Ik heb vele zaken in de voorgaande artikelen opgenomen, in een poging aan het begin enkele fundamentele oriëntatiepunten aan te reiken. Nu zal ik trachten mij meer op het onderwerp zelf te concentreren. Dank u voor uw geduld.
Vanaf het allereerste begin heeft God ernaar gestreefd ons begrip van wie en wat Hij is, te vergroten. In dat werk heeft Hij verschillende middelen aangewend om de mensen te helpen begrijpen wat van Hem is geopenbaard, en een van die middelen is Zijn gebruik van „namen”, zowel de vele namen die God in de Schriften worden gegeven, alsook de namen die aan Zijn uitverkoren vertegenwoordigers worden gegeven. Hij kiest vertegenwoordigers van het kwaad en van het goede.
Hij heeft ook de bedelingsveranderingen van Zijn uitverkoren verbondsvolk gebruikt om het begrip van Zijn karakter gaandeweg in de loop van de geschiedenis te vergroten. Daarom spreken ook de geschiedenissen van bedelingsveranderingen binnen het verbond op velerlei wijzen van de vergroting van de waarheid omtrent Zijn karakter en natuur.
Als wij Openbaring hoofdstuk één benaderen als een inleiding en een sleutel tot de volgende hoofdstukken, vinden wij in het beginhoofdstuk bepaalde waarheden die hun uitwerking hebben op de rest van het boek. Een van die waarheden houdt verband met wie Jezus Christus is, en niet eenvoudigweg met het feit dat Hij de Alfa en de Omega is. Indien een waarheid in hoofdstuk één van Openbaring wordt uiteengezet, dan is zij zeer zeker een beproevende tegenwoordige waarheid voor de laatste generatie, waarbij de laatste generatie de „uitverkoren generatie” is die door Petrus wordt aangeduid.
Een van de eigenschappen van het karakter van Christus die wij hebben onderzocht, is dat Christus het begin vanuit het einde identificeert. De tijd waarin Christus het verbond met velen voor één week bevestigde, vertegenwoordigt een verbondsbedelingmatige verandering van het letterlijke naar het geestelijke Israël. De bedelingsveranderingen die in de Schriften worden aangeduid, en die alle spreken van de toename van kennis aangaande het karakter en het wezen van Christus, waren Abram, Izak, Jakob, Jozef, Mozes, Christus, William Miller en de honderdvierenveertigduizend. Er is nog een andere lijn van bedelingsveranderingen die over die lijn heen ligt, en die zeven bedelingen van Gods kerk aanduidt, voorgesteld door de zeven gemeenten van Openbaring twee en drie, maar die zullen wij nog niet behandelen. Er was een bedelingsverandering bij Adam en Eva, weergegeven door de toestand vóór hun val en na hun val, en uiteraard een verandering van bedelingen van vóór de zondvloed naar na de zondvloed in de tijd van Noach. Al deze lijnen dragen bij aan het licht waarmee wij ons bezighouden, maar wij richten ons nu op het uitverkoren volk.
Toen Christus aan het begin van de verbondsweek Zijn bediening aanving, werd Hij gedoopt.
En Jezus, nadat Hij gedoopt was, steeg terstond op uit het water; en zie, de hemelen werden voor Hem geopend, en Hij zag de Geest Gods nederdalen als een duif en op Hem neerkomen; en zie, een stem uit de hemelen zei: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik welbehagen heb. Mattheüs 3:16, 17.
De allereerste woorden van God, toen Jezus oprees uit het water en daarmee de verbondsweek begon, waren de verkondiging door de Vader dat Jezus de Zoon van God was. Als wij de „regel van de eerste vermelding” begrijpen, is dat gegeven van grote kracht. Als wij die niet begrijpen, veel minder.
In den beginne schiep God de hemel en de aarde. En de aarde was woest en ledig, en duisternis lag op de vloed; en de Geest Gods zweefde over de wateren. Genesis 1:1, 2.
Zoals in Genesis worden in de zalvingsceremonie drie Personen van de Godheid aangeduid.
De waarheid dat Jezus de Zoon van God, de Zoon van David en de Zoon des mensen was, bracht de schriftgeleerden en farizeeën gedurende de daaropvolgende drie en een half jaar herhaaldelijk in beroering. Jezus veranderde profetisch bij Zijn doop van Jezus in Jezus Christus. Toen Jezus werd gedoopt, werd Hij de „Christus”, wat „gezalfde” betekent en in het Hebreeuws het woord „Messias” is. En uiteraard verwachtten de Hebreeën een Messias, en zij wisten dat hij de Zoon van David zou zijn. Toen Hij werd „gezalfd” om de allerheiligste drie en een half jaar van de geschiedenis der aarde te beginnen, zag Hij de Heilige Geest neerdalen en hoorde Hij Zijn Vader spreken.
Het was een zeer diepgaande zalvingsplechtigheid, waarin de boodschap die over Hem en Zijn werk werd verkondigd, luidde dat: „Hij de Zoon van God was”. Nog verontrustender voor de Joden was niet alleen dat Hij de Zoon van God was, maar dat Hij beweerde dat Hij, als de Zoon van God — in werkelijkheid God was. De Joden konden niet berusten in wat zij opvatten als een zó godslasterlijke aanspraak! Het dilemma voor de Joden is het dilemma van Abraham — want Abraham was de vader van de Joden, de vader van het verbond en tevens het symbool van het geloof dat vereist is om zich te houden aan de voorwaarden van het verbond.
Abrahams illustratie van het geloof dat noodzakelijk is om een verbondsrelatie met God binnen te gaan, vereist dat uw geloof beproefd wordt. Abrahams beproeving, die zou aantonen of zijn geloof werkelijk was of dat zijn vermetelheid berustte op de vraag of hij Gods woord zou volgen — zelfs wanneer het scheen in tegenspraak te zijn met Gods eerdere woord. Abraham wist dat mensenoffers moord waren en dat zij de afgodische praktijken vertegenwoordigden van de afgodische volken te midden waarvan hij toen leefde. De schriftgeleerden en farizeeën wisten vanaf het begin van hun verbondsgeschiedenis dat God slechts één God was, en zij wisten ook dat Jezus beweerde een tweede God te zijn. Zij werden onderworpen aan hun laatste beproeving.
Hoor, o Israël: de Heere, onze God, is één Heere. Deuteronomium 6:4.
In de geschiedenis waarin Mozes het voorgaande vers optekende, had God Mozes reeds gezegd dat Hij van dat moment af aan bekend zou staan als Jehovah. Hij zou niet langer slechts de Heere God, de Almachtige, zijn, maar van dat moment af zou Hij bekend zijn als Jehovah. Juist in de geschiedenis waarin Hij het verstaan van Zijn karakter, zoals weergegeven door Zijn namen, verder vergroot, deelt Hij het oude Israël ook nadrukkelijk mee dat God één God is. Wat moesten de Joden uit de dagen van Christus hiervan denken?
Later in Zijn bediening, toen deze haar hoogtepunt bereikte in de Triomfantelijke Intocht in Jeruzalem, zijn de Joden opnieuw met stomheid geslagen dat Jezus de kinderen toestaat Zijn lof te zingen.
En de scharen die vooropgingen en die volgden, riepen uit, zeggende: Hosanna de Zoon van David! Gezegend Hij die komt in de naam des Heeren; Hosanna in de hoogste hemelen. Mattheüs 21:9.
De zangtekst van het lied dat de Farizeeën tot razernij bracht, was het gedeelte dat Jezus aanwees als de Zoon van David en tevens duidelijk maakte dat de Zoon van David de naam van de Heer was. Aan het begin van Zijn bediening, bij de triomfantelijke intocht en uiteraard bij het kruis, omvat de controverse ook de opwinding over Jezus’ naam.
Toen zeiden de overpriesters der Joden tot Pilatus: Schrijf niet: De Koning der Joden; maar dat Hij gezegd heeft: Ik ben de Koning der Joden. Johannes 19:21.
