„Zo worden bij het doorzoeken van het veld en het graven naar de kostbare juwelen der waarheid verborgen schatten onderscheiden. Onverwacht vinden wij kostbaar erts dat moet worden verzameld en bewaard. En het onderzoek moet worden voortgezet. Tot dusver heeft een zeer groot deel van de gevonden schat dicht aan de oppervlakte gelegen en is gemakkelijk verkregen. Wanneer het onderzoek op de juiste wijze wordt verricht, wordt alle moeite aangewend om een zuiver inzicht en een zuiver hart te bewaren. Wanneer de geest open wordt gehouden en voortdurend het veld der openbaring doorzoekt, zullen wij rijke aders van waarheid vinden.
“Oude waarheden zullen in nieuwe aspecten worden geopenbaard, en waarheden zullen aan het licht komen die in het onderzoek over het hoofd zijn gezien. Machtige waarheden zijn begraven geweest onder de drogredenen van dwaling, maar zij zullen door de ijverige zoeker worden gevonden. Wanneer hij de schatkamer van de kostbare juwelen der waarheid vindt en opent, is dat geen roof; want allen die deze juwelen waarderen, mogen ze bezitten, en dan hebben ook zij een schatkamer om voor anderen te openen. Hij die meedeelt, berooft zichzelf niet van de schat; want terwijl hij die onderzoekt om haar zó voor te stellen dat zij anderen aantrekt, ontdekt hij nieuwe schatten....”
“Zij die voor het volk staan als leraars der waarheid, behoren zich bezig te houden met grote thema’s. Zij behoren geen kostbare tijd te besteden aan het spreken over onbeduidende onderwerpen. Laat hen het Woord bestuderen en het Woord prediken. Laat het Woord in hun handen zijn als een scherp, tweesnijdend zwaard. Laat het getuigen van waarheden uit het verleden en tonen wat er in de toekomst zal zijn.
„Toegenomen licht zal schijnen op al de grote waarheden der profetie, en zij zullen worden gezien in frisheid en luister, omdat de heldere stralen van de Zon der Gerechtigheid het geheel zullen verlichten.” Manuscript Releases, deel 1, 37–40.
Ik geloof dat ik met de voorgaande artikelen inmiddels voldoende profetische voorstellingen heb aangereikt om, terwijl wij verdergaan door het boek Openbaring, over een goed referentiepunt te beschikken. Indien u deze artikelen online leest, hoop ik dat u begrijpt dat de artikelen in chronologische volgorde van datum zijn geplaatst. Ik besef dat er onder degenen die deze artikelen volgen, mensen zijn die met het grootste deel van wat ik deel reeds vertrouwd zijn, en hun bied ik mijn verontschuldigingen aan voor alle herhaling. Ik heb getracht voldoende bijbelse onderbouwing te geven voor de waarheden die wij behandelen, opdat iemand die nieuw is met de beginselen waarvan Future for America gebruikmaakt, het zal begrijpen en betrokken zal blijven, hoewel het hem misschien ontbreekt aan een deel van de vertrouwdheid met deze begrippen die velen van ons reeds hebben.
Er zijn enkele zeer krachtige waarheden die in het boek Openbaring zijn ontsloten en die ik tot voor kort nooit had onderkend. Ik zou deze waarheden eenvoudig in de openbaarheid kunnen brengen zonder eerst te trachten een grondslag van profetische ondersteuning op te bouwen alvorens ik ze deel, maar de waarheden zijn zo nieuw en zo ernstig dat ik niet bereid ben geweest ze te delen zonder enig fundament waarop deze waarheden kunnen rusten, welke naar mijn overtuiging worden voorgesteld als de ontzegeling van Openbaring die plaatsvindt vlak voordat de genadetijd sluit.
En hij zeide tot mij: Verzegel de woorden der profetie van dit boek niet; want de tijd is nabij. Wie onrecht doet, laat hem nog meer onrecht doen; en wie vuil is, laat hem nog vuiler worden; en wie rechtvaardig is, laat hem nog meer gerechtigheid doen; en wie heilig is, laat hem nog meer geheiligd worden. Openbaring 22:10, 11.
Jezus zette een beginsel uiteen met betrekking tot het onderwijzen van de waarheid, dat naar mijn overtuiging hier van toepassing is. Dit beginsel is ingebed in de identificatie van het werk van de Heilige Geest.
En wanneer Hij gekomen zal zijn, zal Hij de wereld overtuigen van zonde, en van gerechtigheid, en van oordeel: Van zonde, omdat zij niet in Mij geloven; van gerechtigheid, omdat Ik heenga tot Mijn Vader, en gij Mij niet meer ziet; van oordeel, omdat de overste dezer wereld geoordeeld is. Nog veel heb Ik u te zeggen, maar gij kunt het thans niet dragen. Doch wanneer Die gekomen zal zijn, namelijk de Geest der waarheid, Hij zal u in al de waarheid leiden; want Hij zal niet van Zichzelf spreken, maar zo wat Hij zal gehoord hebben, zal Hij spreken; en de toekomstige dingen zal Hij u verkondigen. Die zal Mij verheerlijken; want Hij zal het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen. Johannes 16:8–16.
Toen Christus verklaarde: “Ik heb u nog veel te zeggen, maar gij kunt het thans niet dragen,” bevestigt dit mijn overtuiging dat er nu veel is om mee te delen, maar dat er eerst een logische grondslag moet zijn waarop die waarheden kunnen worden gebouwd. Dat gezegd zijnde, duiden de voorgaande verzen de boodschappen van de drie engelen aan als vertegenwoordigd door het werk van de Heilige Geest, Die “de wereld overtuigt van zonde, en van gerechtigheid, en van oordeel.” Die drie boodschappen vormen de laatste waarschuwingsboodschap, zodat deze passage, die het werk van de Heilige Geest aanduidt, een belangrijk getuigenis is, want zij benadrukt dat de boodschap gaandeweg wordt begrepen, en slechts wordt verstaan door hen die de olie van de Heilige Geest bezitten. Johannes beeldt juist die waarheid uit in het boek Openbaring, wanneer hij aangeeft dat hij aan het einde van de wereld een sabbatvierende Zevendedagsadventist is.
Ik was in de Geest op de dag des Heeren, en ik hoorde achter mij een luide stem, als van een bazuin. Openbaring 1:10.
Zevendedagsadventisten aan het einde van de wereld die de ontzegelde boodschap in Openbaring zullen begrijpen, zullen dit doen omdat zij „in de Geest” zijn. In de context van de gelijkenis waarvan ons is gezegd dat zij „de ervaring van het adventvolk illustreert”, is Johannes een wijze maagd, want hij heeft de olie van de Geest. Hij vertegenwoordigt de wijze maagden aan het einde van de wereld, die een luide stem „achter” zich horen. De „stem van achter” hem is de Alfa en de Omega, zoals in het onmiddellijk daaropvolgende vers wordt vastgesteld, en de stem geeft hem te kennen dat hij moet terugkeren tot de oude paden en daarop wandelen.
Zo zegt de HEERE: Staat op de wegen, en ziet toe, en vraagt naar de oude paden, waar toch de goede weg is, en wandelt daarin; zo zult gij rust vinden voor uw zielen. Maar zij zeiden: Wij zullen daarin niet wandelen. Jeremia 6:16.
