Wij sloten het vorige artikel af met de vraag: „Met deze concepten op hun plaats kan de vraag worden gesteld hoe het komt dat op 9/11 het boek Joël de boodschap werd die Petrus op Pinksteren aanwees?”
Petrus wees erop dat Joël op de Pinksterdag in vervulling ging, een tijdstip dat het einde van het pinksterseizoen markeert. In het pinksterseizoen was er aan het begin een manifestatie van de Heilige Geest, en vervolgens een grotere manifestatie van de Heilige Geest aan het einde. Door in geloof te begrijpen dat zowel de Bijbel als de Geest der Profetie Joël toepassen op de tijd van de late regen, mogen wij weten dat het boek Joël op 9/11 tegenwoordige waarheid werd; en dat elk onderdeel van het boek rechtstreeks spreekt over de profetische geschiedenis die begint op 9/11 en voortgaat tot en met de zeven laatste plagen, die Joël aanduidt als de „dag des HEEREN.”
Zoals getypeerd door 1888 werd op 9/11 de verkondiging van de Laodiceaanse boodschap tegenwoordige toetsende waarheid. Jesaja typeert diezelfde boodschap in hoofdstuk achtenvijftig met de stem van een bazuin die Gods volk hun overtredingen toont. De „dag” waarop Jesaja begint zijn stem als een bazuin te verheffen, is dezelfde dag waarop hij het lied van de wijngaard zingt.
Te dien dage zingt van haar: Een wijngaard van rode wijn. Ik, de HEERE, behoed hem; Ik zal hem elk ogenblik begieten; opdat niemand hem schade doe, zal Ik hem nacht en dag bewaren. Grimmigheid is niet in Mij; wie zou Mij in de strijd tegenkomen met distelen en dorens? Ik zou er dwars doorheen gaan, Ik zou ze tezamen verbranden. Of laat hij Mijn sterkte aangrijpen, opdat hij vrede met Mij make; ja, vrede zal hij met Mij maken. In de toekomst zal Jakob wortel schieten; Israël zal bloeien en uitbotten en de aardbodem met vrucht vervullen. Jesaja 27:2–6.
Het hedendaagse geestelijke „Israël zal bloeien en uitspruiten, en de aardbodem met vruchten vervullen” gedurende de periode van de late regen, want de vroege regen doet een plant uitspruiten en bloeien, en de late regen brengt de vrucht voort. Toen de gebouwen van New York op 11 september neerstortten, daalde de machtige engel van Openbaring achttien neer en begon de late regen te sprenkelen. In die tijd moesten Gods wachters de bazuin blazen tot de Laodiceense gemeente. De boodschap van Jesaja, die de zonden van Gods volk aanwijst, is ook het lied van de wijngaard van rode wijn. Het eerste hoofdstuk van Joël is juist die boodschap.
Het woord van de HEERE dat kwam tot Joël, de zoon van Pethuel.
Hoort dit, gij ouden van dagen, en neemt ter ore, alle inwoners van het land. Is dit in uw dagen geschied, of zelfs in de dagen van uw vaderen? Vertelt ervan aan uw kinderen, en laten uw kinderen het hun kinderen vertellen, en hun kinderen aan een volgend geslacht.
Wat de zwermsprinkhaan heeft overgelaten, heeft de veldsprinkhaan opgegeten; en wat de veldsprinkhaan heeft overgelaten, heeft de kruipsprinkhaan opgegeten; en wat de kruipsprinkhaan heeft overgelaten, heeft de kaalvreter opgegeten.
Ontwaakt, gij dronkaards, en weent; en huilt, al gij wijndrinkers, vanwege de jonge wijn; want hij is van uw mond afgesneden.
Want een volk is opgekomen tegen mijn land, machtig en ontelbaar; zijn tanden zijn de tanden van een leeuw, en het heeft de hoektanden van een grote leeuw. Het heeft mijn wijnstok verwoest en mijn vijgenboom ontveld; het heeft hem geheel kaal gemaakt en weggeworpen; zijn takken zijn wit geworden. Weeklaag als een maagd met een rouwgewaad omgord om de man van haar jeugd. Het spijsoffer en het drankoffer zijn afgesneden van het huis des HEEREN; de priesters, de dienaren des HEEREN, treuren. Het veld is verwoest, het land treurt; want het koren is verwoest, de nieuwe wijn is verdroogd, de olie kwijnt weg.
Weest beschaamd, o gij akkerlieden; huilt, o gij wijngaardeniers, om de tarwe en om de gerst; want de oogst des velds is vergaan. De wijnstok is verdord, en de vijgenboom kwijnt; de granaatappelboom, ook de palmboom en de appelboom, ja, alle bomen des velds zijn verdord; want de blijdschap is verdord, geweken van de mensenkinderen.
Omgordt u, en klaagt, gij priesters; huilt, gij dienaren van het altaar; komt, vernacht in zak en as, gij dienaren van mijn God; want het spijsoffer en het drankoffer zijn aan het huis van uw God onthouden. Heiligt een vasten, roept een plechtige samenkomst uit, vergadert de oudsten en al de inwoners van het land in het huis van de HEERE, uw God, en roept tot de HEERE: Ach, die dag! want de dag des HEEREN is nabij, en hij zal komen als een verwoesting van de Almachtige. Is het spijsoffer niet voor onze ogen afgesneden, ja, vreugde en blijdschap uit het huis van onze God? Het zaad is verrot onder zijn kluiten, de voorraadschuren zijn verwoest, de schuren zijn afgebroken; want het koren is verdord. Hoe zuchten de beesten! de kudden runderen zijn radeloos, omdat zij geen weide hebben; ja, ook de kudden schapen zijn verwoest.
