I have placed many things into the previous articles in an attempt to put some basic points of reference out at the beginning. I will now try to be more focused on the subject at hand. Thank you for your patience.
Ik heb vele zaken in de voorgaande artikelen opgenomen, in een poging aan het begin enkele fundamentele oriëntatiepunten aan te reiken. Nu zal ik trachten mij meer op het onderwerp zelf te concentreren. Dank u voor uw geduld.
From the very beginning God has been trying to increase our understanding of who and what He is. In that work he has employed several techniques to help men understand what has been revealed of Him, and one of those techniques is his use of “names,” both the many names given to God in the Scriptures, and also the names given to His chosen representatives. He chooses representatives of evil and good.
Vanaf het allereerste begin heeft God ernaar gestreefd ons begrip van wie en wat Hij is, te vergroten. In dat werk heeft Hij verschillende middelen aangewend om de mensen te helpen begrijpen wat van Hem is geopenbaard, en een van die middelen is Zijn gebruik van „namen”, zowel de vele namen die God in de Schriften worden gegeven, alsook de namen die aan Zijn uitverkoren vertegenwoordigers worden gegeven. Hij kiest vertegenwoordigers van het kwaad en van het goede.
He has also used the dispensational changes of His chosen covenant people to magnify the understanding of His character incrementally through history. Therefore, the histories of covenant dispensational changes in a variety of ways, also speak to the magnification of the truth of His character and nature.
Hij heeft ook de bedelingsveranderingen van Zijn uitverkoren verbondsvolk gebruikt om het begrip van Zijn karakter gaandeweg in de loop van de geschiedenis te vergroten. Daarom spreken ook de geschiedenissen van bedelingsveranderingen binnen het verbond op velerlei wijzen van de vergroting van de waarheid omtrent Zijn karakter en natuur.
If we approach Revelation chapter one as an introduction and a key for the following chapters, we find certain truths in the beginning chapter that impact the rest of the book. One of those truths is involved with who Jesus Christ is, and not simply that He is Alpha and Omega. If a truth is set forth in chapter one of Revelation, it is most certainly a testing present truth for the final generation, the final generation being the “chosen generation” identified by Peter.
Als wij Openbaring hoofdstuk één benaderen als een inleiding en een sleutel tot de volgende hoofdstukken, vinden wij in het beginhoofdstuk bepaalde waarheden die hun uitwerking hebben op de rest van het boek. Een van die waarheden houdt verband met wie Jezus Christus is, en niet eenvoudigweg met het feit dat Hij de Alfa en de Omega is. Indien een waarheid in hoofdstuk één van Openbaring wordt uiteengezet, dan is zij zeer zeker een beproevende tegenwoordige waarheid voor de laatste generatie, waarbij de laatste generatie de „uitverkoren generatie” is die door Petrus wordt aangeduid.
One of the attributes of Christ’s character which we have been exploring is Christ identifying the beginning from the end. The time when Christ confirmed the covenant with many for one week represents a covenant dispensational change from literal to spiritual Israel. The dispensational changes that are identified in Scriptures which all speak to the increase in knowledge concerning the character and being of Christ was Abram, Isaac, Jacob, Joseph, Moses, Christ, William Miller and the one hundred and forty-four thousand. There is another line of dispensational changes that is laid over the top of that line that identifies seven dispensations of God’s church that are represented by the seven churches of Revelation two and three, but we will not touch those yet. There was a dispensational change with Adam and Eve represented by before their fall and after their fall, and of course a change of dispensations from before the flood to after the flood in the time of Noah. All these lines contribute to the light we are dealing with, but we are focusing now upon the chosen people.
Een van de eigenschappen van het karakter van Christus die wij hebben onderzocht, is dat Christus het begin vanuit het einde identificeert. De tijd waarin Christus het verbond met velen voor één week bevestigde, vertegenwoordigt een verbondsbedelingmatige verandering van het letterlijke naar het geestelijke Israël. De bedelingsveranderingen die in de Schriften worden aangeduid, en die alle spreken van de toename van kennis aangaande het karakter en het wezen van Christus, waren Abram, Izak, Jakob, Jozef, Mozes, Christus, William Miller en de honderdvierenveertigduizend. Er is nog een andere lijn van bedelingsveranderingen die over die lijn heen ligt, en die zeven bedelingen van Gods kerk aanduidt, voorgesteld door de zeven gemeenten van Openbaring twee en drie, maar die zullen wij nog niet behandelen. Er was een bedelingsverandering bij Adam en Eva, weergegeven door de toestand vóór hun val en na hun val, en uiteraard een verandering van bedelingen van vóór de zondvloed naar na de zondvloed in de tijd van Noach. Al deze lijnen dragen bij aan het licht waarmee wij ons bezighouden, maar wij richten ons nu op het uitverkoren volk.
When Christ began His ministry at the beginning of the covenant week He was baptized.
Toen Christus aan het begin van de verbondsweek Zijn bediening aanving, werd Hij gedoopt.
And Jesus, when he was baptized, went up straightway out of the water: and, lo, the heavens were opened unto him, and he saw the Spirit of God descending like a dove, and lighting upon him: And lo a voice from heaven, saying, This is my beloved Son, in whom I am well pleased. Matthew 3:16, 17.
En Jezus, nadat Hij gedoopt was, steeg terstond op uit het water; en zie, de hemelen werden voor Hem geopend, en Hij zag de Geest Gods nederdalen als een duif en op Hem neerkomen; en zie, een stem uit de hemelen zei: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik welbehagen heb. Mattheüs 3:16, 17.
The very first words of God, as Jesus came up out of the water, thus beginning the covenant week, was the announcement by the Father, that Jesus was the Son of God. If we understand the “rule of first mention” that fact is powerful. If we don’t, not so much.
De allereerste woorden van God, toen Jezus oprees uit het water en daarmee de verbondsweek begon, waren de verkondiging door de Vader dat Jezus de Zoon van God was. Als wij de „regel van de eerste vermelding” begrijpen, is dat gegeven van grote kracht. Als wij die niet begrijpen, veel minder.
In the beginning God created the heaven and the earth. And the earth was without form, and void; and darkness was upon the face of the deep. And the Spirit of God moved upon the face of the waters. Genesis 1:1, 2.
In den beginne schiep God de hemel en de aarde. En de aarde was woest en ledig, en duisternis lag op de vloed; en de Geest Gods zweefde over de wateren. Genesis 1:1, 2.
As in Genesis, the anointing ceremony has three persons of the godhead identified.
Zoals in Genesis worden in de zalvingsceremonie drie Personen van de Godheid aangeduid.
The truth that Jesus was the Son of God, the Son of David and the Son of Man regularly agitated the scribes and Pharisees during the next three and a half years. Jesus prophetically changed from Jesus to Jesus Christ at His baptism. When Jesus was baptized, He became the “Christ,” which means “anointed one” and is the word “Messiah” in the Hebrew. And of course, the Hebrews expected a Messiah and they knew he would be the Son of David. When He was “anointed” to begin the most sacred three and a half years of earth’s history, He saw the Holy Spirit descending and heard His Father speak.
De waarheid dat Jezus de Zoon van God, de Zoon van David en de Zoon des mensen was, bracht de schriftgeleerden en farizeeën gedurende de daaropvolgende drie en een half jaar herhaaldelijk in beroering. Jezus veranderde profetisch bij Zijn doop van Jezus in Jezus Christus. Toen Jezus werd gedoopt, werd Hij de „Christus”, wat „gezalfde” betekent en in het Hebreeuws het woord „Messias” is. En uiteraard verwachtten de Hebreeën een Messias, en zij wisten dat hij de Zoon van David zou zijn. Toen Hij werd „gezalfd” om de allerheiligste drie en een half jaar van de geschiedenis der aarde te beginnen, zag Hij de Heilige Geest neerdalen en hoorde Hij Zijn Vader spreken.
It was a very profound anointing ceremony at which the message that was proclaimed of Him and His work was that, “He was the Son of God”. More alarming for the Jews, was not only that He was the Son of God, but that He claimed, as the Son of God — He was actually God. The Jews could not abide in what they understood to be such a blasphemous claim as that! The dilemma for the Jews, is the dilemma of Abraham—for Abraham was the father of the Jews, the father of the covenant and also the symbol of the faith required to abide by the terms of the covenant.
Het was een zeer diepgaande zalvingsplechtigheid, waarin de boodschap die over Hem en Zijn werk werd verkondigd, luidde dat: „Hij de Zoon van God was”. Nog verontrustender voor de Joden was niet alleen dat Hij de Zoon van God was, maar dat Hij beweerde dat Hij, als de Zoon van God — in werkelijkheid God was. De Joden konden niet berusten in wat zij opvatten als een zó godslasterlijke aanspraak! Het dilemma voor de Joden is het dilemma van Abraham — want Abraham was de vader van de Joden, de vader van het verbond en tevens het symbool van het geloof dat vereist is om zich te houden aan de voorwaarden van het verbond.
Abraham’s illustration of the faith necessary to enter into a covenant relationship with God requires that your faith is tested. Abraham’s test, which would prove whether his faith was real or presumption was premised on demonstrating whether he would follow God’s word—even if it appeared to contradict God’s previous word. Abraham knew that human sacrifice was murder and that it represented the idolatrous practices of the idolatrous peoples he was then living among. The scribes and Pharisees knew from their beginning covenant history that God was only one God, and they also knew Jesus was claiming to be a second God. They were being tested with their final test.
Abrahams illustratie van het geloof dat noodzakelijk is om een verbondsrelatie met God binnen te gaan, vereist dat uw geloof beproefd wordt. Abrahams beproeving, die zou aantonen of zijn geloof werkelijk was of dat zijn vermetelheid berustte op de vraag of hij Gods woord zou volgen — zelfs wanneer het scheen in tegenspraak te zijn met Gods eerdere woord. Abraham wist dat mensenoffers moord waren en dat zij de afgodische praktijken vertegenwoordigden van de afgodische volken te midden waarvan hij toen leefde. De schriftgeleerden en farizeeën wisten vanaf het begin van hun verbondsgeschiedenis dat God slechts één God was, en zij wisten ook dat Jezus beweerde een tweede God te zijn. Zij werden onderworpen aan hun laatste beproeving.
Hear, O Israel: The Lord our God is one Lord. Deuteronomy 6:4.
Hoor, o Israël: de Heere, onze God, is één Heere. Deuteronomium 6:4.
In the history where Moses recorded the previous verse, God had already told Moses that He was to be known from that point on as Jehovah. No longer was He only to be the Lord God Almighty, but from that point onward he was to be known as Jehovah. In the very history where He is further magnifying the understanding of His character as represented by His names, He is also straitly informing ancient Israel that God is one God. What were the Jews of Christ day-and-age to think?
In de geschiedenis waarin Mozes het voorgaande vers optekende, had God Mozes reeds gezegd dat Hij van dat moment af aan bekend zou staan als Jehovah. Hij zou niet langer slechts de Heere God, de Almachtige, zijn, maar van dat moment af zou Hij bekend zijn als Jehovah. Juist in de geschiedenis waarin Hij het verstaan van Zijn karakter, zoals weergegeven door Zijn namen, verder vergroot, deelt Hij het oude Israël ook nadrukkelijk mee dat God één God is. Wat moesten de Joden uit de dagen van Christus hiervan denken?
Later in His ministry as it reached the climax of the Triumphal Entry into Jerusalem the Jews are once again flabbergasted that Jesus is allowing the children to sing His praise.
Later in Zijn bediening, toen deze haar hoogtepunt bereikte in de Triomfantelijke Intocht in Jeruzalem, zijn de Joden opnieuw met stomheid geslagen dat Jezus de kinderen toestaat Zijn lof te zingen.
And the multitudes that went before, and that followed, cried, saying, Hosanna to the son of David: Blessed is he that cometh in the name of the Lord; Hosanna in the highest. Matthew 21:9.
En de scharen die vooropgingen en die volgden, riepen uit, zeggende: Hosanna de Zoon van David! Gezegend Hij die komt in de naam des Heeren; Hosanna in de hoogste hemelen. Mattheüs 21:9.
The lyric of the song that drove the Pharisees crazy was the part identifying Jesus as the Son of David and also identifying that the Son of David was the name of the Lord. At the beginning of His ministry, the triumphal entry and of course the cross, the controversy includes agitation over Jesus’ name.
De zangtekst van het lied dat de Farizeeën tot razernij bracht, was het gedeelte dat Jezus aanwees als de Zoon van David en tevens duidelijk maakte dat de Zoon van David de naam van de Heer was. Aan het begin van Zijn bediening, bij de triomfantelijke intocht en uiteraard bij het kruis, omvat de controverse ook de opwinding over Jezus’ naam.
Then said the chief priests of the Jews to Pilate, Write not, The King of the Jews; but that he said, I am King of the Jews. John 19:21.
Toen zeiden de overpriesters der Joden tot Pilatus: Schrijf niet: De Koning der Joden; maar dat Hij gezegd heeft: Ik ben de Koning der Joden. Johannes 19:21.