De „rust” waarnaar Jeremia verwijst, is de uitstorting van de Heilige Geest tijdens de late regen. In het volgende vers geeft Jeremia een tweede illustratie van de dwaze maagden die weigeren terug te keren naar de fundamenten van het adventisme (de oude paden) en daarop te wandelen.
Ook heb Ik wachters over u gesteld, zeggende: Luistert naar het geluid van de bazuin. Maar zij zeiden: Wij zullen niet luisteren. Jeremia 6:17.
Wanneer Johannes de stem achter zich hoort die hem verwijst naar de oude paden of de grondslagen van het adventisme, is de stem die hij hoort als een bazuin. Die stem wordt overgebracht door de „wachters” die God over het adventisme heeft aangesteld. Vader Miller was de wachter die aan het begin van het adventisme de waarschuwingsbazuin blies tijdens de verkondiging van de eerste engel, die de opening van het oordeel aankondigde. Maar Johannes vertegenwoordigt in het bijzonder hen die de boodschap van de derde engel verkondigen, die de afsluiting van het oordeel aankondigt. Hij vertegenwoordigt hen die terugkeren tot de grondslagen die God door het werk van Miller heeft opgericht.
Wij hebben door de jaren heen herhaaldelijk aangetoond (en dit is te vinden in Habakkuks Tabellen) dat de boodschap van de eerste engel, „vrees God”, dient om van zonde te overtuigen, en dat de boodschap van de tweede engel de plaats is waar gerechtigheid geopenbaard wordt en de derde het oordeel aanduidt. Dit zijn de drie stappen van de drie engelen en tevens de drie stappen van het werk van de Heilige Geest. Deze drie stappen worden ook voorgesteld door de drie Hebreeuwse letters waaruit het Hebreeuwse woord bestaat dat vertaald wordt als „waarheid”. In het gedeelte uit Johannes zestien spreekt Jezus over het werk van de Heilige Geest in het leiden van Gods volk in „alle waarheid”, terwijl Hij hun ook „toekomende dingen” toont. Toch zegt Jezus dat Hij „nog vele dingen tot u te zeggen” heeft, „maar gij kunt die nu niet dragen.”
Ik hoop dat u iets hebt begrepen van de betekenis van het Hebreeuwse woord dat als „waarheid” is vertaald. Want wij zijn dat symbool nog maar pas op onze studie gaan toepassen. In de eerste drie verzen van Openbaring één wordt het communicatieproces tussen God en de mens geïdentificeerd. Het wordt geïdentificeerd nog voordat de Openbaring de drievoudige natuur van de Godheid aanduidt. Het vindt een tweede getuige in de laatste verzen van Openbaring en door dit te doen, brengt het, op grond van de toepassing van „regel op regel”, meer licht voort.
Wanneer wij vervolgens Genesis 1:1–2:3 toevoegen, vinden wij een derde getuige en nog een profetische lijn die over de voorgaande twee lijnen gelegd kan worden aan het begin en het einde van Openbaring.
Vervolgens voegen wij de laatste belofte in het Oude Testament toe, waarin de komende Elia wordt aangeduid, en dan hebben wij vier profetische lijnen.
Vervolgens voegen wij het eerste hoofdstuk van het Nieuwe Testament toe, en dan hebben wij vijf lijnen om samen te voegen tot de uiteindelijke boodschap die in de Bijbel wordt aangetroffen wanneer het beginsel van Alfa en Omega op alle lijnen wordt toegepast. Indien wij de vijf lijnen die wij reeds hebben geïdentificeerd, zouden voltooien door het beginsel overal op die vijf lijnen toe te passen, dan mogen wij verwachten aan het einde van Mattheüs en aan het einde van Johannes dezelfde informatie bevestigd te zien als in alle vijf van de „eerste en laatste” profetische lijnen die wij in beschouwing nemen.
De boodschap die wordt ontzegeld, is verankerd in het boek Openbaring; daarom is dit het referentiepunt voor de andere lijnen, in overeenstemming met Zuster White, die ons meedeelt dat “all the books of the Bible meet and end in Revelation.” De boodschap van de eerste drie verzen van het boek Openbaring geeft het proces aan dat God gebruikt om Zijn woord aan Johannes over te brengen, opdat hij het zou opschrijven en aan de gemeenten zenden. Het eerste boek van het Nieuwe Testament stelt, zoals reeds opgemerkt, de afstamming van Jezus Christus uiteen, en het begint met een zeer veelzeggend punt.
Het boek van het geslacht van Jezus Christus, de Zoon van David, de zoon van Abraham. Mattheüs 1:1.
Jezus beëindigde Zijn rechtstreekse omgang met de kibbelende Joden door hen het zwijgen op te leggen met het onderwerp van „de zoon van David”, een onderwerp dat door de Joden alleen begrepen had kunnen worden indien zij het bijbelse beginsel van begin en einde hadden verstaan. Dat deden zij niet, en de meeste adventisten doen dat evenmin. Eenieder die tegen het beginsel van een zich herhalende geschiedenis wenst te redetwisten, toont daarmee aan dat hij niet begrijpt dat het oude Israël een type is van het moderne Israël, en hun onwil om dat beginsel te geloven is dezelfde onwil als aan het einde van het oude Israël om hetzelfde beginsel te verstaan. Jezus verbeeldde dat beginsel in Zijn laatste raadsel aan de Joden door hen te wijzen op het raadsel hoe Davids Heere tevens Davids zoon kon zijn.
Johannes hoofdstuk één maakt duidelijk dat in den beginne het Woord bij God was, en het Woord is God en het Woord heeft alle dingen geschapen. Dit stemt uiteraard overeen met de andere lijnen waarnaar wij verwijzen. En als wij vervolgens de laatste woorden in het evangelie van Johannes beschouwen, zien wij dat Petrus, nadat hij Jezus had horen beschrijven hoe hij zou sterven, aan Jezus vroeg wat er met de apostel Johannes zou gebeuren.
Toen Petrus hem zag, zeide hij tot Jezus: Heere, en wat zal deze doen? Jezus zeide tot hem: Indien Ik wil dat hij blijft totdat Ik kom, wat gaat het u aan? Volg gij Mij. Dit gerucht dan ging uit onder de broeders, dat die discipel niet sterven zou; nochtans had Jezus niet tot hem gezegd: Hij zal niet sterven; maar: Indien Ik wil dat hij blijft totdat Ik kom, wat gaat het u aan? Deze is de discipel die van deze dingen getuigt en deze dingen geschreven heeft; en wij weten dat zijn getuigenis waarachtig is. En er zijn ook nog vele andere dingen die Jezus gedaan heeft, welke, indien zij elk afzonderlijk beschreven werden, naar ik meen zelfs de wereld zelf de boeken niet zou kunnen bevatten die geschreven zouden worden. Amen. Johannes 21:21–25.
Petrus wilde weten hoe Johannes zou sterven, of zelfs of Johannes wel zou sterven. Het antwoord wordt in de passage tweemaal herhaald, toen Jezus het uitsprak en Johannes het vervolgens opnieuw verwoordde: „Indien Ik wil dat hij [Johannes] blijve totdat Ik kom, wat gaat het u aan?” Johannes leefde inderdaad tot aan Jezus’ Wederkomst.
U kunt die „waarheid” slechts zien of horen indien u gelooft in de herhaling van de geschiedenis, en tevens dat de geschiedenis die herhaald zal worden, zich aan het einde van de wereld herhaalt. Het einde van de wereld is waar Johannes was toen hij het boek Openbaring schreef. Het laatste boek in het evangelie van Johannes stemt overeen met de andere lijnen van begin en einde, want het plaatst Johannes in de geschiedenis van de gebeurtenissen die tot de Wederkomst leiden, waar hij, als vertegenwoordiger van hen die de laatste waarschuwingsboodschap verkondigen, die boodschap aan de gemeenten zendt.