O HEERE, tot U zal ik roepen; want het vuur heeft de weiden van de wildernis verteerd, en de vlam heeft al de bomen van het veld verbrand. Ook de dieren van het veld roepen tot U; want de waterstromen zijn uitgedroogd, en het vuur heeft de weiden van de wildernis verteerd. Joël 1:1–20.
Het eerste hoofdstuk van Joël handelt over de verwoesting van Gods wijngaard. Jesaja stelt „die dag” vast als de dag waarop de late regen begint, want op die dag beginnen de planten te bloeien en uit te lopen. Het feit dat Jesaja ons meedeelt dat Gods volk „wortel zal schieten”, „zal bloeien en uitlopen” en de aarde met „vrucht” zal vervullen, beeldt een voortschrijdende geschiedenis van drie stappen uit. Een plant schiet „wortel” in de grond. „Wortel schieten” betekent daarom op de grond te staan, die de begane grond of het fundament is. Zij die „uit Jakob voortkomen” „schieten wortel” en worden vervolgens „Israël” genoemd. Zij die uit de Laodiceaanse ervaring voortkomen, worden daarna Filadelfiërs genoemd, al vereist het behoud van die ervaring overwinning in een beproevingsproces dat eindigt bij de zondagswet.
De profetische verhouding van Jakob, (de verdringer) en Israël, (de overwinnaar) duidt erop dat op 9/11 degenen die „wortel schieten” door terug te keren tot de fundamenten, daar en toen in een verbondsverhouding treden. Profetisch is een naamsverandering een symbool van een verbond, zoals weergegeven in Abram tot Abraham, Sarai tot Sara, Jakob tot Israël en anderen. In het vers traden degenen die op 9/11 terugkeerden tot de oude fundamentele waarheden in een verbondsverhouding, terwijl de regen bloesems en knoppen begon voort te brengen. Bij de zondagswet zal de gehele wereld met „vrucht” vervuld worden, aangezien de regen dan zonder mate wordt uitgestort.
Jesaja moet overeenstemmen met Jesaja, en uiteraard met alle andere profeten, maar Jesaja moet zijn stem verheffen als een bazuin en aan de Laodiceaanse Zevende-dags Adventisten hun zonden tonen in de context van het lied van de wijngaard. Dat lied werd door Jezus gezongen in de gelijkenis van de wijngaard. De wijngaard deed Hem wenen toen Hij, voor de laatste maal vóór het kruis, uitkeek over Jeruzalem, wetende dat het oude Israël het einde van zijn genadetijd had bereikt en werd voorbijgegaan als Gods verbondsvolk. Tegelijkertijd trad Christus in een verbond met een volk dat de passende vruchten uit Gods wijngaard zou voortbrengen. Of het nu het wijngaardverhaal van Jozua aan het begin betreft, of dat van Jezus aan het einde, degenen die het nieuwe verbondsvolk werden, waren een voorafbeelding van de honderdvierenveertigduizend.
Christus sprak over Jesaja’s profetie van de wijngaard, evenals zuster White.
„De gelijkenis van de wijngaard is niet uitsluitend van toepassing op het Joodse volk. Zij bevat een les voor ons. De kerk in deze generatie is door God begiftigd met grote voorrechten en zegeningen, en Hij verwacht dienovereenkomstige vruchten.” *Lessen uit het leven van alledag*, 296.
Het is leerzaam de passage te lezen die leidt tot de laatste uitspraak uit de Geest der Profetie.
„Hoofdstuk 23 — De wijngaard des Heren”
“De Joodse Natie
„Op de gelijkenis van de twee zonen volgde de gelijkenis van de wijngaard. In de ene had Christus de Joodse leraren het belang van gehoorzaamheid voorgehouden. In de andere wees Hij op de rijke zegeningen die aan Israël waren geschonken, en daarin toonde Hij Gods aanspraak op hun gehoorzaamheid. Hij hield hun de heerlijkheid van Gods voornemen voor, dat zij door gehoorzaamheid hadden kunnen vervullen. Door de sluier van de toekomst weg te nemen, toonde Hij hoe, doordat zij Zijn voornemen niet vervulden, het gehele volk Zijn zegen verspeelde en het verderf over zichzelf bracht.
“‘Er was een zeker heer des huizes,’ zei Christus, ‘die een wijngaard plantte, er een omheining omheen zette, daarin een wijnpers uitgroef, een toren bouwde, en hem verhuurde aan landlieden, en naar een ver land reisde.’”
„Een beschrijving van deze wijngaard wordt gegeven door de profeet Jesaja: ‘Nu wil ik voor mijn Welbeminde zingen, een lied van mijn Geliefde aangaande Zijn wijngaard. Mijn Welbeminde had een wijngaard op een zeer vruchtbare heuvel; en Hij omheinde die, en verwijderde de stenen eruit, en beplantte hem met de edelste wijnstok, en bouwde een toren in zijn midden, en houwde daarin ook een wijnpers uit; en Hij verwachtte dat hij druiven zou voortbrengen.’ Jesaja 5:1, 2.”