Of course, it would have been essentially correct for Pilate to have changed the writing to say, “I am, King of the Jews,” for “I Am” was the name Jesus set forth of Himself repeatedly. Of course, to apply that flawed logic in order to change God’s Word, particularly when it is the story of the cross is something that men would never do, would they? Jesus was the “King of the Jews,” but He was also “I am,” so the statement “I am, King of the Jews” is accurate in a sense, but this is not the point.
Natuurlijk zou het in wezen juist zijn geweest als Pilatus het opschrift had veranderd in: „Ik ben, de Koning der Joden”, want „Ik ben” was de naam die Jezus herhaaldelijk op Zichzelf toepaste. Natuurlijk is het iets wat mensen nooit zouden doen om die gebrekkige logica toe te passen teneinde Gods Woord te veranderen, vooral wanneer het om het verhaal van het kruis gaat, nietwaar? Jezus was de „Koning der Joden”, maar Hij was ook „Ik ben”, zodat de uitspraak „Ik ben, de Koning der Joden” in zekere zin juist is, maar dit is niet het punt.
From the beginning and throughout the middle and to the end of the three and a half years His name was a point of agitation. There are many things to be understood about the line of covenant names, but here I am wanting to show that there was a shaking at the end of ancient Israel in the Jewish church that had to do with the name of Christ. As the Son of David, He possessed the credentials to be the Messiah, as the Son of God, (in the sense of also being God) and as the Son of Man, Jesus presented a tremendous test for the chosen people. How could this man claim to be God and also God’s son, when Moses at the beginning of their covenant history had been so specific about God being one God?
Vanaf het begin, door het midden heen en tot aan het einde van de drieënhalf jaar was Zijn naam een punt van beroering. Er zijn vele zaken te verstaan omtrent de lijn van verbondsnamen, maar hier wil ik aantonen dat er aan het einde van het oude Israël, in de Joodse kerk, een schudding plaatsvond die verband hield met de naam van Christus. Als de Zoon van David bezat Hij de geloofsbrieven om de Messias te zijn; als de Zoon van God (in de zin dat Hij ook God was) en als de Zoon des mensen stelde Jezus het uitverkoren volk voor een geweldige beproeving. Hoe kon deze man beweren God te zijn en tevens Gods Zoon, wanneer Mozes aan het begin van hun verbondsgeschiedenis zo uitdrukkelijk was geweest dat God één God is?
Yet that was the purpose of Christ walking among men. God was in Him reconciling men unto Himself, and He was doing so by allowing men to see Jesus, who plainly and directly taught that if you have seen Him—you have seen the Father. This history represents the ending of literal Israel as God’s chosen people and at the beginning there was a controversy marked about who and what God is.
Toch was dat het doel van Christus’ wandel onder de mensen. God was in Hem de mensen met Zichzelf verzoenende, en Hij deed dit door de mensen Jezus te laten zien, Die duidelijk en rechtstreeks leerde dat, als u Hem hebt gezien, u de Vader hebt gezien. Deze geschiedenis vertegenwoordigt het einde van het letterlijke Israël als Gods uitverkoren volk, en aan het begin was er een strijd afgetekend over wie en wat God is.
And Pharaoh said, Who is the Lord, that I should obey his voice to let Israel go? I know not the Lord, neither will I let Israel go. Exodus 5:2.
En Farao zei: Wie is de HEERE, dat ik Zijn stem zou gehoorzamen om Israël te laten gaan? Ik ken de HEERE niet, en ik zal Israël ook niet laten gaan. Exodus 5:2.
Pharaoh is expressing not only the symbol of atheistic defiance against the knowledge of God, but also expressing the Egyptian understanding concerning the God of Abraham. And repeatedly the Lord has said that His wonderous acts in Egypt were to allow mankind to know who He is. The history of the beginning of literal Israel as God’s chosen people typifies the end.
Farao geeft niet alleen uitdrukking aan het symbool van atheïstisch verzet tegen de kennis van God, maar verwoordt ook het Egyptische begrip aangaande de God van Abraham. En herhaaldelijk heeft de Heere gezegd dat Zijn wonderbaarlijke daden in Egypte bedoeld waren om de mensheid te doen weten wie Hij is. De geschiedenis van het begin van het letterlijke Israël als Gods uitverkoren volk is een type van het einde.
In both histories there is a lack of understanding about who and what God is, that is connected to His various names, but more importantly to our consideration is that the history of Christ at the ending of Israel as the chosen people, identifies that a primary reason the Jews stumbled over accepting their Messiah was that they knew that God’s Word at the beginning of their covenant history identified was that He was one God. What a dilemma!
In beide geschiedenissen is er een gebrek aan inzicht in wie en wat God is, hetgeen samenhangt met Zijn verschillende namen; maar nog belangrijker voor onze beschouwing is dat de geschiedenis van Christus bij het einde van Israël als het uitverkoren volk laat zien dat een voornaamste reden waarom de Joden struikelden over de aanvaarding van hun Messias, gelegen was in het feit dat zij wisten dat Gods Woord aan het begin van hun verbondsgeschiedenis had vastgesteld dat Hij één God was. Wat een dilemma!
And after that they durst not ask him any question at all. And he said unto them, How say they that Christ is David’s son? And David himself saith in the book of Psalms, The Lord said unto my Lord, Sit thou on my right hand, Till I make thine enemies thy footstool. David therefore calleth him Lord, how is he then his son? Luke 20:40–44.
En daarna durfden zij Hem in het geheel geen vraag meer te stellen. En Hij zei tot hen: Hoe zeggen zij dat de Christus Davids Zoon is? En David zelf zegt in het boek der Psalmen: De Heere heeft tot mijn Heere gezegd: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden tot een voetbank voor Uw voeten gemaakt zal hebben. David noemt Hem dan Heere; hoe is Hij dan zijn Zoon? Lukas 20:40–44.
This is the final question and answer period for the Jews, for after that interaction, “they durst not ask Him any question at all.” He had just answered the final question of his ministry for the lost house (and there is always a lost house in the prophetic narrative), and then He raises the subject of His name as “the Son of David,” and therefore as the Messiah. All through the three and a half years the controversy includes His various names, which represent His character and nature. His name is addressed at the beginning, at His baptism, and then in His final interaction with the lost house at the triumphal entry and at the cross, among other passages in the gospels.
Dit is de laatste periode van vragen en antwoorden voor de Joden, want na die woordenwisseling “durst not ask Him any question at all.” Hij had zojuist de laatste vraag van zijn bediening ten behoeve van het verloren huis beantwoord (en in het profetische narratief is er altijd een verloren huis), en vervolgens stelt Hij de kwestie aan de orde van zijn naam als “de Zoon van David”, en daarom als de Messias. Gedurende de gehele drie en een half jaar omvat de controverse zijn verschillende namen, die zijn karakter en natuur vertegenwoordigen. Zijn naam komt aan de orde aan het begin, bij zijn doop, en vervolgens in zijn laatste omgang met het verloren huis bij de triomfantelijke intocht en aan het kruis, naast andere gedeelten in de evangeliën.
“The Pharisees had gathered close about Jesus as He answered the question of the scribe. Now turning He put a question to them: ‘What think ye of Christ? whose son is He?’ This question was designed to test their belief concerning the Messiah,—to show whether they regarded Him simply as a man or as the Son of God. A chorus of voices answered, ‘The Son of David.’ This was the title which prophecy had given to the Messiah. When Jesus revealed His divinity by His mighty miracles, when He healed the sick and raised the dead, the people had inquired among themselves, ‘Is not this the Son of David?’ The Syrophoenician woman, blind Bartimaeus, and many others had cried to Him for help, ‘Have mercy on me, O Lord, Thou Son of David.’ Matthew 15:22. While riding into Jerusalem He had been hailed with the joyful shout, ‘Hosanna to the Son of David: Blessed is He that cometh in the name of the Lord.’ Matthew 21:9. And the little children in the temple had that day echoed the glad ascription. But many who called Jesus the Son of David did not recognize His divinity. They did not understand that the Son of David was also the Son of God.
De Farizeeën hadden zich dicht om Jezus heen verzameld terwijl Hij de vraag van de schriftgeleerde beantwoordde. Toen wendde Hij Zich tot hen en stelde hun een vraag: ‘Wat denkt gij van de Christus? Wiens Zoon is Hij?’ Deze vraag was bedoeld om hun geloof aangaande de Messias te toetsen,—om te doen uitkomen of zij Hem eenvoudig als een mens beschouwden, dan wel als de Zoon van God. Eenstemmig luidde het antwoord: ‘De Zoon van David.’ Dit was de titel die de profetie aan de Messias had gegeven. Toen Jezus Zijn goddelijkheid openbaarde door Zijn machtige wonderen, toen Hij de zieken genas en de doden opwekte, hadden de mensen onder elkaar gevraagd: ‘Is Dit niet de Zoon van David?’ De Syro-Fenicische vrouw, de blinde Bartimeüs en vele anderen hadden Hem om hulp toegeroepen: ‘Ontferm U over mij, Heere, Gij Zoon van David.’ Mattheüs 15:22. Toen Hij Jeruzalem binnenreed, was Hij begroet met de blijde uitroep: ‘Hosanna, de Zoon van David! Gezegend is Hij Die komt in de Naam des Heeren.’ Mattheüs 21:9. En de kleine kinderen in de tempel hadden die dag deze vreugdevolle lofprijzing herhaald. Maar velen die Jezus de Zoon van David noemden, erkenden Zijn goddelijkheid niet. Zij begrepen niet dat de Zoon van David ook de Zoon van God was.
“In reply to the statement that Christ was the Son of David, Jesus said, ‘How then doth David in Spirit [the Spirit of Inspiration from God] call Him Lord, saying, The Lord said unto my Lord, Sit Thou on My right hand, till I make Thine enemies Thy footstool? If David then call Him Lord, how is He his son? And no man was able to answer Him a word, neither durst any man from that day forth ask Him any more questions.’” The Desire of Ages, 609.
“Als antwoord op de bewering dat Christus de Zoon van David was, zei Jezus: ‘Hoe noemt David Hem dan in de Geest [de Geest der Inspiratie van God] Here, wanneer hij zegt: De Here heeft tot mijn Here gezegd: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden zal leggen tot een voetbank Uwer voeten? Indien David Hem dan Here noemt, hoe is Hij dan zijn Zoon? En niemand kon Hem een woord antwoorden, en niemand durfde Hem van die dag af meer iets te vragen.’” The Desire of Ages, 609.
His anointing as Messiah and His last interaction with those He came to save was over His divinity, the symbolism of His names and of course the rule of first mention. Jesus ends His direct work for the Jews by using the history of literal David to teach about spiritual David. Why would David comment on when the Lord tells the Lord to be seated on the throne with Him? Because king David at the beginning represents the spiritual King David at the end. The only way to rightly understand Jesus’ final statement to the lost house was to be able to apply the rule of first mention, which can’t be done if you don’t know the rule.
Zijn zalving als Messias en Zijn laatste omgang met hen die Hij was gekomen te redden, betroffen Zijn goddelijkheid, de symboliek van Zijn namen en natuurlijk de wet van de eerste vermelding. Jezus beëindigt Zijn rechtstreekse werk voor de Joden door de geschiedenis van de letterlijke David te gebruiken om over de geestelijke David te onderwijzen. Waarom zou David spreken over het ogenblik waarop de HEERE tot de Heere zegt dat Hij met Hem op de troon moet plaatsnemen? Omdat koning David aan het begin de geestelijke Koning David aan het einde vertegenwoordigt. De enige manier om Jezus’ laatste uitspraak tot het verloren huis juist te begrijpen, is in staat te zijn de wet van de eerste vermelding toe te passen, wat niet mogelijk is als men die wet niet kent.
His final statement to the lost house required an understanding of the rule of first mention in order to be understood. Jesus used David and David’s son to present the truth to the lost house for His final statement. They had been the house of David after all. Jesus therefore took the father (David) and turned it to the (Son of David) and He also took the son (of David) and turned him to his father (David). He turned the Father unto the child as Elijah’s message is prophesied to do in the “last days.” That was His final message to ancient literal Israel and it was an Elijah message, for it was based upon the rule of first mention. The rule of first mention therefore, also confirms Jesus’ message as an Elijah message based upon the rule itself. The rule of first mention demands that if the Elijah message of John the Baptist was the first of the last warning message to the lost house of Israel, then the final message given to them would also be the Elijah message. And so it was…
Zijn laatste uitspraak tot het verloren huis vereiste begrip van de wet van de eerste vermelding om verstaan te kunnen worden. Jezus gebruikte David en Davids Zoon om de waarheid in Zijn laatste uitspraak aan het verloren huis voor te stellen. Zij waren immers het huis van David geweest. Jezus nam daarom de vader (David) en richtte dit op de (Zoon van David), en Hij nam ook de zoon (van David) en richtte hem op zijn vader (David). Hij keerde het hart van de vader tot het kind, zoals van de boodschap van Elia geprofeteerd is dat zij dit zal doen in de “laatste dagen”. Dat was Zijn laatste boodschap aan het oude letterlijke Israël, en het was een Elia-boodschap, want zij was gegrond op de wet van de eerste vermelding. De wet van de eerste vermelding bevestigt daarom ook Jezus’ boodschap als een Elia-boodschap, gegrond op diezelfde wet. De wet van de eerste vermelding vereist dat, indien de Elia-boodschap van Johannes de Doper de eerste was van de laatste waarschuwingsboodschap aan het verloren huis van Israël, de laatste boodschap die hun gegeven werd eveneens de Elia-boodschap zou zijn. En zo was het…
All of this being said, I would now derive a point from it all that is based upon the rule of first mention—the Alpha and Omega. There was a controversy over the understanding of who and what God is at the beginning of ancient Israel that typified the same controversy at the end of ancient Israel. At the end of ancient Israel, the work of Christ included teaching the lost house of Israel who and what God is. In the history of the end there was a resistance against Christ that was premised on an original truth that was established at the beginning. Modern spiritual Israel will possess the same prophetic characteristics in their history.