“In de dagen van de eerste christenen kwam Christus voor de tweede maal. Zijn eerste komst was te Bethlehem, toen Hij als een kind kwam. Zijn tweede komst was op het eiland Patmos, toen Hij Zichzelf in heerlijkheid openbaarde aan Johannes de Openbaarder, die ‘als dood aan Zijn voeten viel’ toen hij Hem zag. Maar Christus sterkte hem om de aanblik te verdragen en gaf hem vervolgens een boodschap om te schrijven aan de gemeenten van Azië, waarvan de namen de kenmerken van elke gemeente beschrijven.
„Het licht dat Christus aan Zijn dienstknecht, de profeet, heeft geopenbaard, is voor ons bestemd. In Zijn openbaring worden de boodschappen van de drie engelen gegeven, alsook een beschrijving van de engel die met grote kracht uit de hemel zou neerdalen en de aarde met zijn heerlijkheid verlichten. Daarin staan waarschuwingen tegen de goddeloosheid die in de laatste dagen zou bestaan, en tegen het merkteken van het beest. Wij behoren deze boodschap niet alleen te lezen en te verstaan, maar haar ook met een onmiskenbaar geluid aan de wereld te verkondigen. Door deze dingen die aan Johannes zijn geopenbaard naar voren te brengen, zullen wij in staat zijn het volk in beweging te brengen.” Manuscript Releases, deel 19, 41.
Het slot van het evangelie van Johannes duidt hetzelfde communicatieproces aan als in de eerste drie verzen van Openbaring, door Johannes profetisch te situeren in de geschiedenis van de Wederkomst. Zo wordt Jezus’ eerste „tweede komst” (Patmos) gebruikt ter illustratie van Zijn laatste „tweede komst”. Dit sluit volmaakt aan bij de andere lijnen die wij beschouwen, want het stelt Johannes voor aan het einde van de wereld, op Patmos, waar hij de Openbaring van Jezus Christus ontvangt. Hoe staat het met het slot van het boek Matteüs?
Toen gingen de elf discipelen naar Galilea, naar de berg waar Jezus hen ontboden had. En toen zij Hem zagen, aanbaden zij Hem; sommigen echter twijfelden. En Jezus kwam naar hen toe en sprak tot hen, zeggende: Mij is gegeven alle macht in de hemel en op de aarde. Gaat dan heen, onderwijst al de volken, hen dopende in de Naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest; hun lerende onderhouden alles wat Ik u geboden heb. En zie, Ik ben met u al de dagen, tot aan de voleinding der wereld. Amen. Mattheüs 28:16–20.
In deze passage wordt alle macht aan Jezus gegeven, en dit zou uiteraard Zijn scheppende macht zijn. Vervolgens geeft Hij het gebod te dopen in de naam van de Vader, de Zoon en ook de Heilige Geest, die in Genesis één over de wateren zweefde, en de zeven geesten die voor de troon van God zijn. Deze passage maakt duidelijk dat christenen de drie personen van het hemelse drietal dienen te erkennen als drie onderscheiden entiteiten. Het slot van Mattheüs voegt aan de regels toe zoals de andere zes dat doen.
„Christus heeft de doop gemaakt tot het teken van toegang tot Zijn geestelijk koninkrijk. Hij heeft hiervan een uitdrukkelijke voorwaarde gemaakt waaraan allen moeten voldoen die wensen erkend te worden als staande onder het gezag van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Voordat de mens een thuis kan vinden in de kerk, voordat hij de drempel van Gods geestelijk koninkrijk overschrijdt, moet hij het stempel van de goddelijke Naam ontvangen: ‘De HEERE onze gerechtigheid.’ Jeremia 23:6.
“De doop is een hoogst plechtige verzaking van de wereld. Degenen die in de drievoudige naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest worden gedoopt, verklaren reeds bij de aanvang van hun christelijk leven in het openbaar dat zij de dienst van Satan hebben verlaten en leden van de koninklijke familie, kinderen van de hemelse Koning, zijn geworden. Zij hebben gehoor gegeven aan het bevel: ‘Gaat uit het midden van hen, en scheidt u af, … en raakt het onreine niet aan.’ En aan hen wordt de belofte vervuld: ‘Ik zal u aannemen, en Ik zal u tot een Vader zijn, en gij zult Mij tot zonen en dochters zijn, zegt de Heere, de Almachtige.’ 2 Korinthe 6:17, 18.
“Wanneer christenen zich onderwerpen aan de plechtige inzetting van de doop, tekent Hij de gelofte op die zij afleggen om Hem trouw te zijn. Deze gelofte is hun eed van trouw. Zij worden gedoopt in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest. Zo worden zij verenigd met de drie grote machten van de hemel. Zij verbinden zich ertoe de wereld te verzaken en de wetten van het koninkrijk van God te onderhouden. Voortaan behoren zij te wandelen in nieuwheid des levens. Niet langer behoren zij de overleveringen van mensen te volgen. Niet langer behoren zij oneerlijke methoden te volgen. Zij behoren de inzettingen van het koninkrijk des hemels te gehoorzamen. Zij behoren Gods eer te zoeken. Indien zij hun gelofte trouw blijven, zal hun genade en kracht worden geschonken, die hen in staat zullen stellen alle gerechtigheid te vervullen. ‘Doch allen die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn naam geloven.’” Evangelism, 307.
Jezus illustreert in Zijn Woord het einde door het begin, want Hij is het Woord, en Hij is de Alfa en de Omega.
Wanneer deze zeven lijnen samen worden gebracht, ontstaat een zeer gedetailleerd beeld van het communicatieproces tussen God en de mens, waarbij vele andere wezenlijke en belangrijke waarheden door de andere „lijnen”-getuigen worden uiteengezet en bevestigd. Zeven „lijnen” van profetie die de Alfa en de Omega vertegenwoordigen. Maar hoe staat het met het boek Maleachi?
Het boek van Maleachi is een vernietigende bestraffing van de ontrouwe priesters binnen het adventisme. Het opent met de aanduiding van twee klassen van aanbidders binnen het adventisme aan het einde van de wereld.
De last van het woord des Heren tot Israël door Maleachi. Ik heb u liefgehad, zegt de Here. Toch zegt gij: Waarin hebt Gij ons liefgehad? Was Ezau niet Jakobs broeder? zegt de Here; nochtans heb Ik Jakob liefgehad. Maleachi 1:1, 2.
Maleachi deelt ons voorts mee dat de twee klassen aanbidders aan het einde van de wereld twee klassen priesters zijn.
En nu, o gij priesters, dit gebod is tot u gericht. Indien gij niet zult horen, en indien gij het niet ter harte zult nemen om mijn naam eer te geven, zegt de HEERE der heirscharen, dan zal Ik een vloek over u zenden, en Ik zal uw zegeningen vervloeken; ja, Ik heb ze reeds vervloekt, omdat gij het niet ter harte neemt. Maleachi 2:1, 2.
Het begin van Maleachi is een type van de boodschap aan Laodicea en Filadelfia, met twee klassen van priesters. De priesters wordt geboden te „horen”. Johannes vertegenwoordigt de priesters die wel horen, en een priester vertegenwoordigt Gods uitverkoren verbondsvolk. Zij zijn reeds vervloekt en zullen opnieuw vervloekt worden, indien zij niet „horen” en het niet of niet willen „ter harte nemen”.