Natuurlijk zou het in wezen juist zijn geweest als Pilatus het opschrift had veranderd in: „Ik ben, de Koning der Joden”, want „Ik ben” was de naam die Jezus herhaaldelijk op Zichzelf toepaste. Natuurlijk is het iets wat mensen nooit zouden doen om die gebrekkige logica toe te passen teneinde Gods Woord te veranderen, vooral wanneer het om het verhaal van het kruis gaat, nietwaar? Jezus was de „Koning der Joden”, maar Hij was ook „Ik ben”, zodat de uitspraak „Ik ben, de Koning der Joden” in zekere zin juist is, maar dit is niet het punt.
Vanaf het begin, door het midden heen en tot aan het einde van de drieënhalf jaar was Zijn naam een punt van beroering. Er zijn vele zaken te verstaan omtrent de lijn van verbondsnamen, maar hier wil ik aantonen dat er aan het einde van het oude Israël, in de Joodse kerk, een schudding plaatsvond die verband hield met de naam van Christus. Als de Zoon van David bezat Hij de geloofsbrieven om de Messias te zijn; als de Zoon van God (in de zin dat Hij ook God was) en als de Zoon des mensen stelde Jezus het uitverkoren volk voor een geweldige beproeving. Hoe kon deze man beweren God te zijn en tevens Gods Zoon, wanneer Mozes aan het begin van hun verbondsgeschiedenis zo uitdrukkelijk was geweest dat God één God is?
Toch was dat het doel van Christus’ wandel onder de mensen. God was in Hem de mensen met Zichzelf verzoenende, en Hij deed dit door de mensen Jezus te laten zien, Die duidelijk en rechtstreeks leerde dat, als u Hem hebt gezien, u de Vader hebt gezien. Deze geschiedenis vertegenwoordigt het einde van het letterlijke Israël als Gods uitverkoren volk, en aan het begin was er een strijd afgetekend over wie en wat God is.
En Farao zei: Wie is de HEERE, dat ik Zijn stem zou gehoorzamen om Israël te laten gaan? Ik ken de HEERE niet, en ik zal Israël ook niet laten gaan. Exodus 5:2.
Farao geeft niet alleen uitdrukking aan het symbool van atheïstisch verzet tegen de kennis van God, maar verwoordt ook het Egyptische begrip aangaande de God van Abraham. En herhaaldelijk heeft de Heere gezegd dat Zijn wonderbaarlijke daden in Egypte bedoeld waren om de mensheid te doen weten wie Hij is. De geschiedenis van het begin van het letterlijke Israël als Gods uitverkoren volk is een type van het einde.
In beide geschiedenissen is er een gebrek aan inzicht in wie en wat God is, hetgeen samenhangt met Zijn verschillende namen; maar nog belangrijker voor onze beschouwing is dat de geschiedenis van Christus bij het einde van Israël als het uitverkoren volk laat zien dat een voornaamste reden waarom de Joden struikelden over de aanvaarding van hun Messias, gelegen was in het feit dat zij wisten dat Gods Woord aan het begin van hun verbondsgeschiedenis had vastgesteld dat Hij één God was. Wat een dilemma!
En daarna durfden zij Hem in het geheel geen vraag meer te stellen. En Hij zei tot hen: Hoe zeggen zij dat de Christus Davids Zoon is? En David zelf zegt in het boek der Psalmen: De Heere heeft tot mijn Heere gezegd: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden tot een voetbank voor Uw voeten gemaakt zal hebben. David noemt Hem dan Heere; hoe is Hij dan zijn Zoon? Lukas 20:40–44.
Dit is de laatste periode van vragen en antwoorden voor de Joden, want na die woordenwisseling “durst not ask Him any question at all.” Hij had zojuist de laatste vraag van zijn bediening ten behoeve van het verloren huis beantwoord (en in het profetische narratief is er altijd een verloren huis), en vervolgens stelt Hij de kwestie aan de orde van zijn naam als “de Zoon van David”, en daarom als de Messias. Gedurende de gehele drie en een half jaar omvat de controverse zijn verschillende namen, die zijn karakter en natuur vertegenwoordigen. Zijn naam komt aan de orde aan het begin, bij zijn doop, en vervolgens in zijn laatste omgang met het verloren huis bij de triomfantelijke intocht en aan het kruis, naast andere gedeelten in de evangeliën.
De Farizeeën hadden zich dicht om Jezus heen verzameld terwijl Hij de vraag van de schriftgeleerde beantwoordde. Toen wendde Hij Zich tot hen en stelde hun een vraag: ‘Wat denkt gij van de Christus? Wiens Zoon is Hij?’ Deze vraag was bedoeld om hun geloof aangaande de Messias te toetsen,—om te doen uitkomen of zij Hem eenvoudig als een mens beschouwden, dan wel als de Zoon van God. Eenstemmig luidde het antwoord: ‘De Zoon van David.’ Dit was de titel die de profetie aan de Messias had gegeven. Toen Jezus Zijn goddelijkheid openbaarde door Zijn machtige wonderen, toen Hij de zieken genas en de doden opwekte, hadden de mensen onder elkaar gevraagd: ‘Is Dit niet de Zoon van David?’ De Syro-Fenicische vrouw, de blinde Bartimeüs en vele anderen hadden Hem om hulp toegeroepen: ‘Ontferm U over mij, Heere, Gij Zoon van David.’ Mattheüs 15:22. Toen Hij Jeruzalem binnenreed, was Hij begroet met de blijde uitroep: ‘Hosanna, de Zoon van David! Gezegend is Hij Die komt in de Naam des Heeren.’ Mattheüs 21:9. En de kleine kinderen in de tempel hadden die dag deze vreugdevolle lofprijzing herhaald. Maar velen die Jezus de Zoon van David noemden, erkenden Zijn goddelijkheid niet. Zij begrepen niet dat de Zoon van David ook de Zoon van God was.
“Als antwoord op de bewering dat Christus de Zoon van David was, zei Jezus: ‘Hoe noemt David Hem dan in de Geest [de Geest der Inspiratie van God] Here, wanneer hij zegt: De Here heeft tot mijn Here gezegd: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden zal leggen tot een voetbank Uwer voeten? Indien David Hem dan Here noemt, hoe is Hij dan zijn Zoon? En niemand kon Hem een woord antwoorden, en niemand durfde Hem van die dag af meer iets te vragen.’” The Desire of Ages, 609.
Zijn zalving als Messias en Zijn laatste omgang met hen die Hij was gekomen te redden, betroffen Zijn goddelijkheid, de symboliek van Zijn namen en natuurlijk de wet van de eerste vermelding. Jezus beëindigt Zijn rechtstreekse werk voor de Joden door de geschiedenis van de letterlijke David te gebruiken om over de geestelijke David te onderwijzen. Waarom zou David spreken over het ogenblik waarop de HEERE tot de Heere zegt dat Hij met Hem op de troon moet plaatsnemen? Omdat koning David aan het begin de geestelijke Koning David aan het einde vertegenwoordigt. De enige manier om Jezus’ laatste uitspraak tot het verloren huis juist te begrijpen, is in staat te zijn de wet van de eerste vermelding toe te passen, wat niet mogelijk is als men die wet niet kent.