Dit alles gezegd hebbende, wil ik nu daaruit een punt afleiden dat gegrond is op de regel van de eerste vermelding—de Alpha en Omega. Er bestond een controverse over het begrip van wie en wat God is aan het begin van het oude Israël, die dezelfde controverse voorafschaduwde aan het einde van het oude Israël. Aan het einde van het oude Israël omvatte het werk van Christus het onderwijzen van het verloren huis van Israël in wie en wat God is. In de geschiedenis van het einde was er een verzet tegen Christus dat berustte op een oorspronkelijke waarheid die aan het begin was vastgesteld. Het moderne geestelijke Israël zal in zijn geschiedenis dezelfde profetische kenmerken bezitten.
At the beginning of Adventism, the historians inform us that the Millerites were primarily made up of two Christian denominations; the Methodist and the Christian Connection. Methodism’s primary beliefs were based upon living the correct Christian lifestyle. They had the “method.” The Christian Connection’s primary belief might be summarized as an opposition to the Catholic doctrine of the trinity.
Aan het begin van het adventisme delen de geschiedschrijvers ons mee dat de Millerieten hoofdzakelijk bestonden uit twee christelijke denominaties: de methodisten en de Christian Connection. De voornaamste overtuigingen van het methodisme waren gebaseerd op het leiden van de juiste christelijke levenswandel. Zij hadden de „methode”. De voornaamste overtuiging van de Christian Connection zou kunnen worden samengevat als een verzet tegen de katholieke leer van de drie-eenheid.
As far as my research has gone, virtually all the leadership of the Millerites held to that doctrine of the Christian Connection. There are many branches of the Seventh-day Adventist Reform Movement (SDARM), that still hold to and promote the original Millerite understanding of “anti-trinitarianism.” A dilemma (and current source of controversy) for those who retain the pioneer understanding has and always will be, how to respond to the many and various passages where Sister White directly opposes the doctrinal position they hold to and promote?
Voor zover mijn onderzoek reikt, hing vrijwel de gehele leiding van de Millerieten die leer van de Christian Connection aan. Er zijn vele vertakkingen van de Zevendedags Adventistische Hervormingsbeweging (SDARM) die nog steeds vasthouden aan en de oorspronkelijke Milleritische opvatting van „anti-trinitarisme” uitdragen. Een dilemma (en huidige bron van controverse) voor hen die vasthouden aan het inzicht van de pioniers is en zal altijd zijn: hoe te reageren op de vele en uiteenlopende passages waarin Zuster White zich rechtstreeks keert tegen de leerstellige positie waaraan zij vasthouden en die zij uitdragen?
“I am instructed to say, The sentiments of those who are searching for advanced scientific ideas are not to be trusted. Such representations as the following are made: ‘The Father is as the light invisible: the Son is as the light embodied; the Spirit is the light shed abroad.’ ‘The Father is like the dew, invisible vapor; the Son is like the dew gathered in beauteous form; the Spirit is like the dew fallen to the seat of life.’ Another representation: ‘The Father is like the invisible vapor; the Son is like the leaden cloud; the Spirit is rain fallen and working in refreshing power.’
„Mij is opgedragen te zeggen: De opvattingen van hen die op zoek zijn naar vergevorderde wetenschappelijke denkbeelden, zijn niet te vertrouwen. Voorstellingen als de volgende worden gegeven: ‘De Vader is als het onzichtbare licht; de Zoon is als het belichaamde licht; de Geest is het licht dat zich verbreidt.’ ‘De Vader is als de dauw, onzichtbare damp; de Zoon is als de dauw, verzameld in schone vorm; de Geest is als de dauw, neergevallen op de zetel van het leven.’ Een andere voorstelling luidt: ‘De Vader is als de onzichtbare damp; de Zoon is als de loden wolk; de Geest is regen, gevallen en werkend in verkwikkende kracht.’”
“All these spiritualistic representations are simply nothingness. They are imperfect, untrue. They weaken and diminish the Majesty which no earthly likeness can be compared to. God cannot be compared with the things His hands have made. These are mere earthly things, suffering under the curse of God because of the sins of man. The Father cannot be described by the things of earth. The Father is all the fullness of the Godhead bodily, and is invisible to mortal sight.
„Al deze spiritualistische voorstellingen zijn eenvoudigweg nietsheid. Zij zijn onvolmaakt, onwaar. Zij verzwakken en verkleinen de Majesteit waarmee geen enkele aardse gelijkenis vergeleken kan worden. God kan niet vergeleken worden met de dingen die Zijn handen hebben gemaakt. Dit zijn louter aardse dingen, lijdende onder de vloek van God vanwege de zonden van de mens. De Vader kan niet beschreven worden door de dingen van de aarde. De Vader is al de volheid van de Godheid lichamelijk, en is onzichtbaar voor het sterfelijk oog.״
“The Son is all the fullness of the Godhead manifested. The Word of God declares Him to be ‘the express image of His person.’ ‘God so loved the world, that He gave His only-begotten Son, that whosoever believeth in Him should not perish, but have everlasting life.’ Here is shown the personality of the Father.
“De Zoon is de gehele volheid van de Godheid geopenbaard. Het Woord van God verklaart Hem te zijn ‘het uitgedrukte beeld van Zijn persoon’. ‘Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe.’ Hier wordt de persoonlijkheid van de Vader getoond.
“The Comforter that Christ promised to send after He ascended to heaven, is the Spirit in all the fullness of the Godhead, making manifest the power of divine grace to all who receive and believe in Christ as a personal Saviour. There are three living persons of the heavenly trio; in the name of these three great powers—the Father, the Son, and the Holy Spirit—those who receive Christ by living faith are baptized, and these powers will co-operate with the obedient subjects of heaven in their efforts to live the new life in Christ.” Special Testimonies, Series B, number 7, 62, 63.
„De Trooster, die Christus beloofde te zenden nadat Hij naar de hemel was opgevaren, is de Geest in al de volheid van de Godheid, die de kracht van de goddelijke genade openbaart aan allen die Christus als een persoonlijke Heiland aannemen en in Hem geloven. Er zijn drie levende Personen van het hemelse drietal; in de naam van deze drie grote machten — de Vader, de Zoon en de Heilige Geest — worden zij die Christus door een levend geloof aannemen, gedoopt, en deze machten zullen samenwerken met de gehoorzame onderdanen van de hemel in hun pogingen om het nieuwe leven in Christus te leven.” Special Testimonies, Series B, number 7, 62, 63.
The passage identifies “sentiments of those” that were defining the Father, the Son and the Spirit with “things of earth.” Then she says, “The Father cannot be described by the things of the earth.” Notice two points that she makes, though one might sound like a contradiction. She is identifying a false description of the Godhead that identifies three gods, if you will. It’s a false description of the Godhead, but she makes no comment about the fact that the false definition of the Godhead is also incorrect because it has the wrong number of gods in the Godhead.
De passage duidt de „opvattingen van hen” aan die de Vader, de Zoon en de Geest omschreven met „aardse dingen”. Vervolgens zegt zij: „De Vader kan niet worden beschreven door de dingen der aarde.” Let op twee punten die zij naar voren brengt, al zou het ene als een tegenspraak kunnen klinken. Zij wijst op een valse beschrijving van de Godheid die, om zo te zeggen, drie goden onderscheidt. Het is een valse beschrijving van de Godheid, maar zij maakt geen enkele opmerking over het feit dat de onjuiste definitie van de Godheid ook onjuist is omdat zij uitgaat van een verkeerd aantal goden in de Godheid.
Also notice that she says the things of the earth cannot be used to describe the Father. In that very statement, she herself is using the things of the earth. It is human beings that have children and mothers and fathers and aunts and cousins. And Jesus tells us there will be no more marrying in heaven in the earth made new, for we will be like the angels. There are no boy and girl angels. The terms used by human beings that define their relationships with one another have been employed by God to instruct us about His nature and character, but even “the things of the earth” that inspiration has employed to instruct men of God’s character and nature are imperfect.
Merk ook op dat zij zegt dat de dingen van de aarde niet gebruikt kunnen worden om de Vader te beschrijven. In diezelfde uitspraak gebruikt zij zelf de dingen van de aarde. Het zijn immers mensen die kinderen en moeders en vaders en tantes en neven en nichten hebben. En Jezus zegt ons dat er op de nieuwe aarde in de hemel geen huwelijk meer zal zijn, want wij zullen zijn als de engelen. Er zijn geen mannelijke en vrouwelijke engelen. De termen die door mensen worden gebruikt om hun onderlinge betrekkingen te definiëren, zijn door God aangewend om ons te onderrichten aangaande Zijn natuur en karakter, maar zelfs „de dingen van de aarde” die de inspiratie heeft gebruikt om mensen te onderrichten over Gods karakter en natuur, zijn onvolmaakt.
We have been informed that, “There are three living persons of the heavenly trio” … “the Father, the Son, and the Holy Spirit.” It is an abomination to attach earthly spiritualist sentiments to these three persons, but it is not an abomination to attach “the name of these three great powers” to the biblical definition of the Godhead.
Ons is meegedeeld dat „er drie levende personen van het hemelse trio zijn” … „de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.” Het is een gruwel om aardse spiritistische gevoelens aan deze drie personen te hechten, maar het is geen gruwel om „de naam van deze drie grote machten” te verbinden aan de bijbelse omschrijving van de Godheid.
The prophetess says “the name” of the three great powers who make up the Godhead is the Father, the Son and Holy Spirit. As with every biblical truth, when brought together line upon line, the complete testimony must consist of every waymark that has been revealed. The prophets’ testimonies are to be combined. Daniel gives the name of Palmoni to Christ (among other names, but this is just an example). John calls Him the Alpha and Omega and Moses calls Him Jehovah. According to Ellen White His name is the Father, the Son and the Holy Spirit.
De profetes zegt dat „de naam” van de drie grote machten die de Godheid vormen, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest is. Zoals bij elke bijbelse waarheid geldt: wanneer zij regel op regel wordt samengebracht, moet het volledige getuigenis bestaan uit elke wegmarkering die is geopenbaard. De getuigenissen van de profeten moeten worden samengevoegd. Daniël geeft aan Christus de naam Palmoni (naast andere namen, maar dit is slechts een voorbeeld). Johannes noemt Hem de Alfa en de Omega en Mozes noemt Hem Jehovah. Volgens Ellen White is Zijn naam de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.
“Satan is . . . constantly pressing in the spurious—to lead away from the truth. The very last deception of Satan will be to make of none effect the testimony of the Spirit of God. ‘Where there is no vision, the people perish’ (Proverbs 29:18). Satan will work ingeniously, in different ways and through different agencies, to unsettle the confidence of God’s remnant people in the true testimony.
„Satan tracht er voortdurend naar het onechte naar voren te schuiven—om van de waarheid af te leiden. De allerlaatste misleiding van Satan zal zijn het getuigenis van de Geest van God krachteloos te maken. ‘Waar geen openbaring is, verwildert het volk’ (Spreuken 29:18). Satan zal op ingenieuze wijze werken, op verschillende manieren en door middel van verschillende instrumenten, om het vertrouwen van Gods overblijfsel in het ware getuigenis te ondermijnen.
“There will be a hatred kindled against the Testimonies which is satanic. The workings of Satan will be to unsettle the faith of the churches in them, for this reason: Satan cannot have so clear a track to bring in his deceptions and bind up souls in his delusions if the warnings and reproofs and counsels of the Spirit of God are heeded.” Selected Messages, book 1, 48.
„Er zal een haat tegen de Getuigenissen worden aangewakkerd die satanisch is. Het streven van Satan zal erop gericht zijn het geloof van de gemeenten daarin aan het wankelen te brengen, en wel om deze reden: Satan kan niet zo vrij baan hebben om zijn misleidingen in te voeren en zielen in zijn begoochelingen te binden, wanneer de waarschuwingen, bestraffingen en raadgevingen van de Geest van God ter harte worden genomen.” Selected Messages, boek 1, 48.
A quick side point from this passage. John has been banished to Patmos for the Word of God and the testimony of Jesus. There are two target audiences for the third angel’s message. Those outside of Adventism and those inside of Adventism. John represents an Adventist that is not only being persecuted by the world because of his obedience to the Bible, but he is also being persecuted for his obedience to the writings of the Spirit of Prophecy. The persecution that is levelled against the Spirit of Prophecy comes from within, not from the outside.