Ook gij, als levende stenen, wordt opgebouwd tot een geestelijk huis, een heilig priesterschap, om geestelijke offers te brengen, die Gode welgevallig zijn door Jezus Christus. Daarom is ook in de Schrift vervat: Zie, Ik leg in Sion een uiterste Hoeksteen, uitverkoren en kostbaar; en wie in Hem gelooft, zal geenszins beschaamd worden. U dan, die gelooft, is Hij dierbaar; maar voor de ongehoorzamen geldt: De steen die de bouwlieden verworpen hebben, die is tot een hoofd des hoeks geworden, En tot een steen des aanstoots en een rots der ergernis, namelijk voor hen die zich aan het woord stoten, ongehoorzaam zijnde; waartoe zij ook bestemd waren. Gij echter zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een verkregen volk; opdat gij de deugden zoudt verkondigen van Hem Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht; Gij, die eertijds geen volk waart, maar nu Gods volk zijt; die eertijds geen ontferming hadt verkregen, maar nu ontferming hebt verkregen. 1 Petrus 2:5–10.
De priesters zijn Gods uitverkoren volk dat wordt beproefd door de „hoeksteen” in het fundament van de tempel. De hoeksteen is datgene waarnaar alle andere fundamentstenen worden uitgelijnd, en tevens is zij de steen die het gewicht van de gehele tempel draagt. Millers hoeksteen was de „zeven tijden” van Leviticus zesentwintig. De hoeksteen, of de steen die de bouwlieden verwierpen, is een waargebeurd verhaal van de bouw van de tempel, dat zeer specifiek wordt beschreven in de geschriften van de Geest der Profetie. Een punt met betrekking tot de eerste steen die werd verworpen, is dat zij terzijde werd gelegd nadat zij was verworpen, en vanaf dat moment zouden de bouwlieden van de tempel geregeld struikelen over de hoeksteen, die binnen hun werkterrein terzijde was gelegd. Zij was een steen des aanstoots.
In Maleachi maakt God aan de goddeloze priesters, ook bekend als de dwaze Laodiceïsche maagden, bekend dat Hij hen zal en reeds heeft „vervloekt”. Hij vervloekt hen, omdat zij de boodschap van Elia niet willen „horen” en niet „ter harte” willen nemen. De boodschap van Elia keert het hart van de vaders tot de kinderen en het hart van de kinderen tot de vaders. Dat hun hart wordt gekeerd, beeldt uit dat de boodschap van Elia aangaande vaders en kinderen wordt gehoord, wat het beginsel van de eerste en de laatste is. Het horen van de boodschap van de eerste en de laatste is niet genoeg; zij moet op het hart worden gelegd. De boodschap van Elia aanvaarden is haar ter harte nemen. Als een priester dat beginsel niet wil horen, zal hij vervloekt worden.
Zij hebben de vloek over zichzelf gebracht toen zij in 1863 begonnen met het proces van verwerping van de allereerste fundamentele waarheid die Miller ontdekte, en zij hebben niets anders gedaan dan die verwerping voortzetten tot op deze dag. Maar hoewel de voortschrijdende vloek in 1863 begon (want zij zijn reeds vervloekt), voltrekt de vloek die in de toekomende tijd staat zich wanneer zij bij de zondagswet uit de mond van de Heer worden uitgespuwd. Het begin van Maleachi beeldt het einde uit, want het einde vertegenwoordigt de laatste waarschuwing die aan de wijze en dwaze priesters wordt gegeven. De wijzen en dwazen in Maleachi worden voorgesteld als Esau en Jakob. De oudere broer vertegenwoordigt het verbond door het eerstgeboorterecht van de eerstgeborene, in tegenstelling tot een jongere broer. De oudere is de eerste en de jongere de laatste.
In Maleachi zijn zowel Ezau als Jakob Laodiceaanse Adventisten, maar de laatste hoorde uiteindelijk de „stem” van de Heere, had berouw en kreeg zijn naam veranderd in Israël. De oudste, de eerstgeborene, hoorde niet. Jakob hoorde de stem van de Heere in de nacht waarin hij droomde en engelen zag opklimmen en neerdalen langs de ladder, die Christus voorstelt. Jakob vertegenwoordigt de Laodiceaanse Adventisten aan het einde van de wereld, die van Laodiceërs tot Filadelfiërs worden bekeerd wanneer zij de eerste drie verzen van Openbaring één ervaren, zoals geïllustreerd door Johannes en Jakobs droom van de ladder met opklimmende en neerdalende engelen. Die ervaring markeert het begin van Jakobs bekering tot Israël, de Filadelfiër. Het einde van Jakobs bekeringsverhaal is wanneer hij met Christus worstelt te Pniël. Zo begint het verhaal van Jakobs eerstgeboorterecht in de eerste drie verzen van Openbaring hoofdstuk één, wanneer de ontzegeling van de laatste waarschuwingsboodschap plaatsvindt, en het eindigt in de tijd van de zeven laatste plagen, gedurende de benauwdheidstijd.
Alle vier reeksen van beginnen en eindigen geven, „regel op regel”, getuigenis aan de boodschap van de Openbaring van Jezus Christus. De vraag is of de dwaze priesters zullen horen of niet zullen horen.
Zalig is hij die leest, en zij die de woorden van deze profetie horen en bewaren wat daarin geschreven staat; want de tijd is nabij. Openbaring 1:3.
De wijze priesters die horen wat de Geest tot de gemeenten zegt, horen de boodschap van Elia. Miller was Elia, en sommigen hoorden, maar anderen weigerden.
“Duizenden werden ertoe gebracht de door William Miller gepredikte waarheid te aanvaarden, en dienstknechten van God werden verwekt in de geest en kracht van Elia om de boodschap te verkondigen. Evenals Johannes, de voorloper van Jezus, voelden zij die deze plechtige boodschap predikten zich genoodzaakt de bijl aan de wortel van de boom te leggen en de mensen op te roepen vruchten voort te brengen, de bekering waardig. Hun getuigenis was erop berekend de gemeenten op te wekken en krachtig te beïnvloeden, en hun ware karakter te openbaren. En toen de plechtige waarschuwing om te vluchten voor de toekomende toorn weerklonk, namen velen die met de gemeenten verbonden waren de genezende boodschap aan; zij zagen hun afdwalingen, en met bittere tranen van berouw en diepe zielenangst vernederden zij zich voor God. En toen de Geest van God op hen rustte, hielpen zij de roep te doen weerklinken: ‘Vreest God en geeft Hem heerlijkheid; want het uur van Zijn oordeel is gekomen.’” Early Writings, 233.
Miller werd voorafgeschaduwd zowel door Elia als door Johannes de Doper, want Johannes de Doper bereidde de weg voor de eerste komst van Christus, en Miller bereidde de weg voor Christus om op 22 oktober 1844 het Allerheiligste van het hemelse heiligdom binnen te gaan. Maleachi duidt rechtstreeks het werk van Johannes en Miller aan.