„De landman kiest een stuk grond uit de wildernis; hij omheint, zuivert en bewerkt het, en beplant het met uitgelezen wijnstokken, in de verwachting van een rijke oogst. Van dit stuk land verwacht hij, in zijn voortreffelijkheid boven de onontgonnen woestenij, dat het hem eer zal aandoen door in de resultaten van zijn zorg en moeite bij de bebouwing ervan blijk te geven. Zo had God een volk uit de wereld uitverkoren om door Christus geoefend en onderwezen te worden. De profeet zegt: ‘De wijngaard des Heeren der heirscharen is het huis Israëls, en de mannen van Juda zijn Zijn liefelijke planting.’ Jesaja 5:7. Aan dit volk had God grote voorrechten geschonken en het rijkelijk gezegend uit de overvloed van Zijn goedheid. Hij verwachtte dat zij Hem zouden eren door vrucht voort te brengen. Zij moesten de beginselen van Zijn koninkrijk openbaren. Te midden van een gevallen, goddeloze wereld moesten zij het karakter van God vertegenwoordigen.
“Als de wijngaard des Heren moesten zij vruchten voortbrengen die geheel anders waren dan die van de heidense volken. Deze afgodische volken hadden zich eraan overgegeven ongerechtigheid te bedrijven. Geweld en misdaad, hebzucht, onderdrukking en de meest verdorven praktijken werden ongeremd bedreven. Ongerechtigheid, verdorvenheid en ellende waren de vruchten van de verdorven boom. In scherpe tegenstelling daarmee moest de vrucht zijn die gedragen werd aan de wijnstok van Gods planting.”
‘Het was het voorrecht van het Joodse volk om het karakter van God te vertegenwoordigen zoals het aan Mozes was geopenbaard. In antwoord op het gebed van Mozes: “Toon mij Uw heerlijkheid”, beloofde de Heere: “Ik zal al Mijn goedheid aan uw aangezicht doen voorbijgaan.” Exodus 33:18, 19. “En de Heere ging aan zijn aangezicht voorbij en riep: Heere, Heere God, barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van goedertierenheid en trouw, Die de goedertierenheid bewaart aan duizenden, Die ongerechtigheid, overtreding en zonde vergeeft.” Exodus 34:6, 7. Dit was de vrucht die God van Zijn volk verlangde. In de reinheid van hun karakter, in de heiligheid van hun leven, in hun barmhartigheid en liefdevolle goedertierenheid en mededogen, moesten zij tonen dat “de wet des Heeren volmaakt is, bekerende de ziel.” Psalm 19:7.’
“Door het Joodse volk was het Gods voornemen rijke zegeningen aan alle volken mee te delen. Door Israël moest de weg worden bereid voor de verbreiding van Zijn licht over de gehele wereld. De naties der wereld hadden, door verdorven praktijken na te volgen, de kennis van God verloren. Toch heeft God hen in Zijn barmhartigheid niet van de aardbodem weggevaagd. Het was Zijn voornemen hun gelegenheid te geven Hem te leren kennen door middel van Zijn gemeente. Hij heeft beschikt dat de beginselen die door Zijn volk werden geopenbaard, het middel zouden zijn tot herstel van het zedelijke beeld van God in de mens.”
“Ter verwezenlijking van dit doel riep God Abraham weg uit zijn afgodische verwanten en gebood hem in het land Kanaän te wonen. ‘Ik zal u tot een groot volk maken,’ zei Hij, ‘en Ik zal u zegenen en uw naam groot maken; en gij zult tot een zegen zijn.’ Genesis 12:2.
„De afstammelingen van Abraham, Jakob en zijn nageslacht werden naar Egypte gebracht, opdat zij te midden van dat grote en goddeloze volk de beginselen van Gods koninkrijk zouden openbaren. De rechtschapenheid van Jozef en zijn wonderbaarlijke werk in het behouden van het leven van het gehele Egyptische volk vormden een voorstelling van het leven van Christus. Mozes en vele anderen waren getuigen voor God.
„Toen de Heere Israël uit Egypte uitleidde, openbaarde Hij opnieuw Zijn macht en Zijn barmhartigheid. Zijn wonderbare daden in hun bevrijding uit de slavernij en Zijn handelen met hen tijdens hun tochten door de woestijn waren niet alleen tot hun voordeel. Deze moesten tot een aanschouwelijke les zijn voor de omringende volken. De Heere openbaarde Zich als een God verheven boven alle menselijke macht en grootheid. De tekenen en wonderen die Hij ten behoeve van Zijn volk verrichtte, toonden Zijn macht over de natuur en over de machtigsten onder hen die de natuur vereerden. God ging door het trotse land Egypte, zoals Hij in de laatste dagen over de aarde zal gaan. Met vuur en storm, aardbeving en dood verloste de grote IK BEN Zijn volk. Hij voerde hen uit het land der slavernij. Hij leidde hen door de ‘grote en vreselijke woestijn, waar vurige slangen waren, schorpioenen en dorheid’. Deuteronomium 8:15. Hij deed voor hen water voortkomen uit ‘de rotssteen’, en voedde hen met ‘het koren des hemels’. Psalm 78:24. ‘Want,’ zei Mozes, ‘des Heeren deel is Zijn volk; Jakob is het snoer Zijner erfenis. Hij vond hem in een woest land en in de huilende wildernis, een woestenij; Hij omringde hem, Hij onderwees hem, Hij behoedde hem als Zijn oogappel. Gelijk een arend zijn nest opwekt, over zijn jongen zweeft, zijn vleugels uitbreidt, ze neemt en ze draagt op zijn vlerken: zo leidde de Heere alleen hem, en er was geen vreemde god met hem.’ Deuteronomium 32:9–12. Zo bracht Hij hen tot Zichzelf, opdat zij zouden wonen als onder de schaduw van de Allerhoogste.
“Christus was de leider van de kinderen Israëls tijdens hun omzwervingen in de woestijn. Gehuld in de wolkkolom overdag en in de vuurkolom des nachts, leidde en bestuurde Hij hen. Hij behoedde hen voor de gevaren van de woestijn, Hij bracht hen in het land der belofte, en voor de ogen van alle volken die God niet erkenden, bevestigde Hij Israël als Zijn eigen uitverkoren bezit, de wijngaard des Heeren.
