We ended the previous article with the question, “With these concepts in place the question may be asked how is it that at 9/11 the book of Joel became the message Peter identified at Pentecost?”

Wij sloten het vorige artikel af met de vraag: „Met deze concepten op hun plaats kan de vraag worden gesteld hoe het komt dat op 9/11 het boek Joël de boodschap werd die Petrus op Pinksteren aanwees?”

Peter was identifying that Joel was being fulfilled on the day of Pentecost, which is a point in time marking the end of the Pentecostal season. In the Pentecostal season there was a manifestation of the Holy Spirit at the beginning, and then a greater manifestation of the Holy Spirit at the end. By faith understanding that both the Bible and Spirit of Prophecy apply Joel to the time of the latter rain we may know that the book of Joel became present truth at 9/11; and that every element of the book will speak directly of the prophetic history beginning at 9/11 on through to and including the seven last plagues, which Joel identifies as the “day of the Lord.”

Petrus wees erop dat Joël op de Pinksterdag in vervulling ging, een tijdstip dat het einde van het pinksterseizoen markeert. In het pinksterseizoen was er aan het begin een manifestatie van de Heilige Geest, en vervolgens een grotere manifestatie van de Heilige Geest aan het einde. Door in geloof te begrijpen dat zowel de Bijbel als de Geest der Profetie Joël toepassen op de tijd van de late regen, mogen wij weten dat het boek Joël op 9/11 tegenwoordige waarheid werd; en dat elk onderdeel van het boek rechtstreeks spreekt over de profetische geschiedenis die begint op 9/11 en voortgaat tot en met de zeven laatste plagen, die Joël aanduidt als de „dag des HEEREN.”

As typified by 1888, on 9/11 the presentation of the Laodicean message became present testing truth. Isaiah typifies that same message in chapter fifty-eight with the trumpet voice showing God’s people their transgressions. The “day” when Isaiah begins sounding his voice like a trumpet is the same day he sings the song of the vineyard.

Zoals getypeerd door 1888 werd op 9/11 de verkondiging van de Laodiceaanse boodschap tegenwoordige toetsende waarheid. Jesaja typeert diezelfde boodschap in hoofdstuk achtenvijftig met de stem van een bazuin die Gods volk hun overtredingen toont. De „dag” waarop Jesaja begint zijn stem als een bazuin te verheffen, is dezelfde dag waarop hij het lied van de wijngaard zingt.

In that day sing ye unto her, A vineyard of red wine. I the Lord do keep it; I will water it every moment: lest any hurt it, I will keep it night and day. Fury is not in me: who would set the briers and thorns against me in battle? I would go through them, I would burn them together. Or let him take hold of my strength, that he may make peace with me; and he shall make peace with me. He shall cause them that come of Jacob to take root: Israel shall blossom and bud, and fill the face of the world with fruit. Isaiah 27:2–6.

Te dien dage zingt van haar: Een wijngaard van rode wijn. Ik, de HEERE, behoed hem; Ik zal hem elk ogenblik begieten; opdat niemand hem schade doe, zal Ik hem nacht en dag bewaren. Grimmigheid is niet in Mij; wie zou Mij in de strijd tegenkomen met distelen en dorens? Ik zou er dwars doorheen gaan, Ik zou ze tezamen verbranden. Of laat hij Mijn sterkte aangrijpen, opdat hij vrede met Mij make; ja, vrede zal hij met Mij maken. In de toekomst zal Jakob wortel schieten; Israël zal bloeien en uitbotten en de aardbodem met vrucht vervullen. Jesaja 27:2–6.

Modern spiritual “Israel shall blossom and bud, and fill the face of the world with fruit” during the period of the latter rain, for the early rain cause the budding and blossoming of a plant, and the latter rain produces the fruit. When the buildings of New York came down on 9/11 the mighty angel of Revelation eighteen descended and the latter rain began to sprinkle. At that time God’s watchmen were to blow the trumpet to the Laodicean church. Isaiah’s message identifying the sins of God’s people is also the song of the vineyard of red wine. The first chapter of Joel is that very message.

Het hedendaagse geestelijke „Israël zal bloeien en uitspruiten, en de aardbodem met vruchten vervullen” gedurende de periode van de late regen, want de vroege regen doet een plant uitspruiten en bloeien, en de late regen brengt de vrucht voort. Toen de gebouwen van New York op 11 september neerstortten, daalde de machtige engel van Openbaring achttien neer en begon de late regen te sprenkelen. In die tijd moesten Gods wachters de bazuin blazen tot de Laodiceense gemeente. De boodschap van Jesaja, die de zonden van Gods volk aanwijst, is ook het lied van de wijngaard van rode wijn. Het eerste hoofdstuk van Joël is juist die boodschap.

The word of the Lord that came to Joel the son of Pethuel.

Het woord van de HEERE dat kwam tot Joël, de zoon van Pethuel.

Hear this, ye old men, and give ear, all ye inhabitants of the land. Hath this been in your days, or even in the days of your fathers? Tell ye your children of it, and let your children tell their children, and their children another generation.

Hoort dit, gij ouden van dagen, en neemt ter ore, alle inwoners van het land. Is dit in uw dagen geschied, of zelfs in de dagen van uw vaderen? Vertelt ervan aan uw kinderen, en laten uw kinderen het hun kinderen vertellen, en hun kinderen aan een volgend geslacht.

That which the palmerworm hath left hath the locust eaten; and that which the locust hath left hath the cankerworm eaten; and that which the cankerworm hath left hath the caterpiller eaten.

Wat de zwermsprinkhaan heeft overgelaten, heeft de veldsprinkhaan opgegeten; en wat de veldsprinkhaan heeft overgelaten, heeft de kruipsprinkhaan opgegeten; en wat de kruipsprinkhaan heeft overgelaten, heeft de kaalvreter opgegeten.

Awake, ye drunkards, and weep; and howl, all ye drinkers of wine, because of the new wine; for it is cut off from your mouth.

Ontwaakt, gij dronkaards, en weent; en huilt, al gij wijndrinkers, vanwege de jonge wijn; want hij is van uw mond afgesneden.

For a nation is come up upon my land, strong, and without number, whose teeth are the teeth of a lion, and he hath the cheek teeth of a great lion. He hath laid my vine waste, and barked my fig tree: he hath made it clean bare, and cast it away; the branches thereof are made white. Lament like a virgin girded with sackcloth for the husband of her youth. The meat offering and the drink offering is cut off from the house of the Lord; the priests, the Lord’s ministers, mourn. The field is wasted, the land mourneth; for the corn is wasted: the new wine is dried up, the oil languisheth.

Want een volk is opgekomen tegen mijn land, machtig en ontelbaar; zijn tanden zijn de tanden van een leeuw, en het heeft de hoektanden van een grote leeuw. Het heeft mijn wijnstok verwoest en mijn vijgenboom ontveld; het heeft hem geheel kaal gemaakt en weggeworpen; zijn takken zijn wit geworden. Weeklaag als een maagd met een rouwgewaad omgord om de man van haar jeugd. Het spijsoffer en het drankoffer zijn afgesneden van het huis des HEEREN; de priesters, de dienaren des HEEREN, treuren. Het veld is verwoest, het land treurt; want het koren is verwoest, de nieuwe wijn is verdroogd, de olie kwijnt weg.

Be ye ashamed, O ye husbandmen; howl, O ye vinedressers, for the wheat and for the barley; because the harvest of the field is perished. The vine is dried up, and the fig tree languisheth; the pomegranate tree, the palm tree also, and the apple tree, even all the trees of the field, are withered: because joy is withered away from the sons of men.

Weest beschaamd, o gij akkerlieden; huilt, o gij wijngaardeniers, om de tarwe en om de gerst; want de oogst des velds is vergaan. De wijnstok is verdord, en de vijgenboom kwijnt; de granaatappelboom, ook de palmboom en de appelboom, ja, alle bomen des velds zijn verdord; want de blijdschap is verdord, geweken van de mensenkinderen.

Gird yourselves, and lament, ye priests: howl, ye ministers of the altar: come, lie all night in sackcloth, ye ministers of my God: for the meat offering and the drink offering is withholden from the house of your God. Sanctify ye a fast, call a solemn assembly, gather the elders and all the inhabitants of the land into the house of the Lord your God, and cry unto the Lord, Alas for the day! for the day of the Lord is at hand, and as a destruction from the Almighty shall it come. Is not the meat cut off before our eyes, yea, joy and gladness from the house of our God? The seed is rotten under their clods, the garners are laid desolate, the barns are broken down; for the corn is withered. How do the beasts groan! the herds of cattle are perplexed, because they have no pasture; yea, the flocks of sheep are made desolate.

Omgordt u, en klaagt, gij priesters; huilt, gij dienaren van het altaar; komt, vernacht in zak en as, gij dienaren van mijn God; want het spijsoffer en het drankoffer zijn aan het huis van uw God onthouden. Heiligt een vasten, roept een plechtige samenkomst uit, vergadert de oudsten en al de inwoners van het land in het huis van de HEERE, uw God, en roept tot de HEERE: Ach, die dag! want de dag des HEEREN is nabij, en hij zal komen als een verwoesting van de Almachtige. Is het spijsoffer niet voor onze ogen afgesneden, ja, vreugde en blijdschap uit het huis van onze God? Het zaad is verrot onder zijn kluiten, de voorraadschuren zijn verwoest, de schuren zijn afgebroken; want het koren is verdord. Hoe zuchten de beesten! de kudden runderen zijn radeloos, omdat zij geen weide hebben; ja, ook de kudden schapen zijn verwoest.

