’s grote Pascha, zoals het genoemd wordt, begint de zeventiende Jubelcyclus van de Joden. Vanaf Josia’s Pascha, dat de grootste opwekking in het Oude Testament is, tot 22 oktober, wordt de Milleritische geschiedenis voorgesteld vanaf 11 augustus 1840 tot 22 oktober 1844, maar nog belangrijker, zij stelt de geschiedenis voor van 9/11 tot aan de zondagswet. De verzegelingstijd van de honderdvierenveertigduizend wordt voorgesteld door de zeventiende Jubelcyclus van Josia tot 22 oktober. Zeventien is een symbool dat verbonden is met de grote gebeurtenissen van de verzegelingstijd, en het getal zeventien is een punt waar Ezechiëls wielen elkaar kruisen.

In de verborgen geschiedenis van vers veertig van Daniël, zoals weergegeven in de verzen tien tot en met vijftien van hetzelfde hoofdstuk, wordt de draak door de regering van Ptolemaeus met het getal „17” in verband gebracht. De geschiedenis vanaf de slag bij Rafia in vers elf tot aan de slag bij Rafia in vers vijftien beslaat „17” jaren. Die geschiedenis plaatst Donald Trump in het midden van de zeventien jaren die door die twee veldslagen worden voorgesteld. Het beeld van het beest dat door Trump in de Verenigde Staten wordt gevormd en opgericht, wordt voorgesteld door „17” jaren van 313 tot 330. In vers één van hoofdstuk één bevindt Ezechiël zich in het dertigste jaar van de „17e” Jubelcyclus. Hebt u ooit gedroomd dat het getal zeventien een van de wielen voorstelde die Ezechiël in het Allerheiligste zag?

Ezechiël is een symbool van hen die in de tijd van de verzegeling door het geloof zijn binnengegaan in het Allerheiligste. Zij zijn Petrus’ priesters.

Ook gij wordt, als levende stenen, opgebouwd tot een geestelijk huis, een heilig priesterschap, om geestelijke offeranden te brengen, die Gode welgevallig zijn door Jezus Christus. 1 Petrus 2:5.

Hun opdracht is een boodschap te brengen aan Gods voormalige verbondsvolk, dat intussen wordt voorbijgegaan, hoewel hun tevoren is aangezegd dat Gods voormalige verbondsvolk niet zal zien noch horen.

En Hij zeide tot mij: Mensenkind, laat uw buik eten en vul uw ingewand met deze boekrol die Ik u geef. Toen at ik haar, en zij was in mijn mond zoet als honig. En Hij zeide tot mij: Mensenkind, ga, begeef u naar het huis van Israël en spreek met Mijn woorden tot hen. Want gij zijt niet gezonden tot een volk met een vreemde spraak en een moeilijke taal, maar tot het huis van Israël; niet tot vele volken met een vreemde spraak en een moeilijke taal, wier woorden gij niet kunt verstaan. Voorwaar, indien Ik u tot hen gezonden had, zouden zij naar u geluisterd hebben. Maar het huis van Israël zal niet naar u luisteren, want zij willen niet naar Mij luisteren; want het gehele huis van Israël is onbeschaamd en hard van hart. Zie, Ik heb uw aangezicht sterk gemaakt tegenover hun aangezichten, en uw voorhoofd sterk tegenover hun voorhoofden. Als een diamant, harder dan vuursteen, heb Ik uw voorhoofd gemaakt; vrees hen niet en word niet ontzet door hun blikken, al zijn zij een wederspannig huis. Ezechiël 3:3–9.

Ezechiël wordt opgedragen een boodschap te verkondigen aan het vroegere verbondsvolk, zoals vertegenwoordigd door de protestanten van de Milleritische geschiedenis en de Laodicese Kerk der Zevende-dags Adventisten in de laatste dagen. Indien hij weigert de boodschap te verkondigen, zal het bloed van hen die ongewarschuwd zijn gelaten, op hem rusten.

Mensenkind, Ik heb u aangesteld tot wachter over het huis Israëls; hoor daarom het woord uit Mijn mond en waarschuw hen namens Mij. Wanneer Ik tot de goddeloze zeg: Gij zult zeker sterven; en gij hem niet waarschuwt, noch spreekt om de goddeloze voor zijn goddeloze weg te waarschuwen, om zijn leven te behouden; dan zal diezelfde goddeloze in zijn ongerechtigheid sterven, maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen. Indien gij echter de goddeloze waarschuwt, en hij zich niet bekeert van zijn goddeloosheid, noch van zijn goddeloze weg, dan zal hij in zijn ongerechtigheid sterven; maar gij hebt uw ziel gered. Wederom, wanneer een rechtvaardige zich van zijn gerechtigheid afkeert en ongerechtigheid bedrijft, en Ik een struikelblok vóór hem leg, dan zal hij sterven: omdat gij hem niet gewaarschuwd hebt, zal hij in zijn zonde sterven, en zijn gerechtigheden die hij gedaan heeft, zullen niet in herinnering gebracht worden; maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen. Indien gij echter de rechtvaardige waarschuwt, opdat de rechtvaardige niet zondige, en hij niet zondigt, dan zal hij zeker leven, omdat hij gewaarschuwd is; ook gij hebt uw ziel gered. Ezechiël 3:17–21.