Een kort terzijde bij deze passage. Johannes is naar Patmos verbannen omwille van het Woord van God en het getuigenis van Jezus. Er zijn twee doelgroepen voor de boodschap van de derde engel: zij die buiten het adventisme staan en zij die binnen het adventisme zijn. Johannes vertegenwoordigt een adventist die niet alleen door de wereld wordt vervolgd vanwege zijn gehoorzaamheid aan de Bijbel, maar ook wordt vervolgd vanwege zijn gehoorzaamheid aan de geschriften van de Geest der Profetie. De vervolging die tegen de Geest der Profetie wordt gericht, komt van binnenuit, niet van buitenaf.
At the beginning of ancient Israel, after four hundred years in Egypt, those who were to be the chosen covenant people no longer kept the Sabbath. They did not know Christ’s character or nature. They held to misunderstandings about God that they inculcated while in captivity. The ten plagues; the Red Sea deliverance; the heavenly manna; the sanctuary and all its furnishings; the sacred ceremonies; the courtyard, holy place and Most Holy Place; the law of God; the Rock that followed them; the water that came out of the Rock that followed them and even the serpent on the pole were all intended to increase the knowledge of God in His chosen people. It was a progressive education. That progressive education continued until the scribes “durst ask him no more questions” and He then identified the very last subject they would have in an open discussion with Him, and it had to do with the name of David and who and what Christ is.
Aan het begin van het oude Israël, na vierhonderd jaar in Egypte, hielden degenen die het uitverkoren verbondsvolk moesten zijn de sabbat niet langer. Zij kenden het karakter of de natuur van Christus niet. Zij hingen misvattingen over God aan die zij hun tijdens de gevangenschap hadden ingeprent. De tien plagen; de verlossing door de Rode Zee; het hemelse manna; het heiligdom en al zijn toebehoren; de heilige plechtigheden; de voorhof, het Heilige en het Allerheiligste; de wet van God; de Rots die hen volgde; het water dat voortkwam uit de Rots die hen volgde en zelfs de slang op de paal waren alle bedoeld om de kennis van God in Zijn uitverkoren volk te vermeerderen. Het was een voortschrijdende opvoeding. Die voortschrijdende opvoeding ging door totdat de schriftgeleerden „Hem geen vragen meer durfden te stellen”, en Hij vervolgens juist het allerlaatste onderwerp aanwees dat zij in een open gesprek met Hem zouden hebben, en dat had betrekking op de naam van David en op wie en wat Christus is.
At the beginning of modern spiritual Israel, after 1260 years in spiritual Babylon, those who were to be the chosen covenant people no longer kept the Sabbath. They did not know Christ’s character or nature. They held to misunderstandings about God that they inculcated while in captivity. The history of Adventism with all its waymarks, apostasies, compromises and internal struggles reached a point in the 1880’s when The Desire of Ages was published. Enshrined in that book on page 671, is an understanding of the Godhead that has developed far beyond the understanding that came from the eighteenth century.
Aan het begin van het moderne geestelijke Israël, na 1260 jaar in geestelijk Babylon, hielden zij die het uitverkoren verbondsvolk moesten zijn de sabbat niet langer. Zij kenden het karakter of de natuur van Christus niet. Zij hielden vast aan misvattingen over God die zij tijdens hun gevangenschap hadden ingeprent gekregen. De geschiedenis van het adventisme, met al zijn wegmarkeringen, afval, compromissen en innerlijke worstelingen, bereikte in de jaren 1880 een punt waarop The Desire of Ages werd gepubliceerd. In dat boek, op bladzijde 671, ligt een begrip van de Godheid besloten dat zich ver voorbij het begrip heeft ontwikkeld dat uit de achttiende eeuw afkomstig was.
Ancient Israel had a controversy at its ending that was brought about by a limited understanding of the Godhead, that was based upon an understanding from their beginning history. The testimony of Jesus says, whether the Father, the Son or the Holy Spirit they are all “the fulness of the Godhead bodily” (Colossians 2:9). The biblical testimony says, “Hear, O Israel: the Lord our God is one Lord” (Deuteronomy 6:4).
Het oude Israël had aan het einde van zijn geschiedenis een controverse, veroorzaakt door een beperkte opvatting van de Godheid, die was gebaseerd op een begrip uit zijn vroegste geschiedenis. Het getuigenis van Jezus zegt dat, hetzij de Vader, de Zoon of de Heilige Geest, zij allen “de volheid der Godheid lichamelijk” zijn (Kolossenzen 2:9). Het bijbelse getuigenis zegt: “Hoor, Israël: de HEERE, onze God, is een enig HEERE” (Deuteronomium 6:4).
Modern Israel holds to a variety of ideas about the Godhead, and only one is correct. At the end of modern Israel God will finish the work of revealing His character in terms of doing so while probationary time lingers. That is what He did for the Jews, and He never changes. It is certain we will continue to grow in our understanding of God’s nature and character throughout eternity, but there has been a purposeful prophetic line of the truth demonstrating God’s efforts to educate His people about Himself, and that history is part of the education He is seeking to teach now, and the information found in the prophetic word concerning that educational process identifies an end of the discussion that corresponds to the close of probation.
Het moderne Israël huldigt uiteenlopende opvattingen over de Godheid, en slechts één daarvan is juist. Aan het einde van het moderne Israël zal God het werk voltooien van de openbaring van Zijn karakter, en wel door dit te doen terwijl de genadetijd nog voortduurt. Dat is wat Hij voor de Joden heeft gedaan, en Hij verandert nooit. Het is zeker dat wij gedurende de hele eeuwigheid zullen blijven groeien in ons begrip van Gods natuur en karakter, maar er is een doelgerichte profetische lijn van de waarheid geweest die Gods pogingen laat zien om Zijn volk over Zichzelf te onderwijzen, en die geschiedenis maakt deel uit van het onderwijs dat Hij nu tracht te geven, en de informatie die in het profetische woord wordt gevonden aangaande dat onderwijzende proces markeert een einde van de discussie dat overeenkomt met het sluiten van de genadetijd.
“Christ is the pre-existent, self-existent Son of God…. In speaking of his pre-existence, Christ carries the mind back through dateless ages. He assures us that there never was a time when He was not in close fellowship with the eternal God. He to whose voice the Jews were then listening had been with God as one brought up with Him.” Signs of the Times, August 29, 1900.
„Christus is de pre-existente, in Zichzelf bestaande Zoon van God…. Wanneer Christus spreekt over Zijn pre-existentie, voert Hij de gedachten terug door tijdloze eeuwen. Hij verzekert ons ervan dat er nooit een tijd is geweest waarin Hij niet in nauwe gemeenschap met de eeuwige God verkeerde. Hij naar wiens stem de Joden toen luisterden, was bij God geweest als Een die bij Hem was grootgebracht.” Signs of the Times, 29 augustus 1900.
“He was equal with God, infinite and omnipotent…. He is the eternal, self-existent Son.
„Hij was gelijk aan God, oneindig en almachtig…. Hij is de eeuwige, uit Zichzelf bestaande Zoon.
“While God’s Word speaks of the humanity of Christ when upon this earth, it also speaks decidedly regarding His pre-existence. The Word existed as a divine being, even as the eternal Son of God, in union and oneness with His Father. From everlasting He was the Mediator of the covenant, the one in whom all nations of the earth, both Jews and Gentiles, if they accepted Him, were to be blessed. ‘The Word was with God, and the Word was God.’ Before men or angels were created, the Word was with God, and was God.” Review and Herald, April 5, 1906.
“Hoewel Gods Woord spreekt over de menselijkheid van Christus toen Hij op deze aarde was, spreekt het ook met nadruk over Zijn pre-existentie. Het Woord bestond als een goddelijk Wezen, evenals de eeuwige Zoon van God, in vereniging en eenheid met Zijn Vader. Van eeuwigheid af was Hij de Middelaar van het verbond, Degene in wie alle volken der aarde, zowel Joden als heidenen, indien zij Hem aannamen, gezegend zouden worden. ‘Het Woord was bij God, en het Woord was God.’ Voordat mensen of engelen werden geschapen, was het Woord bij God, en was God.” Review and Herald, 5 april 1906.
In the passage she quotes from John’s very first words.
In de passage citeert zij uit Johannes’ allereerste woorden.
In the beginning was the Word, and the Word was with God, and the Word was God. The same was in the beginning with God. All things were made by him; and without him was not anything made that was made. John 1:1–3.
In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God. Dit was in den beginne bij God. Alle dingen zijn door Hetzelve gemaakt, en zonder Hetzelve is geen ding gemaakt dat gemaakt is. Johannes 1:1–3.
In the beginning there was at least two Gods, for John just said, “The Word was God and was with God.” In the first verse of Genesis the Hebrew word “Elohim,” is translated as God. Often in God’s word “Elohim” is placed in a grammatic structure to identify a singular God, but it is a plural, none-the-less. John removes the consideration of “Elohim” in the verse being a singular God with his second witness to the subject. His testimony establishes at least two Gods.
In den beginne waren er ten minste twee Goden, want Johannes zei zojuist: „Het Woord was God en was bij God.” In het eerste vers van Genesis wordt het Hebreeuwse woord „Elohim” vertaald als God. Dikwijls wordt „Elohim” in Gods Woord in een grammaticale constructie geplaatst om één enkele God aan te duiden, maar het is niettemin meervoudig. Johannes neemt de overweging weg dat „Elohim” in dat vers een enkelvoudige God zou zijn door zijn tweede getuigenis over dit onderwerp. Zijn getuigenis bevestigt ten minste twee Goden.
More troubling for anti-trinitarians who profess to uphold the Spirit of Prophecy is that in the beginning “the Spirit of God moved upon the face of the waters.” Is the “Spirit” that moved upon the water the Father or the Son, or was it the third person of the heavenly trio as Sister White addresses Him? John’s first three verses in his gospel are followed by these words.
Nog verontrustender voor anti-trinitariërs die belijden de Geest der Profetie te handhaven, is dat in het begin „de Geest Gods zweefde over de wateren.” Is de „Geest” die over de wateren zweefde de Vader of de Zoon, of was het de derde persoon van het hemelse drietal, zoals Zuster White naar Hem verwijst? Op de eerste drie verzen van Johannes in zijn Evangelie volgen deze woorden.
In him was life; and the life was the light of men. And the light shineth in darkness; and the darkness comprehended it not. John 1:4, 5.
In Hem was het leven, en het leven was het licht der mensen. En het licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft het niet begrepen. Johannes 1:4, 5.
The reference to light and dark is in complete agreement with the beginning of Genesis which says.
De verwijzing naar licht en duisternis is volledig in overeenstemming met het begin van Genesis, waar staat.
And God said, Let there be light: and there was light. And God saw the light, that it was good: and God divided the light from the darkness. Genesis 1:3, 4.
En God zei: Er zij licht; en er was licht. En God zag het licht, dat het goed was; en God maakte scheiding tussen het licht en de duisternis. Genesis 1:3, 4.
We will return shortly to these two parallel passages of the light that is the subject in the creation story that follows after the introduction of the Godhead. In the beginning the first truth that is addressed is the make-up or the nature of the Godhead. But the passage does not stop until chapter two verse three where we find the final three words in the creation begin with the three Hebrew letters that together create the word translated as “truth.”
Wij zullen weldra terugkeren naar deze twee parallelle passages over het licht, dat het onderwerp is in het scheppingsverhaal dat volgt op de inleiding van de Godheid. In het begin is de eerste waarheid die aan de orde komt de samenstelling of de natuur van de Godheid. Maar de passage eindigt niet vóór hoofdstuk twee, vers drie, waar wij zien dat de laatste drie woorden in de schepping beginnen met de drie Hebreeuwse letters die samen het woord vormen dat als „waarheid” wordt vertaald.
The beginning of the account of creation introduces the Godhead, then sets forth the creative power of His word, and then ends the passage with a divine signature representing truth, the third angel’s message and the name of God as represented by Alpha and Omega.
Het begin van het scheppingsverhaal introduceert de Godheid, stelt vervolgens de scheppende kracht van Zijn woord voor, en besluit daarna de passage met een goddelijke handtekening die de waarheid, de boodschap van de derde engel en de naam van God vertegenwoordigt, zoals voorgesteld door Alpha en Omega.
And on the seventh day God ended his work which he had made; and he rested on the seventh day from all his work which he had made. And God blessed the seventh day, and sanctified it: because that in it he had rested from all his work which God created and made. Genesis 2:2, 3.
En op de zevende dag voltooide God Zijn werk dat Hij gemaakt had; en Hij rustte op de zevende dag van al Zijn werk dat Hij gemaakt had. En God zegende de zevende dag en heiligde die; omdat Hij daarop gerust had van al Zijn werk dat God geschapen en gemaakt had. Genesis 2:2, 3.
The end of the first truths taught in God’s Word are the climax of the passage. It ends with the three words “God,” “created” and “made,” thus emphasizing the beginning of the passage, but just as importantly emphasizing the seventh-day Sabbath. The Sabbath of course is the symbol of creation and the sign between God and His chosen people. “Truth” is represented in the three letters that begin each of those final three words of creation. The testimony is emphasizing how significant and important the Sabbath truth is, but just as profound is that those three letters also represent the three steps of the first, second and third angels’ messages. Thus, in the very first passage of the Bible the Sabbath as the sign of God’s creative power is also identified as the testing issue at the end of time. The last book in the Bible provides a third witness to accompany John’s testimony in his gospel.