O Lord, to thee will I cry: for the fire hath devoured the pastures of the wilderness, and the flame hath burned all the trees of the field. The beasts of the field cry also unto thee: for the rivers of waters are dried up, and the fire hath devoured the pastures of the wilderness. Joel 1:1–20.

O HEERE, tot U zal ik roepen; want het vuur heeft de weiden van de wildernis verteerd, en de vlam heeft al de bomen van het veld verbrand. Ook de dieren van het veld roepen tot U; want de waterstromen zijn uitgedroogd, en het vuur heeft de weiden van de wildernis verteerd. Joël 1:1–20.

The first chapter of Joel is addressing the destruction of God’s vineyard. Isaiah establishes “that day” as the day when the latter rain begins, for the plants on that day begin to blossom and bud. The fact that Isaiah informs us that God’s people will “take root,” “blossom and bud” and fill the earth with “fruit” is illustrating a progressive history of three steps. A plant takes “root” in the ground. To “take root” therefore means to stand upon the ground, which is the ground floor or the foundation. Those who “come out of Jacob” “take root” and then they are called “Israel.” Those who come out of the Laodicean experience are then called Philadelphians, though to retain that experience requires victory in a testing process that ends at the Sunday law.

Het eerste hoofdstuk van Joël handelt over de verwoesting van Gods wijngaard. Jesaja stelt „die dag” vast als de dag waarop de late regen begint, want op die dag beginnen de planten te bloeien en uit te lopen. Het feit dat Jesaja ons meedeelt dat Gods volk „wortel zal schieten”, „zal bloeien en uitlopen” en de aarde met „vrucht” zal vervullen, beeldt een voortschrijdende geschiedenis van drie stappen uit. Een plant schiet „wortel” in de grond. „Wortel schieten” betekent daarom op de grond te staan, die de begane grond of het fundament is. Zij die „uit Jakob voortkomen” „schieten wortel” en worden vervolgens „Israël” genoemd. Zij die uit de Laodiceaanse ervaring voortkomen, worden daarna Filadelfiërs genoemd, al vereist het behoud van die ervaring overwinning in een beproevingsproces dat eindigt bij de zondagswet.

The prophetic relationship of Jacob, (the supplanter) and Israel, (the overcomer) is identifying that at 9/11 those who “take root” by returning to the foundations, there and then enter into a covenant relationship. Prophetically a change of name is a symbol of a covenant, as represented by Abram to Abraham, Sarai to Sarah, Jacob to Israel and others. In the verse those who returned to the old foundational truths at 9/11 entered into a covenant relationship as the rain began to produce blossoms and buds. At the Sunday law the whole world will be filled with “fruit” as the rain is then poured out without measure.

De profetische verhouding van Jakob, (de verdringer) en Israël, (de overwinnaar) duidt erop dat op 9/11 degenen die „wortel schieten” door terug te keren tot de fundamenten, daar en toen in een verbondsverhouding treden. Profetisch is een naamsverandering een symbool van een verbond, zoals weergegeven in Abram tot Abraham, Sarai tot Sara, Jakob tot Israël en anderen. In het vers traden degenen die op 9/11 terugkeerden tot de oude fundamentele waarheden in een verbondsverhouding, terwijl de regen bloesems en knoppen begon voort te brengen. Bij de zondagswet zal de gehele wereld met „vrucht” vervuld worden, aangezien de regen dan zonder mate wordt uitgestort.

Isaiah must agree with Isaiah, and of course all the other prophets, but Isaiah is to lift up his voice like a trumpet and show Laodicean Seventh-day Adventists their sins in the context of the song of the vineyard. That song was sung by Jesus in the parable of the vineyard. The vineyard caused him to weep as He for the last time before the cross looked out over Jerusalem; knowing ancient Israel had reached the end of their probationary period and were being passed by as God’s covenant people. Simultaneously Christ was entering into a covenant with a people who would bring forth the appropriate fruits from God’s vineyard. Whether the vineyard story of Joshua at the beginning or of Jesus at the end those who became the new covenant people typified the one hundred and forty-four thousand.

Jesaja moet overeenstemmen met Jesaja, en uiteraard met alle andere profeten, maar Jesaja moet zijn stem verheffen als een bazuin en aan de Laodiceaanse Zevende-dags Adventisten hun zonden tonen in de context van het lied van de wijngaard. Dat lied werd door Jezus gezongen in de gelijkenis van de wijngaard. De wijngaard deed Hem wenen toen Hij, voor de laatste maal vóór het kruis, uitkeek over Jeruzalem, wetende dat het oude Israël het einde van zijn genadetijd had bereikt en werd voorbijgegaan als Gods verbondsvolk. Tegelijkertijd trad Christus in een verbond met een volk dat de passende vruchten uit Gods wijngaard zou voortbrengen. Of het nu het wijngaardverhaal van Jozua aan het begin betreft, of dat van Jezus aan het einde, degenen die het nieuwe verbondsvolk werden, waren een voorafbeelding van de honderdvierenveertigduizend.

Christ spoke of Isaiah’s vineyard prophecy, as does Sister White.

Christus sprak over Jesaja’s profetie van de wijngaard, evenals zuster White.

“The parable of the vineyard applies not alone to the Jewish nation. It has a lesson for us. The church in this generation has been endowed by God with great privileges and blessings, and He expects corresponding returns.” Christ Object Lessons, 296.

„De gelijkenis van de wijngaard is niet uitsluitend van toepassing op het Joodse volk. Zij bevat een les voor ons. De kerk in deze generatie is door God begiftigd met grote voorrechten en zegeningen, en Hij verwacht dienovereenkomstige vruchten.” *Lessen uit het leven van alledag*, 296.

It is instructive to read the passage which leads to the last statement from the Spirit of Prophecy.

Het is leerzaam de passage te lezen die leidt tot de laatste uitspraak uit de Geest der Profetie.

“Chapter 23—The Lord’s Vineyard

„Hoofdstuk 23 — De wijngaard des Heren”

“The Jewish Nation

“De Joodse Natie

“The parable of the two sons was followed by the parable of the vineyard. In the one, Christ had set before the Jewish teachers the importance of obedience. In the other, He pointed to the rich blessings bestowed upon Israel, and in these showed God’s claim to their obedience. He set before them the glory of God’s purpose, which through obedience they might have fulfilled. Withdrawing the veil from the future, He showed how, by failure to fulfill His purpose, the whole nation was forfeiting His blessing, and bringing ruin upon itself.

„Op de gelijkenis van de twee zonen volgde de gelijkenis van de wijngaard. In de ene had Christus de Joodse leraren het belang van gehoorzaamheid voorgehouden. In de andere wees Hij op de rijke zegeningen die aan Israël waren geschonken, en daarin toonde Hij Gods aanspraak op hun gehoorzaamheid. Hij hield hun de heerlijkheid van Gods voornemen voor, dat zij door gehoorzaamheid hadden kunnen vervullen. Door de sluier van de toekomst weg te nemen, toonde Hij hoe, doordat zij Zijn voornemen niet vervulden, het gehele volk Zijn zegen verspeelde en het verderf over zichzelf bracht.

“‘There was a certain householder,’ Christ said, ‘which planted a vineyard, and hedged it round about, and digged a winepress in it, and built a tower, and let it out to husbandmen, and went into a far country.’

“‘Er was een zeker heer des huizes,’ zei Christus, ‘die een wijngaard plantte, er een omheining omheen zette, daarin een wijnpers uitgroef, een toren bouwde, en hem verhuurde aan landlieden, en naar een ver land reisde.’”

A description of this vineyard is given by the prophet Isaiah: ‘Now will I sing to my wellbeloved a song of my beloved touching His vineyard. My wellbeloved hath a vineyard in a very fruitful hill; and He fenced it, and gathered out the stones thereof, and planted it with the choicest vine, and built a tower in the midst of it, and also made a winepress therein; and He looked that it should bring forth grapes.’ Isaiah 5:1, 2.

„Een beschrijving van deze wijngaard wordt gegeven door de profeet Jesaja: ‘Nu wil ik voor mijn Welbeminde zingen, een lied van mijn Geliefde aangaande Zijn wijngaard. Mijn Welbeminde had een wijngaard op een zeer vruchtbare heuvel; en Hij omheinde die, en verwijderde de stenen eruit, en beplantte hem met de edelste wijnstok, en bouwde een toren in zijn midden, en houwde daarin ook een wijnpers uit; en Hij verwachtte dat hij druiven zou voortbrengen.’ Jesaja 5:1, 2.”

“The husbandman chooses a piece of land from the wilderness; he fences, clears, and tills it, and plants it with choice vines, expecting a rich harvest. This plot of ground, in its superiority to the uncultivated waste, he expects to do him honor by showing the results of his care and toil in its cultivation. So God had chosen a people from the world to be trained and educated by Christ. The prophet says, ‘The vineyard of the Lord of hosts is the house of Israel, and the men of Judah His pleasant plant.’ Isaiah 5:7. Upon this people God had bestowed great privileges, blessing them richly from His abundant goodness. He looked for them to honor Him by yielding fruit. They were to reveal the principles of His kingdom. In the midst of a fallen, wicked world they were to represent the character of God.