Zijn laatste uitspraak tot het verloren huis vereiste begrip van de wet van de eerste vermelding om verstaan te kunnen worden. Jezus gebruikte David en Davids Zoon om de waarheid in Zijn laatste uitspraak aan het verloren huis voor te stellen. Zij waren immers het huis van David geweest. Jezus nam daarom de vader (David) en richtte dit op de (Zoon van David), en Hij nam ook de zoon (van David) en richtte hem op zijn vader (David). Hij keerde het hart van de vader tot het kind, zoals van de boodschap van Elia geprofeteerd is dat zij dit zal doen in de “laatste dagen”. Dat was Zijn laatste boodschap aan het oude letterlijke Israël, en het was een Elia-boodschap, want zij was gegrond op de wet van de eerste vermelding. De wet van de eerste vermelding bevestigt daarom ook Jezus’ boodschap als een Elia-boodschap, gegrond op diezelfde wet. De wet van de eerste vermelding vereist dat, indien de Elia-boodschap van Johannes de Doper de eerste was van de laatste waarschuwingsboodschap aan het verloren huis van Israël, de laatste boodschap die hun gegeven werd eveneens de Elia-boodschap zou zijn. En zo was het…
Dit alles gezegd hebbende, wil ik nu daaruit een punt afleiden dat gegrond is op de regel van de eerste vermelding—de Alpha en Omega. Er bestond een controverse over het begrip van wie en wat God is aan het begin van het oude Israël, die dezelfde controverse voorafschaduwde aan het einde van het oude Israël. Aan het einde van het oude Israël omvatte het werk van Christus het onderwijzen van het verloren huis van Israël in wie en wat God is. In de geschiedenis van het einde was er een verzet tegen Christus dat berustte op een oorspronkelijke waarheid die aan het begin was vastgesteld. Het moderne geestelijke Israël zal in zijn geschiedenis dezelfde profetische kenmerken bezitten.
Aan het begin van het adventisme delen de geschiedschrijvers ons mee dat de Millerieten hoofdzakelijk bestonden uit twee christelijke denominaties: de methodisten en de Christian Connection. De voornaamste overtuigingen van het methodisme waren gebaseerd op het leiden van de juiste christelijke levenswandel. Zij hadden de „methode”. De voornaamste overtuiging van de Christian Connection zou kunnen worden samengevat als een verzet tegen de katholieke leer van de drie-eenheid.
Voor zover mijn onderzoek reikt, hing vrijwel de gehele leiding van de Millerieten die leer van de Christian Connection aan. Er zijn vele vertakkingen van de Zevendedags Adventistische Hervormingsbeweging (SDARM) die nog steeds vasthouden aan en de oorspronkelijke Milleritische opvatting van „anti-trinitarisme” uitdragen. Een dilemma (en huidige bron van controverse) voor hen die vasthouden aan het inzicht van de pioniers is en zal altijd zijn: hoe te reageren op de vele en uiteenlopende passages waarin Zuster White zich rechtstreeks keert tegen de leerstellige positie waaraan zij vasthouden en die zij uitdragen?
„Mij is opgedragen te zeggen: De opvattingen van hen die op zoek zijn naar vergevorderde wetenschappelijke denkbeelden, zijn niet te vertrouwen. Voorstellingen als de volgende worden gegeven: ‘De Vader is als het onzichtbare licht; de Zoon is als het belichaamde licht; de Geest is het licht dat zich verbreidt.’ ‘De Vader is als de dauw, onzichtbare damp; de Zoon is als de dauw, verzameld in schone vorm; de Geest is als de dauw, neergevallen op de zetel van het leven.’ Een andere voorstelling luidt: ‘De Vader is als de onzichtbare damp; de Zoon is als de loden wolk; de Geest is regen, gevallen en werkend in verkwikkende kracht.’”
„Al deze spiritualistische voorstellingen zijn eenvoudigweg nietsheid. Zij zijn onvolmaakt, onwaar. Zij verzwakken en verkleinen de Majesteit waarmee geen enkele aardse gelijkenis vergeleken kan worden. God kan niet vergeleken worden met de dingen die Zijn handen hebben gemaakt. Dit zijn louter aardse dingen, lijdende onder de vloek van God vanwege de zonden van de mens. De Vader kan niet beschreven worden door de dingen van de aarde. De Vader is al de volheid van de Godheid lichamelijk, en is onzichtbaar voor het sterfelijk oog.״
“De Zoon is de gehele volheid van de Godheid geopenbaard. Het Woord van God verklaart Hem te zijn ‘het uitgedrukte beeld van Zijn persoon’. ‘Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe.’ Hier wordt de persoonlijkheid van de Vader getoond.
„De Trooster, die Christus beloofde te zenden nadat Hij naar de hemel was opgevaren, is de Geest in al de volheid van de Godheid, die de kracht van de goddelijke genade openbaart aan allen die Christus als een persoonlijke Heiland aannemen en in Hem geloven. Er zijn drie levende Personen van het hemelse drietal; in de naam van deze drie grote machten — de Vader, de Zoon en de Heilige Geest — worden zij die Christus door een levend geloof aannemen, gedoopt, en deze machten zullen samenwerken met de gehoorzame onderdanen van de hemel in hun pogingen om het nieuwe leven in Christus te leven.” Special Testimonies, Series B, number 7, 62, 63.
De passage duidt de „opvattingen van hen” aan die de Vader, de Zoon en de Geest omschreven met „aardse dingen”. Vervolgens zegt zij: „De Vader kan niet worden beschreven door de dingen der aarde.” Let op twee punten die zij naar voren brengt, al zou het ene als een tegenspraak kunnen klinken. Zij wijst op een valse beschrijving van de Godheid die, om zo te zeggen, drie goden onderscheidt. Het is een valse beschrijving van de Godheid, maar zij maakt geen enkele opmerking over het feit dat de onjuiste definitie van de Godheid ook onjuist is omdat zij uitgaat van een verkeerd aantal goden in de Godheid.
Merk ook op dat zij zegt dat de dingen van de aarde niet gebruikt kunnen worden om de Vader te beschrijven. In diezelfde uitspraak gebruikt zij zelf de dingen van de aarde. Het zijn immers mensen die kinderen en moeders en vaders en tantes en neven en nichten hebben. En Jezus zegt ons dat er op de nieuwe aarde in de hemel geen huwelijk meer zal zijn, want wij zullen zijn als de engelen. Er zijn geen mannelijke en vrouwelijke engelen. De termen die door mensen worden gebruikt om hun onderlinge betrekkingen te definiëren, zijn door God aangewend om ons te onderrichten aangaande Zijn natuur en karakter, maar zelfs „de dingen van de aarde” die de inspiratie heeft gebruikt om mensen te onderrichten over Gods karakter en natuur, zijn onvolmaakt.
Ons is meegedeeld dat „er drie levende personen van het hemelse trio zijn” … „de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.” Het is een gruwel om aardse spiritistische gevoelens aan deze drie personen te hechten, maar het is geen gruwel om „de naam van deze drie grote machten” te verbinden aan de bijbelse omschrijving van de Godheid.
De profetes zegt dat „de naam” van de drie grote machten die de Godheid vormen, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest is. Zoals bij elke bijbelse waarheid geldt: wanneer zij regel op regel wordt samengebracht, moet het volledige getuigenis bestaan uit elke wegmarkering die is geopenbaard. De getuigenissen van de profeten moeten worden samengevoegd. Daniël geeft aan Christus de naam Palmoni (naast andere namen, maar dit is slechts een voorbeeld). Johannes noemt Hem de Alfa en de Omega en Mozes noemt Hem Jehovah. Volgens Ellen White is Zijn naam de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.
„Satan tracht er voortdurend naar het onechte naar voren te schuiven—om van de waarheid af te leiden. De allerlaatste misleiding van Satan zal zijn het getuigenis van de Geest van God krachteloos te maken. ‘Waar geen openbaring is, verwildert het volk’ (Spreuken 29:18). Satan zal op ingenieuze wijze werken, op verschillende manieren en door middel van verschillende instrumenten, om het vertrouwen van Gods overblijfsel in het ware getuigenis te ondermijnen.
„Er zal een haat tegen de Getuigenissen worden aangewakkerd die satanisch is. Het streven van Satan zal erop gericht zijn het geloof van de gemeenten daarin aan het wankelen te brengen, en wel om deze reden: Satan kan niet zo vrij baan hebben om zijn misleidingen in te voeren en zielen in zijn begoochelingen te binden, wanneer de waarschuwingen, bestraffingen en raadgevingen van de Geest van God ter harte worden genomen.” Selected Messages, boek 1, 48.