In de eerste ‘elf’ hoofdstukken van Ezechiël wordt hem de verwoesting van Jeruzalem getoond, geïllustreerd door de visioenen aan de rivier de Kebar, op de vlakte en in Jeruzalem. Hem wordt opgedragen een waarschuwing te verkondigen voor het naderende oordeel over Jeruzalem. De waarschuwingsboodschap van het naderende oordeel over Jeruzalem is de waarschuwing die eerst aan de Laodiceïsche Zevende-dags Adventkerk wordt gegeven. De waarschuwing duidt het oordeel en de verwerping aan van Gods volk in Jeruzalem dat het zegel van God niet bezit. De waarschuwing die door Ezechiël werd getypeerd, is de waarschuwing voor de spoedig komende zondagswet.

In die eerste elf hoofdstukken waarin deze waarheden worden uiteengezet, wordt Ezechiël met stomheid geslagen en spreekt hij daarna slechts wanneer God zijn mond uitdrukkelijk opent; dit duurt voort tot aan de verwoesting van Jeruzalem, waarna hij opnieuw kan spreken.

Toen voer de Geest in mij, stelde mij op mijn voeten, en sprak met mij, en zei tot mij: Ga heen, sluit u op binnen uw huis. Maar gij, o mensenkind, zie, zij zullen u met banden omleggen en u daarmede binden, zodat gij niet onder hen zult uitgaan. En Ik zal uw tong doen kleven aan uw gehemelte, zodat gij stom zult zijn en hun niet tot een bestraffer zult wezen; want zij zijn een wederspannig huis. Maar wanneer Ik met u zal spreken, zal Ik uw mond openen, en gij zult tot hen zeggen: Zo zegt de Heere HEERE; wie hoort, die hore, en wie nalaat, die late na; want zij zijn een wederspannig huis. Ezechiël 3:24–27.

Toen Jeruzalem viel, kon Ezechiël opnieuw spreken.

En het geschiedde in het twaalfde jaar van onze ballingschap, in de tiende maand, op de vijfde dag van de maand, dat iemand die uit Jeruzalem ontkomen was, tot mij kwam en zei: De stad is verslagen. Nu was de hand des Heren des avonds op mij geweest, vóórdat hij die ontkomen was, kwam; en Hij had mijn mond geopend, totdat hij des morgens tot mij kwam; en mijn mond werd geopend, en ik was niet langer stom. Ezechiël 33:21, 22.

De val van Jeruzalem stelt de val van de Laodicese Zevende-dags Adventkerk in de laatste dagen voor. Die val vindt plaats terwijl degenen die in hoofdstuk negen in Jeruzalem verzegeld werden, vervolgens verheven worden als de zegevierende kerk. De Laodiceeërs binnen Jeruzalem worden weggenomen, en de honderd vierenveertigduizend worden verheven wanneer het koninkrijk der heerlijkheid wordt opgericht. Dat koninkrijk der heerlijkheid werd getypeerd door de oprichting van het koninkrijk der genade aan het kruis. Het koninkrijk der genade aan het kruis stemt overeen met het koninkrijk der heerlijkheid bij de zondagswet, en die twee koninkrijken worden geplaatst in de opeenvolging van de profetische geschiedenis zoals die in het boek Ezechiël te vinden is. De eerste elf hoofdstukken, wanneer Ezechiël binnen de context van het heiligdom wordt geplaatst, handelen over de reiniging van Gods kerk terwijl Zijn volk verandert van de strijdende kerk, die gedefinieerd wordt als samengesteld uit tarwe en onkruid, in de zegevierende kerk, die bestaat uit het tarweoffer van Pinksteren.

En gij, onheilige goddeloze vorst van Israël, wiens dag gekomen is, wanneer de ongerechtigheid een einde zal hebben, zo zegt de Heere HEERE: Doe de hoofdband weg en neem de kroon af; dit zal niet hetzelfde blijven: verhoog hem die nederig is, en verneder hem die hoog is. Ik zal haar omkeren, omkeren, omkeren; en zij zal er niet meer zijn, totdat Hij komt, wiens recht zij is; en Ik zal ze Hem geven. Ezechiël 21:25–27.

Zedekia was de laatste koning van Juda, en hij is de „goddeloze vorst van Israël, wiens dag gekomen is” in deze verzen. Nebukadnezar stond op het punt Jeruzalem in te nemen en Zedekia’s kroon zou worden weggenomen door Babylon, dat ten val gebracht zou worden door de Meden en Perzen, die op hun beurt ten val gebracht zouden worden door de Grieken, die ten val gebracht zouden worden door Rome. De derde omverwerping komt bij Rome, hetgeen de geschiedenis is waarin de Koning „wiens recht het is” de kroon van het koninkrijk der genade zal ontvangen bij de oprichting van dat koninkrijk aan het kruis.