„De landman kiest een stuk grond uit de wildernis; hij omheint, zuivert en bewerkt het, en beplant het met uitgelezen wijnstokken, in de verwachting van een rijke oogst. Van dit stuk land verwacht hij, in zijn voortreffelijkheid boven de onontgonnen woestenij, dat het hem eer zal aandoen door in de resultaten van zijn zorg en moeite bij de bebouwing ervan blijk te geven. Zo had God een volk uit de wereld uitverkoren om door Christus geoefend en onderwezen te worden. De profeet zegt: ‘De wijngaard des Heeren der heirscharen is het huis Israëls, en de mannen van Juda zijn Zijn liefelijke planting.’ Jesaja 5:7. Aan dit volk had God grote voorrechten geschonken en het rijkelijk gezegend uit de overvloed van Zijn goedheid. Hij verwachtte dat zij Hem zouden eren door vrucht voort te brengen. Zij moesten de beginselen van Zijn koninkrijk openbaren. Te midden van een gevallen, goddeloze wereld moesten zij het karakter van God vertegenwoordigen.

“As the Lord’s vineyard they were to produce fruit altogether different from that of the heathen nations. These idolatrous peoples had given themselves up to work wickedness. Violence and crime, greed, oppression, and the most corrupt practices, were indulged without restraint. Iniquity, degradation, and misery were the fruits of the corrupt tree. In marked contrast was to be the fruit borne on the vine of God’s planting.

“Als de wijngaard des Heren moesten zij vruchten voortbrengen die geheel anders waren dan die van de heidense volken. Deze afgodische volken hadden zich eraan overgegeven ongerechtigheid te bedrijven. Geweld en misdaad, hebzucht, onderdrukking en de meest verdorven praktijken werden ongeremd bedreven. Ongerechtigheid, verdorvenheid en ellende waren de vruchten van de verdorven boom. In scherpe tegenstelling daarmee moest de vrucht zijn die gedragen werd aan de wijnstok van Gods planting.”

“It was the privilege of the Jewish nation to represent the character of God as it had been revealed to Moses. In answer to the prayer of Moses, ‘Show me Thy glory,’ the Lord promised, ‘I will make all My goodness pass before thee.’ Exodus 33:18, 19. ‘And the Lord passed by before him, and proclaimed, The Lord, the Lord God, merciful and gracious, longsuffering, and abundant in goodness and truth, keeping mercy for thousands, forgiving iniquity and transgression and sin.’ Exodus 34:6, 7. This was the fruit that God desired from His people. In the purity of their characters, in the holiness of their lives, in their mercy and loving-kindness and compassion, they were to show that ‘the law of the Lord is perfect, converting the soul.’ Psalm 19:7.

‘Het was het voorrecht van het Joodse volk om het karakter van God te vertegenwoordigen zoals het aan Mozes was geopenbaard. In antwoord op het gebed van Mozes: “Toon mij Uw heerlijkheid”, beloofde de Heere: “Ik zal al Mijn goedheid aan uw aangezicht doen voorbijgaan.” Exodus 33:18, 19. “En de Heere ging aan zijn aangezicht voorbij en riep: Heere, Heere God, barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van goedertierenheid en trouw, Die de goedertierenheid bewaart aan duizenden, Die ongerechtigheid, overtreding en zonde vergeeft.” Exodus 34:6, 7. Dit was de vrucht die God van Zijn volk verlangde. In de reinheid van hun karakter, in de heiligheid van hun leven, in hun barmhartigheid en liefdevolle goedertierenheid en mededogen, moesten zij tonen dat “de wet des Heeren volmaakt is, bekerende de ziel.” Psalm 19:7.’

“Through the Jewish nation it was God’s purpose to impart rich blessings to all peoples. Through Israel the way was to be prepared for the diffusion of His light to the whole world. The nations of the world, through following corrupt practices, had lost the knowledge of God. Yet in His mercy God did not blot them out of existence. He purposed to give them opportunity for becoming acquainted with Him through His church. He designed that the principles revealed through His people should be the means of restoring the moral image of God in man.

“Door het Joodse volk was het Gods voornemen rijke zegeningen aan alle volken mee te delen. Door Israël moest de weg worden bereid voor de verbreiding van Zijn licht over de gehele wereld. De naties der wereld hadden, door verdorven praktijken na te volgen, de kennis van God verloren. Toch heeft God hen in Zijn barmhartigheid niet van de aardbodem weggevaagd. Het was Zijn voornemen hun gelegenheid te geven Hem te leren kennen door middel van Zijn gemeente. Hij heeft beschikt dat de beginselen die door Zijn volk werden geopenbaard, het middel zouden zijn tot herstel van het zedelijke beeld van God in de mens.”

It was for the accomplishment of this purpose that God called Abraham out from his idolatrous kindred and bade him dwell in the land of Canaan. ‘I will make of thee a great nation,’ He said, ‘and I will bless thee, and make thy name great; and thou shalt be a blessing.’ Genesis 12:2.

“Ter verwezenlijking van dit doel riep God Abraham weg uit zijn afgodische verwanten en gebood hem in het land Kanaän te wonen. ‘Ik zal u tot een groot volk maken,’ zei Hij, ‘en Ik zal u zegenen en uw naam groot maken; en gij zult tot een zegen zijn.’ Genesis 12:2.

“The descendants of Abraham, Jacob and his posterity, were brought down to Egypt that in the midst of that great and wicked nation they might reveal the principles of God’s kingdom. The integrity of Joseph and his wonderful work in preserving the lives of the whole Egyptian people were a representation of the life of Christ. Moses and many others were witnesses for God.

„De afstammelingen van Abraham, Jakob en zijn nageslacht werden naar Egypte gebracht, opdat zij te midden van dat grote en goddeloze volk de beginselen van Gods koninkrijk zouden openbaren. De rechtschapenheid van Jozef en zijn wonderbaarlijke werk in het behouden van het leven van het gehele Egyptische volk vormden een voorstelling van het leven van Christus. Mozes en vele anderen waren getuigen voor God.

“In bringing forth Israel from Egypt, the Lord again manifested His power and His mercy. His wonderful works in their deliverance from bondage and His dealings with them in their travels through the wilderness were not for their benefit alone. These were to be as an object lesson to the surrounding nations. The Lord revealed Himself as a God above all human authority and greatness. The signs and wonders He wrought in behalf of His people showed His power over nature and over the greatest of those who worshiped nature. God went through the proud land of Egypt as He will go through the earth in the last days. With fire and tempest, earthquake and death, the great I AM redeemed His people. He took them out of the land of bondage. He led them through the ‘great and terrible wilderness, wherein were fiery serpents, and scorpions, and drought.’ Deuteronomy 8:15. He brought them forth water out of ‘the rock of flint,’ and fed them with ‘the corn of heaven.’ Psalm 78:24. ‘For,’ said Moses, ‘the Lord’s portion is His people; Jacob is the lot of His inheritance. He found him in a desert land, and in the waste howling wilderness; He led him about, He instructed him, He kept him as the apple of His eye. As an eagle stirreth up her nest, fluttereth over her young, spreadeth abroad her wings, taketh them, beareth them on her wings: so the Lord alone did lead him, and there was no strange God with him.’ Deuteronomy 32:9–12. Thus He brought them unto Himself, that they might dwell as under the shadow of the Most High.

„Toen de Heere Israël uit Egypte uitleidde, openbaarde Hij opnieuw Zijn macht en Zijn barmhartigheid. Zijn wonderbare daden in hun bevrijding uit de slavernij en Zijn handelen met hen tijdens hun tochten door de woestijn waren niet alleen tot hun voordeel. Deze moesten tot een aanschouwelijke les zijn voor de omringende volken. De Heere openbaarde Zich als een God verheven boven alle menselijke macht en grootheid. De tekenen en wonderen die Hij ten behoeve van Zijn volk verrichtte, toonden Zijn macht over de natuur en over de machtigsten onder hen die de natuur vereerden. God ging door het trotse land Egypte, zoals Hij in de laatste dagen over de aarde zal gaan. Met vuur en storm, aardbeving en dood verloste de grote IK BEN Zijn volk. Hij voerde hen uit het land der slavernij. Hij leidde hen door de ‘grote en vreselijke woestijn, waar vurige slangen waren, schorpioenen en dorheid’. Deuteronomium 8:15. Hij deed voor hen water voortkomen uit ‘de rotssteen’, en voedde hen met ‘het koren des hemels’. Psalm 78:24. ‘Want,’ zei Mozes, ‘des Heeren deel is Zijn volk; Jakob is het snoer Zijner erfenis. Hij vond hem in een woest land en in de huilende wildernis, een woestenij; Hij omringde hem, Hij onderwees hem, Hij behoedde hem als Zijn oogappel. Gelijk een arend zijn nest opwekt, over zijn jongen zweeft, zijn vleugels uitbreidt, ze neemt en ze draagt op zijn vlerken: zo leidde de Heere alleen hem, en er was geen vreemde god met hem.’ Deuteronomium 32:9–12. Zo bracht Hij hen tot Zichzelf, opdat zij zouden wonen als onder de schaduw van de Allerhoogste.