Een kort terzijde bij deze passage. Johannes is naar Patmos verbannen omwille van het Woord van God en het getuigenis van Jezus. Er zijn twee doelgroepen voor de boodschap van de derde engel: zij die buiten het adventisme staan en zij die binnen het adventisme zijn. Johannes vertegenwoordigt een adventist die niet alleen door de wereld wordt vervolgd vanwege zijn gehoorzaamheid aan de Bijbel, maar ook wordt vervolgd vanwege zijn gehoorzaamheid aan de geschriften van de Geest der Profetie. De vervolging die tegen de Geest der Profetie wordt gericht, komt van binnenuit, niet van buitenaf.
Aan het begin van het oude Israël, na vierhonderd jaar in Egypte, hielden degenen die het uitverkoren verbondsvolk moesten zijn de sabbat niet langer. Zij kenden het karakter of de natuur van Christus niet. Zij hingen misvattingen over God aan die zij hun tijdens de gevangenschap hadden ingeprent. De tien plagen; de verlossing door de Rode Zee; het hemelse manna; het heiligdom en al zijn toebehoren; de heilige plechtigheden; de voorhof, het Heilige en het Allerheiligste; de wet van God; de Rots die hen volgde; het water dat voortkwam uit de Rots die hen volgde en zelfs de slang op de paal waren alle bedoeld om de kennis van God in Zijn uitverkoren volk te vermeerderen. Het was een voortschrijdende opvoeding. Die voortschrijdende opvoeding ging door totdat de schriftgeleerden „Hem geen vragen meer durfden te stellen”, en Hij vervolgens juist het allerlaatste onderwerp aanwees dat zij in een open gesprek met Hem zouden hebben, en dat had betrekking op de naam van David en op wie en wat Christus is.
Aan het begin van het moderne geestelijke Israël, na 1260 jaar in geestelijk Babylon, hielden zij die het uitverkoren verbondsvolk moesten zijn de sabbat niet langer. Zij kenden het karakter of de natuur van Christus niet. Zij hielden vast aan misvattingen over God die zij tijdens hun gevangenschap hadden ingeprent gekregen. De geschiedenis van het adventisme, met al zijn wegmarkeringen, afval, compromissen en innerlijke worstelingen, bereikte in de jaren 1880 een punt waarop The Desire of Ages werd gepubliceerd. In dat boek, op bladzijde 671, ligt een begrip van de Godheid besloten dat zich ver voorbij het begrip heeft ontwikkeld dat uit de achttiende eeuw afkomstig was.
Het oude Israël had aan het einde van zijn geschiedenis een controverse, veroorzaakt door een beperkte opvatting van de Godheid, die was gebaseerd op een begrip uit zijn vroegste geschiedenis. Het getuigenis van Jezus zegt dat, hetzij de Vader, de Zoon of de Heilige Geest, zij allen “de volheid der Godheid lichamelijk” zijn (Kolossenzen 2:9). Het bijbelse getuigenis zegt: “Hoor, Israël: de HEERE, onze God, is een enig HEERE” (Deuteronomium 6:4).
Het moderne Israël huldigt uiteenlopende opvattingen over de Godheid, en slechts één daarvan is juist. Aan het einde van het moderne Israël zal God het werk voltooien van de openbaring van Zijn karakter, en wel door dit te doen terwijl de genadetijd nog voortduurt. Dat is wat Hij voor de Joden heeft gedaan, en Hij verandert nooit. Het is zeker dat wij gedurende de hele eeuwigheid zullen blijven groeien in ons begrip van Gods natuur en karakter, maar er is een doelgerichte profetische lijn van de waarheid geweest die Gods pogingen laat zien om Zijn volk over Zichzelf te onderwijzen, en die geschiedenis maakt deel uit van het onderwijs dat Hij nu tracht te geven, en de informatie die in het profetische woord wordt gevonden aangaande dat onderwijzende proces markeert een einde van de discussie dat overeenkomt met het sluiten van de genadetijd.
„Christus is de pre-existente, in Zichzelf bestaande Zoon van God…. Wanneer Christus spreekt over Zijn pre-existentie, voert Hij de gedachten terug door tijdloze eeuwen. Hij verzekert ons ervan dat er nooit een tijd is geweest waarin Hij niet in nauwe gemeenschap met de eeuwige God verkeerde. Hij naar wiens stem de Joden toen luisterden, was bij God geweest als Een die bij Hem was grootgebracht.” Signs of the Times, 29 augustus 1900.
„Hij was gelijk aan God, oneindig en almachtig…. Hij is de eeuwige, uit Zichzelf bestaande Zoon.
“Hoewel Gods Woord spreekt over de menselijkheid van Christus toen Hij op deze aarde was, spreekt het ook met nadruk over Zijn pre-existentie. Het Woord bestond als een goddelijk Wezen, evenals de eeuwige Zoon van God, in vereniging en eenheid met Zijn Vader. Van eeuwigheid af was Hij de Middelaar van het verbond, Degene in wie alle volken der aarde, zowel Joden als heidenen, indien zij Hem aannamen, gezegend zouden worden. ‘Het Woord was bij God, en het Woord was God.’ Voordat mensen of engelen werden geschapen, was het Woord bij God, en was God.” Review and Herald, 5 april 1906.
In de passage citeert zij uit Johannes’ allereerste woorden.
In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God. Dit was in den beginne bij God. Alle dingen zijn door Hetzelve gemaakt, en zonder Hetzelve is geen ding gemaakt dat gemaakt is. Johannes 1:1–3.
In den beginne waren er ten minste twee Goden, want Johannes zei zojuist: „Het Woord was God en was bij God.” In het eerste vers van Genesis wordt het Hebreeuwse woord „Elohim” vertaald als God. Dikwijls wordt „Elohim” in Gods Woord in een grammaticale constructie geplaatst om één enkele God aan te duiden, maar het is niettemin meervoudig. Johannes neemt de overweging weg dat „Elohim” in dat vers een enkelvoudige God zou zijn door zijn tweede getuigenis over dit onderwerp. Zijn getuigenis bevestigt ten minste twee Goden.
Nog verontrustender voor anti-trinitariërs die belijden de Geest der Profetie te handhaven, is dat in het begin „de Geest Gods zweefde over de wateren.” Is de „Geest” die over de wateren zweefde de Vader of de Zoon, of was het de derde persoon van het hemelse drietal, zoals Zuster White naar Hem verwijst? Op de eerste drie verzen van Johannes in zijn Evangelie volgen deze woorden.
In Hem was het leven, en het leven was het licht der mensen. En het licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft het niet begrepen. Johannes 1:4, 5.
De verwijzing naar licht en duisternis is volledig in overeenstemming met het begin van Genesis, waar staat.
En God zei: Er zij licht; en er was licht. En God zag het licht, dat het goed was; en God maakte scheiding tussen het licht en de duisternis. Genesis 1:3, 4.
Wij zullen weldra terugkeren naar deze twee parallelle passages over het licht, dat het onderwerp is in het scheppingsverhaal dat volgt op de inleiding van de Godheid. In het begin is de eerste waarheid die aan de orde komt de samenstelling of de natuur van de Godheid. Maar de passage eindigt niet vóór hoofdstuk twee, vers drie, waar wij zien dat de laatste drie woorden in de schepping beginnen met de drie Hebreeuwse letters die samen het woord vormen dat als „waarheid” wordt vertaald.
Het begin van het scheppingsverhaal introduceert de Godheid, stelt vervolgens de scheppende kracht van Zijn woord voor, en besluit daarna de passage met een goddelijke handtekening die de waarheid, de boodschap van de derde engel en de naam van God vertegenwoordigt, zoals voorgesteld door Alpha en Omega.
En op de zevende dag voltooide God Zijn werk dat Hij gemaakt had; en Hij rustte op de zevende dag van al Zijn werk dat Hij gemaakt had. En God zegende de zevende dag en heiligde die; omdat Hij daarop gerust had van al Zijn werk dat God geschapen en gemaakt had. Genesis 2:2, 3.