“Aan dit volk waren de woorden Gods toevertrouwd. Zij waren omringd door de voorschriften van Zijn wet, de eeuwige beginselen van waarheid, gerechtigheid en reinheid. Gehoorzaamheid aan deze beginselen moest hun tot bescherming zijn, want zij zou hen ervoor behoeden zichzelf te gronde te richten door zondige praktijken. En evenals de toren in de wijngaard plaatste God Zijn heilige tempel in het midden van het land.
„Christus was hun leraar. Zoals Hij met hen geweest was in de woestijn, zo zou Hij nog steeds hun leraar en gids zijn. In de tabernakel en de tempel woonde Zijn heerlijkheid in de heilige Sjechina boven het verzoendeksel. Ten behoeve van hen openbaarde Hij voortdurend de rijkdom van Zijn liefde en lankmoedigheid.
God verlangde ernaar Zijn volk Israël tot lof en heerlijkheid te maken. Hun werd ieder geestelijk voorrecht geschonken. God onthield hun niets dat bevorderlijk was voor de vorming van een karakter dat hen tot vertegenwoordigers van Hemzelf zou maken.
„Hun gehoorzaamheid aan de wet van God zou hen tot wonderen van voorspoed maken in de ogen van de volken der aarde. Hij, die hun wijsheid en bekwaamheid in allerlei kunstvaardig werk kon schenken, zou voortgaan hun leraar te zijn en hen door gehoorzaamheid aan Zijn wetten veredelen en verheffen. Indien zij gehoorzaam waren, zouden zij bewaard blijven voor de ziekten die andere volken teisterden, en gezegend worden met kracht van verstand. De heerlijkheid van God, Zijn majesteit en macht, zouden in al hun voorspoed geopenbaard worden. Zij moesten een koninkrijk van priesters en vorsten zijn. God verschafte hun alle middelen om het grootste volk op aarde te worden.״
„Op de meest ondubbelzinnige wijze had Christus door Mozes hun Gods voornemen voorgehouden en de voorwaarden van hun voorspoed duidelijk uiteengezet. ‘Gij zijt een heilig volk den Heere, uw God,’ zei Hij; ‘de Heere, uw God, heeft u verkoren, opdat gij Hem ten eigendom zoudt zijn uit al de volken die op de aardbodem zijn…. Gij zult dan weten dat de Heere, uw God, God is, de trouwe God, die het verbond en de barmhartigheid houdt aan hen die Hem liefhebben en Zijn geboden onderhouden, tot in duizend geslachten…. Houdt dan de geboden en de inzettingen en de verordeningen die ik u heden gebied, om die te doen. En het zal geschieden, indien gij naar deze verordeningen hoort, ze onderhoudt en doet, dat de Heere, uw God, voor u het verbond en de barmhartigheid zal houden die Hij uw vaderen gezworen heeft; en Hij zal u liefhebben, u zegenen en u vermeerderen; ook zal Hij zegenen de vrucht van uw schoot en de vrucht van uw land, uw koren, uw most en uw olie, de worp van uw runderen en de dracht van uw kleinvee, in het land dat Hij uw vaderen gezworen heeft u te geven. Gij zult gezegend zijn boven alle volken…. En de Heere zal alle ziekte van u weren, en geen van de kwaadaardige ziekten van Egypte, die gij kent, op u leggen.’ Deuteronomium 7:6, 9, 11–15.
“Indien zij Zijn geboden zouden onderhouden, beloofde God hun het beste van de tarwe te geven en hun honing uit de rots te doen voortkomen. Met een lang leven zou Hij hen verzadigen en hun Zijn heil tonen.
“Door ongehoorzaamheid aan God hadden Adam en Eva Eden verloren, en vanwege de zonde was de hele aarde vervloekt. Maar indien Gods volk Zijn aanwijzingen opvolgde, zou hun land tot vruchtbaarheid en schoonheid worden hersteld. God Zelf gaf hun richtlijnen met betrekking tot de bewerking van de bodem, en zij moesten met Hem samenwerken aan het herstel ervan. Zo zou het hele land, onder Gods heerschappij, een aanschouwelijke les van geestelijke waarheid worden. Zoals de aarde in gehoorzaamheid aan Zijn natuurwetten haar schatten zou voortbrengen, zo moesten ook de harten van het volk in gehoorzaamheid aan Zijn zedelijke wet de eigenschappen van Zijn karakter weerspiegelen. Zelfs de heidenen zouden de verhevenheid erkennen van hen die de levende God dienden en aanbaden.”
“‘Zie,’ zei Mozes, ‘ik heb u inzettingen en verordeningen geleerd, zoals de HEERE, mijn God, mij geboden heeft, opdat gij daarnaar zoudt handelen in het land waarheen gij gaat om het in bezit te nemen. Neem ze daarom in acht en doe ze; want dit is uw wijsheid en uw verstand ten aanschouwen van de volken, die al deze inzettingen zullen horen en zeggen: Voorwaar, dit grote volk is een wijs en verstandig volk. Want welk groot volk is er, dat de goden zo nabij heeft als de HEERE, onze God, ons nabij is in alles waarin wij Hem aanroepen? En welk groot volk is er, dat zulke rechtvaardige inzettingen en verordeningen heeft als heel deze wet, die ik u heden voorhoud?’ Deuteronomium 4:5–8.