“Christ was the leader of the children of Israel in their wilderness wanderings. Enshrouded in the pillar of cloud by day and the pillar of fire by night, He led and guided them. He preserved them from the perils of the wilderness, He brought them into the land of promise, and in the sight of all the nations that acknowledged not God He established Israel as His own chosen possession, the Lord’s vineyard.

“Christus was de leider van de kinderen Israëls tijdens hun omzwervingen in de woestijn. Gehuld in de wolkkolom overdag en in de vuurkolom des nachts, leidde en bestuurde Hij hen. Hij behoedde hen voor de gevaren van de woestijn, Hij bracht hen in het land der belofte, en voor de ogen van alle volken die God niet erkenden, bevestigde Hij Israël als Zijn eigen uitverkoren bezit, de wijngaard des Heeren.

To this people were committed the oracles of God. They were hedged about by the precepts of His law, the everlasting principles of truth, justice, and purity. Obedience to these principles was to be their protection, for it would save them from destroying themselves by sinful practices. And as the tower in the vineyard, God placed in the midst of the land His holy temple.

“Aan dit volk waren de woorden Gods toevertrouwd. Zij waren omringd door de voorschriften van Zijn wet, de eeuwige beginselen van waarheid, gerechtigheid en reinheid. Gehoorzaamheid aan deze beginselen moest hun tot bescherming zijn, want zij zou hen ervoor behoeden zichzelf te gronde te richten door zondige praktijken. En evenals de toren in de wijngaard plaatste God Zijn heilige tempel in het midden van het land.

“Christ was their instructor. As He had been with them in the wilderness, so He was still to be their teacher and guide. In the tabernacle and the temple His glory dwelt in the holy shekinah above the mercy seat. In their behalf He constantly manifested the riches of His love and patience.

„Christus was hun leraar. Zoals Hij met hen geweest was in de woestijn, zo zou Hij nog steeds hun leraar en gids zijn. In de tabernakel en de tempel woonde Zijn heerlijkheid in de heilige Sjechina boven het verzoendeksel. Ten behoeve van hen openbaarde Hij voortdurend de rijkdom van Zijn liefde en lankmoedigheid.

“God desired to make of His people Israel a praise and a glory. Every spiritual advantage was given them. God withheld from them nothing favorable to the formation of character that would make them representatives of Himself.

God verlangde ernaar Zijn volk Israël tot lof en heerlijkheid te maken. Hun werd ieder geestelijk voorrecht geschonken. God onthield hun niets dat bevorderlijk was voor de vorming van een karakter dat hen tot vertegenwoordigers van Hemzelf zou maken.

“Their obedience to the law of God would make them marvels of prosperity before the nations of the world. He who could give them wisdom and skill in all cunning work would continue to be their teacher, and would ennoble and elevate them through obedience to His laws. If obedient, they would be preserved from the diseases that afflicted other nations, and would be blessed with vigor of intellect. The glory of God, His majesty and power, were to be revealed in all their prosperity. They were to be a kingdom of priests and princes. God furnished them with every facility for becoming the greatest nation on the earth.

„Hun gehoorzaamheid aan de wet van God zou hen tot wonderen van voorspoed maken in de ogen van de volken der aarde. Hij, die hun wijsheid en bekwaamheid in allerlei kunstvaardig werk kon schenken, zou voortgaan hun leraar te zijn en hen door gehoorzaamheid aan Zijn wetten veredelen en verheffen. Indien zij gehoorzaam waren, zouden zij bewaard blijven voor de ziekten die andere volken teisterden, en gezegend worden met kracht van verstand. De heerlijkheid van God, Zijn majesteit en macht, zouden in al hun voorspoed geopenbaard worden. Zij moesten een koninkrijk van priesters en vorsten zijn. God verschafte hun alle middelen om het grootste volk op aarde te worden.״

“In the most definite manner Christ through Moses had set before them God’s purpose, and had made plain the terms of their prosperity. ‘Thou art an holy people unto the Lord thy God,’ He said; ‘the Lord thy God hath chosen thee to be a special people unto Himself, above all people that are upon the face of the earth…. Know therefore that the Lord thy God, He is God, the faithful God, which keepeth covenant and mercy with them that love Him and keep His commandments to a thousand generations…. Thou shalt therefore keep the commandments, and the statutes, and the judgments, which I command thee this day, to do them. Wherefore it shall come to pass, if ye hearken to these judgments, and keep, and do them, that the Lord thy God shall keep unto thee the covenant and the mercy which He sware unto thy fathers; and He will love thee, and bless thee, and multiply thee: He will also bless the fruit of thy womb, and the fruit of thy land, thy corn, and thy wine, and thine oil, the increase of thy kine, and the flocks of thy sheep, in the land which He sware unto thy fathers to give thee. Thou shalt be blessed above all people…. And the Lord will take away from thee all sickness, and will put none of the evil diseases of Egypt, which thou knowest, upon thee.’ Deuteronomy 7:6, 9, 11–15.

„Op de meest ondubbelzinnige wijze had Christus door Mozes hun Gods voornemen voorgehouden en de voorwaarden van hun voorspoed duidelijk uiteengezet. ‘Gij zijt een heilig volk den Heere, uw God,’ zei Hij; ‘de Heere, uw God, heeft u verkoren, opdat gij Hem ten eigendom zoudt zijn uit al de volken die op de aardbodem zijn…. Gij zult dan weten dat de Heere, uw God, God is, de trouwe God, die het verbond en de barmhartigheid houdt aan hen die Hem liefhebben en Zijn geboden onderhouden, tot in duizend geslachten…. Houdt dan de geboden en de inzettingen en de verordeningen die ik u heden gebied, om die te doen. En het zal geschieden, indien gij naar deze verordeningen hoort, ze onderhoudt en doet, dat de Heere, uw God, voor u het verbond en de barmhartigheid zal houden die Hij uw vaderen gezworen heeft; en Hij zal u liefhebben, u zegenen en u vermeerderen; ook zal Hij zegenen de vrucht van uw schoot en de vrucht van uw land, uw koren, uw most en uw olie, de worp van uw runderen en de dracht van uw kleinvee, in het land dat Hij uw vaderen gezworen heeft u te geven. Gij zult gezegend zijn boven alle volken…. En de Heere zal alle ziekte van u weren, en geen van de kwaadaardige ziekten van Egypte, die gij kent, op u leggen.’ Deuteronomium 7:6, 9, 11–15.

“If they would keep His commandments, God promised to give them the finest of the wheat, and bring them honey out of the rock. With long life would He satisfy them, and show them His salvation.

“Indien zij Zijn geboden zouden onderhouden, beloofde God hun het beste van de tarwe te geven en hun honing uit de rots te doen voortkomen. Met een lang leven zou Hij hen verzadigen en hun Zijn heil tonen.

“Through disobedience to God, Adam and Eve had lost Eden, and because of sin the whole earth was cursed. But if God’s people followed His instruction, their land would be restored to fertility and beauty. God Himself gave them directions in regard to the culture of the soil, and they were to co-operate with Him in its restoration. Thus the whole land, under God’s control, would become an object lesson of spiritual truth. As in obedience to His natural laws the earth should produce its treasures, so in obedience to His moral law the hearts of the people were to reflect the attributes of His character. Even the heathen would recognize the superiority of those who served and worshiped the living God.

“Door ongehoorzaamheid aan God hadden Adam en Eva Eden verloren, en vanwege de zonde was de hele aarde vervloekt. Maar indien Gods volk Zijn aanwijzingen opvolgde, zou hun land tot vruchtbaarheid en schoonheid worden hersteld. God Zelf gaf hun richtlijnen met betrekking tot de bewerking van de bodem, en zij moesten met Hem samenwerken aan het herstel ervan. Zo zou het hele land, onder Gods heerschappij, een aanschouwelijke les van geestelijke waarheid worden. Zoals de aarde in gehoorzaamheid aan Zijn natuurwetten haar schatten zou voortbrengen, zo moesten ook de harten van het volk in gehoorzaamheid aan Zijn zedelijke wet de eigenschappen van Zijn karakter weerspiegelen. Zelfs de heidenen zouden de verhevenheid erkennen van hen die de levende God dienden en aanbaden.”

“‘Behold,’ said Moses, ‘I have taught you statutes and judgments, even as the Lord my God commanded me, that ye should do so in the land whither ye go to possess it. Keep therefore and do them; for this is your wisdom and your understanding in the sight of the nations, which shall hear all these statutes, and say, Surely this great nation is a wise and understanding people. For what nation is there so great, who hath God so nigh unto them, as the Lord our God is in all things that we call upon Him for? And what nation is there so great, that hath statutes and judgments so righteous as all this law, which I set before you this day?’ Deuteronomy 4:5–8.

“‘Zie,’ zei Mozes, ‘ik heb u inzettingen en verordeningen geleerd, zoals de HEERE, mijn God, mij geboden heeft, opdat gij daarnaar zoudt handelen in het land waarheen gij gaat om het in bezit te nemen. Neem ze daarom in acht en doe ze; want dit is uw wijsheid en uw verstand ten aanschouwen van de volken, die al deze inzettingen zullen horen en zeggen: Voorwaar, dit grote volk is een wijs en verstandig volk. Want welk groot volk is er, dat de goden zo nabij heeft als de HEERE, onze God, ons nabij is in alles waarin wij Hem aanroepen? En welk groot volk is er, dat zulke rechtvaardige inzettingen en verordeningen heeft als heel deze wet, die ik u heden voorhoud?’ Deuteronomium 4:5–8.