Het einde van de eerste waarheden die in Gods Woord worden onderwezen, vormt het hoogtepunt van de passage. Zij eindigt met de drie woorden „God”, „schiep” en „maakte”, waarmee het begin van de passage wordt benadrukt, maar evenzeer de sabbat van de zevende dag. De sabbat is uiteraard het symbool van de schepping en het teken tussen God en Zijn uitverkoren volk. „Waarheid” wordt weergegeven in de drie letters waarmee elk van die laatste drie woorden van de schepping begint. De getuigenis beklemtoont hoe betekenisvol en belangrijk de sabbatswaarheid is, maar even diepzinnig is het dat die drie letters ook de drie stappen van de boodschappen van de eerste, tweede en derde engel vertegenwoordigen. Zo wordt in de allereerste passage van de Bijbel de sabbat, als het teken van Gods scheppende macht, tevens aangewezen als de toetssteen aan het einde der tijd. Het laatste boek van de Bijbel verschaft een derde getuige ter ondersteuning van Johannes’ getuigenis in zijn evangelie.
Johannes aan de zeven gemeenten die in Asia zijn: genade zij u en vrede van Hem Die is, en Die was, en Die komt; en van de zeven Geesten die vóór Zijn troon zijn; en van Jezus Christus, Die de getrouwe Getuige is, de Eerstgeborene uit de doden en de Overste van de koningen der aarde. Hem, Die ons heeft liefgehad en ons van onze zonden gewassen heeft in Zijn eigen bloed, en Die ons gemaakt heeft tot koningen en priesters voor God en Zijn Vader—toe zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen. Zie, Hij komt met de wolken, en elk oog zal Hem zien, ook zij die Hem doorstoken hebben; en alle geslachten der aarde zullen over Hem weeklagen. Ja, amen. Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde, zegt de Heere, Die is, en Die was, en Die komt, de Almachtige.
Ik, Johannes, die ook uw broeder ben en deelgenoot in de verdrukking, en in het koninkrijk en de volharding van Jezus Christus, was op het eiland genaamd Patmos, om het woord van God en om het getuigenis van Jezus Christus. Ik was in de Geest op de dag des Heeren, en ik hoorde achter mij een luide stem, als van een bazuin, die zei: Ik ben de Alfa en de Omega, de Eerste en de Laatste; en: Wat gij ziet, schrijf dat in een boek en zend het aan de zeven gemeenten die in Asia zijn: naar Efeze, en naar Smyrna, en naar Pergamus, en naar Thyatira, en naar Sardis, en naar Filadelfia, en naar Laodicea. Openbaring 1:4–11.
De eerste drie verzen van Openbaring hoofdstuk één identificeren de laatste waarschuwingsboodschap en hoe die boodschap van God aan de mensheid wordt overgebracht. Er wordt ook verklaard dat het de Openbaring van Jezus Christus is, waarmee een onderscheid wordt gemarkeerd tussen het boek Openbaring en het boek Daniël. Het ene is een profetie, het andere een openbaring.
“In de Openbaring komen alle boeken van de Bijbel samen en vinden zij hun voltooiing. Hier is de aanvulling op het boek Daniël. Het ene is een profetie; het andere een openbaring. Het boek dat verzegeld was, is niet de Openbaring, maar dat gedeelte van de profetie van Daniël dat betrekking heeft op de laatste dagen. De engel gebood: ‘Maar gij, Daniël, sluit deze woorden toe en verzegel het boek, tot de tijd van het einde.’ Daniël 12:4.” Handelingen der Apostelen, 585.
In het boek Openbaring zijn er profetische lijnen die moeten worden onderkend en regel op regel samengebracht. Al die profetische lijnen eindigen in het boek Openbaring, maar het boek dat verzegeld was, was niet het boek Openbaring, en het was ook niet eenvoudigweg het boek Daniël dat verzegeld was, maar wat in het boek Daniël verzegeld was, was „dat gedeelte van de profetie van Daniël dat betrekking heeft op de laatste dagen.”
De „laatste dagen” kunnen in algemene zin worden begrepen, maar om ze te verstaan als geïnspireerde woorden, (wat zij zijn) moeten wij ook nagaan of de uitdrukking „laatste dagen” een profetische symboliek met zich meebrengt. De „laatste dagen” vormen een specifieke periode in de profetische geschiedenis, waarvoor vele ondersteunende lijnen bestaan. Ik hoop die geschiedenis in de nabije toekomst uiteen te zetten. Het is in het bijzonder de geschiedenis van 1798 tot aan het sluiten van de genadetijd. Een manier om dit te herkennen is dat er in de letterlijke heiligdomsdienst één dag van het jaar was die het oordeel vertegenwoordigde, en dat was de Grote Verzoendag. Die letterlijke ceremonie was een type van wat zuster White de antitypische Grote Verzoendag noemt. De profetische of geestelijke Grote Verzoendag vertegenwoordigt de „laatste dagen” van de genadetijd; zij vertegenwoordigt de periode van het laatste oordeel.
De profetie in Daniël die verzegeld was, was tweeledig. Er was een profetie met betrekking tot de laatste dagen die de Millerieten herkenden en die de opening van het oordeel aankondigde. Die passage in Daniël wordt voorgesteld door het visioen bij de rivier de Ulai in hoofdstukken acht en negen. De andere profetie die in Daniël verzegeld was, kondigt de afsluiting van het oordeel aan, en het einde van het adventisme, en het einde van de Verenigde Staten, en het einde van de wereld. Dat visioen werd voorgesteld door de rivier de Hiddekel.
„Het licht dat Daniël van God ontving, werd in het bijzonder voor deze laatste dagen gegeven. De gezichten die hij aanschouwde aan de oevers van de Ulai en de Hiddekel, de grote rivieren van Sinear, zijn thans bezig in vervulling te gaan, en alle voorzegde gebeurtenissen zullen spoedig plaatsvinden.” Testimonies to Ministers, 112, 113.
Het gezicht van de Ulai werd in 1798 ontzegeld en handelt over Gods heiligdom en Zijn volk. Het gezicht van de Hiddekel werd in 1989 ontzegeld, toen, zoals beschreven in Daniël elf, vers veertig, de landen die de voormalige Sovjet-Unie vertegenwoordigden, werden weggevaagd door het pausdom en de Verenigde Staten, en het handelt over de vijanden van Gods volk. De twee gezichten functioneren zoals de zeven gemeenten en de zeven zegels in het boek Openbaring. Het ene is de innerlijke geschiedenis van de kerk en het andere is de uiterlijke geschiedenis van de kerk, en beide bestrijken de gehele tijdsduur en zijn „in het bijzonder voor” „deze laatste dagen.”
Maar hoewel ons wordt gezegd dat het boek Openbaring niet het verzegelde boek is, wordt ons ook gezegd dat het een verzegeld boek is.
„Openbaring is een verzegeld boek, maar het is ook een geopend boek. Het beschrijft wonderbare gebeurtenissen die in de laatste dagen van de geschiedenis van deze aarde zullen plaatsvinden. De leringen van dit boek zijn duidelijk, niet mystiek en onbegrijpelijk. Daarin wordt dezelfde lijn van profetie opgenomen als in Daniël. Sommige profetieën heeft God herhaald en daarmee getoond dat daaraan gewicht moet worden toegekend. De Heer herhaalt geen dingen die niet van groot belang zijn.” Manuscript Releases, deel 9, 8.
Het boek Openbaring is ontzegeld omdat de profetieën in Daniël ontzegeld zijn, en juist de profetische lijnen die in Daniël zijn ontzegeld, zijn dezelfde lijnen die in Openbaring worden aangetroffen. Wat in het boek Openbaring verzegeld was, was een gedeelte van Openbaring dat in het bijzonder betrekking heeft op Gods volk in de „laatste dagen”. Toen zuster White deze uitspraak schreef, waren de „zeven donderslagen” ten tijde van haar schrijven nog verzegeld; daarom schreef zij dat „het een verzegeld boek is”. Zij zei ook dat het boek Daniël het „boek was dat verzegeld was”, in de verleden tijd. Voor haar was het in 1798 ontzegeld.
