Alle profeten duiden het einde van de wereld aan.
“Ieder van de oude profeten sprak minder voor zijn eigen tijd dan voor de onze, zodat hun profeteren voor ons van kracht is. ‘En al deze dingen zijn hun overkomen tot voorbeelden; en zij zijn beschreven tot waarschuwing van ons, op wie de einden der eeuwen gekomen zijn.’ 1 Korinthe 10:11. ‘Aan wie geopenbaard werd, dat zij niet zichzelf, maar ons bedienden met die dingen, welke u nu verkondigd zijn door hen die u het evangelie gepredikt hebben door de Heilige Geest, Die van de hemel gezonden is; in welke dingen de engelen begerig zijn in te zien.’ 1 Petrus 1:12....”
„De Bijbel heeft zijn schatten voor deze laatste generatie verzameld en samengebonden. Alle grote gebeurtenissen en plechtige handelingen uit de geschiedenis van het Oude Testament hebben zich in deze laatste dagen in de gemeente herhaald en herhalen zich nog steeds.” Selected Messages, boek 3, 338, 339.
Alle boeken van de Bijbel vinden hun voltooiing in het boek Openbaring.
“In de Openbaring komen alle boeken van de Bijbel samen en vinden zij hun einde.” Handelingen van de Apostelen, 585.
De laatste waarschuwingsboodschap voor de bewoners van de planeet aarde wordt aangeduid in Openbaring achttien.
En na deze dingen zag ik een andere engel uit de hemel neerdalen, die grote macht had; en de aarde werd verlicht door zijn heerlijkheid. En hij riep met krachtige stem, zeggende: Gevallen, gevallen is Babylon, de grote, en zij is geworden tot een woonplaats van duivelen, en een schuilplaats van alle onreine geesten, en een kooi van alle onreine en hatelijke vogels. Want alle volken hebben gedronken van de wijn van de toorn van haar hoererij, en de koningen der aarde hebben met haar gehoereerd, en de kooplieden der aarde zijn rijk geworden door de overvloed van haar weelde. Openbaring 18:1–3.
De uitdrukking „Babylon, de grote” vertegenwoordigt de rooms-katholieke kerk, en in Jesaja hoofdstuk drieëntwintig wordt „Babylon, de grote” voorgesteld als Tyrus.
De last over Tyrus. Huilt, gij schepen van Tarsis, want het is verwoest, zodat er geen huis is, geen ingang meer; uit het land van Chittim is het hun geopenbaard. Weest stil, gij inwoners van het eiland, gij die door de kooplieden van Sidon, die de zee oversteken, vervuld zijt. En over grote wateren kwam het zaad van Sichor, de oogst van de rivier was haar inkomen; en zij was een marktplaats der volken. Schaam u, o Sidon, want de zee heeft gesproken, de vesting der zee, zeggende: Ik heb geen barensweeën gehad, noch kinderen voortgebracht; ik heb geen jongelingen gevoed, noch maagden grootgebracht. Zoals het bericht over Egypte was, zo zullen zij hevig sidderen bij het bericht van Tyrus. Trekt over naar Tarsis; huilt, gij inwoners van het eiland. Is dit uw vreugdevolle stad, welker oorsprong uit de dagen der oudheid is? haar eigen voeten zullen haar ver weg dragen om als vreemdelinge te verkeren. Wie heeft dit besluit genomen tegen Tyrus, de kronende stad, wier kooplieden vorsten zijn, wier handelaars de geëerden der aarde zijn? De HEERE der heirscharen heeft het besloten, om de trots van alle heerlijkheid te ontheiligen en alle geëerden der aarde in verachting te brengen. Trek door uw land als een rivier, o dochter van Tarsis; er is geen kracht meer. Hij heeft Zijn hand uitgestrekt over de zee, Hij heeft de koninkrijken doen beven; de HEERE heeft een bevel gegeven tegen de koopstad, om haar vestingen te vernietigen. En Hij zeide: Gij zult u niet meer verheugen, o gij verdrukte maagd, dochter van Sidon; sta op, trek over naar Chittim; ook daar zult gij geen rust hebben. Zie het land der Chaldeeën; dit volk was er niet, totdat Assur het stichtte voor hen die in de woestijn wonen; zij richtten zijn torens op, zij bouwden zijn paleizen; en hij maakte het tot een puinhoop. Huilt, gij schepen van Tarsis, want uw sterkte is verwoest. En het zal geschieden te dien dage, dat Tyrus zeventig jaren vergeten zal worden, overeenkomstig de dagen van één koning; na het einde van zeventig jaren zal het Tyrus vergaan als een hoer. Neem een harp, ga de stad rond, gij vergeten hoer; maak schone muziek, zing vele liederen, opdat men u gedenke. En het zal geschieden na het einde van zeventig jaren, dat de HEERE Tyrus zal bezoeken, en zij zal terugkeren tot haar loon, en hoererij bedrijven met alle koninkrijken der wereld op de aardbodem. En haar handelswinst en haar loon zullen de HEERE heilig zijn; het zal niet worden opgestapeld noch weggelegd, want haar handelswinst zal zijn voor hen die voor het aangezicht des HEEREN wonen, om overvloedig te eten en duurzame kleding te hebben. Jesaja 23:1–18.