“The children of Israel were to occupy all the territory which God appointed them. Those nations that rejected the worship and service of the true God were to be dispossessed. But it was God’s purpose that by the revelation of His character through Israel men should be drawn unto Him. To all the world the gospel invitation was to be given. Through the teaching of the sacrificial service Christ was to be uplifted before the nations, and all who would look unto Him should live. All who, like Rahab the Canaanite, and Ruth the Moabitess, turned from idolatry to the worship of the true God, were to unite themselves with His chosen people. As the numbers of Israel increased they were to enlarge their borders, until their kingdom should embrace the world.

„De kinderen van Israël moesten het gehele gebied innemen dat God hun had toegewezen. Die volken die de aanbidding en dienst van de ware God verwierpen, moesten uit hun bezit verdreven worden. Maar het was Gods bedoeling dat door de openbaring van Zijn karakter door Israël de mensen tot Hem getrokken zouden worden. Aan de gehele wereld moest de evangelie-uitnodiging worden gegeven. Door het onderwijs van de offerdienst moest Christus voor de volken worden verhoogd, en allen die op Hem zouden zien, zouden leven. Allen die, zoals Rachab de Kanaänitische en Ruth de Moabitische, zich van de afgodendienst afkeerden tot de aanbidding van de ware God, moesten zich verenigen met Zijn uitverkoren volk. Naarmate Israëls aantal toenam, moesten zij hun grenzen uitbreiden, totdat hun koninkrijk de wereld zou omvatten.ײ

“God desired to bring all peoples under His merciful rule. He desired that the earth should be filled with joy and peace. He created man for happiness, and He longs to fill human hearts with the peace of heaven. He desires that the families below shall be a symbol of the great family above.

„God verlangde ernaar alle volken onder Zijn barmhartige heerschappij te brengen. Hij verlangde ernaar dat de aarde vervuld zou zijn van vreugde en vrede. Hij schiep de mens tot geluk, en Hij verlangt ernaar de menselijke harten te vervullen met de vrede van de hemel. Hij verlangt dat de gezinnen hier beneden een symbool zullen zijn van de grote familie hierboven.״

But Israel did not fulfill God’s purpose. The Lord declared, ‘I had planted thee a noble vine, wholly a right seed: how then art thou turned into the degenerate plant of a strange vine unto Me?’ Jeremiah 2:21. ‘Israel is an empty vine, he bringeth forth fruit unto himself.’ Hosea 10:1. ‘And now, O inhabitants of Jerusalem, and men of Judah, judge, I pray you, betwixt Me and My vineyard. What could have been done more to My vineyard, that I have not done in it? Wherefore when I looked that it should bring forth grapes, brought it forth wild grapes? And now go to; I will tell you what I will do to My vineyard: I will take away the hedge thereof, and it shall be eaten up; and break down the wall thereof, and it shall be trodden down: and I will lay it waste; it shall not be pruned nor digged; but there shall come up briers and thorns: I will also command the clouds that they rain no rain upon it. For … He looked for judgment, but behold oppression; for righteousness, but behold a cry.’ Isaiah 5:3–7.

“Maar Israël vervulde Gods voornemen niet. De Heere verklaarde: ‘Ik had u geplant als een edele wijnstok, geheel en al een zuiver zaad; hoe zijt gij Mij dan veranderd in een ontaarde rank van een vreemde wijnstok?’ Jeremia 2:21. ‘Israël is een ledige wijnstok, hij brengt vrucht voort voor zichzelf.’ Hosea 10:1. ‘En nu dan, inwoners van Jeruzalem en mannen van Juda, oordeelt toch tussen Mij en Mijn wijngaard. Wat kon er nog meer aan Mijn wijngaard gedaan worden, dat Ik er niet aan gedaan heb? Waarom heeft hij, toen Ik verwachtte dat hij druiven zou voortbrengen, wilde druiven voortgebracht? Nu dan, Ik zal u bekendmaken wat Ik met Mijn wijngaard doen zal: Ik zal zijn omheining wegnemen, zodat hij afgegraasd zal worden; en zijn muur afbreken, zodat hij vertrapt zal worden. Ik zal hem verwoesten; hij zal niet gesnoeid noch omgespit worden, maar distels en doornen zullen opschieten; ook zal Ik de wolken gebieden dat zij er geen regen op doen vallen. Want … Hij zag uit naar recht, maar zie, er was onderdrukking; naar gerechtigheid, maar zie, er was geschreeuw.’ Jesaja 5:3–7.”

“The Lord had through Moses set before His people the result of unfaithfulness. By refusing to keep His covenant, they would cut themselves off from the life of God, and His blessing could not come upon them. ‘Beware,’ said Moses, ‘that thou forget not the Lord thy God, in not keeping His commandments, and His judgments, and His statutes, which I command thee this day: lest when thou hast eaten and art full, and hast built goodly houses, and dwelt therein; and when thy herds and thy flocks multiply, and thy silver and thy gold is multiplied, and all that thou hast is multiplied; then thine heart be lifted up, and thou forget the Lord thy God…. And thou say in thine heart, My power and the might of mine hand hath gotten me this wealth…. And it shall be, if thou do at all forget the Lord thy God, and walk after other gods, and serve them, and worship them, I testify against you this day that ye shall surely perish. As the nations which the Lord destroyeth before your face, so shall ye perish; because ye would not be obedient unto the voice of the Lord your God.’ Deuteronomy 8:11–14, 17, 19, 20.

„De HEERE had door Mozes aan Zijn volk de uitkomst van ontrouw voorgehouden. Door te weigeren Zijn verbond te onderhouden, zouden zij zich afsnijden van het leven Gods, en Zijn zegen kon niet over hen komen. ‘Wacht u ervoor,’ zei Mozes, ‘dat gij de HEERE, uw God, niet vergeet door Zijn geboden, Zijn verordeningen en Zijn inzettingen, die ik u heden gebied, niet te onderhouden; opdat, wanneer gij gegeten hebt en verzadigd zijt, en goede huizen gebouwd en daarin gewoond hebt; en wanneer uw runderen en uw kleinvee zich vermenigvuldigen, en uw zilver en uw goud vermeerderd worden, en alles wat gij bezit vermeerderd wordt; uw hart zich dan niet verheffe, zodat gij de HEERE, uw God, vergeet…. En dat gij dan in uw hart zegt: Mijn kracht en de sterkte van mijn hand hebben mij dit vermogen verworven…. En het zal geschieden, indien gij de HEERE, uw God, geheel en al vergeet, en andere goden navolgt, hen dient en u voor hen neerbuigt, dan betuig ik heden tegen u dat gij zeker zult omkomen. Zoals de volken die de HEERE voor uw aangezicht verdelgt, zo zult gij omkomen, omdat gij aan de stem van de HEERE, uw God, niet gehoorzaam geweest zijt.’ Deuteronomium 8:11–14, 17, 19, 20.

The warning was not heeded by the Jewish people. They forgot God, and lost sight of their high privilege as His representatives. The blessings they had received brought no blessing to the world. All their advantages were appropriated for their own glorification. They robbed God of the service He required of them, and they robbed their fellow men of religious guidance and a holy example. Like the inhabitants of the antediluvian world, they followed out every imagination of their evil hearts. Thus they made sacred things appear a farce, saying, ‘The temple of the Lord, the temple of the Lord, are these’ (Jeremiah 7:4), while at the same time they were misrepresenting God’s character, dishonoring His name, and polluting His sanctuary.

“De waarschuwing werd door het Joodse volk niet ter harte genomen. Zij vergaten God en verloren hun hoge voorrecht als Zijn vertegenwoordigers uit het oog. De zegeningen die zij hadden ontvangen, brachten de wereld geen zegen. Al hun voorrechten eigenden zij zich toe tot hun eigen verheerlijking. Zij beroofden God van de dienst die Hij van hen eiste, en zij beroofden hun medemensen van godsdienstige leiding en een heilig voorbeeld. Zoals de bewoners van de wereld van vóór de zondvloed volgden zij elke ingeving van hun boze hart. Zo deden zij de heilige dingen als een klucht voorkomen, terwijl zij zeiden: ‘De tempel des Heren, de tempel des Heren, de tempel des Heren is dit’ (Jeremia 7:4), terwijl zij tegelijkertijd Gods karakter verkeerd voorstelden, Zijn naam onteerden en Zijn heiligdom verontreinigden.”

“The husbandmen who had been placed in charge of the Lord’s vineyard were untrue to their trust. The priests and teachers were not faithful instructors of the people. They did not keep before them the goodness and mercy of God and His claim to their love and service. These husbandmen sought their own glory. They desired to appropriate the fruits of the vineyard. It was their study to attract attention and homage to themselves.

„De pachters aan wie de wijngaard van de Heer was toevertrouwd, waren hun opdracht ontrouw. De priesters en leraars waren geen getrouwe onderwijzers van het volk. Zij hielden hun de goedheid en barmhartigheid van God en Zijn aanspraak op hun liefde en dienst niet voor. Deze pachters zochten hun eigen eer. Zij verlangden ernaar zich de vruchten van de wijngaard toe te eigenen. Hun streven was erop gericht de aandacht en hulde op zichzelf te vestigen.”