Het einde van de eerste waarheden die in Gods Woord worden onderwezen, vormt het hoogtepunt van de passage. Zij eindigt met de drie woorden „God”, „schiep” en „maakte”, waarmee het begin van de passage wordt benadrukt, maar evenzeer de sabbat van de zevende dag. De sabbat is uiteraard het symbool van de schepping en het teken tussen God en Zijn uitverkoren volk. „Waarheid” wordt weergegeven in de drie letters waarmee elk van die laatste drie woorden van de schepping begint. De getuigenis beklemtoont hoe betekenisvol en belangrijk de sabbatswaarheid is, maar even diepzinnig is het dat die drie letters ook de drie stappen van de boodschappen van de eerste, tweede en derde engel vertegenwoordigen. Zo wordt in de allereerste passage van de Bijbel de sabbat, als het teken van Gods scheppende macht, tevens aangewezen als de toetssteen aan het einde der tijd. Het laatste boek van de Bijbel verschaft een derde getuige ter ondersteuning van Johannes’ getuigenis in zijn evangelie.
John to the seven churches which are in Asia: Grace be unto you, and peace, from him which is, and which was, and which is to come; and from the seven Spirits which are before his throne; And from Jesus Christ, who is the faithful witness, and the first begotten of the dead, and the prince of the kings of the earth. Unto him that loved us, and washed us from our sins in his own blood, And hath made us kings and priests unto God and his Father; to him be glory and dominion for ever and ever. Amen. Behold, he cometh with clouds; and every eye shall see him, and they also which pierced him: and all kindreds of the earth shall wail because of him. Even so, Amen. I am Alpha and Omega, the beginning and the ending, saith the Lord, which is, and which was, and which is to come, the Almighty.
Johannes aan de zeven gemeenten die in Asia zijn: genade zij u en vrede van Hem Die is, en Die was, en Die komt; en van de zeven Geesten die vóór Zijn troon zijn; en van Jezus Christus, Die de getrouwe Getuige is, de Eerstgeborene uit de doden en de Overste van de koningen der aarde. Hem, Die ons heeft liefgehad en ons van onze zonden gewassen heeft in Zijn eigen bloed, en Die ons gemaakt heeft tot koningen en priesters voor God en Zijn Vader—toe zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen. Zie, Hij komt met de wolken, en elk oog zal Hem zien, ook zij die Hem doorstoken hebben; en alle geslachten der aarde zullen over Hem weeklagen. Ja, amen. Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde, zegt de Heere, Die is, en Die was, en Die komt, de Almachtige.
I John, who also am your brother, and companion in tribulation, and in the kingdom and patience of Jesus Christ, was in the isle that is called Patmos, for the word of God, and for the testimony of Jesus Christ. I was in the Spirit on the Lord’s day, and heard behind me a great voice, as of a trumpet, Saying, I am Alpha and Omega, the first and the last: and, What thou seest, write in a book, and send it unto the seven churches which are in Asia; unto Ephesus, and unto Smyrna, and unto Pergamos, and unto Thyatira, and unto Sardis, and unto Philadelphia, and unto Laodicea. Revelation 1:4–11.
Ik, Johannes, die ook uw broeder ben en deelgenoot in de verdrukking, en in het koninkrijk en de volharding van Jezus Christus, was op het eiland genaamd Patmos, om het woord van God en om het getuigenis van Jezus Christus. Ik was in de Geest op de dag des Heeren, en ik hoorde achter mij een luide stem, als van een bazuin, die zei: Ik ben de Alfa en de Omega, de Eerste en de Laatste; en: Wat gij ziet, schrijf dat in een boek en zend het aan de zeven gemeenten die in Asia zijn: naar Efeze, en naar Smyrna, en naar Pergamus, en naar Thyatira, en naar Sardis, en naar Filadelfia, en naar Laodicea. Openbaring 1:4–11.
The first three verses of Revelation chapter one identifies the final warning message and how that message is conveyed from God to mankind. It also states that it is the Revelation of Jesus Christ, thus marking a distinction between the book of Revelation and the book of Daniel. One is a prophecy, the other a revelation.
De eerste drie verzen van Openbaring hoofdstuk één identificeren de laatste waarschuwingsboodschap en hoe die boodschap van God aan de mensheid wordt overgebracht. Er wordt ook verklaard dat het de Openbaring van Jezus Christus is, waarmee een onderscheid wordt gemarkeerd tussen het boek Openbaring en het boek Daniël. Het ene is een profetie, het andere een openbaring.
“In the Revelation all the books of the Bible meet and end. Here is the complement of the book of Daniel. One is a prophecy; the other a revelation. The book that was sealed is not the Revelation, but that portion of the prophecy of Daniel relating to the last days. The angel commanded, ‘But thou, O Daniel, shut up the words, and seal the book, even to the time of the end.’ Daniel 12:4.” Acts of the Apostles, 585.
“In de Openbaring komen alle boeken van de Bijbel samen en vinden zij hun voltooiing. Hier is de aanvulling op het boek Daniël. Het ene is een profetie; het andere een openbaring. Het boek dat verzegeld was, is niet de Openbaring, maar dat gedeelte van de profetie van Daniël dat betrekking heeft op de laatste dagen. De engel gebood: ‘Maar gij, Daniël, sluit deze woorden toe en verzegel het boek, tot de tijd van het einde.’ Daniël 12:4.” Handelingen der Apostelen, 585.
In the book of Revelation there are lines of prophecy that are to be recognized and brought together line upon line. All those prophetic lines end in the book of Revelation, but the book that was sealed was not the book of Revelation, and it was not simply the book of Daniel that was sealed up, but what was sealed in the book of Daniel was “that portion of the prophecy of Daniel relating to the last days.”
In het boek Openbaring zijn er profetische lijnen die moeten worden onderkend en regel op regel samengebracht. Al die profetische lijnen eindigen in het boek Openbaring, maar het boek dat verzegeld was, was niet het boek Openbaring, en het was ook niet eenvoudigweg het boek Daniël dat verzegeld was, maar wat in het boek Daniël verzegeld was, was „dat gedeelte van de profetie van Daniël dat betrekking heeft op de laatste dagen.”
The “last days” can be understood in a general sense, but understanding them as inspired words, (which they are) requires we also evaluate if the expression “last days” has a prophetic symbolism attached to it. The “last days” are a specific period of prophetic history that has many lines of support. I hope to lay out that history in the near future. It is specifically the history of 1798 until the close of probation. One way to recognize this is that in the literal sanctuary service there was one day of the year that represented judgment, and that was the Day of Atonement. That literal ceremony typified what Sister White calls the anti-typical Day of Atonement. The prophetic or spiritual Day of Atonement represents the “last days” of probationary time, it represents the period of the final judgment.
De „laatste dagen” kunnen in algemene zin worden begrepen, maar om ze te verstaan als geïnspireerde woorden, (wat zij zijn) moeten wij ook nagaan of de uitdrukking „laatste dagen” een profetische symboliek met zich meebrengt. De „laatste dagen” vormen een specifieke periode in de profetische geschiedenis, waarvoor vele ondersteunende lijnen bestaan. Ik hoop die geschiedenis in de nabije toekomst uiteen te zetten. Het is in het bijzonder de geschiedenis van 1798 tot aan het sluiten van de genadetijd. Een manier om dit te herkennen is dat er in de letterlijke heiligdomsdienst één dag van het jaar was die het oordeel vertegenwoordigde, en dat was de Grote Verzoendag. Die letterlijke ceremonie was een type van wat zuster White de antitypische Grote Verzoendag noemt. De profetische of geestelijke Grote Verzoendag vertegenwoordigt de „laatste dagen” van de genadetijd; zij vertegenwoordigt de periode van het laatste oordeel.
The prophecy in Daniel that was sealed up was two-fold. There was a prophecy relating to the last days that the Millerites recognized which announced the opening of the judgment. That passage of Daniel is represented by the Ulai River vision of chapters eight and nine. The other prophecy that was sealed up in Daniel announces the close of the judgment, and the end of Adventism, and the end of the United States, and the end of the world. That vision was represented by the Hiddekel River.
De profetie in Daniël die verzegeld was, was tweeledig. Er was een profetie met betrekking tot de laatste dagen die de Millerieten herkenden en die de opening van het oordeel aankondigde. Die passage in Daniël wordt voorgesteld door het visioen bij de rivier de Ulai in hoofdstukken acht en negen. De andere profetie die in Daniël verzegeld was, kondigt de afsluiting van het oordeel aan, en het einde van het adventisme, en het einde van de Verenigde Staten, en het einde van de wereld. Dat visioen werd voorgesteld door de rivier de Hiddekel.
“The light that Daniel received from God was given especially for these last days. The visions he saw by the banks of the Ulai and the Hiddekel, the great rivers of Shinar, are now in process of fulfillment, and all the events foretold will soon come to pass.” Testimonies to Ministers, 112, 113.
„Het licht dat Daniël van God ontving, werd in het bijzonder voor deze laatste dagen gegeven. De gezichten die hij aanschouwde aan de oevers van de Ulai en de Hiddekel, de grote rivieren van Sinear, zijn thans bezig in vervulling te gaan, en alle voorzegde gebeurtenissen zullen spoedig plaatsvinden.” Testimonies to Ministers, 112, 113.
The Ulai vision was unsealed in 1798 and addresses God’s sanctuary and His people. The Hiddekel vision was unsealed in 1989 when, as described in Daniel eleven, verse forty, the countries representing the former Soviet Union were swept away by the papacy and the United States, and addresses the enemies of God’s people. The two visions function as do the seven churches and seven seals in the book of Revelation. One is the internal history of the church and the other is the external history of the church, and they both run the entirety of and are “especially for” “these last days.”
Het gezicht van de Ulai werd in 1798 ontzegeld en handelt over Gods heiligdom en Zijn volk. Het gezicht van de Hiddekel werd in 1989 ontzegeld, toen, zoals beschreven in Daniël elf, vers veertig, de landen die de voormalige Sovjet-Unie vertegenwoordigden, werden weggevaagd door het pausdom en de Verenigde Staten, en het handelt over de vijanden van Gods volk. De twee gezichten functioneren zoals de zeven gemeenten en de zeven zegels in het boek Openbaring. Het ene is de innerlijke geschiedenis van de kerk en het andere is de uiterlijke geschiedenis van de kerk, en beide bestrijken de gehele tijdsduur en zijn „in het bijzonder voor” „deze laatste dagen.”
But though we are told the book of Revelation is not the sealed book, we are also told that it is a sealed book.
Maar hoewel ons wordt gezegd dat het boek Openbaring niet het verzegelde boek is, wordt ons ook gezegd dat het een verzegeld boek is.
“Revelation is a sealed book, but it is also an opened book. It records marvelous events that are to take place in the last days of this earth’s history. The teachings of this book are definite, not mystical and unintelligible. In it the same line of prophecy is taken up as in Daniel. Some prophecies God has repeated, thus showing that importance must be given to them. The Lord does not repeat things that are of no great consequence.” Manuscript Releases, volume 9, 8.
„Openbaring is een verzegeld boek, maar het is ook een geopend boek. Het beschrijft wonderbare gebeurtenissen die in de laatste dagen van de geschiedenis van deze aarde zullen plaatsvinden. De leringen van dit boek zijn duidelijk, niet mystiek en onbegrijpelijk. Daarin wordt dezelfde lijn van profetie opgenomen als in Daniël. Sommige profetieën heeft God herhaald en daarmee getoond dat daaraan gewicht moet worden toegekend. De Heer herhaalt geen dingen die niet van groot belang zijn.” Manuscript Releases, deel 9, 8.
The book of Revelation is unsealed because the prophecies in Daniel are unsealed, and the very lines of prophecies that have been unsealed in Daniel are the same lines that are found in Revelation. What was sealed up in the book of Revelation was a portion of Revelation especially related to God’s people in the “last days.” When Sister White wrote this statement the “seven thunders” was at the time she wrote it sealed up, so she wrote that “it is a sealed book.” She also said the book of Daniel was the “book that was sealed,” in the past tense. For her it had been unsealed in 1798.
Het boek Openbaring is ontzegeld omdat de profetieën in Daniël ontzegeld zijn, en juist de profetische lijnen die in Daniël zijn ontzegeld, zijn dezelfde lijnen die in Openbaring worden aangetroffen. Wat in het boek Openbaring verzegeld was, was een gedeelte van Openbaring dat in het bijzonder betrekking heeft op Gods volk in de „laatste dagen”. Toen zuster White deze uitspraak schreef, waren de „zeven donderslagen” ten tijde van haar schrijven nog verzegeld; daarom schreef zij dat „het een verzegeld boek is”. Zij zei ook dat het boek Daniël het „boek was dat verzegeld was”, in de verleden tijd. Voor haar was het in 1798 ontzegeld.
What was sealed up concerning the seven thunders in her lifetime was not simply the future events represented by the seven thunders, but primarily that the “seven thunders” represent that the beginning of Adventism parallels the end of Adventism. The “seven thunders” is revealing the most important prophetic rule needed to understand the Revelation of Jesus Christ, while also revealing an attribute of God’s nature and character, that He is the beginning and end of all things. Prophecy identifies that there is a purposeful development of the truths connected to God’s nature and character.