Wat in haar leven verzegeld was aangaande de zeven donderslagen, betrof niet slechts de toekomstige gebeurtenissen die door de zeven donderslagen worden voorgesteld, maar in de eerste plaats dat de “zeven donderslagen” aanduiden dat het begin van het adventisme parallel loopt met het einde van het adventisme. De “zeven donderslagen” openbaren de belangrijkste profetische regel die nodig is om de Openbaring van Jezus Christus te verstaan, terwijl zij tevens een eigenschap van Gods natuur en karakter openbaren, namelijk dat Hij het begin en het einde van alle dingen is. De profetie geeft te kennen dat er een doelbewuste ontwikkeling is van de waarheden die verbonden zijn met Gods natuur en karakter.
Jezus, wanneer Hij wordt voorgesteld als de „Leeuw uit de stam van Juda”, symboliseert het werk dat Hij volbrengt terwijl Hij de waarheid op een geleidelijke en systematische wijze door de geschiedenis heen openbaart. Hij verzegelt het profetische woord tot het tijdstip waarop het verstaan moet worden. Hij verzegelt en ontzegelt de waarheid met het oog op onderricht. Als Palmoni is Jezus de Wonderbare Tellenaar, de Meester van de tijd die Zijn-geschiedenis bestuurt. Als Alfa en Omega is Hij, onder andere, de Meester van de taal. Als de Leeuw uit de stam van Juda is Hij Degene die bepaalt wanneer de waarheid aan de mensen wordt geopenbaard.
In Openbaring, hoofdstuk één, wordt na de eerste drie verzen de Godheid voorgesteld als drie onderscheiden entiteiten.
Johannes aan de zeven gemeenten die in Asia zijn: genade zij u en vrede,
van Hem Die is, en Die was, en Die komt;
en van de zeven Geesten die vóór zijn troon zijn;
En van Jezus Christus, die de getrouwe Getuige is, de Eerstgeborene uit de doden, en de Vorst van de koningen der aarde. Openbaring 1:4, 5.
De inleiding van het laatste boek van de Bijbel zendt duidelijk een groet aan Gods gemeente, waarin de Vader, de Geest en de Zoon worden aangeduid. Het einde van Gods Woord herhaalt het begin en benadrukt daarmee het belang van het juiste begrip van de Godheid. Het doet dit ten behoeve van hen die Filadelfiërs zullen zijn en de honderdvierenveertigduizend zullen vormen. Zij zijn het laatste verbondsvolk, dat door de gehele linie van de verbondsgeschiedenis heen is voorafgebeeld. Die getuigenissen bevestigen, onder andere waarheden, dat God er gedurende de profetische geschiedenis stapsgewijs naar heeft gestreefd de kennis van Zijn natuur en karakter te vermeerderen.
Het grootste symbool in de Bijbel van het gebrek van de mens aan de kennis van God was Farao, die Egypte vertegenwoordigde, een symbool van de gehele wereld en daarom van de hele mensheid. Die wegmarkering begint het proces aan het begin van het letterlijke Israël, waar God ernaar streefde Zijn naam bekend te maken. Aan het einde van het letterlijke Israël werd de strijd over Gods naam herhaald. Aan het einde van het letterlijke Israël kenmerkte Jezus Zijn omgang met de Joden door de geschiedenis van David aan te wijzen en de „regel van de eerste vermelding” te gebruiken om de definitieve uitspraak over de Laodiceïsche blindheid van de Joden weer te geven. Zij konden niet begrijpen wat Hij zei, want zij kenden de regel van Alfa en Omega niet, en evenmin kenden zij de Alfa en Omega Die vóór hen stond.
Aan het begin van het geestelijke Israël vindt de voorafbeelding van de strijd, zoals die in de geschiedenis van Mozes is getypeerd, haar parallel. Terwijl het adventisme door de geschiedenis van „de laatste dagen” is voortgegaan, zijn vele gelegenheden geboden om meer van Alfa en Omega te verstaan, evenals het geval was met het oude Israël. Er zal aan het einde van het adventisme een punt komen waarop geen verdere vragen meer zullen worden gesteld, zoals dat ook het geval was in de dagen van Christus.
Wanneer wij terugkeren naar de passage in Openbaring hoofdstuk één, zien wij dat genade en vrede worden gezonden van Hem Die is, en Die was, en Die komt, en ook van de zeven Geesten en ook van Jezus. De Godheid wordt voorgesteld als Jezus, de zeven Geesten, en Hem Die is, en Die was, en Die komt, zodat wij kunnen weten dat het de Vader is Die de eigenschappen bezit die worden weergegeven als Hij Die is, was en komt. Deze eigenschappen vertegenwoordigen de eeuwige natuur van God. Hij heeft altijd bestaan, en in vers acht en negen wordt juist dat kenmerk duidelijk aan Jezus toegeschreven.
Ik ben de Alfa en de Omega, het begin en het einde, zegt de Heere, Die is en Die was en Die komt, de Almachtige. Ik, Johannes, die ook uw broeder ben en deelgenoot in de verdrukking en in het Koninkrijk en de volharding van Jezus Christus, was op het eiland dat Patmos genoemd wordt, om het woord van God en om het getuigenis van Jezus Christus. Ik was in de Geest op de dag des Heeren, en ik hoorde achter mij een luide stem, als van een bazuin, die zei: Ik ben de Alfa en de Omega, de Eerste en de Laatste; en: Wat gij ziet, schrijf dat in een boek en zend het aan de zeven gemeenten die in Asia zijn: aan Efeze, en aan Smyrna, en aan Pergamus, en aan Thyatira, en aan Sardis, en aan Filadelfia, en aan Laodicea. Openbaring 1:8–11.
Zij die een Bijbel hebben waarin de woorden van Jezus in rode letters zijn gedrukt, weten dat het in de verzen acht en elf Jezus is die spreekt. In die verzen geeft Jezus te kennen dat Hij dezelfde eeuwige natuur bezit als de Vader, wanneer Hij Zichzelf aanduidt als „de Heere, Die is, en Die was, en Die komen zal”, en Jezus voegt daaraan ook toe dat Hij „de Almachtige” is.
Het allereerste wat Jezus zegt aan het begin van het boek Openbaring, het boek dat verklaart dat het de Openbaring van Jezus Christus is, is dat Hij de Alfa en de Omega is, dat ook Hij eeuwig is zoals de Vader eeuwig is, en dat ook Hij de almachtige God is. De eigenschappen van Gods natuur zijn de allereerste woorden in het boek Openbaring uit de mond van Jezus. Die eigenschappen vormen rechtstreekse struikelblokken voor adventisten die nog steeds het oorspronkelijke standpunt over de Godheid verdedigen. Zij geloven dat er een tijd is geweest waarin de Vader Zijn Zoon heeft voortgebracht.
Het einde van het boek Openbaring stemt overeen met het begin van het boek Openbaring.
De wederkomst volgt op de beschrijving van de Godheid. In hoofdstuk tweeëntwintig zien wij dat het einde van het boek overeenstemt met het begin van het boek, en vers twaalf loopt parallel met vers zeven van hoofdstuk één doordat het naar de wederkomst verwijst.
En zie, Ik kom spoedig, en Mijn loon is bij Mij, om een ieder te vergelden naar zijn werk zal zijn. Ik ben de Alfa en de Omega, het begin en het einde, de eerste en de laatste. Zalig zijn zij die Zijn geboden doen, opdat zij recht mogen hebben op de boom des levens, en door de poorten mogen ingaan in de stad. Want buiten zijn de honden, en de tovenaars, en de hoereerders, en de moordenaars, en de afgodendienaars, en ieder die de leugen liefheeft en doet. Ik, Jezus, heb Mijn engel gezonden om u in de gemeenten van deze dingen te getuigen. Ik ben de Wortel en het Geslacht van David, de blinkende Morgenster. En de Geest en de bruid zeggen: Kom. En laat hij die het hoort, zeggen: Kom. En laat hij die dorst heeft, komen. En laat hij die wil, het water des levens nemen om niet. Openbaring 22:12–17.