The guilt of these leaders in Israel was not like the guilt of the ordinary sinner. These men stood under the most solemn obligation to God. They had pledged themselves to teach a ‘Thus saith the Lord’ and to bring strict obedience into their practical life. Instead of doing this they were perverting the Scriptures. They laid heavy burdens upon men, enforcing ceremonies that reached to every step in life. The people lived in continual unrest, for they could not fulfill the requirements laid down by the rabbis. As they saw the impossibility of keeping man-made commandments, they became careless in regard to the commandments of God.

“De schuld van deze leiders in Israël was niet gelijk aan de schuld van de gewone zondaar. Deze mannen stonden onder de meest plechtige verplichting jegens God. Zij hadden zich ertoe verbonden een ‘Zo zegt de Heere’ te onderwijzen en strikte gehoorzaamheid in hun praktisch leven te brengen. In plaats daarvan verdraaiden zij de Schriften. Zij legden de mensen zware lasten op en drongen ceremoniën op die zich uitstrekten tot elke stap van het leven. Het volk leefde in voortdurende onrust, want het kon de door de rabbijnen gestelde eisen niet vervullen. Toen zij de onmogelijkheid inzagen om door mensen gemaakte geboden te onderhouden, werden zij onverschillig ten aanzien van de geboden van God.”

“The Lord had instructed His people that He was the owner of the vineyard, and that all their possessions were given them in trust to be used for Him. But the priests and teachers did not perform the work of their sacred office as if they were handling the property of God. They were systematically robbing Him of the means and facilities entrusted to them for the advancement of His work. Their covetousness and greed caused them to be despised even by the heathen. Thus the Gentile world was given occasion to misinterpret the character of God and the laws of His kingdom.

„De Heere had Zijn volk onderwezen dat Hij de eigenaar van de wijngaard was, en dat al hun bezittingen hun in beheer waren toevertrouwd om voor Hem te worden gebruikt. Maar de priesters en leraars verrichtten het werk van hun heilig ambt niet alsof zij het eigendom van God beheerden. Zij beroofden Hem stelselmatig van de middelen en voorzieningen die hun waren toevertrouwd ter bevordering van Zijn werk. Hun hebzucht en gierigheid maakten dat zij zelfs door de heidenen werden veracht. Zo werd aan de heidense wereld aanleiding gegeven het karakter van God en de wetten van Zijn koninkrijk verkeerd uit te leggen.

“With a father’s heart, God bore with His people. He pleaded with them by mercies given and mercies withdrawn. Patiently He set their sins before them, and in forbearance waited for their acknowledgment. Prophets and messengers were sent to urge God’s claim upon the husbandmen; but instead of being welcomed, they were treated as enemies. The husbandmen persecuted and killed them. God sent still other messengers, but they received the same treatment as the first, only that the husbandmen showed still more determined hatred.

Met het hart van een vader verdroeg God Zijn volk. Hij pleitte met hen door bewezen barmhartigheden en door onthouden barmhartigheden. Geduldig hield Hij hun zonden hun voor ogen en wachtte Hij in lankmoedigheid op hun erkenning daarvan. Profeten en boodschappers werden gezonden om Gods aanspraak op de pachters te doen gelden; maar in plaats van verwelkomd te worden, werden zij als vijanden behandeld. De pachters vervolgden en doodden hen. God zond nog andere boodschappers, maar zij ondergingen dezelfde behandeling als de eersten, alleen toonden de pachters nog vastberadener haat.

“As a last resource, God sent His Son, saying, ‘They will reverence My Son.’ But their resistance had made them vindictive, and they said among themselves, ‘This is the heir; come, let us kill Him, and let us seize on His inheritance.’ We shall then be left to enjoy the vineyard, and to do as we please with the fruit.

‘Als laatste redmiddel zond God Zijn Zoon, zeggende: “Zij zullen Mijn Zoon eerbiedigen.” Maar hun verzet had hen wraakzuchtig gemaakt, en zij zeiden onder elkander: “Dit is de erfgenaam; kom, laat ons Hem doden en Zijn erfenis in bezit nemen.” Dan zullen wij worden overgelaten om van de wijngaard te genieten en met de vrucht te doen wat ons behaagt.

The Jewish rulers did not love God; therefore they cut themselves away from Him, and rejected all His overtures for a just settlement. Christ, the Beloved of God, came to assert the claims of the Owner of the vineyard; but the husbandmen treated Him with marked contempt, saying, We will not have this man to rule over us. They envied Christ’s beauty of character. His manner of teaching was far superior to theirs, and they dreaded His success. He remonstrated with them, unveiling their hypocrisy, and showing them the sure results of their course of action. This stirred them to madness. They smarted under the rebukes they could not silence. They hated the high standard of righteousness which Christ continually presented. They saw that His teaching was placing them where their selfishness would be uncloaked, and they determined to kill Him. They hated His example of truthfulness and piety and the elevated spirituality revealed in all He did. His whole life was a reproof to their selfishness, and when the final test came, the test which meant obedience unto eternal life or disobedience unto eternal death, they rejected the Holy One of Israel. When they were asked to choose between Christ and Barabbas, they cried out, ‘Release unto us Barabbas!’ Luke 23:18. And when Pilate asked, ‘What shall I do then with Jesus?’ they cried fiercely, ‘Let Him be crucified.’ Matthew 27:22. ‘Shall I crucify your King?’ Pilate asked, and from the priests and rulers came the answer, ‘We have no king but Caesar.’ John 19:15. When Pilate washed his hands, saying, ‘I am innocent of the blood of this just person,’ the priests joined with the ignorant mob in declaring passionately, ‘His blood be on us, and on our children.’ Matthew 27:24, 25.

„De Joodse leidslieden hadden God niet lief; daarom sneden zij zich van Hem af en verwierpen al Zijn toenaderingen tot een rechtvaardige schikking. Christus, de Geliefde van God, kwam om de rechten van de Eigenaar van de wijngaard te doen gelden; maar de pachters behandelden Hem met uitgesproken minachting en zeiden: Wij willen niet dat deze over ons regeert. Zij benijdden Christus om de schoonheid van Zijn karakter. Zijn wijze van onderwijzen was hun verre superieur, en zij vreesden Zijn succes. Hij hield hun ernstig voor, onthulde hun huichelarij en toonde hun de zekere gevolgen van hun handelwijze. Dit bracht hen tot razernij. Zij voelden scherp de bestraffingen die zij niet tot zwijgen konden brengen. Zij haatten de verheven maatstaf van gerechtigheid die Christus hun voortdurend voorhield. Zij zagen dat Zijn onderwijs hen bracht op een plaats waar hun zelfzucht ontmaskerd zou worden, en zij besloten Hem te doden. Zij haatten Zijn voorbeeld van waarachtigheid en godsvrucht en de verheven geestelijkheid die openbaar werd in alles wat Hij deed. Zijn gehele leven was een bestraffing van hun zelfzucht, en toen de laatste beproeving kwam, de beproeving die gehoorzaamheid tot het eeuwige leven of ongehoorzaamheid tot de eeuwige dood betekende, verwierpen zij de Heilige Israëls. Toen hun werd gevraagd te kiezen tussen Christus en Barabbas, riepen zij uit: ‘Laat Barabbas op ons los!’ Lukas 23:18. En toen Pilatus vroeg: ‘Wat zal ik dan met Jezus doen?’ riepen zij woedend: ‘Laat Hem gekruisigd worden.’ Mattheüs 27:22. ‘Zal ik uw Koning kruisigen?’ vroeg Pilatus, en van de priesters en oversten kwam het antwoord: ‘Wij hebben geen koning dan de keizer.’ Johannes 19:15. Toen Pilatus zijn handen waste en zei: ‘Ik ben onschuldig aan het bloed van deze rechtvaardige,’ verenigden de priesters zich met de onwetende menigte door hartstochtelijk te verklaren: ‘Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen.’ Mattheüs 27:24, 25.

“Thus the Jewish leaders made their choice. Their decision was registered in the book which John saw in the hand of Him that sat upon the throne, the book which no man could open. In all its vindictiveness this decision will appear before them in the day when this book is unsealed by the Lion of the tribe of Judah.

„Zo deden de Joodse leiders hun keuze. Hun beslissing werd opgetekend in het boek dat Johannes zag in de hand van Hem die op de troon zat, het boek dat niemand kon openen. In al haar wraakzucht zal deze beslissing vóór hen verschijnen op de dag waarop dit boek wordt geopend door de Leeuw uit de stam van Juda.

The Jewish people cherished the idea that they were the favorites of heaven, and that they were always to be exalted as the church of God. They were the children of Abraham, they declared, and so firm did the foundation of their prosperity seem to them that they defied earth and heaven to dispossess them of their rights. But by lives of unfaithfulness they were preparing for the condemnation of heaven and for separation from God.

„Het Joodse volk koesterde de gedachte dat het de gunsteling van de hemel was en dat het altijd verheven zou worden als de kerk van God. Zij waren de kinderen van Abraham, zo verklaarden zij, en zo vast scheen hun het fundament van hun voorspoed, dat zij de aarde en de hemel trotseerden om hen van hun rechten te beroven. Maar door een leven van ontrouw bereidden zij zich voor op de veroordeling van de hemel en op scheiding van God.