Zie, Ik zal Mijn bode zenden, en hij zal de weg voor Mijn aangezicht bereiden; en plotseling zal tot Zijn tempel komen de Heere, Die gij zoekt, te weten de Engel van het verbond, in Wie gij uw lust hebt; zie, Hij zal komen, zegt de HEERE der heirscharen. Maar wie zal de dag van Zijn komst verdragen? en wie zal bestaan, als Hij verschijnt? Want Hij zal zijn als het vuur van een goudsmid, en als de zeep der vollers. En Hij zal zitten, louterende en reinigende het zilver; en Hij zal de zonen van Levi reinigen, en Hij zal hen zuiveren als goud en als zilver, opdat zij de HEERE spijsoffer zullen toebrengen in gerechtigheid. Dan zal het spijsoffer van Juda en Jeruzalem de HEERE aangenaam zijn, als in de oude dagen en als in vorige jaren. En Ik zal tot ulieden ten gerichte naderen; en Ik zal een snel Getuige zijn tegen de tovenaars, en tegen de overspelers, en tegen hen die vals zweren, en tegen hen die de dagloner in zijn loon, de weduwe en de wees verdrukken, en het recht van de vreemdeling buigen, en Mij niet vrezen, zegt de HEERE der heirscharen. Want Ik, de HEERE, word niet veranderd; daarom zijt gij, o kinderen van Jakob, niet verteerd. Maleachi 3:1–6.
Als de ‘wachter’ voor zijn geschiedenis vertegenwoordigde Millers werk het oprichten van de fundamenten van de tempel. Zijn werk in het begin moet een werk uitbeelden dat de voltooiing van de tempel voorstelt. Dat laatste werk vereist een andere wachter om op de bazuin een helder geluid te geven. Miller en de boodschap van de eerste engel kondigden de opening van het oordeel aan, en de wachter die Miller aan het einde van het adventisme voorafschaduwt, zal de sluiting van het oordeel aankondigen.
In Maleachi belooft de Heere het oordeel te brengen „tegen de tovenaars, en tegen de overspelers, en tegen hen die vals zweren, en tegen hen die de dagloner in zijn loon onderdrukken, de weduwe en de wees, en die de vreemdeling zijn recht ontnemen, en Mij niet vrezen.” Degenen die hier worden aangewezen, zijn degenen die „de HEERE der heirscharen” „niet vrezen”. William Miller is de boodschapper van de eerste engel, die de mensen oproept God te „vrezen”. De grondslagen verwerpen, is de vreze Gods verwerpen.
Want zie, de dag komt, brandend als een oven; dan zullen alle hoogmoedigen, ja, allen die goddeloos handelen, stoppels zijn; en de dag die komt, zal hen verbranden, zegt de HEERE der heerscharen, zodat hij hun wortel noch tak zal overlaten. Maar voor u die mijn Naam vreest, zal de Zon der gerechtigheid opgaan, en er zal genezing zijn onder haar vleugelen; en gij zult uitgaan en opgroeien als kalveren uit de stal. En gij zult de goddelozen vertreden; want zij zullen as zijn onder de zolen van uw voeten op de dag dat Ik dit doen zal, zegt de HEERE der heerscharen. Gedenkt de wet van Mozes, mijn knecht, die Ik hem geboden heb op Horeb voor geheel Israël, met de inzettingen en verordeningen. Zie, Ik zend u de profeet Elia, voordat de grote en vreselijke dag des HEEREN komt. En hij zal het hart der vaderen tot de kinderen terugbrengen, en het hart der kinderen tot hun vaderen, opdat Ik niet kome en het land met de ban sla. Maleachi 4:1–6.
-
Het begin van de Bijbel (Genesis) en het einde van de Bijbel (Openbaring).
-
Het begin van het Oude Testament (Genesis) en het einde van het Oude Testament (Maleachi).
-
Het begin van het Nieuwe Testament (Mattheüs) en het einde van het Nieuwe Testament (opnieuw Openbaring).
-
Het begin van het getuigenis van Johannes (het Evangelie van Johannes) en het einde van het getuigenis van Johannes (opnieuw Openbaring).
-
Het begin van Maleachi en het einde van Maleachi.
-
Het begin van het Evangelie van Matteüs en het einde van het Evangelie van Matteüs.
-
Het begin van het Evangelie van Johannes en het einde van het Evangelie van Johannes.
-
Het begin van de vier evangeliën en het einde van de vier evangeliën.
Wanneer wij de profetische beginpunten of eindpunten die meer dan eens worden genoemd, weglaten, blijven er acht profetische lijnen over die samengebracht en gelegd moeten worden op de eerste drie verzen van Openbaring. Maar hoe zit het met het einde van Genesis?
Genesis hoofdstuk vijftig eindigt met de dood van Jozef.
Zo stierf Jozef, honderd en tien jaar oud zijnde; en zij balsemden hem, en hij werd in een kist gelegd in Egypte. Genesis 50:26.
Hoofdstuk achtenveertig vermeldt de dood van Jakob. Dat de dood van Jakob als eerste in hoofdstuk achtenveertig staat en vervolgens de dood van Jozef in de slotverzen van hoofdstuk vijftig, plaatst het stempel van de Alfa en de Omega op de laatste drie hoofdstukken van Genesis als het einde van het boek Genesis.
Deze twee sterfgevallen worden gebruikt als symbolen van het begin en het einde van Israëls gevangenschap in Egypte. Aan het begin wordt Jakobs lichaam teruggebracht om bij zijn vaderen begraven te worden, en wanneer Mozes uit Egypte vertrekt, brengt hij Jozefs lichaam mee om het te begraven op de begraafplaats van zijn vaderen.
En Mozes nam de beenderen van Jozef met zich mee; want deze had de kinderen Israëls nadrukkelijk doen zweren, zeggende: God zal u gewisselijk bezoeken; en gij zult mijn beenderen vanhier met u opvoeren. Exodus 13:19.
Het slot van Genesis omvat de laatste drie hoofdstukken. In hoofdstuk achtenveertig spreekt Jakob (Israël) zegeningen uit over zijn twaalf zonen, die rechtstreeks worden aangeduid als profetieën van wat er met die twaalf stammen geschiedt in de „laatste dagen” van het onderzoekend oordeel.
En Jakob riep zijn zonen en zei: Vergadert u, opdat ik u verkondige wat u in de laatste dagen zal overkomen. Vergadert u, en hoort, gij zonen van Jakob; en luistert naar Israël, uw vader. Genesis 49:1, 2.
In de „laatste dagen” van het onderzoekend oordeel belooft de Heer zijn twaalf zonen te vergaderen, die in het boek Openbaring worden voorgesteld als de honderd vierenveertigduizend. Dezen zijn het die Johannes in het boek Openbaring afbeeldt. Zij worden vergaderd door een roep van Jakob, een roep uit hun beginhistorie, waarvan hun gezegd wordt dat zij die moeten „horen” en daarnaar moeten „luisteren”. In de laatste dagen „horen” degenen die door Jakobs zonen worden uitgebeeld een boodschap en „luisteren” daarnaar, of, zoals Johannes zegt, „bewaren” zij hetgeen daarin geschreven staat. Het is een roep van de vader tot de kinderen; het is de Elia-boodschap. Degenen die geroepen worden, worden „zoon[‘s] van Jakob” genoemd, en moeten ook „luisteren naar Israël”, hun vader.