Voor de ‘goddeloze, onheilige vorst’ was de dag van de definitieve afrekening gekomen. ‘Doe de tulband weg,’ verordende de Heere, ‘en zet de kroon af.’ Pas wanneer Christus Zelf Zijn koninkrijk zou oprichten, zou het Juda opnieuw worden toegestaan een koning te hebben. ‘Ik zal het omkeren, omkeren, omkeren,’ luidde het goddelijk bevel aangaande de troon van het huis van David; ‘ja, het zal niet meer zijn, totdat Hij kome, aan Wie het recht toekomt; en Ik zal het Hem geven.’ Ezechiël 21:25–27.” Profeten en Koningen, 451.

In de tijd van de late regen, die begon toen het oordeel over de levenden aanving op 11/9, richt Christus zijn koninkrijk der heerlijkheid op.

„Wanneer de vier engelen loslaten, zal Christus Zijn koninkrijk oprichten.” Spalding and Magan, 3.

Een periode van voorbereiding begint op 9/11, en bij de zondagswet wordt de heerlijke heilige berg verheven boven alle heuvelen en bergen.

Het woord dat Jesaja, de zoon van Amoz, gezien heeft aangaande Juda en Jeruzalem. En het zal geschieden in de laatste dagen, dat de berg van het huis des HEEREN bevestigd zal zijn op de top der bergen, en verheven zal zijn boven de heuvelen; en alle volken zullen daarheen toevloeien. En vele natiën zullen heengaan en zeggen: Komt, en laat ons opgaan naar de berg des HEEREN, naar het huis van de God van Jakob; en Hij zal ons leren aangaande Zijn wegen, en wij zullen wandelen in Zijn paden; want uit Sion zal de wet uitgaan, en des HEEREN woord uit Jeruzalem. Jesaja 2:1–3.

Op 11 september werden de winden losgelaten en vervolgens tegengehouden, waarmee het begin werd gemarkeerd van de oprichting van het koninkrijk van Daniël twee, dat wordt voorgesteld als een steen die uit de berg is losgehouwen en de gehele aarde vervult.

“Dit gezicht werd gegeven in 1847, toen er slechts zeer weinigen onder de adventbroeders waren die de sabbat onderhielden; en van dezen meenden slechts weinigen dat de onderhouding ervan van voldoende gewicht was om een scheidslijn te trekken tussen het volk van God en de ongelovigen. Nu begint de vervulling van dat gezicht zichtbaar te worden. ‘Het begin van die tijd van benauwdheid,’ hier vermeld, heeft geen betrekking op de tijd wanneer de plagen zullen beginnen uitgegoten te worden, maar op een korte periode vlak vóórdat zij worden uitgegoten, terwijl Christus in het heiligdom is. In die tijd, terwijl het werk der zaligheid ten einde loopt, zal benauwdheid over de aarde komen, en de volken zullen toornig zijn, doch in toom gehouden worden, zodat zij het werk van de derde engel niet verhinderen. In die tijd zal de ‘spade regen,’ of verkwikking van de tegenwoordigheid des Heren, komen om kracht te geven aan de luide stem van de derde engel, en de heiligen voor te bereiden om stand te houden in de periode wanneer de zeven laatste plagen zullen worden uitgegoten.” Early Writings, 85.

Christus richt Zijn eeuwigdurende koninkrijk op gedurende de tijd van de late regen, en Zijn koninkrijk omvat het koninkrijk der genade dat aan het kruis werd opgericht, alsook Zijn koninkrijk der heerlijkheid bij de zondagswet. Zedekia tot Babylon (1e koninkrijk), tot Medo-Perzië (2e koninkrijk), tot Griekenland (3e koninkrijk) en verder tot het heidense Rome (4e koninkrijk), duidt de geschiedenis aan die leidt tot het koninkrijk der genade. Die geschiedenis duidt een parallelle historische opeenvolging aan van het pauselijke Rome (geestelijk Babylon, 5e koninkrijk), tot de Verenigde Staten (geestelijk Medo-Perzië, 6e koninkrijk), tot de Verenigde Naties (geestelijk Griekenland, 7e koninkrijk) en verder tot de drievoudige verbintenis van de draak, het beest en de valse profeet, die tezamen het moderne Rome vormen (geestelijk Rome, 8e koninkrijk, dat uit de zeven is).

De triomf van dat koninkrijk in Daniël twee wordt voorgesteld door een rots, en Gods getrouwen zijn stenen in de tempel.

Ook gij, als levende stenen, wordt opgebouwd tot een geestelijk huis, een heilig priesterschap, om geestelijke offeranden te brengen, Gode welgevallig door Jezus Christus. 1 Petrus 2:5.

Dat eeuwige overwint de koninkrijken van de wereld en vervult de gehele wereld. In Ezechiël, hoofdstuk veertig tot aan het einde van zijn boek, wordt datzelfde koninkrijk voorgesteld als een tempel die de wereld vervult met het water des levens.

Wij zullen deze zaken in het volgende artikel voortzetten.