“In the parable of the vineyard, after Christ had portrayed before the priests their crowning act of wickedness, He put to them the question, ‘When the Lord therefore of the vineyard cometh, what will he do unto those husbandmen?’ The priests had been following the narrative with deep interest, and without considering the relation of the subject to themselves they joined with the people in answering, ‘He will miserably destroy those wicked men, and will let out His vineyard unto other husbandmen, which shall render Him the fruits in their seasons.’

„In de gelijkenis van de wijngaard, nadat Christus aan de priesters hun kroon op de goddeloosheid had voorgehouden, stelde Hij hun de vraag: ‘Wanneer dan de heer van de wijngaard komt, wat zal hij met die pachters doen?’ De priesters hadden het verhaal met diepe belangstelling gevolgd, en zonder de betrekking van het onderwerp op henzelf te overwegen, stemden zij met het volk in toen zij antwoordden: ‘Hij zal die boze mannen een ellendige dood doen sterven, en zijn wijngaard aan andere pachters verhuren, die hem de vruchten op hun tijd zullen afdragen.’”

“Unwittingly they had pronounced their own doom. Jesus looked upon them, and under His searching gaze they knew that He read the secrets of their hearts. His divinity flashed out before them with unmistakable power. They saw in the husbandmen a picture of themselves, and they involuntarily exclaimed, ‘God forbid!’

“Onbewust hadden zij hun eigen ondergang uitgesproken. Jezus zag hen aan, en onder Zijn doorgrondende blik wisten zij dat Hij de geheimen van hun hart doorzag. Zijn goddelijkheid straalde hun tegemoet met onmiskenbare kracht. Zij zagen in de pachters een beeld van zichzelf, en onwillekeurig riepen zij uit: ‘Dat verhoede God!’”

“Solemnly and regretfully Christ asked, ‘Did ye never read in the scriptures, The stone which the builders rejected, the same is become the head of the corner; this is the Lord’s doing, and it is marvelous in our eyes? Therefore say I unto you, The kingdom of God shall be taken from you, and given to a nation bringing forth the fruits thereof. And whosoever shall fall on this stone shall be broken; but on whomsoever it shall fall, it will grind him to powder.’

Plechtig en met droefheid vroeg Christus: ‘Hebt gij nooit gelezen in de Schriften: De steen die de bouwlieden verworpen hadden, deze is geworden tot een hoofd des hoeks; dit is van de Heere geschied, en het is wonderlijk in onze ogen? Daarom zeg Ik u: Het Koninkrijk Gods zal van u weggenomen en gegeven worden aan een volk dat de vruchten daarvan voortbrengt. En wie op deze steen valt, zal verpletterd worden; maar op wie hij valt, die zal hij tot stof vermalen.’

“Christ would have averted the doom of the Jewish nation if the people had received Him. But envy and jealousy made them implacable. They determined that they would not receive Jesus of Nazareth as the Messiah. They rejected the Light of the world, and thenceforth their lives were surrounded with darkness as the darkness of midnight. The doom foretold came upon the Jewish nation. Their own fierce passions, uncontrolled, wrought their ruin. In their blind rage they destroyed one another. Their rebellious, stubborn pride brought upon them the wrath of their Roman conquerors. Jerusalem was destroyed, the temple laid in ruins, and its site plowed like a field. The children of Judah perished by the most horrible forms of death. Millions were sold, to serve as bondmen in heathen lands.

„Christus zou het oordeel over het Joodse volk hebben afgewend indien het volk Hem had aangenomen. Maar afgunst en jaloezie maakten hen onverbiddelijk. Zij besloten dat zij Jezus van Nazareth niet als de Messias zouden aannemen. Zij verwierpen het Licht der wereld, en van toen af aan werd hun leven omgeven door duisternis, als de duisternis van middernacht. Het voorzegde oordeel kwam over het Joodse volk. Hun eigen felle, onbeheerste hartstochten bewerkten hun ondergang. In hun blinde woede vernietigden zij elkaar. Hun opstandige, hardnekkige trots bracht de toorn van hun Romeinse overwinnaars over hen. Jeruzalem werd verwoest, de tempel in puin gelegd, en zijn plaats geploegd als een veld. De kinderen van Juda kwamen om door de meest afschuwelijke vormen van de dood. Miljoenen werden verkocht om als slaven te dienen in heidense landen.

As a people the Jews had failed of fulfilling God’s purpose, and the vineyard was taken from them. The privileges they had abused, the work they had slighted, was entrusted to others.

“Als volk hadden de Joden nagelaten Gods bedoeling te vervullen, en de wijngaard werd van hen weggenomen. De voorrechten die zij hadden misbruikt, het werk dat zij hadden veronachtzaamd, werd aan anderen toevertrouwd.

The parable of the vineyard applies not alone to the Jewish nation. It has a lesson for us. The church in this generation has been endowed by God with great privileges and blessings, and He expects corresponding returns.” Christ’s Object Lessons. 284–296.

„De gelijkenis van de wijngaard is niet uitsluitend van toepassing op het Joodse volk. Zij bevat ook een les voor ons. De gemeente in deze generatie is door God begiftigd met grote voorrechten en zegeningen, en Hij verwacht dienovereenkomstige vruchten.” Lessen uit het Leven van Alledag, 284–296.

The book of Joel identifies the history of the latter rain at the end of the world. The latter rain is God’s final warning message of the third angel of Revelation fourteen. Although the latter rain represents the message of the third angel, it also represents the communication process between Divinity and humanity as symbolized by Zechariah’s golden oil, the early and latter rains, the fire from the altar and other representations. The latter rain is not only a message, and the communication process between God and man, but it is also the only sanctified “methodology” of Bible study sustained in God’s Word. That methodology is Isaiah’s “line upon line” found in chapter twenty-eight.

Het boek Joël brengt de geschiedenis van de late regen aan het einde van de wereld in kaart. De late regen is Gods laatste waarschuwingsboodschap van de derde engel van Openbaring veertien. Hoewel de late regen de boodschap van de derde engel vertegenwoordigt, vertegenwoordigt zij ook het communicatieproces tussen de Godheid en de mensheid, zoals gesymboliseerd door de gouden olie van Zacharia, de vroege en de late regen, het vuur van het altaar en andere voorstellingen. De late regen is niet alleen een boodschap en het communicatieproces tussen God en de mens, maar zij is ook de enige geheiligde „methodologie” van bijbelstudie die in Gods Woord wordt gehandhaafd. Die methodologie is Jesaja’s „regel op regel”, te vinden in hoofdstuk achtentwintig.

At the beginning of ancient and also modern Israel, God, “the husbandman” brought Israel “from the wilderness.” Whether the captivity of four hundred and thirty years captivity in Egypt or the captivity of the Dark Ages from 538 unto 1798, Israel was taken out of “the wilderness,” for a “wilderness” is a symbol of slavery and captivity. Whether ancient literal Israel or modern spiritual Israel God delivered them out of a wilderness captivity and “established” them “as His own chosen possession, the Lord’s vineyard” called to be priests and princes who “were committed” with the privilege of representing “the oracles of God.” The “oracles” for ancient Israel being the Law and to modern Israel being both the Law and the prophecies.

Aan het begin van het oude en ook van het moderne Israël bracht God, „de Landman”, Israël „uit de woestijn”. Of het nu ging om de gevangenschap van vierhonderddertig jaar in Egypte, of om de gevangenschap van de Donkere Middeleeuwen van 538 tot 1798, Israël werd uit „de woestijn” genomen, want een „woestijn” is een symbool van slavernij en gevangenschap. Of het nu het oude, letterlijke Israël betrof of het moderne, geestelijke Israël, God verloste hen uit een gevangenschap in de woestijn en „vestigde” hen „als Zijn eigen uitverkoren bezit, de wijngaard des Heren”, geroepen om priesters en vorsten te zijn aan wie het voorrecht was „toevertrouwd” „de woorden Gods” te vertegenwoordigen. De „woorden” waren voor het oude Israël de Wet, en voor het moderne Israël zowel de Wet als de profetieën.

“God has called His church in this day, as He called ancient Israel, to stand as a light in the earth. By the mighty cleaver of truth, the messages of the first, second, and third angels, He has separated them from the churches and from the world to bring them into a sacred nearness to Himself. He has made them the depositaries of His law and has committed to them the great truths of prophecy for this time. Like the holy oracles committed to ancient Israel, these are a sacred trust to be communicated to the world. The three angels of Revelation 14 represent the people who accept the light of God’s messages and go forth as His agents to sound the warning throughout the length and breadth of the earth.” Testimonies, volume 5, 455.

“God heeft Zijn gemeente in deze tijd geroepen, zoals Hij het oude Israël riep, om als een licht op de aarde te staan. Door het machtige kloofmes van de waarheid, de boodschappen van de eerste, tweede en derde engel, heeft Hij hen afgescheiden van de kerken en van de wereld om hen in een heilige nabijheid tot Zichzelf te brengen. Hij heeft hen gemaakt tot de bewaarders van Zijn wet en heeft hun de grote waarheden van de profetie voor deze tijd toevertrouwd. Zoals de heilige godsspraken aan het oude Israël waren toevertrouwd, zo zijn deze een heilig pand dat aan de wereld moet worden meegedeeld. De drie engelen van Openbaring 14 vertegenwoordigen het volk dat het licht van Gods boodschappen aanneemt en als Zijn boodschappers uitgaat om de waarschuwing over de lengte en breedte der aarde te laten weerklinken.” Testimonies, deel 5, 455.