Na te hebben verwezen naar de Tweede Komst, identificeert Jezus Zichzelf, evenals in Openbaring hoofdstuk één, als de Alfa en de Omega. Vervolgens voegt Hij het onderscheid toe tussen hen die zouden horen en hen die niet zouden horen wat de Geest tot de gemeenten zei. Hij verwijst naar het communicatieproces dat in de verzen één tot en met drie van hoofdstuk één wordt geïllustreerd, door aan te geven dat Hij Gabriël met de boodschap tot Johannes heeft gezonden.
Vervolgens keert Hij terug naar de laatste uitspraak die Hij aan het einde van het oude Israël tot de Schriftgeleerden en Farizeeën richtte. Hij verbindt beide einden van het letterlijke en het geestelijke Israël met elkaar, door in Openbaring voor hen in de „laatste dagen” te beantwoorden wat de Joden in hun „laatste dagen” niet konden begrijpen. Hij zegt dat Hij de wortel (het begin) en het nageslacht (het einde) van David is. Het onderwerp van David en zijn Heer was de laatste uitspraak die Jezus tot de redetwistende Joden richtte, en het is een voorafschaduwing van de einduitspraak voor hen die in de laatste dagen, overeenkomstig de boodschap aan de gemeente van Filadelfia, beweren Joden te zijn, maar het niet zijn.
Zie, Ik zal hen maken tot degenen uit de synagoge van de satan, die zeggen dat zij Joden zijn, en het niet zijn, maar liegen; zie, Ik zal hen doen komen en aanbidden aan uw voeten, en doen weten dat Ik u heb liefgehad. Omdat gij het woord van Mijn volharding hebt bewaard, zal ook Ik u bewaren voor het uur der verzoeking, dat over de gehele wereld komen zal om hen te beproeven die op de aarde wonen. Openbaring 3:9, 10.
Zij die aanbidden aan de voeten van de heiligen zijn Laodiceaanse adventisten die uit de mond van de Heer zijn uitgespuwd.
„U meent dat zij die zich nederbuigen aan de voeten van de heiligen (Openbaring 3:9), ten slotte gered zullen worden. Hier moet ik met u van mening verschillen; want God toonde mij dat deze klasse belijdende adventisten waren, die waren afgevallen en ‘voor zichzelf de Zoon van God opnieuw kruisigden en Hem openlijk te schande maakten.’ En in het ‘uur der verzoeking’, dat nog komen moet om ieders ware karakter aan het licht te brengen, zullen zij weten dat zij voor eeuwig verloren zijn; en, overweldigd door zielsangst, zullen zij zich nederbuigen aan de voeten van de heiligen.” Word to the Little Flock, 12.
Volgens de Bijbel en de Geest der Profetie zijn zij die aanbidden aan de voeten der heiligen, leden van de synagoge des satans. Zij beweren Joden te zijn, maar zij zijn het niet. De rechtvaardige Adventisten worden aangesproken in de gemeente van Filadelfia. De honderd vierenveertigduizend zijn Filadelfiërs, en de Joden die zeggen dat zij het zijn, maar het niet zijn, zijn Laodicenzen. Er zijn twee groepen getrouwe mensen in de „laatste dagen”, de honderd vierenveertigduizend en zij die martelaren zijn. Van de zeven gemeenten zijn er slechts twee die geheel zonder enige berisping zijn. De ene is Filadelfia, die hen vertegenwoordigt die nooit sterven, en de andere is Smyrna, die de getrouwe martelaren vertegenwoordigt. De martelaren en zij die niet sterven, Smyrna en Filadelfia, zijn de enige gemeenten van de zeven waaraan in de boodschap die zij ontvingen geen veroordeling was verbonden. Toch hadden beide gemeenten te maken met hen die beweerden Joden te zijn, maar het niet waren. Dit is zo, want zij zijn allen leden van dezelfde gemeente in de „laatste dagen”, die met dezelfde omstandigheden te maken hebben: de ene groep bestemd om met hun bloed te getuigen, vertegenwoordigd door Mozes op de Berg der Verheerlijking, en de andere groep vertegenwoordigd door Elia, die nooit stierf.
En schrijf aan de engel van de gemeente in Smyrna: Dit zegt de Eerste en de Laatste, Die dood geweest is en weer levend is geworden: Ik ken uw werken, en verdrukking, en armoede, maar gij zijt rijk; en Ik ken de godslastering van hen die zeggen dat zij Joden zijn, en het niet zijn, maar een synagoge van de satan. Vrees geen van de dingen die gij lijden zult. Zie, de duivel zal sommigen van u in de gevangenis werpen, opdat gij beproefd wordt; en gij zult een verdrukking hebben van tien dagen. Wees getrouw tot de dood, en Ik zal u de kroon des levens geven. Openbaring 2:8–10.
Terwijl Jezus de benarde omstandigheden van de gemeente van Smyrna beschrijft, maakt Hij slechts één positieve opmerking wanneer Hij zegt: „maar gij zijt rijk”, en stelt hen daarmee in tegenstelling tot de leden van de synagoge van Satan, die niet rijk zijn. Degenen in Openbaring die adventistisch zijn en menen dat zij rijk zijn, terwijl zij het niet zijn, zijn de Joden die zeggen dat zij Joden zijn, en het niet zijn — want zij zijn Laodiceaanse Zevendedagsadventisten.
In de aanhef van Openbaring wordt de Godheid voorgesteld als drie Personen, en aan het einde van het boek Openbaring worden Jezus en de Geest rechtstreeks genoemd, maar niet de Vader. Dat doet echter niet ter zake, want het beginsel van regel op regel, verbonden met het feit dat het eerste het laatste verduidelijkt, vereist dat de Vader in de laatste verzen van Openbaring wordt erkend, aangezien Hij in de eerste verzen reeds als daar aanwezig is aangeduid. Het is niet anders dan in het Evangelie van Johannes, hoofdstuk één, waar Johannes de Geest niet rechtstreeks aanduidt, maar de Geest geacht wordt daar aanwezig te zijn, want de Geest was daar reeds de allereerste keer dat de uitdrukking „in den beginne” werd geschreven. Het getuigenis van Johannes in het eerste hoofdstuk van zijn evangelie begint met dezelfde woorden: „in den beginne.”
Het „begin” is een profetisch symbool en dient te worden beoordeeld volgens profetische regels, met inbegrip van regel op regel. Het begin van Mozes is het begin van het evangelie van Johannes, is het begin van het boek Openbaring, en het is ook het einde van Openbaring. Van die vier lijnen worden in twee gevallen alle drie de Personen van het hemelse trio aangeduid, en in één lijn (het evangelie van Johannes) ontbreekt mogelijk de Geest en in de vierde lijn ontbreekt de Vader, maar wanneer zij samengebracht worden, zijn alle drie de goddelijke Personen in alle vier de lijnen vertegenwoordigd.
Christus kwam om de Vader bekend te maken, en de Heilige Geest kwam om de Zoon bekend te maken. Alle drie brachten eeuwige offers. De Vader heeft de wereld zó liefgehad dat Hij Jezus gaf; Jezus heeft de wereld zó liefgehad dat Hij ermee instemde voor eeuwig het vlees aan te nemen van hen die Hij geschapen had. Wat voor gave wordt voorgesteld in de daad van de Schepper die ervoor kiest deel te worden van Zijn schepping? De derde Persoon van de Godheid gaf Zichzelf, want Hij heeft de positie aanvaard om binnen de geschapen entiteit, de mensheid genaamd, te wonen — tot in alle eeuwigheid.
Waarschijnlijk is het om deze reden dat de Heilige Geest herhaaldelijk in verband wordt gebracht met symbolen van Gods volk. Hij is de Persoon van de Godheid die bij de menselijke schepping zal blijven. Daarom worden de symbolen van de Heilige Geest in de Schrift vaker wel dan niet weergegeven door een symbool dat zowel de Heilige Geest als de mensheid vertegenwoordigt. In het begin bewoog de Geest Zich over de wateren.
En hij zeide tot mij: De wateren die gij gezien hebt, waar de hoer zit, zijn volken, en menigten, en natiën, en talen. Openbaring 17:15.