Esau en Jakob in Maleachi vertegenwoordigen de wijze en de dwaze maagden. De roep komt van hun vader Jakob en hun vader Israël, waarmee wordt aangeduid dat, wanneer de laatste roep klinkt, iedereen een Laodicese Adventist is en de keuze in hun eigen handen wordt gelegd of zij een zoon van Jakob, de bedrieger, dan wel van Israël, de overwinnaar, willen zijn. Wat hun in staat stelt een keuze te maken, is de scheppende kracht binnen de boodschap. Indien de boodschap wordt gelezen, gehoord en bewaard, zullen zij dan door dezelfde scheppende kracht die alle dingen tot bestaan heeft gebracht, veranderd worden tot een zoon van Israël. Te weigeren te horen, is de ervaring van Jakob, de bedrieger, te behouden.
De oproep tot verzameling door Jakob, die tevens de oproep tot verzameling is van de boodschap die in Openbaring wordt ontzegeld, is een belangrijk symbool om te begrijpen. De „zeven tijden” van Leviticus zesentwintig leren dat er geen verzameling is, tenzij daaraan voorafgaand een verstrooiing heeft plaatsgevonden. De honderdvierenveertigduizend zijn degenen die reeds vóór de roeping verstrooid waren. Deze waarheid wordt in de Bijbel herhaaldelijk aangeduid.
Hoort het woord des HEEREN, gij volken, en verkondigt het op de verre eilanden, en zegt: Hij die Israël verstrooid heeft, zal hem vergaderen en hem behoeden, zoals een herder zijn kudde. Jeremia 31:10.
Het verbond dat met de honderdvierenvijftigduizend wordt vernieuwd, omvat de belofte dat God zijn wet in ons hart zal schrijven. Maar zij aan wie deze scheppende daad door de Heer wordt voltrokken, zijn tevoren verstrooid geweest.
Opnieuw kwam het woord des HEEREN tot mij, zeggende: Mensenkind, uw broeders, ja, uw broeders, de mannen van uw verwantschap, en het ganse huis Israëls in zijn geheel, zij zijn het tot wie de inwoners van Jeruzalem gezegd hebben: Gaat ver weg van den HEERE; aan ons is dit land tot bezitting gegeven. Daarom, zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Hoewel Ik hen ver weggeworpen heb onder de heidenen, en hoewel Ik hen verstrooid heb onder de landen, toch zal Ik hun een klein heiligdom zijn in de landen waar zij gekomen zijn. Daarom, zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Ik zal u zelfs verzamelen uit de volken, en u bijeenbrengen uit de landen waarheen gij verstrooid zijt, en Ik zal u het land Israëls geven. En zij zullen daarheen komen, en zij zullen vandaar al zijn verfoeiselijke dingen en al zijn gruwelen verwijderen. En Ik zal hun één hart geven, en een nieuwe geest in uw binnenste leggen; en Ik zal het stenen hart uit hun vlees wegnemen en hun een hart van vlees geven. Ezechiël 11:14–19.
Er valt meer te zeggen over de vergadering van de honderdvierenveertigduizend in verband met de „verstrooiing”, maar wij moeten eerst de beschouwing bijeenbrengen van de signatuur van Alfa en Omega in deze negen verwijzingen die wij in overweging nemen.
In de laatste drie hoofdstukken van Genesis worden twee klassen voorgesteld. Een klasse van weerspannigen en een klasse van wijzen. Beide klassen horen een stem die zegt: dit is de weg, wandelt daarop; maar de ene klasse weigerde naar de bazuin te luisteren en te wandelen op de oude paden. De klasse van weerspannigen in Genesis achtenveertig tot en met vijftig wordt vertegenwoordigd door de dertiende stam.
Aan het begin van het oude Israël waren er dertien stammen, en aan het begin van het moderne Israël waren er dertien discipelen. De ene discipel die van de andere twaalf discipelen wordt onderscheiden, (zoals Efraïm van de andere stammen werd onderscheiden) is in beide gevallen een symbool van opstand. Zuster White noemt Judas rechtstreeks een dwaze maagd.
“Er zijn en zullen altijd onkruiden onder de tarwe zijn, de dwaze maagden met de wijze, zij die geen olie in hun kruiken met hun lampen hebben. Er was een hebzuchtige Judas in de gemeente die Christus op aarde vormde, en er zullen Judassen in de gemeente zijn in elke fase van haar geschiedenis.” Signs of the Times, 23 oktober 1879.
Judas Iskariot was een dwaze maagd; hij was een dolik en, als hij een dwaze maagd was, dan ook een Laodiceër.
„De toestand van de Kerk, voorgesteld door de dwaze maagden, wordt ook aangeduid als de Laodicese toestand.” Review and Herald, 19 augustus 1890.
Jozefs twee zonen ontvingen beiden een zegen van Jakob in het achtenveertigste hoofdstuk van Genesis, en vanaf dat moment worden zij aangeduid als „halve stammen”. Halve stammen of niet, zij waren nog steeds stammen. Judas Iskariot werd vervangen door Mattias om de twaalfde plaats te vervullen die voorheen door Judas Iskariot werd ingenomen. Judas was een discipel, en in deze zin waren er aan het einde van het oude Israël dertien discipelen, evenals er aan het begin dertien stammen waren.
Jozefs zoon Efraïm (de dertiende stam) werd het symbool van de opstand toen de tien noordelijke stammen zich verenigden ter ondersteuning van Jerobeam en het koninkrijk verdeelden in tien noordelijke stammen en twee zuidelijke stammen. Waarom identificeer ik Efraïm, de zoon van Jozef, als het symbool van de opstand in plaats van zijn broer Manasse? De opstand die met Efraïm verbonden is, begint in hoofdstuk achtenveertig, voordat Jakob zijn twaalf zonen zegent. In hoofdstuk achtenveertig zegent Jakob eerst Jozefs twee zonen. Omdat Manasse de eerstgeborene was, verwacht Jozef dat de eerste zegen over zijn zonen op Manasse zou rusten, en Jozef verzet zich ertegen dat Jakob Efraïm kiest.
Het begin van Efraïm als vertegenwoordiger van Gods uitverkorenen draagt een getuigenis van opstand, en het einde van Efraïm is de verstrooiing van Leviticus zesentwintig gedurende „zeven tijden”, van 723 v.Chr. tot 1798. In 723 v.Chr. ontvingen de noordelijke tien stammen, het koninkrijk van Efraïm (ook bekend als Israël), een dodelijke wond als een koninkrijk van Bijbelse profetie. Die dodelijke wond luidde een tijdsprofetie in die eindigde toen de pauselijke macht en haar koninkrijk in 1798 een dodelijke wond ontvingen. De dodelijke wond van de pauselijke macht in 1798 is een voorafbeelding van de uiteindelijke val van Babylon, wanneer de koning van het noorden in Daniël elf vers vijfenveertig „tot zijn einde zal komen, en niemand zal hem helpen”. De opstand en val van Babylon in de laatste dagen werden voorafgebeeld door de opstand en val van de pauselijke macht in 1798, die op haar beurt werden voorafgebeeld door de opstand en val van het koninkrijk van Efraïm (Israël) in 723 v.Chr., die op hun beurt werden voorafgebeeld door Jozefs opstand tegen de profetische inspiratie van zijn vader, zoals die aan het einde van Genesis wordt geïdentificeerd.