Wat in haar leven verzegeld was aangaande de zeven donderslagen, betrof niet slechts de toekomstige gebeurtenissen die door de zeven donderslagen worden voorgesteld, maar in de eerste plaats dat de “zeven donderslagen” aanduiden dat het begin van het adventisme parallel loopt met het einde van het adventisme. De “zeven donderslagen” openbaren de belangrijkste profetische regel die nodig is om de Openbaring van Jezus Christus te verstaan, terwijl zij tevens een eigenschap van Gods natuur en karakter openbaren, namelijk dat Hij het begin en het einde van alle dingen is. De profetie geeft te kennen dat er een doelbewuste ontwikkeling is van de waarheden die verbonden zijn met Gods natuur en karakter.
Jesus, when represented as the “Lion of the tribe of Judah”, is symbolizing the work He accomplishes as He reveals truth in an incremental and systematic way through history. He seals up the prophetic word, until the point in time when it is to be understood. He seals and unseals truth for the purpose of instruction. As Palmoni, Jesus is the Wonderful Numberer, the Master of time controlling His-story. As Alpha and Omega, He is, among other things, the Master of language. As the Lion of the tribe of Judah He is the one who controls when truth is revealed to men.
Jezus, wanneer Hij wordt voorgesteld als de „Leeuw uit de stam van Juda”, symboliseert het werk dat Hij volbrengt terwijl Hij de waarheid op een geleidelijke en systematische wijze door de geschiedenis heen openbaart. Hij verzegelt het profetische woord tot het tijdstip waarop het verstaan moet worden. Hij verzegelt en ontzegelt de waarheid met het oog op onderricht. Als Palmoni is Jezus de Wonderbare Tellenaar, de Meester van de tijd die Zijn-geschiedenis bestuurt. Als Alfa en Omega is Hij, onder andere, de Meester van de taal. Als de Leeuw uit de stam van Juda is Hij Degene die bepaalt wanneer de waarheid aan de mensen wordt geopenbaard.
In Revelation chapter one after the first three verses the Godhead is set forth as three distinct entities.
In Openbaring, hoofdstuk één, wordt na de eerste drie verzen de Godheid voorgesteld als drie onderscheiden entiteiten.
John to the seven churches which are in Asia: Grace be unto you, and peace,
Johannes aan de zeven gemeenten die in Asia zijn: genade zij u en vrede,
from him which is, and which was, and which is to come;
van Hem Die is, en Die was, en Die komt;
and from the seven Spirits which are before his throne;
en van de zeven Geesten die vóór zijn troon zijn;
And from Jesus Christ, who is the faithful witness, and the first begotten of the dead, and the prince of the kings of the earth. Revelation 1:4, 5.
En van Jezus Christus, die de getrouwe Getuige is, de Eerstgeborene uit de doden, en de Vorst van de koningen der aarde. Openbaring 1:4, 5.
The introduction to the last book of the Bible clearly sends a greeting to God’s church which identifies the Father, the Spirit and the Son. The ending of God’s Word is repeating the beginning, and in so doing is emphasizing the significance of the correct understanding of the Godhead. It is doing so for those who will be Philadelphians and make up the one hundred and forty-four thousand. They are the final covenant people, who have been typified throughout the lines of covenant history. Those witnesses, among other truths, establish that God has been incrementally seeking to increase the knowledge of His nature and character throughout prophetic history.
De inleiding van het laatste boek van de Bijbel zendt duidelijk een groet aan Gods gemeente, waarin de Vader, de Geest en de Zoon worden aangeduid. Het einde van Gods Woord herhaalt het begin en benadrukt daarmee het belang van het juiste begrip van de Godheid. Het doet dit ten behoeve van hen die Filadelfiërs zullen zijn en de honderdvierenveertigduizend zullen vormen. Zij zijn het laatste verbondsvolk, dat door de gehele linie van de verbondsgeschiedenis heen is voorafgebeeld. Die getuigenissen bevestigen, onder andere waarheden, dat God er gedurende de profetische geschiedenis stapsgewijs naar heeft gestreefd de kennis van Zijn natuur en karakter te vermeerderen.
The greatest symbol in the Bible of man’s lack of the knowledge of God was Pharaoh who represented Egypt, a symbol of the entire world and therefore all of mankind. That waymark begins the process in the beginning of literal Israel where God was seeking to make known His name. At the end of literal Israel, the controversy over God’s name was repeated. At the end of literal Israel Jesus marked His interaction with the Jews by identifying the history of David and using “the rule of first mention” to represent the final statement concerning the Jews’ Laodicean blindness. They could not understand what He was saying, for they did not know the rule of Alpha and Omega, nor did they know the Alpha and Omega standing before them.
Het grootste symbool in de Bijbel van het gebrek van de mens aan de kennis van God was Farao, die Egypte vertegenwoordigde, een symbool van de gehele wereld en daarom van de hele mensheid. Die wegmarkering begint het proces aan het begin van het letterlijke Israël, waar God ernaar streefde Zijn naam bekend te maken. Aan het einde van het letterlijke Israël werd de strijd over Gods naam herhaald. Aan het einde van het letterlijke Israël kenmerkte Jezus Zijn omgang met de Joden door de geschiedenis van David aan te wijzen en de „regel van de eerste vermelding” te gebruiken om de definitieve uitspraak over de Laodiceïsche blindheid van de Joden weer te geven. Zij konden niet begrijpen wat Hij zei, want zij kenden de regel van Alfa en Omega niet, en evenmin kenden zij de Alfa en Omega Die vóór hen stond.
At the beginning of spiritual Israel, the controversy typified in the history of Moses is paralleled. As Adventism has travelled through the history of “the last days,” many opportunities to understand more of Alpha and Omega have been given, just as was the case with ancient Israel. There will be a point where no more questions will be asked at the end of Adventism, as there was in the days of Christ.
Aan het begin van het geestelijke Israël vindt de voorafbeelding van de strijd, zoals die in de geschiedenis van Mozes is getypeerd, haar parallel. Terwijl het adventisme door de geschiedenis van „de laatste dagen” is voortgegaan, zijn vele gelegenheden geboden om meer van Alfa en Omega te verstaan, evenals het geval was met het oude Israël. Er zal aan het einde van het adventisme een punt komen waarop geen verdere vragen meer zullen worden gesteld, zoals dat ook het geval was in de dagen van Christus.
Returning to the passage in Revelation chapter one we see that grace and peace are sent from Him which is, and which was, and which is to come, and also from the seven Spirits and also from Jesus. The Godhead is represented as Jesus, the seven Spirits, and Him which is, and which was, and which is to come, thus allowing us to know that it is the Father who possesses the characteristics represented as He who is, was and is to come. These characteristics represent the eternal nature of God. He has always existed, and in verse eight and nine that very attribute is clearly assigned to Jesus.
Wanneer wij terugkeren naar de passage in Openbaring hoofdstuk één, zien wij dat genade en vrede worden gezonden van Hem Die is, en Die was, en Die komt, en ook van de zeven Geesten en ook van Jezus. De Godheid wordt voorgesteld als Jezus, de zeven Geesten, en Hem Die is, en Die was, en Die komt, zodat wij kunnen weten dat het de Vader is Die de eigenschappen bezit die worden weergegeven als Hij Die is, was en komt. Deze eigenschappen vertegenwoordigen de eeuwige natuur van God. Hij heeft altijd bestaan, en in vers acht en negen wordt juist dat kenmerk duidelijk aan Jezus toegeschreven.
I am Alpha and Omega, the beginning and the ending, saith the Lord, which is, and which was, and which is to come, the Almighty. I John, who also am your brother, and companion in tribulation, and in the kingdom and patience of Jesus Christ, was in the isle that is called Patmos, for the word of God, and for the testimony of Jesus Christ. I was in the Spirit on the Lord’s day, and heard behind me a great voice, as of a trumpet, Saying, I am Alpha and Omega, the first and the last: and, What thou seest, write in a book, and send it unto the seven churches which are in Asia; unto Ephesus, and unto Smyrna, and unto Pergamos, and unto Thyatira, and unto Sardis, and unto Philadelphia, and unto Laodicea. Revelation 1:8–11.
Ik ben de Alfa en de Omega, het begin en het einde, zegt de Heere, Die is en Die was en Die komt, de Almachtige. Ik, Johannes, die ook uw broeder ben en deelgenoot in de verdrukking en in het Koninkrijk en de volharding van Jezus Christus, was op het eiland dat Patmos genoemd wordt, om het woord van God en om het getuigenis van Jezus Christus. Ik was in de Geest op de dag des Heeren, en ik hoorde achter mij een luide stem, als van een bazuin, die zei: Ik ben de Alfa en de Omega, de Eerste en de Laatste; en: Wat gij ziet, schrijf dat in een boek en zend het aan de zeven gemeenten die in Asia zijn: aan Efeze, en aan Smyrna, en aan Pergamus, en aan Thyatira, en aan Sardis, en aan Filadelfia, en aan Laodicea. Openbaring 1:8–11.
Those who have a Bible that writes the words of Jesus in the color red, know that in verses eight and eleven it is Jesus that is speaking. In those verses Jesus identifies that He possesses the identical eternal nature as the Father when He identifies Himself as “the Lord, which is, and which was, and which is to come,” and Jesus also adds that He is “the Almighty.”
Zij die een Bijbel hebben waarin de woorden van Jezus in rode letters zijn gedrukt, weten dat het in de verzen acht en elf Jezus is die spreekt. In die verzen geeft Jezus te kennen dat Hij dezelfde eeuwige natuur bezit als de Vader, wanneer Hij Zichzelf aanduidt als „de Heere, Die is, en Die was, en Die komen zal”, en Jezus voegt daaraan ook toe dat Hij „de Almachtige” is.
The very first thing Jesus says in the beginning of the book of Revelation, the book that identifies that it is the Revelation of Jesus Christ; is that He is Alpha and Omega, that He too is eternal as the Father is and that He also is God Almighty. The attributes of God’s nature are the very first words in the book of Revelation from Jesus. Those attributes are direct stumbling blocks for Adventists who still defend the original position of the Godhead. They believe there was a time when the Father brought forth His Son.
Het allereerste wat Jezus zegt aan het begin van het boek Openbaring, het boek dat verklaart dat het de Openbaring van Jezus Christus is, is dat Hij de Alfa en de Omega is, dat ook Hij eeuwig is zoals de Vader eeuwig is, en dat ook Hij de almachtige God is. De eigenschappen van Gods natuur zijn de allereerste woorden in het boek Openbaring uit de mond van Jezus. Die eigenschappen vormen rechtstreekse struikelblokken voor adventisten die nog steeds het oorspronkelijke standpunt over de Godheid verdedigen. Zij geloven dat er een tijd is geweest waarin de Vader Zijn Zoon heeft voortgebracht.
The end of the book of Revelation agrees with the beginning of the book of Revelation.
Het einde van het boek Openbaring stemt overeen met het begin van het boek Openbaring.
The Second Coming follows the description of the Godhead. In chapter twenty-two we find the end of the book agrees with the beginning of the book and verse twelve parallels verse seven of chapter one by referencing the Second Coming.
De wederkomst volgt op de beschrijving van de Godheid. In hoofdstuk tweeëntwintig zien wij dat het einde van het boek overeenstemt met het begin van het boek, en vers twaalf loopt parallel met vers zeven van hoofdstuk één doordat het naar de wederkomst verwijst.
And, behold, I come quickly; and my reward is with me, to give every man according as his work shall be. I am Alpha and Omega, the beginning and the end, the first and the last. Blessed are they that do his commandments, that they may have right to the tree of life, and may enter in through the gates into the city. For without are dogs, and sorcerers, and whoremongers, and murderers, and idolaters, and whosoever loveth and maketh a lie. I Jesus have sent mine angel to testify unto you these things in the churches. I am the root and the offspring of David, and the bright and morning star. And the Spirit and the bride say, Come. And let him that heareth say, Come. And let him that is athirst come. And whosoever will, let him take the water of life freely. Revelation 22:12–17.
En zie, Ik kom spoedig, en Mijn loon is bij Mij, om een ieder te vergelden naar zijn werk zal zijn. Ik ben de Alfa en de Omega, het begin en het einde, de eerste en de laatste. Zalig zijn zij die Zijn geboden doen, opdat zij recht mogen hebben op de boom des levens, en door de poorten mogen ingaan in de stad. Want buiten zijn de honden, en de tovenaars, en de hoereerders, en de moordenaars, en de afgodendienaars, en ieder die de leugen liefheeft en doet. Ik, Jezus, heb Mijn engel gezonden om u in de gemeenten van deze dingen te getuigen. Ik ben de Wortel en het Geslacht van David, de blinkende Morgenster. En de Geest en de bruid zeggen: Kom. En laat hij die het hoort, zeggen: Kom. En laat hij die dorst heeft, komen. En laat hij die wil, het water des levens nemen om niet. Openbaring 22:12–17.
After referencing the Second Coming, Jesus, as in Revelation chapter one, identifies Himself as Alpha and Omega. Then he adds the distinction between those who would hear and those who would not hear what the Spirit said unto the churches. He references the communication process illustrated in verses one through three in chapter one, by identifying that he sent Gabriel with the message to John.