„De kinderen van Israël moesten het gehele gebied innemen dat God hun had toegewezen. Die volken die de aanbidding en dienst van de ware God verwierpen, moesten uit hun bezit verdreven worden. Maar het was Gods bedoeling dat door de openbaring van Zijn karakter door Israël de mensen tot Hem getrokken zouden worden. Aan de gehele wereld moest de evangelie-uitnodiging worden gegeven. Door het onderwijs van de offerdienst moest Christus voor de volken worden verhoogd, en allen die op Hem zouden zien, zouden leven. Allen die, zoals Rachab de Kanaänitische en Ruth de Moabitische, zich van de afgodendienst afkeerden tot de aanbidding van de ware God, moesten zich verenigen met Zijn uitverkoren volk. Naarmate Israëls aantal toenam, moesten zij hun grenzen uitbreiden, totdat hun koninkrijk de wereld zou omvatten.ײ
„God verlangde ernaar alle volken onder Zijn barmhartige heerschappij te brengen. Hij verlangde ernaar dat de aarde vervuld zou zijn van vreugde en vrede. Hij schiep de mens tot geluk, en Hij verlangt ernaar de menselijke harten te vervullen met de vrede van de hemel. Hij verlangt dat de gezinnen hier beneden een symbool zullen zijn van de grote familie hierboven.״
“Maar Israël vervulde Gods voornemen niet. De Heere verklaarde: ‘Ik had u geplant als een edele wijnstok, geheel en al een zuiver zaad; hoe zijt gij Mij dan veranderd in een ontaarde rank van een vreemde wijnstok?’ Jeremia 2:21. ‘Israël is een ledige wijnstok, hij brengt vrucht voort voor zichzelf.’ Hosea 10:1. ‘En nu dan, inwoners van Jeruzalem en mannen van Juda, oordeelt toch tussen Mij en Mijn wijngaard. Wat kon er nog meer aan Mijn wijngaard gedaan worden, dat Ik er niet aan gedaan heb? Waarom heeft hij, toen Ik verwachtte dat hij druiven zou voortbrengen, wilde druiven voortgebracht? Nu dan, Ik zal u bekendmaken wat Ik met Mijn wijngaard doen zal: Ik zal zijn omheining wegnemen, zodat hij afgegraasd zal worden; en zijn muur afbreken, zodat hij vertrapt zal worden. Ik zal hem verwoesten; hij zal niet gesnoeid noch omgespit worden, maar distels en doornen zullen opschieten; ook zal Ik de wolken gebieden dat zij er geen regen op doen vallen. Want … Hij zag uit naar recht, maar zie, er was onderdrukking; naar gerechtigheid, maar zie, er was geschreeuw.’ Jesaja 5:3–7.”
„De HEERE had door Mozes aan Zijn volk de uitkomst van ontrouw voorgehouden. Door te weigeren Zijn verbond te onderhouden, zouden zij zich afsnijden van het leven Gods, en Zijn zegen kon niet over hen komen. ‘Wacht u ervoor,’ zei Mozes, ‘dat gij de HEERE, uw God, niet vergeet door Zijn geboden, Zijn verordeningen en Zijn inzettingen, die ik u heden gebied, niet te onderhouden; opdat, wanneer gij gegeten hebt en verzadigd zijt, en goede huizen gebouwd en daarin gewoond hebt; en wanneer uw runderen en uw kleinvee zich vermenigvuldigen, en uw zilver en uw goud vermeerderd worden, en alles wat gij bezit vermeerderd wordt; uw hart zich dan niet verheffe, zodat gij de HEERE, uw God, vergeet…. En dat gij dan in uw hart zegt: Mijn kracht en de sterkte van mijn hand hebben mij dit vermogen verworven…. En het zal geschieden, indien gij de HEERE, uw God, geheel en al vergeet, en andere goden navolgt, hen dient en u voor hen neerbuigt, dan betuig ik heden tegen u dat gij zeker zult omkomen. Zoals de volken die de HEERE voor uw aangezicht verdelgt, zo zult gij omkomen, omdat gij aan de stem van de HEERE, uw God, niet gehoorzaam geweest zijt.’ Deuteronomium 8:11–14, 17, 19, 20.
“De waarschuwing werd door het Joodse volk niet ter harte genomen. Zij vergaten God en verloren hun hoge voorrecht als Zijn vertegenwoordigers uit het oog. De zegeningen die zij hadden ontvangen, brachten de wereld geen zegen. Al hun voorrechten eigenden zij zich toe tot hun eigen verheerlijking. Zij beroofden God van de dienst die Hij van hen eiste, en zij beroofden hun medemensen van godsdienstige leiding en een heilig voorbeeld. Zoals de bewoners van de wereld van vóór de zondvloed volgden zij elke ingeving van hun boze hart. Zo deden zij de heilige dingen als een klucht voorkomen, terwijl zij zeiden: ‘De tempel des Heren, de tempel des Heren, de tempel des Heren is dit’ (Jeremia 7:4), terwijl zij tegelijkertijd Gods karakter verkeerd voorstelden, Zijn naam onteerden en Zijn heiligdom verontreinigden.”
„De pachters aan wie de wijngaard van de Heer was toevertrouwd, waren hun opdracht ontrouw. De priesters en leraars waren geen getrouwe onderwijzers van het volk. Zij hielden hun de goedheid en barmhartigheid van God en Zijn aanspraak op hun liefde en dienst niet voor. Deze pachters zochten hun eigen eer. Zij verlangden ernaar zich de vruchten van de wijngaard toe te eigenen. Hun streven was erop gericht de aandacht en hulde op zichzelf te vestigen.”