De opstand waarvan Efraïm een symbool is, begon met de opstand van zijn vader (Jozef) tegen diens vader (Jakob). Uiteindelijk leidt zij tot de opstand van de tien noordelijke stammen, hetgeen leidt tot de „verstrooiing voorgesteld” als „zeven tijden” in Leviticus zesentwintig. De periode waarin het noordelijke koninkrijk verstrooid was, is verdeeld in twee perioden: de ene eindigend in het jaar 538, de volgende periode eindigend in 1798, en beide wijzen op de boodschap die vlak vóór het sluiten van de genadetijd in het boek Openbaring wordt ontzegeld. Die boodschap duidt de uiteindelijke val van Babylon aan. Bij elke wegmarkering in de profetische geschiedenis van Efraïm wordt opstand gemarkeerd. Evenzo geldt dit voor de opstand van de dertiende discipel, Judas Iskariot. Dit zijn twee van de getuigen die het getal dertien aanwijzen als een symbool van opstand. Maar geen van deze heilige waarheden kan worden herkend als iemand niet staat op de fundamenten van het adventisme, die gebouwd werden op de eerste waarheid die Miller ontdekte en de eerste waarheid die door het adventisme werd verworpen.
Het slot van Genesis stemt overeen met al de andere lijnen die wij hebben beschouwd. Samenvattend:
In het begin was het hemelse trio van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest getuige van de schepping van de hemel en de aarde, die tot stand werd gebracht door de Zoon, die ook het Woord is. Het Woord werd het kanaal van communicatie van de Vader naar de mensheid, en het Woord is de enige weg waarlangs de mensheid met de Vader kan communiceren. De boodschap van de Vader werd door de Zoon gegeven aan de engel Gabriël, die Lucifer (de lichtdrager) verving na Lucifers opstand in de hemel. Gabriël ontvangt het licht, of de boodschap, en brengt die over aan een profeet, die het heilige geschapen wezen is dat is aangesteld om de boodschap van de Vader door te geven aan de gevallen geschapen familie. De boodschap die aan de profeet wordt gegeven, wordt opgeschreven en vervolgens aan de mensheid overgebracht. Bij iedere stap in het communicatieproces is de boodschap heilig, en om deze reden behoren de profeten, die gevallen menselijke wezens zijn, heilig te zijn. Op het moment dat de heilige boodschap wordt overgedragen in de handen van de gevallen mensheid, bezit de mensheid de mogelijkheid om een heilige boodschap met niet-geheiligde handen te hanteren. Zo brengt het licht van de heilige boodschap zowel licht als duisternis voort. Wanneer de boodschap wordt ontvangen door hen die tot de familie van de gevallen mens behoren, bevat zij dezelfde scheppende kracht waarmee alle dingen geschapen zijn, namelijk de kracht die dat wezen rechtvaardigt. Het begin van het communicatieproces illustreert het einde van het communicatieproces. Daarom, indien de boodschap wordt gehoord, gelezen en bewaard, herschept de boodschap de gevallen mensheid naar het beeld van de Zoon.
Zalig is hij die leest, en zij die de woorden van deze profetie horen en bewaren wat daarin geschreven staat; want de tijd is nabij. Openbaring 1:3.
Johannes beeldt de gevallen mensheid uit in de „laatste dagen” van het onderzoekend oordeel, die een stem achter zich horen en zich omkeren om de boodschap te ontvangen die naar het verleden leidt. Degenen die de boodschap ontvangen en haar niet tot een deel van hun leven, maar uitsluitend tot hun leven maken, worden daar en dan gerechtvaardigd. Gerechtvaardigd worden is heilig gemaakt worden. Wanneer zij die de van de Vader gezonden boodschap lezen en horen, de boodschap aannemen en heilig gemaakt worden, geschiedt dit door de scheppende kracht die in de boodschap is. De scheppende kracht volbrengt het werk om mensen te rechtvaardigen, wanneer mensen geloven zoals Abraham geloofde. De boodschap onderwijst hen zich om te keren en te luisteren naar de stem achter hen, die leidt naar de oude paden, die de fundamentele waarheden zijn. De boodschap leidt hen in alle waarheid, en terwijl zij de oude paden bewandelen, wandelen zij op het pad van de gerechtvaardigden.
Maar het pad der rechtvaardigen is als het glanzende licht, dat steeds helderder schijnt tot de volle dag. De weg der goddelozen is als duisternis; zij weten niet waarover zij struikelen. Mijn zoon, sla acht op mijn woorden; neig uw oor tot mijn redenen. Laat ze niet wijken van uw ogen; bewaar ze in het binnenste van uw hart. Want zij zijn leven voor hen die ze vinden, en gezondheid voor hun gehele vlees. Behoed uw hart boven al wat te bewaren is, want daaruit zijn de uitgangen des levens. Doe de valsheid van mond van u weg, en houd verdraaide lippen ver van u. Laat uw ogen recht vooruitzien, en uw oogleden zich richten op wat vóór u is. Overweeg het pad van uw voeten, en laat al uw wegen vaststaan. Wijk niet af naar rechts noch naar links; keer uw voet af van het kwaad. Spreuken 4:18–27.
Zij die gerechtvaardigd zijn door de overgebrachte boodschap, wandelen op het pad dat een steeds toenemend licht voorstelt; maar juist dat licht maakt het pad van de goddelozen in overeenkomstige mate donkerder. Licht scheidt zich van duisternis. De scheppende kracht die in den beginne gebood dat er licht zou zijn, bewerkt aan het einde bij de mensheid hetzelfde als het licht in het begin bewerkte. De klasse die weigert de stem van achteren te horen en daarom ervoor kiest het verduisterde pad te bewandelen, „stoot” zich aan Zijn Woord, want zij stoten zich aan de grondsteen, de oude beproefde steen. De stem is Alfa en Omega, en wanneer de gerechtvaardigden die woorden horen en hun hart tot die woorden neigen, bewaren zij die woorden in het midden van hun hart, want Alfa en Omega keert hun hart tot de vaderen, (het verleden) en de harten van de vaderen wijzen naar het einde.
Het pad van de rechtvaardige is oprechtheid; Gij, Alleroerechtste, weegt de weg van de rechtvaardige. Ja, op de weg Uwer oordelen, o HEERE, hebben wij op U gewacht; het verlangen van onze ziel gaat uit naar Uw Naam en naar de gedachtenis aan U. Met mijn ziel heb ik U begeerd in de nacht; ja, met mijn geest in mijn binnenste zal ik U vroeg zoeken; want wanneer Uw oordelen op de aarde zijn, zullen de inwoners der wereld gerechtigheid leren. Jesaja 26:7–9.
God weegt, of Hij oordeelt, hen die het pad der rechtvaardigen bewandelen, en Hij doet dit in de “laatste dagen” wanneer Zijn oordelen op de aarde zijn. De rechtvaardigen zijn degenen die op de Heere hebben gewacht in vervulling van de tijd van vertoeven in de gelijkenis van de tien maagden. Het verlangen van hen die het pad van toenemende kennis bewandelen, is naar een steeds groter begrip van Gods naam, Zijn karakter. Degenen die op hun Heere hebben gewacht, zijn degenen die de laatste waarschuwingsboodschap verkondigen, want zij zijn het die de Middernachtsroep verkondigen, die uiteraard de eerste innerlijke boodschap van Openbaring achttien is, waarop de tweede, uiterlijke boodschap volgt.
En na deze dingen zag ik een andere engel neerdalen uit de hemel, hebbende grote macht; en de aarde werd verlicht door zijn heerlijkheid. En hij riep met krachtige stem, zeggende: Gevallen, gevallen is Babylon, de grote, en zij is geworden tot een woonplaats van duivelen, en een schuilplaats van alle onreine geesten, en een kooi van alle onreine en hatelijke vogelen. Want alle volken hebben gedronken van de wijn van de toorn van haar hoererij, en de koningen der aarde hebben met haar gehoereerd, en de kooplieden der aarde zijn rijk geworden door de overvloed van haar weelde. En ik hoorde een andere stem uit de hemel, zeggende: Gaat uit van haar, Mijn volk, opdat gij geen gemeenschap hebt aan haar zonden, en opdat gij van haar plagen niet ontvangt. Openbaring 18:1–4.