Na te hebben verwezen naar de Tweede Komst, identificeert Jezus Zichzelf, evenals in Openbaring hoofdstuk één, als de Alfa en de Omega. Vervolgens voegt Hij het onderscheid toe tussen hen die zouden horen en hen die niet zouden horen wat de Geest tot de gemeenten zei. Hij verwijst naar het communicatieproces dat in de verzen één tot en met drie van hoofdstuk één wordt geïllustreerd, door aan te geven dat Hij Gabriël met de boodschap tot Johannes heeft gezonden.
Then He returns to the final statement that He made to the Scribes and Pharisees at the end of ancient Israel. He ties both endings of literal and spiritual Israel together, by answering in Revelation for those in the “last days” what the Jews in their “last days” could not understand. He says that He is the root (beginning) and offspring (ending) of David. The subject of David and his Lord was the last statement Jesus made to the quibbling Jews, and it typifies the final pronouncement for those in the last days that, according to the message to the Philadelphian church, claim to be Jews, but are not.
Vervolgens keert Hij terug naar de laatste uitspraak die Hij aan het einde van het oude Israël tot de Schriftgeleerden en Farizeeën richtte. Hij verbindt beide einden van het letterlijke en het geestelijke Israël met elkaar, door in Openbaring voor hen in de „laatste dagen” te beantwoorden wat de Joden in hun „laatste dagen” niet konden begrijpen. Hij zegt dat Hij de wortel (het begin) en het nageslacht (het einde) van David is. Het onderwerp van David en zijn Heer was de laatste uitspraak die Jezus tot de redetwistende Joden richtte, en het is een voorafschaduwing van de einduitspraak voor hen die in de laatste dagen, overeenkomstig de boodschap aan de gemeente van Filadelfia, beweren Joden te zijn, maar het niet zijn.
Behold, I will make them of the synagogue of Satan, which say they are Jews, and are not, but do lie; behold, I will make them to come and worship before thy feet, and to know that I have loved thee. Because thou hast kept the word of my patience, I also will keep thee from the hour of temptation, which shall come upon all the world, to try them that dwell upon the earth. Revelation 3:9, 10.
Zie, Ik zal hen maken tot degenen uit de synagoge van de satan, die zeggen dat zij Joden zijn, en het niet zijn, maar liegen; zie, Ik zal hen doen komen en aanbidden aan uw voeten, en doen weten dat Ik u heb liefgehad. Omdat gij het woord van Mijn volharding hebt bewaard, zal ook Ik u bewaren voor het uur der verzoeking, dat over de gehele wereld komen zal om hen te beproeven die op de aarde wonen. Openbaring 3:9, 10.
Those who worship at the feet of the saints are Laodicean Adventists who have been spewed out of the mouth of the Lord.
Zij die aanbidden aan de voeten van de heiligen zijn Laodiceaanse adventisten die uit de mond van de Heer zijn uitgespuwd.
“You think, that those who worship before the saint’s feet, (Revelation 3:9), will at last be saved. Here I must differ with you; for God shew me that this class were professed Adventists, who had fallen away, and ‘crucified to themselves the Son of God afresh, and put him to an open shame.’ And in the ‘hour of temptation,’ which is yet to come, to show out everyone’s true character, they will know that they are forever lost; and overwhelmed with anguish of spirit, they will bow at the saint’s feet.” Word to the Little Flock, 12.
„U meent dat zij die zich nederbuigen aan de voeten van de heiligen (Openbaring 3:9), ten slotte gered zullen worden. Hier moet ik met u van mening verschillen; want God toonde mij dat deze klasse belijdende adventisten waren, die waren afgevallen en ‘voor zichzelf de Zoon van God opnieuw kruisigden en Hem openlijk te schande maakten.’ En in het ‘uur der verzoeking’, dat nog komen moet om ieders ware karakter aan het licht te brengen, zullen zij weten dat zij voor eeuwig verloren zijn; en, overweldigd door zielsangst, zullen zij zich nederbuigen aan de voeten van de heiligen.” Word to the Little Flock, 12.
According to the Bible and the Spirit of Prophecy those who worship at the saints’ feet, are members of the synagogue of Satan. They claim to be Jews, but they are not. The righteous Adventists are being addressed in the church of Philadelphia. The one hundred and forty-four thousand are Philadelphians, and the Jews who say they are, but are not—are Laodiceans. There are two classes of faithful people in the “last days,” the one hundred and forty-four thousand and those that are martyrs. There are only two churches of the seven that lack any criticism. One is Philadelphia representing those that never die, and the other is Smyrna, representing the faithful martyrs. The martyrs and those that do not die, Smyrna and Philadelphia, are the only churches of the seven with no condemnation attached to the message they were given. Yet, both churches had to deal with those who claimed to be Jews, but were not. This is so, for they are all members of the same church in the “last days” dealing with the same circumstances, one class destined to testify with their blood, represented by Moses at the Mount of Transfiguration, and the other class represented by Elijah who never died.
Volgens de Bijbel en de Geest der Profetie zijn zij die aanbidden aan de voeten der heiligen, leden van de synagoge des satans. Zij beweren Joden te zijn, maar zij zijn het niet. De rechtvaardige Adventisten worden aangesproken in de gemeente van Filadelfia. De honderd vierenveertigduizend zijn Filadelfiërs, en de Joden die zeggen dat zij het zijn, maar het niet zijn, zijn Laodicenzen. Er zijn twee groepen getrouwe mensen in de „laatste dagen”, de honderd vierenveertigduizend en zij die martelaren zijn. Van de zeven gemeenten zijn er slechts twee die geheel zonder enige berisping zijn. De ene is Filadelfia, die hen vertegenwoordigt die nooit sterven, en de andere is Smyrna, die de getrouwe martelaren vertegenwoordigt. De martelaren en zij die niet sterven, Smyrna en Filadelfia, zijn de enige gemeenten van de zeven waaraan in de boodschap die zij ontvingen geen veroordeling was verbonden. Toch hadden beide gemeenten te maken met hen die beweerden Joden te zijn, maar het niet waren. Dit is zo, want zij zijn allen leden van dezelfde gemeente in de „laatste dagen”, die met dezelfde omstandigheden te maken hebben: de ene groep bestemd om met hun bloed te getuigen, vertegenwoordigd door Mozes op de Berg der Verheerlijking, en de andere groep vertegenwoordigd door Elia, die nooit stierf.
And unto the angel of the church in Smyrna write; These things saith the first and the last, which was dead, and is alive; I know thy works, and tribulation, and poverty, (but thou art rich) and I know the blasphemy of them which say they are Jews, and are not, but are the synagogue of Satan. Fear none of those things which thou shalt suffer: behold, the devil shall cast some of you into prison, that ye may be tried; and ye shall have tribulation ten days: be thou faithful unto death, and I will give thee a crown of life. Revelation 2:8–10.
En schrijf aan de engel van de gemeente in Smyrna: Dit zegt de Eerste en de Laatste, Die dood geweest is en weer levend is geworden: Ik ken uw werken, en verdrukking, en armoede, maar gij zijt rijk; en Ik ken de godslastering van hen die zeggen dat zij Joden zijn, en het niet zijn, maar een synagoge van de satan. Vrees geen van de dingen die gij lijden zult. Zie, de duivel zal sommigen van u in de gevangenis werpen, opdat gij beproefd wordt; en gij zult een verdrukking hebben van tien dagen. Wees getrouw tot de dood, en Ik zal u de kroon des levens geven. Openbaring 2:8–10.
As Jesus describes the dire circumstances of the church of Smyrna, he makes but one positive comment when He says, “but thou art rich,” thus contrasting them with the members of the synagogue of Satan who are not rich. Those in Revelation that are Adventist and think they are rich, and are not, are the Jews that say they are Jews, and are not—for they are Laodicean Seventh-day Adventists.
Terwijl Jezus de benarde omstandigheden van de gemeente van Smyrna beschrijft, maakt Hij slechts één positieve opmerking wanneer Hij zegt: „maar gij zijt rijk”, en stelt hen daarmee in tegenstelling tot de leden van de synagoge van Satan, die niet rijk zijn. Degenen in Openbaring die adventistisch zijn en menen dat zij rijk zijn, terwijl zij het niet zijn, zijn de Joden die zeggen dat zij Joden zijn, en het niet zijn — want zij zijn Laodiceaanse Zevendedagsadventisten.
In the opening of Revelation, the Godhead is presented as three persons and at the end of the book of Revelation Jesus and the Spirit are directly mentioned, but not the Father. It matters not, because the principle of line upon line combined with the first illustrating the last, demands that the Father be recognized in the last verses of Revelation, for He is already identified as being there in the first verses. It is no different than the gospel of John chapter one, where John does not directly identify the Spirit, but the Spirit is understood to be there, for the Spirit was there the very first time the expression “in the beginning” was written. John’s gospel testimony in chapter one begins with the identical phrase “in the beginning.”
In de aanhef van Openbaring wordt de Godheid voorgesteld als drie Personen, en aan het einde van het boek Openbaring worden Jezus en de Geest rechtstreeks genoemd, maar niet de Vader. Dat doet echter niet ter zake, want het beginsel van regel op regel, verbonden met het feit dat het eerste het laatste verduidelijkt, vereist dat de Vader in de laatste verzen van Openbaring wordt erkend, aangezien Hij in de eerste verzen reeds als daar aanwezig is aangeduid. Het is niet anders dan in het Evangelie van Johannes, hoofdstuk één, waar Johannes de Geest niet rechtstreeks aanduidt, maar de Geest geacht wordt daar aanwezig te zijn, want de Geest was daar reeds de allereerste keer dat de uitdrukking „in den beginne” werd geschreven. Het getuigenis van Johannes in het eerste hoofdstuk van zijn evangelie begint met dezelfde woorden: „in den beginne.”
The “beginning” is a prophetic symbol and is to be evaluated with prophetic rules, including line upon line. Moses’ beginning, is the gospel of John’s beginning, is the beginning of the book of Revelation and it is also the end of Revelation. Of those four lines twice all three persons of the heavenly trio are identified, and in one line (John’s gospel) the Spirit might be missing and in the fourth line the Father is missing, but when brought together all three Divine Persons are represented in all four lines.
Het „begin” is een profetisch symbool en dient te worden beoordeeld volgens profetische regels, met inbegrip van regel op regel. Het begin van Mozes is het begin van het evangelie van Johannes, is het begin van het boek Openbaring, en het is ook het einde van Openbaring. Van die vier lijnen worden in twee gevallen alle drie de Personen van het hemelse trio aangeduid, en in één lijn (het evangelie van Johannes) ontbreekt mogelijk de Geest en in de vierde lijn ontbreekt de Vader, maar wanneer zij samengebracht worden, zijn alle drie de goddelijke Personen in alle vier de lijnen vertegenwoordigd.
Christ came to make known the Father, and the Holy Spirit came to make known the Son. All three made eternal sacrifices. The Father so loved the world that He gave Jesus, Jesus so loved the world that He agreed to take upon Himself, for eternity, the flesh of those He had created. What kind of giving is represented in the act of the Creator choosing to become part of His creation? The third person of the Godhead gave Himself, for He has accepted the position of living within the created entity called mankind—throughout eternity.
Christus kwam om de Vader bekend te maken, en de Heilige Geest kwam om de Zoon bekend te maken. Alle drie brachten eeuwige offers. De Vader heeft de wereld zó liefgehad dat Hij Jezus gaf; Jezus heeft de wereld zó liefgehad dat Hij ermee instemde voor eeuwig het vlees aan te nemen van hen die Hij geschapen had. Wat voor gave wordt voorgesteld in de daad van de Schepper die ervoor kiest deel te worden van Zijn schepping? De derde Persoon van de Godheid gaf Zichzelf, want Hij heeft de positie aanvaard om binnen de geschapen entiteit, de mensheid genaamd, te wonen — tot in alle eeuwigheid.
It is probably for this reason that the Holy Spirit is repeatedly associated with symbols of God’s people. He is the Person of the Godhead that is to abide with the human creation. Therefore, the symbols of the Holy Spirit in the Scriptures are more often than not represented by a symbol that both represents the Holy Spirit or mankind. In the beginning the Spirit moved upon the waters.
Waarschijnlijk is het om deze reden dat de Heilige Geest herhaaldelijk in verband wordt gebracht met symbolen van Gods volk. Hij is de Persoon van de Godheid die bij de menselijke schepping zal blijven. Daarom worden de symbolen van de Heilige Geest in de Schrift vaker wel dan niet weergegeven door een symbool dat zowel de Heilige Geest als de mensheid vertegenwoordigt. In het begin bewoog de Geest Zich over de wateren.
And he saith unto me, The waters which thou sawest, where the whore sitteth, are peoples, and multitudes, and nations, and tongues. Revelation 17:15.
En hij zeide tot mij: De wateren die gij gezien hebt, waar de hoer zit, zijn volken, en menigten, en natiën, en talen. Openbaring 17:15.