“De schuld van deze leiders in Israël was niet gelijk aan de schuld van de gewone zondaar. Deze mannen stonden onder de meest plechtige verplichting jegens God. Zij hadden zich ertoe verbonden een ‘Zo zegt de Heere’ te onderwijzen en strikte gehoorzaamheid in hun praktisch leven te brengen. In plaats daarvan verdraaiden zij de Schriften. Zij legden de mensen zware lasten op en drongen ceremoniën op die zich uitstrekten tot elke stap van het leven. Het volk leefde in voortdurende onrust, want het kon de door de rabbijnen gestelde eisen niet vervullen. Toen zij de onmogelijkheid inzagen om door mensen gemaakte geboden te onderhouden, werden zij onverschillig ten aanzien van de geboden van God.”
„De Heere had Zijn volk onderwezen dat Hij de eigenaar van de wijngaard was, en dat al hun bezittingen hun in beheer waren toevertrouwd om voor Hem te worden gebruikt. Maar de priesters en leraars verrichtten het werk van hun heilig ambt niet alsof zij het eigendom van God beheerden. Zij beroofden Hem stelselmatig van de middelen en voorzieningen die hun waren toevertrouwd ter bevordering van Zijn werk. Hun hebzucht en gierigheid maakten dat zij zelfs door de heidenen werden veracht. Zo werd aan de heidense wereld aanleiding gegeven het karakter van God en de wetten van Zijn koninkrijk verkeerd uit te leggen.
Met het hart van een vader verdroeg God Zijn volk. Hij pleitte met hen door bewezen barmhartigheden en door onthouden barmhartigheden. Geduldig hield Hij hun zonden hun voor ogen en wachtte Hij in lankmoedigheid op hun erkenning daarvan. Profeten en boodschappers werden gezonden om Gods aanspraak op de pachters te doen gelden; maar in plaats van verwelkomd te worden, werden zij als vijanden behandeld. De pachters vervolgden en doodden hen. God zond nog andere boodschappers, maar zij ondergingen dezelfde behandeling als de eersten, alleen toonden de pachters nog vastberadener haat.
‘Als laatste redmiddel zond God Zijn Zoon, zeggende: “Zij zullen Mijn Zoon eerbiedigen.” Maar hun verzet had hen wraakzuchtig gemaakt, en zij zeiden onder elkander: “Dit is de erfgenaam; kom, laat ons Hem doden en Zijn erfenis in bezit nemen.” Dan zullen wij worden overgelaten om van de wijngaard te genieten en met de vrucht te doen wat ons behaagt.
„De Joodse leidslieden hadden God niet lief; daarom sneden zij zich van Hem af en verwierpen al Zijn toenaderingen tot een rechtvaardige schikking. Christus, de Geliefde van God, kwam om de rechten van de Eigenaar van de wijngaard te doen gelden; maar de pachters behandelden Hem met uitgesproken minachting en zeiden: Wij willen niet dat deze over ons regeert. Zij benijdden Christus om de schoonheid van Zijn karakter. Zijn wijze van onderwijzen was hun verre superieur, en zij vreesden Zijn succes. Hij hield hun ernstig voor, onthulde hun huichelarij en toonde hun de zekere gevolgen van hun handelwijze. Dit bracht hen tot razernij. Zij voelden scherp de bestraffingen die zij niet tot zwijgen konden brengen. Zij haatten de verheven maatstaf van gerechtigheid die Christus hun voortdurend voorhield. Zij zagen dat Zijn onderwijs hen bracht op een plaats waar hun zelfzucht ontmaskerd zou worden, en zij besloten Hem te doden. Zij haatten Zijn voorbeeld van waarachtigheid en godsvrucht en de verheven geestelijkheid die openbaar werd in alles wat Hij deed. Zijn gehele leven was een bestraffing van hun zelfzucht, en toen de laatste beproeving kwam, de beproeving die gehoorzaamheid tot het eeuwige leven of ongehoorzaamheid tot de eeuwige dood betekende, verwierpen zij de Heilige Israëls. Toen hun werd gevraagd te kiezen tussen Christus en Barabbas, riepen zij uit: ‘Laat Barabbas op ons los!’ Lukas 23:18. En toen Pilatus vroeg: ‘Wat zal ik dan met Jezus doen?’ riepen zij woedend: ‘Laat Hem gekruisigd worden.’ Mattheüs 27:22. ‘Zal ik uw Koning kruisigen?’ vroeg Pilatus, en van de priesters en oversten kwam het antwoord: ‘Wij hebben geen koning dan de keizer.’ Johannes 19:15. Toen Pilatus zijn handen waste en zei: ‘Ik ben onschuldig aan het bloed van deze rechtvaardige,’ verenigden de priesters zich met de onwetende menigte door hartstochtelijk te verklaren: ‘Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen.’ Mattheüs 27:24, 25.
„Zo deden de Joodse leiders hun keuze. Hun beslissing werd opgetekend in het boek dat Johannes zag in de hand van Hem die op de troon zat, het boek dat niemand kon openen. In al haar wraakzucht zal deze beslissing vóór hen verschijnen op de dag waarop dit boek wordt geopend door de Leeuw uit de stam van Juda.
„Het Joodse volk koesterde de gedachte dat het de gunsteling van de hemel was en dat het altijd verheven zou worden als de kerk van God. Zij waren de kinderen van Abraham, zo verklaarden zij, en zo vast scheen hun het fundament van hun voorspoed, dat zij de aarde en de hemel trotseerden om hen van hun rechten te beroven. Maar door een leven van ontrouw bereidden zij zich voor op de veroordeling van de hemel en op scheiding van God.