Modern Israel was ordained to proclaim the loud cry of the third angel under the power of the latter rain, while manifesting the character of Christ in their personal experience under the power of the Holy Spirit. The loud cry of the third angel is fulfilled during the outpouring of the latter rain, during a time when a false peace and safety latter rain message is being promoted by a class of men who are drunken with the wine of Babylon. These are Isaiah’s drunkards of Ephraim and Joel’s drinkers of wine who have the new wine cut off from their mouths. Those receiving the true latter rain message are represented by Daniel, Mishael, Hananiah and Azariah who rejected the Babylonian food for heavenly fare. These are the one hundred and forty-four thousand who sing the song of Moses and the Lamb, but also of the vineyard, for the vineyard parable was fulfilled in the history of Moses in the beginning of ancient Israel’s covenant relationship, and it was fulfilled again at the end of ancient Israel’s covenant relationship in the history of the Lamb.

Het moderne Israël was verordineerd om de luide roep van de derde engel te verkondigen onder de kracht van de late regen, terwijl het in zijn persoonlijke ervaring het karakter van Christus openbaarde onder de kracht van de Heilige Geest. De luide roep van de derde engel wordt vervuld tijdens de uitstorting van de late regen, in een tijd waarin een valse-boodschap-van-vrede-en-veiligheid van de late regen wordt bevorderd door een klasse van mannen die dronken zijn van de wijn van Babylon. Dit zijn de dronkaards van Efraïm uit Jesaja en de wijndrinkers van Joël, aan wie de most van de mond is afgesneden. Degenen die de ware boodschap van de late regen ontvangen, worden voorgesteld door Daniël, Misaël, Hananja en Azarja, die het Babylonische voedsel verwierpen ten gunste van hemelse spijs. Dit zijn de honderd vierenveertigduizend die het lied van Mozes en van het Lam zingen, maar ook dat van de wijngaard, want de gelijkenis van de wijngaard werd vervuld in de geschiedenis van Mozes aan het begin van de verbondsverhouding van het oude Israël, en zij werd opnieuw vervuld aan het einde van de verbondsverhouding van het oude Israël in de geschiedenis van het Lam.

The song of the vineyard concludes with a former covenant people being passed by when a new covenant people are being married to the Lord. The Lord passed by those who died in the forty-year wilderness wandering and entered into covenant with Joshua at the very same time he was divorcing those who would die. The Lord was divorcing ancient Israel at the very same time He was marrying the Christian church. The alpha or beginning history is represented by Moses and the omega is represented by the Lamb. The history they both represent is the history of the vineyard parable, thus Isaiah’s song of the vineyard is John the Revelator’s song of Moses and the Lamb.

Het lied van de wijngaard eindigt ermee dat een vroeger verbondsvolk wordt voorbijgegaan wanneer een nieuw verbondsvolk met de Heere in het huwelijk wordt verbonden. De Heere ging voorbij aan hen die stierven tijdens de veertigjarige omzwerving in de woestijn en trad op hetzelfde ogenblik in verbond met Jozua als waarop Hij hen die zouden sterven, verstootte. De Heere verstootte het oude Israël op hetzelfde ogenblik waarop Hij de christelijke kerk huwde. De alpha of het begin van de geschiedenis wordt vertegenwoordigd door Mozes en de omega wordt vertegenwoordigd door het Lam. De geschiedenis die zij beiden vertegenwoordigen, is de geschiedenis van de gelijkenis van de wijngaard; zo is Jesaja’s lied van de wijngaard Johannes de Openbaarder’s lied van Mozes en het Lam.

We will continue these thoughts in the next article.

Wij zullen deze gedachten in het volgende artikel voortzetten.

These are not the words of Sister White, but the words of the Lord, and His messenger has given them to me to give to you. God calls upon you to no longer work at cross purposes with Him. Much instruction was given in regard to men claiming to be Christian when they are revealing the attributes of Satan, counteracting in spirit, word, and action the advancement of truth, and are surely following the path where Satan is leading them. In their hardness of heart they have grasped authority which in no way belongs to them, and which they should not exercise. Saith the great Teacher, ‘I will overturn, overturn, overturn.’ Men say in Battle Creek, ‘The temple of the Lord, the temple of the Lord are we’ but they are using common fire. Their hearts are not softened and subdued by the grace of God.” Manuscript Releases, volume 13, 222.

“Dit zijn niet de woorden van Zuster White, maar de woorden van de Heere, en Zijn boodschapper heeft ze aan mij gegeven om aan u te geven. God roept u op niet langer Hem tegen te werken. Er werd veel onderricht gegeven met betrekking tot mannen die beweren christen te zijn, terwijl zij de eigenschappen van Satan openbaren, en in geest, woord en daad de voortgang van de waarheid tegenwerken, en stellig het pad volgen waarop Satan hen leidt. In hun hardheid van hart hebben zij gezag naar zich toegetrokken dat hun geenszins toebehoort en dat zij niet behoren uit te oefenen. Zo zegt de grote Leraar: ‘Ik zal omkeren, omkeren, omkeren.’ Mensen zeggen in Battle Creek: ‘De tempel des Heeren, de tempel des Heeren zijn wij’, maar zij gebruiken gewoon vuur. Hun harten zijn niet verzacht en onderworpen door de genade van God.” Manuscript Releases, deel 13, 222.

“The patience of God has an object, but you are defeating it. He is allowing a state of things to come that you would fain see counteracted by and by, but it will be too late. God commanded Elijah to anoint the cruel and deceitful Hazael king over Syria, that he might be a scourge to idolatrous Israel. Who knows whether God will not give you up to the deceptions you love? Who knows but that the preachers who are faithful, firm, and true may be the last who shall offer the gospel of peace to our unthankful churches? It may be that the destroyers are already training under the hand of Satan and only wait the departure of a few more standard-bearers to take their places, and with the voice of the false prophet cry, ‘Peace, peace,’ when the Lord hath not spoken peace. I seldom weep, but now I find my eyes blinded with tears; they are falling upon my paper as I write. It may be that erelong all prophesyings among us will be at an end, and the voice which has stirred the people may no longer disturb their carnal slumbers.

„Het geduld van God heeft een doel, maar u verijdelt het. Hij laat een toestand ontstaan waarvan u gaarne zoudt zien dat die straks wordt tegengegaan, maar dan zal het te laat zijn. God gebood Elia de wrede en bedrieglijke Hazaël tot koning over Syrië te zalven, opdat hij een gesel zou zijn voor het afgodische Israël. Wie weet of God u niet zal overgeven aan de misleidingen die u liefhebt? Wie weet of de predikers die getrouw, standvastig en waarachtig zijn, niet de laatsten zullen zijn die het evangelie van vrede aan onze ondankbare kerken aanbieden? Het kan zijn dat de verdervers reeds onder de hand van Satan worden toegerust en slechts wachten op het heengaan van nog enkele vaandeldragers om hun plaatsen in te nemen en met de stem van de valse profeet te roepen: ‘Vrede, vrede,’ terwijl de Heere geen vrede gesproken heeft. Ik ween zelden, maar nu merk ik dat mijn ogen door tranen verduisterd zijn; zij vallen op mijn papier terwijl ik schrijf. Het kan zijn dat weldra alle profetieën onder ons ten einde zullen zijn, en dat de stem die het volk heeft bewogen hun vleselijke sluimeringen niet langer zal verstoren.”

“When God shall work His strange work on the earth, when holy hands bear the ark no longer, woe will be upon the people. Oh, that thou hadst known, even thou, in this thy day, the things that belong unto thy peace! Oh, that our people may, as did Nineveh, repent with all their might and believe with all their heart, that God may turn away His fierce anger from them.” Testimonies, volume 5, 77.

„Wanneer God Zijn vreemde werk op de aarde zal verrichten, wanneer heilige handen de ark niet langer dragen, zal wee over het volk komen. Och, dat gij, ook gij, op deze uw dag, de dingen had gekend die tot uw vrede dienen! Och, dat ons volk, evenals Ninevé, zich met al zijn kracht mag bekeren en met heel zijn hart geloven, opdat God Zijn brandende toorn van hen afwende.” Testimonies, deel 5, 77.

“If you indulge stubbornness of heart, and through pride and self-righteousness do not confess your faults, you will be left subject to Satan’s temptations. If when the Lord reveals your errors you do not repent or make confession, his providence will bring you over the ground again and again. You will be left to make mistakes of a similar character, you will continue to lack wisdom, and will call sin righteousness, and righteousness sin. The multitude of deceptions that will prevail in these last days will encircle you, and you will change leaders, and not know that you have done so.” Review and Herald, December 16, 1890.

„Indien u hardnekkigheid van hart koestert, en door trots en zelfgerechtigheid uw fouten niet belijdt, zult u worden overgelaten aan Satans verzoekingen. Indien u, wanneer de Heere uw dwalingen openbaart, geen berouw hebt en geen belijdenis doet, zal Zijn voorzienigheid u telkens opnieuw over dezelfde grond voeren. U zult worden overgelaten om fouten van gelijke aard te maken, u zult wijsheid blijven ontberen en de zonde gerechtigheid noemen, en de gerechtigheid zonde. De menigte misleidingen die in deze laatste dagen de overhand zal hebben, zal u omsingelen, en u zult van leidsman veranderen zonder te weten dat u dit hebt gedaan.” Review and Herald, 16 december 1890.