Het enige meubelstuk in het heiligdom dat door Mozes werd opgericht waarvoor niet een patroon specifiek werd uitgewerkt dat de arbeiders moesten volgen, was de zevenarmige kandelaar. De kandelaar vertegenwoordigt de vereniging van menselijkheid met goddelijkheid. Om deze reden was het ontwerp van de kandelaar het enige voorwerp in het heiligdom waaraan mensen een bijdrage mochten leveren. De zeven kandelaars te midden waarvan Christus wandelt, worden aangeduid als de zeven gemeenten; toch werd de kandelaar gevoed met olie, die de Heilige Geest voorstelt, en de pitten van de lampen die de vlam droegen ten behoeve van het licht, waren gemaakt van de gebruikte witte linnen klederen van de priesters, die de gerechtigheid van Christus voorstellen, welke straalt als het licht der wereld. Gods volk is het licht der wereld, maar dat licht wordt uitsluitend gevoed door de olie van de Heilige Geest. De Heilige Geest wordt in de Schrift in de beschrijving van Hem dikwijls met mensen in verband gebracht.
En uit de troon gingen bliksemstralen, donderslagen en stemmen voort; en er waren zeven vurige lampen brandende vóór de troon, welke de zeven Geesten Gods zijn. Openbaring 4:5.
Zeven lampen worden hier geïdentificeerd als de „zeven Geesten van God”, terwijl ons wordt gezegd dat de zeven kandelaars de zeven gemeenten zijn.
Het geheimenis van de zeven sterren die gij in mijn rechterhand hebt gezien, en van de zeven gouden kandelaars. De zeven sterren zijn de engelen van de zeven gemeenten; en de zeven kandelaars die gij hebt gezien, zijn de zeven gemeenten. Openbaring 1:20.
De zeven kandelaars zijn zowel de zeven Geesten als Gods kerk.
En ik zag, en zie, te midden van de troon en van de vier dieren, en te midden van de ouderlingen, een Lam staan als geslacht, hebbende zeven hoornen en zeven ogen, welke zijn de zeven Geesten Gods, uitgezonden over de ganse aarde. Openbaring 5:6.
De zeven horens en zeven ogen zijn ook de Heilige Geest, die uitgezonden wordt over de gehele aarde; en wanneer een christen wordt gedoopt, wordt ook hij uitgezonden over de gehele aarde, want hij is gedoopt in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. In de zegen die wordt uitgesproken over de martelaren van de zondagwetcrisis, en over allen die sinds 1844 in het geloof gestorven zijn in het moderne geestelijke Israël, is het de Geest die de lijkrede bij hun begrafenissen uitspreekt, wanneer Hij zegt: „Ja,” „opdat zij rusten mogen van hun arbeid”, want Hij was bij hen gedurende al hun arbeid, helemaal totdat zij hun leven neerlegden.
En ik hoorde een stem uit de hemel, die tot mij zei: Schrijf, Zalig zijn de doden die van nu aan in de Heere sterven; ja, zegt de Geest, opdat zij mogen rusten van hun arbeid; en hun werken volgen hen. Openbaring 14:13.
Wanneer wij het einde en het begin van het boek Openbaring, het begin van de Bijbel en het begin van het Evangelie van Johannes beschouwen, zien wij dat alle drie Personen van de Godheid vertegenwoordigd zijn, hoewel de Vader daar aanwezig is op grond van de toepassing van regel op regel. De Zoon is daar en identificeert Zichzelf als de Alfa en de Omega.
Als wij erkennen dat de vereniging van menselijkheid met goddelijkheid een vereniging is van de Heilige Geest en de mensheid, kunnen wij vervolgens begrijpen waarom symbolen van de Heilige Geest verbonden zijn met symbolen van de mensheid. Met dit perspectief voor ogen keren wij terug naar de twee „in den beginne” die wij zo dikwijls hebben behandeld.
In den beginne schiep God de hemel en de aarde. De aarde nu was woest en ledig, en duisternis lag op de vloed; en de Geest Gods zweefde op de wateren. En God zeide: Er zij licht; en er was licht. En God zag het licht, dat het goed was; en God maakte scheiding tussen het licht en de duisternis. Genesis 1:1–4.
In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God. Dit was in den beginne bij God. Alle dingen zijn door Hetzelve gemaakt, en zonder Hetzelve is geen ding gemaakt, dat gemaakt is. In Hetzelve was het leven, en het leven was het licht der mensen. En het licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft hetzelve niet begrepen. Johannes 1:1–5.
Met gebruikmaking van deze twee getuigenissen van „in den beginne”: God het Woord, die alle dingen gemaakt heeft, gaf ook Zijn leven, want „in Hem was leven”, en Zijn leven was het „licht” der mensen. Het „licht” van een geschapen mens is de gerechtigheid van de Schepper. De gerechtigheid van de Schepper is de pit in de kandelaars in het heiligdom.
En haar is gegeven dat zij bekleed zou worden met fijn linnen, rein en wit; want het fijne linnen zijn de gerechtigheden der heiligen. Openbaring 19:18.
De olie die de pit voedt, vertegenwoordigt de werking van de Heilige Geest in het leven van de gelovige. In het begin was de aarde duister en was er geen licht. Vervolgens gaf Jezus Zijn leven, het leven dat in Hem was, opdat er licht voor de mensen zou kunnen zijn.
En allen die op de aarde wonen, zullen hem aanbidden, van wie de namen niet geschreven zijn in het boek des levens van het Lam dat geslacht is van de grondlegging der wereld af. Openbaring 13:8.
Toen Jezus ervoor koos een offer voor de mensheid te zijn, gaf Hij Zijn leven opdat de mensen licht zouden hebben. Zoals in deze twee passages het geval is, brengt het licht, telkens wanneer het wordt geïntroduceerd, twee categorieën aanbidders voort, voorgesteld door licht en duisternis: de kinderen van de dag of de kinderen van de nacht.
Maar gij, broeders, zijt niet in de duisternis, zodat die dag u als een dief zou overvallen. Gij zijt allen kinderen van het licht en kinderen van de dag; wij zijn niet van de nacht, noch van de duisternis. 1 Thessalonicenzen 5:4, 5.
Wanneer wij de nauwe, eeuwige verhouding erkennen die de Heilige Geest heeft met de kinderen van de dag, kunnen wij begrijpen waarom de symbolen van zowel Gods kinderen als de Heilige Geest zo nauw verwant zijn. In de laatste passage van Openbaring zien wij Jezus als de Alfa en de Omega, zien wij de Vader door de toepassing van regel op regel, en de Heilige Geest verschaft Zijn laatste symbolische voorstelling van Zichzelf, want heilige mannen van oudsher spraken, gedreven door de Heilige Geest. Zijn eerste uitspraak over Zichzelf in Genesis duidt Hem aan als bewegende over de wateren, of bewegende over de mensheid, en Zijn laatste verwijzing naar Zichzelf luidt als volgt.
En de Geest en de bruid zeggen: Kom. En laat hij die het hoort, zeggen: Kom. En laat hij die dorst heeft, komen. En wie wil, laat hem het water des levens om niet nemen. Openbaring 22:17.
Van het begin tot het einde wordt de Heilige Geest aangeduid in verbinding met de mensheid, want de kinderen van de dag vertegenwoordigen een vereniging van goddelijkheid en menselijkheid. Paulus wijst er, evenals Jesaja, op dat mensen vaten zijn, en de kandelaren in het heiligdom hadden vaten waarin de pit werd geplaatst, en olie daalde neer in de vaten om de brandstof te verschaffen die nodig is om het licht te openbaren dat de gerechtigheid van Christus is. Wij zijn de vaten van de Heilige Geest, de derde Persoon van de Godheid, zoals aangeduid van het begin tot het einde van Gods Woord, en even nadrukkelijk aangewezen in de geschriften van de Geest der Profetie.
In de boodschap van de tweede engel, die vervuld werd in het begin van het adventisme en aan het einde, zijn er twee onderscheiden boodschappen: één voor de kerk en één voor de wereld.