„In de gelijkenis van de wijngaard, nadat Christus aan de priesters hun kroon op de goddeloosheid had voorgehouden, stelde Hij hun de vraag: ‘Wanneer dan de heer van de wijngaard komt, wat zal hij met die pachters doen?’ De priesters hadden het verhaal met diepe belangstelling gevolgd, en zonder de betrekking van het onderwerp op henzelf te overwegen, stemden zij met het volk in toen zij antwoordden: ‘Hij zal die boze mannen een ellendige dood doen sterven, en zijn wijngaard aan andere pachters verhuren, die hem de vruchten op hun tijd zullen afdragen.’”
“Onbewust hadden zij hun eigen ondergang uitgesproken. Jezus zag hen aan, en onder Zijn doorgrondende blik wisten zij dat Hij de geheimen van hun hart doorzag. Zijn goddelijkheid straalde hun tegemoet met onmiskenbare kracht. Zij zagen in de pachters een beeld van zichzelf, en onwillekeurig riepen zij uit: ‘Dat verhoede God!’”
Plechtig en met droefheid vroeg Christus: ‘Hebt gij nooit gelezen in de Schriften: De steen die de bouwlieden verworpen hadden, deze is geworden tot een hoofd des hoeks; dit is van de Heere geschied, en het is wonderlijk in onze ogen? Daarom zeg Ik u: Het Koninkrijk Gods zal van u weggenomen en gegeven worden aan een volk dat de vruchten daarvan voortbrengt. En wie op deze steen valt, zal verpletterd worden; maar op wie hij valt, die zal hij tot stof vermalen.’
„Christus zou het oordeel over het Joodse volk hebben afgewend indien het volk Hem had aangenomen. Maar afgunst en jaloezie maakten hen onverbiddelijk. Zij besloten dat zij Jezus van Nazareth niet als de Messias zouden aannemen. Zij verwierpen het Licht der wereld, en van toen af aan werd hun leven omgeven door duisternis, als de duisternis van middernacht. Het voorzegde oordeel kwam over het Joodse volk. Hun eigen felle, onbeheerste hartstochten bewerkten hun ondergang. In hun blinde woede vernietigden zij elkaar. Hun opstandige, hardnekkige trots bracht de toorn van hun Romeinse overwinnaars over hen. Jeruzalem werd verwoest, de tempel in puin gelegd, en zijn plaats geploegd als een veld. De kinderen van Juda kwamen om door de meest afschuwelijke vormen van de dood. Miljoenen werden verkocht om als slaven te dienen in heidense landen.
“Als volk hadden de Joden nagelaten Gods bedoeling te vervullen, en de wijngaard werd van hen weggenomen. De voorrechten die zij hadden misbruikt, het werk dat zij hadden veronachtzaamd, werd aan anderen toevertrouwd.
„De gelijkenis van de wijngaard is niet uitsluitend van toepassing op het Joodse volk. Zij bevat ook een les voor ons. De gemeente in deze generatie is door God begiftigd met grote voorrechten en zegeningen, en Hij verwacht dienovereenkomstige vruchten.” Lessen uit het Leven van Alledag, 284–296.
Het boek Joël brengt de geschiedenis van de late regen aan het einde van de wereld in kaart. De late regen is Gods laatste waarschuwingsboodschap van de derde engel van Openbaring veertien. Hoewel de late regen de boodschap van de derde engel vertegenwoordigt, vertegenwoordigt zij ook het communicatieproces tussen de Godheid en de mensheid, zoals gesymboliseerd door de gouden olie van Zacharia, de vroege en de late regen, het vuur van het altaar en andere voorstellingen. De late regen is niet alleen een boodschap en het communicatieproces tussen God en de mens, maar zij is ook de enige geheiligde „methodologie” van bijbelstudie die in Gods Woord wordt gehandhaafd. Die methodologie is Jesaja’s „regel op regel”, te vinden in hoofdstuk achtentwintig.
Aan het begin van het oude en ook van het moderne Israël bracht God, „de Landman”, Israël „uit de woestijn”. Of het nu ging om de gevangenschap van vierhonderddertig jaar in Egypte, of om de gevangenschap van de Donkere Middeleeuwen van 538 tot 1798, Israël werd uit „de woestijn” genomen, want een „woestijn” is een symbool van slavernij en gevangenschap. Of het nu het oude, letterlijke Israël betrof of het moderne, geestelijke Israël, God verloste hen uit een gevangenschap in de woestijn en „vestigde” hen „als Zijn eigen uitverkoren bezit, de wijngaard des Heren”, geroepen om priesters en vorsten te zijn aan wie het voorrecht was „toevertrouwd” „de woorden Gods” te vertegenwoordigen. De „woorden” waren voor het oude Israël de Wet, en voor het moderne Israël zowel de Wet als de profetieën.
“God heeft Zijn gemeente in deze tijd geroepen, zoals Hij het oude Israël riep, om als een licht op de aarde te staan. Door het machtige kloofmes van de waarheid, de boodschappen van de eerste, tweede en derde engel, heeft Hij hen afgescheiden van de kerken en van de wereld om hen in een heilige nabijheid tot Zichzelf te brengen. Hij heeft hen gemaakt tot de bewaarders van Zijn wet en heeft hun de grote waarheden van de profetie voor deze tijd toevertrouwd. Zoals de heilige godsspraken aan het oude Israël waren toevertrouwd, zo zijn deze een heilig pand dat aan de wereld moet worden meegedeeld. De drie engelen van Openbaring 14 vertegenwoordigen het volk dat het licht van Gods boodschappen aanneemt en als Zijn boodschappers uitgaat om de waarschuwing over de lengte en breedte der aarde te laten weerklinken.” Testimonies, deel 5, 455.