Toen de engel van Openbaring achttien op 11 september 2001 neerdaalde, weigerde de Kerk der Zevende-dags Adventisten haar laatste oproep om terug te keren naar de oude paden. Zij hield toen op de hoorn van het ware protestantisme in de Verenigde Staten te zijn. Op dat moment begon een beproevingsproces voor hen die ervoor kozen de boodschap van die krachtige stem aan te nemen en haar te eten, zoals getypeerd door Johannes toen de engel van Openbaring tien neerdaalde aan het begin van het adventisme op 11 augustus 1840. De geestelijke natie die de mantel van het ware protestantisme had opgenomen toen de boodschap van de eerste engel werd verworpen, volgde vervolgens in de voetstappen van het afvallige protestantisme aan het begin van het adventisme.
De ware protestantse hoorn werd toen gegeven aan hen die de boodschap in het kleine boek aanvaardden dat zich in de hand van de engel bevond in Openbaring tien. Het beproevingsproces aan het begin van het adventisme van 1840 tot en met 1844 stelt een beproevingsproces voor aan het einde van het adventisme, van 11 september 2001 tot aan de zondagswet in de Verenigde Staten. Binnen de eerste geschiedenis van 1840 tot 1844, en het beproevingsproces dat op 11 september 2001 begon, wordt een bedelingsmatige overgang gemarkeerd van het vroegere lichaam van gelovigen dat de mantel van het protestantisme droeg, naar een nieuw lichaam van gelovigen dat de mantel van het ware protestantisme op zich neemt.
Belangrijker voor onze beschouwing van het pad der gerechtvaardigden is dat zich binnen die geschiedenis een teleurstelling bevindt die het begin van de vertoeftijd markeert. De getrouwen wachten in die tijd op hun Heer, welke eindigt met de ontzegeling van de boodschap van de Middernachtsroep. Dat beproevingsproces aan het begin van het adventisme eindigde toen de boodschap van de Middernachtsroep op 22 oktober 1844 werd voltooid. Het beproevingsproces aan het einde wordt voltooid voor hen die door Johannes worden voorgesteld bij de zondagswet in de Verenigde Staten. De boodschap van de Middernachtsroep aan het einde zal, evenals aan het begin, worden voltooid, en aan het begin van het adventisme werd de boodschap van de Middernachtsroep ontzegeld vóór de afsluiting van het beproevingsproces. De boodschap van de Middernachtsroep aan het begin wordt nu aan het einde ontzegeld.
De gerechtvaardigde wijze maagden treden in een verbond met God wanneer de goddeloze dwaze maagden een verbond met de dood aangaan.
Tot wie Hij zei: Dit is de rust waarmee gij de vermoeide kunt doen rusten; en dit is de verkwikking; toch wilden zij niet horen. Maar het woord des Heren was hun gebod op gebod, gebod op gebod; regel op regel, regel op regel; hier een weinig, daar een weinig; opdat zij zouden heengaan, achterovervallen, verbroken worden, verstrikt raken en gevangen worden. Daarom, hoort het woord des Heren, gij spotters, die heerst over dit volk dat in Jeruzalem is. Omdat gij hebt gezegd: Wij hebben een verbond met de dood gesloten, en met het dodenrijk zijn wij een overeenkomst aangegaan; wanneer de overvloeiende gesel zal doortrekken, zal hij ons niet treffen; want wij hebben de leugen tot onze toevlucht gemaakt, en onder de valsheid hebben wij ons verborgen: daarom, zo zegt de Here Here: Zie, Ik leg in Sion een steen ten grondslag, een beproefde steen, een kostelijke hoeksteen, een vast fundament: wie gelooft, zal niet haasten. Jesaja 28:12–16.
De gerechtvaardigden brengen de heilige boodschap van de Middernachtsroep naar de gemeente, en vervolgens verkondigen zij de boodschap van de tweede stem wanneer zij de mensheid uit Babylon roepen.
“Zo worden in het laatste werk tot waarschuwing van de wereld twee onderscheiden oproepen tot de kerken gedaan. De boodschap van de tweede engel luidt: ‘Babylon is gevallen, is gevallen, die grote stad, omdat zij alle volken heeft doen drinken van de wijn van de toorn van haar hoererij.’ En in de luide roep van de boodschap van de derde engel wordt een stem uit de hemel gehoord, die zegt: ‘Gaat uit van haar, Mijn volk, opdat gij aan haar zonden geen deel hebt, en opdat gij van haar plagen niet ontvangt. Want haar zonden zijn opgestapeld tot aan de hemel, en God heeft haar ongerechtigheden in gedachtenis gebracht.’” Review and Herald, 6 december 1892.
Degenen die uit Babylon komen en zich aansluiten bij hen die wandelen op het pad der rechtvaardigen, worden in de kudde opgenomen door het water van de doop, dat wordt vertegenwoordigd door de naam van het hemelse drietal. De gerechtvaardigden, hetzij zij die thans de boodschap horen die aan Johannes op Patmos werd overgebracht, hetzij zij die daarna uit Babylon worden uitgeroepen, worden allen gerechtvaardigd door de ontvangst van de Heilige Geest. Die vereniging van de goddelijkheid van de Heilige Geest en de menselijkheid van de mens werd tot stand gebracht, zoals als voorbeeld is uiteengezet toen Christus de menselijke natuur op Zich nam. De honderdvierenvijftigduizend werden voorgesteld in twee getuigen, de twaalf zonen van Jakob en de twaalf discipelen. De goddelozen worden voorgesteld door de dertiende stam en de dertiende discipel. Beide „dertientallen” werden in elk van beide voorstellingen geroepen om priesters voor God te zijn, en zij die die roeping verwerpen, worden voorgesteld door Ezau, terwijl zijn jongere broer Jakob hen vertegenwoordigt die de roeping aanvaarden. Ezau en Jakob vertegenwoordigen beiden de Laodiceese Zevende-dags Adventisten aan het einde van de wereld. De ene klasse aanvaardt de heilige boodschap die door de geschriften van de profeet wordt overgebracht en wordt veranderd tot Israël, terwijl Ezau zijn naam behoudt.
Er ligt uiteraard veel meer besloten in deze negen regels over Alfa en Omega, want dit was slechts een beknopte samenvatting van beginnen en eindes in Gods Woord.
Negen geschiedenislijnen, die profetische geschiedenissen vertegenwoordigen vanaf de schepping tot aan de Wederkomst. Al deze negen profetische lijnen van begin en einde zijn rechtstreeks verbonden met de eerste drie verzen van Openbaring, hoofdstuk één. Die drie verzen geven aan dat de Openbaring van Jezus Christus, die vlak vóór het sluiten van de genadetijd wordt ontsloten, een manifestatie is van Gods scheppende macht. Welke andere macht zou zulk een complex, ineen geweven getuigenis kunnen samenstellen uit een verscheidenheid aan getuigen, die hun getuigenis hebben gegeven vanaf de tijd van Mozes tot aan de tijd van Johannes de Openbaarder?
Doe uw schoenen uit, want dit is heilige grond.