The only piece of furniture in the sanctuary erected by Moses that did not have a pattern specifically detailed for the workers to follow was the seven branched candlestick. The candlestick represents the combination of humanity with divinity. For this reason, the candlestick’s design was the only item in the sanctuary left for men to contribute to. The seven candlesticks that Christ walks among are identified as the seven churches, yet the candlestick was fueled with oil, representing the Holy Spirit, and the wicks of the candles that supported the flame for light were made from the used white linen garments of the priests, representing the righteousness of Christ that shines as the light of the world. God’s people are the light of the world, but that light is only fueled by the oil of the Holy Spirit. The Holy Spirit is often associated with people in the description of Him in the Scriptures.
Het enige meubelstuk in het heiligdom dat door Mozes werd opgericht waarvoor niet een patroon specifiek werd uitgewerkt dat de arbeiders moesten volgen, was de zevenarmige kandelaar. De kandelaar vertegenwoordigt de vereniging van menselijkheid met goddelijkheid. Om deze reden was het ontwerp van de kandelaar het enige voorwerp in het heiligdom waaraan mensen een bijdrage mochten leveren. De zeven kandelaars te midden waarvan Christus wandelt, worden aangeduid als de zeven gemeenten; toch werd de kandelaar gevoed met olie, die de Heilige Geest voorstelt, en de pitten van de lampen die de vlam droegen ten behoeve van het licht, waren gemaakt van de gebruikte witte linnen klederen van de priesters, die de gerechtigheid van Christus voorstellen, welke straalt als het licht der wereld. Gods volk is het licht der wereld, maar dat licht wordt uitsluitend gevoed door de olie van de Heilige Geest. De Heilige Geest wordt in de Schrift in de beschrijving van Hem dikwijls met mensen in verband gebracht.
And out of the throne proceeded lightnings and thunderings and voices: and there were seven lamps of fire burning before the throne, which are the seven Spirits of God. Revelation 4:5.
En uit de troon gingen bliksemstralen, donderslagen en stemmen voort; en er waren zeven vurige lampen brandende vóór de troon, welke de zeven Geesten Gods zijn. Openbaring 4:5.
Seven lamps are here identified as the “seven Spirits of God,” yet we are told the seven candlesticks are the seven churches.
Zeven lampen worden hier geïdentificeerd als de „zeven Geesten van God”, terwijl ons wordt gezegd dat de zeven kandelaars de zeven gemeenten zijn.
The mystery of the seven stars which thou sawest in my right hand, and the seven golden candlesticks. The seven stars are the angels of the seven churches: and the seven candlesticks which thou sawest are the seven churches. Revelation 1:20.
Het geheimenis van de zeven sterren die gij in mijn rechterhand hebt gezien, en van de zeven gouden kandelaars. De zeven sterren zijn de engelen van de zeven gemeenten; en de zeven kandelaars die gij hebt gezien, zijn de zeven gemeenten. Openbaring 1:20.
The seven candlesticks are both the seven Spirits and they are God’s church.
De zeven kandelaars zijn zowel de zeven Geesten als Gods kerk.
And I beheld, and, lo, in the midst of the throne and of the four beasts, and in the midst of the elders, stood a Lamb as it had been slain, having seven horns and seven eyes, which are the seven Spirits of God sent forth into all the earth. Revelation 5:6.
En ik zag, en zie, te midden van de troon en van de vier dieren, en te midden van de ouderlingen, een Lam staan als geslacht, hebbende zeven hoornen en zeven ogen, welke zijn de zeven Geesten Gods, uitgezonden over de ganse aarde. Openbaring 5:6.
The seven horns and seven eyes are also the Holy Spirit who is sent forth unto all the earth, and when baptized a Christian is sent forth unto all the earth, for he was baptized in the name of the Father, the Son and the Holy Spirit. In the blessing pronounced upon the martyrs of the Sunday law crisis, and all those who died in the faith in modern spiritual Israel since 1844, it is the Spirit that provides the eulogy for their burials’ when He states, “Yea,” “they may rest from their labors,” for he was there during their labors all the way until they laid down their lives.
De zeven horens en zeven ogen zijn ook de Heilige Geest, die uitgezonden wordt over de gehele aarde; en wanneer een christen wordt gedoopt, wordt ook hij uitgezonden over de gehele aarde, want hij is gedoopt in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. In de zegen die wordt uitgesproken over de martelaren van de zondagwetcrisis, en over allen die sinds 1844 in het geloof gestorven zijn in het moderne geestelijke Israël, is het de Geest die de lijkrede bij hun begrafenissen uitspreekt, wanneer Hij zegt: „Ja,” „opdat zij rusten mogen van hun arbeid”, want Hij was bij hen gedurende al hun arbeid, helemaal totdat zij hun leven neerlegden.
And I heard a voice from heaven saying unto me, Write, Blessed are the dead which die in the Lord from henceforth: Yea, saith the Spirit, that they may rest from their labours; and their works do follow them. Revelation 14:13.
En ik hoorde een stem uit de hemel, die tot mij zei: Schrijf, Zalig zijn de doden die van nu aan in de Heere sterven; ja, zegt de Geest, opdat zij mogen rusten van hun arbeid; en hun werken volgen hen. Openbaring 14:13.
When considering the end and beginning of the book of Revelation, the beginning of the Bible and the beginning of the gospel of John we find that all three Persons of the Godhead are represented, though the Father is there, based upon the application of line upon line. The Son is there identifying Himself as Alpha and Omega.
Wanneer wij het einde en het begin van het boek Openbaring, het begin van de Bijbel en het begin van het Evangelie van Johannes beschouwen, zien wij dat alle drie Personen van de Godheid vertegenwoordigd zijn, hoewel de Vader daar aanwezig is op grond van de toepassing van regel op regel. De Zoon is daar en identificeert Zichzelf als de Alfa en de Omega.
If we recognize that the combination of humanity with divinity is a combination of the Holy Spirit and mankind, we can then understand why symbols of the Holy Spirit are tied together with symbols of mankind. With this perspective in mind, we return to the two “in the beginnings” we have been addressing so often.
Als wij erkennen dat de vereniging van menselijkheid met goddelijkheid een vereniging is van de Heilige Geest en de mensheid, kunnen wij vervolgens begrijpen waarom symbolen van de Heilige Geest verbonden zijn met symbolen van de mensheid. Met dit perspectief voor ogen keren wij terug naar de twee „in den beginne” die wij zo dikwijls hebben behandeld.
In the beginning God created the heaven and the earth. And the earth was without form, and void; and darkness was upon the face of the deep. And the Spirit of God moved upon the face of the waters. And God said, Let there be light: and there was light. And God saw the light, that it was good: and God divided the light from the darkness. Genesis 1:1–4.
In den beginne schiep God de hemel en de aarde. De aarde nu was woest en ledig, en duisternis lag op de vloed; en de Geest Gods zweefde op de wateren. En God zeide: Er zij licht; en er was licht. En God zag het licht, dat het goed was; en God maakte scheiding tussen het licht en de duisternis. Genesis 1:1–4.
In the beginning was the Word, and the Word was with God, and the Word was God. The same was in the beginning with God. All things were made by him; and without him was not anything made that was made. In him was life; and the life was the light of men. And the light shineth in darkness; and the darkness comprehended it not. John 1:1–5.
In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God. Dit was in den beginne bij God. Alle dingen zijn door Hetzelve gemaakt, en zonder Hetzelve is geen ding gemaakt, dat gemaakt is. In Hetzelve was het leven, en het leven was het licht der mensen. En het licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft hetzelve niet begrepen. Johannes 1:1–5.
Using these two witnesses of “in the beginning;” God the Word, who made all things, also gave His life, for “in Him was life,” and His life was the “light” of men. The “light” of a created man is the righteousness of the Creator. The righteousness of the Creator is the wick in the candles in the sanctuary.
Met gebruikmaking van deze twee getuigenissen van „in den beginne”: God het Woord, die alle dingen gemaakt heeft, gaf ook Zijn leven, want „in Hem was leven”, en Zijn leven was het „licht” der mensen. Het „licht” van een geschapen mens is de gerechtigheid van de Schepper. De gerechtigheid van de Schepper is de pit in de kandelaars in het heiligdom.
And to her was granted that she should be arrayed in fine linen, clean and white: for the fine linen is the righteousness of saints. Revelation 19:18.
En haar is gegeven dat zij bekleed zou worden met fijn linnen, rein en wit; want het fijne linnen zijn de gerechtigheden der heiligen. Openbaring 19:18.
The oil that fuels the wick represents the activity of the Holy Spirit in the life of the believer. In the beginning the earth was dark and there was no light. Jesus then gave His life, the life that was in Him, so there could be light for men.
De olie die de pit voedt, vertegenwoordigt de werking van de Heilige Geest in het leven van de gelovige. In het begin was de aarde duister en was er geen licht. Vervolgens gaf Jezus Zijn leven, het leven dat in Hem was, opdat er licht voor de mensen zou kunnen zijn.
And all that dwell upon the earth shall worship him, whose names are not written in the book of life of the Lamb slain from the foundation of the world. Revelation 13:8.
En allen die op de aarde wonen, zullen hem aanbidden, van wie de namen niet geschreven zijn in het boek des levens van het Lam dat geslacht is van de grondlegging der wereld af. Openbaring 13:8.
When Jesus chose to be a sacrifice for mankind, He gave His life so men would have light. As is the case in these two passages, whenever light is introduced, the light produces two classes of worshippers as represented by light and darkness, the children of the day or the children of the night.
Toen Jezus ervoor koos een offer voor de mensheid te zijn, gaf Hij Zijn leven opdat de mensen licht zouden hebben. Zoals in deze twee passages het geval is, brengt het licht, telkens wanneer het wordt geïntroduceerd, twee categorieën aanbidders voort, voorgesteld door licht en duisternis: de kinderen van de dag of de kinderen van de nacht.
But ye, brethren, are not in darkness, that that day should overtake you as a thief. Ye are all the children of light, and the children of the day: we are not of the night, nor of darkness. 1 Thessalonians 5:4, 5.
Maar gij, broeders, zijt niet in de duisternis, zodat die dag u als een dief zou overvallen. Gij zijt allen kinderen van het licht en kinderen van de dag; wij zijn niet van de nacht, noch van de duisternis. 1 Thessalonicenzen 5:4, 5.
When we recognize the close eternal relationship the Holy Spirit has with the children of the day, we can understand why the symbols of both God’s children and the Holy Spirit are so closely related. In the last passage of Revelation, we see Jesus as the Alpha and Omega, we see the Father through the application of line upon line and the Holy Spirit is providing His final symbolic representation of Himself, for holy men of old spake as they were moved by the Holy Spirit. His first statement of Himself in Genesis identifies Him moving upon the waters, or moving upon mankind and His last reference to Himself is as follows.
Wanneer wij de nauwe, eeuwige verhouding erkennen die de Heilige Geest heeft met de kinderen van de dag, kunnen wij begrijpen waarom de symbolen van zowel Gods kinderen als de Heilige Geest zo nauw verwant zijn. In de laatste passage van Openbaring zien wij Jezus als de Alfa en de Omega, zien wij de Vader door de toepassing van regel op regel, en de Heilige Geest verschaft Zijn laatste symbolische voorstelling van Zichzelf, want heilige mannen van oudsher spraken, gedreven door de Heilige Geest. Zijn eerste uitspraak over Zichzelf in Genesis duidt Hem aan als bewegende over de wateren, of bewegende over de mensheid, en Zijn laatste verwijzing naar Zichzelf luidt als volgt.
And the Spirit and the bride say, Come. And let him that heareth say, Come. And let him that is athirst come. And whosoever will, let him take the water of life freely. Revelation 22:17.
En de Geest en de bruid zeggen: Kom. En laat hij die het hoort, zeggen: Kom. En laat hij die dorst heeft, komen. En wie wil, laat hem het water des levens om niet nemen. Openbaring 22:17.
From the beginning to the end the Holy Spirit is identified in association with mankind, for the children of the day represent a combination of divinity and humanity. Paul identifies, as does Isaiah, that men are vessels, and the candlesticks in the sanctuary had vessels where the wick was placed, and oil came down to the vessels to supply the fuel necessary to manifest the light that is the righteousness of Christ. We are the vessels of the Holy Spirit, the third Person of the Godhead as identified from the beginning unto the ending of God’s Word, and as straightly identified in the writings of the Spirit of Prophecy.
Van het begin tot het einde wordt de Heilige Geest aangeduid in verbinding met de mensheid, want de kinderen van de dag vertegenwoordigen een vereniging van goddelijkheid en menselijkheid. Paulus wijst er, evenals Jesaja, op dat mensen vaten zijn, en de kandelaren in het heiligdom hadden vaten waarin de pit werd geplaatst, en olie daalde neer in de vaten om de brandstof te verschaffen die nodig is om het licht te openbaren dat de gerechtigheid van Christus is. Wij zijn de vaten van de Heilige Geest, de derde Persoon van de Godheid, zoals aangeduid van het begin tot het einde van Gods Woord, en even nadrukkelijk aangewezen in de geschriften van de Geest der Profetie.
In the second angel’s message which was fulfilled in the beginning of Adventism and the end, there are two distinct messages; one for the church and one for the world.
In de boodschap van de tweede engel, die vervuld werd in het begin van het adventisme en aan het einde, zijn er twee onderscheiden boodschappen: één voor de kerk en één voor de wereld.