Het moderne Israël was verordineerd om de luide roep van de derde engel te verkondigen onder de kracht van de late regen, terwijl het in zijn persoonlijke ervaring het karakter van Christus openbaarde onder de kracht van de Heilige Geest. De luide roep van de derde engel wordt vervuld tijdens de uitstorting van de late regen, in een tijd waarin een valse-boodschap-van-vrede-en-veiligheid van de late regen wordt bevorderd door een klasse van mannen die dronken zijn van de wijn van Babylon. Dit zijn de dronkaards van Efraïm uit Jesaja en de wijndrinkers van Joël, aan wie de most van de mond is afgesneden. Degenen die de ware boodschap van de late regen ontvangen, worden voorgesteld door Daniël, Misaël, Hananja en Azarja, die het Babylonische voedsel verwierpen ten gunste van hemelse spijs. Dit zijn de honderd vierenveertigduizend die het lied van Mozes en van het Lam zingen, maar ook dat van de wijngaard, want de gelijkenis van de wijngaard werd vervuld in de geschiedenis van Mozes aan het begin van de verbondsverhouding van het oude Israël, en zij werd opnieuw vervuld aan het einde van de verbondsverhouding van het oude Israël in de geschiedenis van het Lam.
Het lied van de wijngaard eindigt ermee dat een vroeger verbondsvolk wordt voorbijgegaan wanneer een nieuw verbondsvolk met de Heere in het huwelijk wordt verbonden. De Heere ging voorbij aan hen die stierven tijdens de veertigjarige omzwerving in de woestijn en trad op hetzelfde ogenblik in verbond met Jozua als waarop Hij hen die zouden sterven, verstootte. De Heere verstootte het oude Israël op hetzelfde ogenblik waarop Hij de christelijke kerk huwde. De alpha of het begin van de geschiedenis wordt vertegenwoordigd door Mozes en de omega wordt vertegenwoordigd door het Lam. De geschiedenis die zij beiden vertegenwoordigen, is de geschiedenis van de gelijkenis van de wijngaard; zo is Jesaja’s lied van de wijngaard Johannes de Openbaarder’s lied van Mozes en het Lam.
Wij zullen deze gedachten in het volgende artikel voortzetten.
“Dit zijn niet de woorden van Zuster White, maar de woorden van de Heere, en Zijn boodschapper heeft ze aan mij gegeven om aan u te geven. God roept u op niet langer Hem tegen te werken. Er werd veel onderricht gegeven met betrekking tot mannen die beweren christen te zijn, terwijl zij de eigenschappen van Satan openbaren, en in geest, woord en daad de voortgang van de waarheid tegenwerken, en stellig het pad volgen waarop Satan hen leidt. In hun hardheid van hart hebben zij gezag naar zich toegetrokken dat hun geenszins toebehoort en dat zij niet behoren uit te oefenen. Zo zegt de grote Leraar: ‘Ik zal omkeren, omkeren, omkeren.’ Mensen zeggen in Battle Creek: ‘De tempel des Heeren, de tempel des Heeren zijn wij’, maar zij gebruiken gewoon vuur. Hun harten zijn niet verzacht en onderworpen door de genade van God.” Manuscript Releases, deel 13, 222.
„Het geduld van God heeft een doel, maar u verijdelt het. Hij laat een toestand ontstaan waarvan u gaarne zoudt zien dat die straks wordt tegengegaan, maar dan zal het te laat zijn. God gebood Elia de wrede en bedrieglijke Hazaël tot koning over Syrië te zalven, opdat hij een gesel zou zijn voor het afgodische Israël. Wie weet of God u niet zal overgeven aan de misleidingen die u liefhebt? Wie weet of de predikers die getrouw, standvastig en waarachtig zijn, niet de laatsten zullen zijn die het evangelie van vrede aan onze ondankbare kerken aanbieden? Het kan zijn dat de verdervers reeds onder de hand van Satan worden toegerust en slechts wachten op het heengaan van nog enkele vaandeldragers om hun plaatsen in te nemen en met de stem van de valse profeet te roepen: ‘Vrede, vrede,’ terwijl de Heere geen vrede gesproken heeft. Ik ween zelden, maar nu merk ik dat mijn ogen door tranen verduisterd zijn; zij vallen op mijn papier terwijl ik schrijf. Het kan zijn dat weldra alle profetieën onder ons ten einde zullen zijn, en dat de stem die het volk heeft bewogen hun vleselijke sluimeringen niet langer zal verstoren.”
„Wanneer God Zijn vreemde werk op de aarde zal verrichten, wanneer heilige handen de ark niet langer dragen, zal wee over het volk komen. Och, dat gij, ook gij, op deze uw dag, de dingen had gekend die tot uw vrede dienen! Och, dat ons volk, evenals Ninevé, zich met al zijn kracht mag bekeren en met heel zijn hart geloven, opdat God Zijn brandende toorn van hen afwende.” Testimonies, deel 5, 77.
„Indien u hardnekkigheid van hart koestert, en door trots en zelfgerechtigheid uw fouten niet belijdt, zult u worden overgelaten aan Satans verzoekingen. Indien u, wanneer de Heere uw dwalingen openbaart, geen berouw hebt en geen belijdenis doet, zal Zijn voorzienigheid u telkens opnieuw over dezelfde grond voeren. U zult worden overgelaten om fouten van gelijke aard te maken, u zult wijsheid blijven ontberen en de zonde gerechtigheid noemen, en de gerechtigheid zonde. De menigte misleidingen die in deze laatste dagen de overhand zal hebben, zal u omsingelen, en u zult van leidsman veranderen zonder te weten dat u dit hebt gedaan.” Review and Herald, 16 december 1890.