Zuster White schrijft: „Alle grote gebeurtenissen en plechtige handelingen uit de oudtestamentische geschiedenis hebben zich herhaald en herhalen zich in de kerk in deze laatste dagen.”
Jesaja drieëntwintig behandelt de profetische betrekkingen van de Verenigde Naties, het pausdom, de Verenigde Staten en de islam. Om deze waarheden te herkennen, moeten bepaalde symbolen in het hoofdstuk door de Inspiratie worden gedefinieerd. Zodra de symbolen zijn gedefinieerd, is de opeenvolging van gebeurtenissen tamelijk rechtlijnig. De symbolen in het hoofdstuk die moeten worden gedefinieerd, zijn:
De last, Tyrus, de hoer, de Assyriër, het land der Chaldeeën, torens en paleizen, Tarsis, het zaad van Sichor, het land van Chittim, Sidon, de stad der kooplieden, het bericht van Egypte en het bericht van Tyrus, het gejammer, een dochter, zeventig jaren, de dagen van één koning, vergetelheid en herinnering
Het woord „last” in vers één duidt op een onheilsprofetie tegen het koninkrijk Tyrus.
Last: H4853—Van H5375; een last; in het bijzonder schatting, of (abstract) draagwerk; figuurlijk een uitspraak, voornamelijk een onheilswoord, in het bijzonder zang; geestelijk: begeerte: – last, wegdragen, profetie, X zij zetten, lied, schatting.
De last over Tyrus is een van de vele Schriftgedeelten in de Bijbel waarin het uiteindelijke oordeel over de Rooms-Katholieke Kerk wordt aangeduid. Een “last” is naar gebruik en betekenis een profetie, en in de eerste plaats een profetie van ondergang. Er zijn elf “lasten” in Jesaja, en achtmaal wordt het woord gebruikt ter beschrijving van een last die op de schouders gedragen wordt. De elf maal dat het woord “last” wordt weergegeven als een profetie van ondergang, zijn Jesaja 13:1; 15:1; 17:1; 19:1; 21:1, 11, 13; 22:1; 30:6 en vanzelfsprekend hoofdstuk drieëntwintig, waar wij de last over Tyrus aantreffen. Het is de moeite waard alle profetieën van ondergang in Jesaja bijeen te plaatsen om te beoordelen welke macht in de laatste dagen wordt voorgesteld. Elf profetieën van ondergang zijn moeilijk in één keer te behandelen, daarom zal ik van iedere onheilsprofetie een korte omschrijving geven om de context voor hoofdstuk drieëntwintig vast te stellen.
In hoofdstuk dertien is de profetie van het verderf tegen Babylon het moderne Babylon aan het einde van de wereld, dat de hoer van Rome is, die ook wordt afgebeeld in hoofdstuk zeventien van het boek Openbaring.
En een van de zeven engelen die de zeven schalen hadden, kwam en sprak met mij, zeggende tot mij: Kom hier; ik zal u tonen het oordeel over de grote hoer, die zit aan vele wateren; met wie de koningen der aarde hoererij bedreven hebben, en die de bewoners der aarde dronken gemaakt heeft van de wijn van haar hoererij. En hij voerde mij weg in de geest naar een woestijn; en ik zag een vrouw zitten op een scharlakenrood beest, vol van namen der godslastering, met zeven koppen en tien horens. En de vrouw was bekleed met purper en scharlaken, en getooid met goud en kostbare stenen en parels, en zij had in haar hand een gouden beker, vol gruwelen en onreinheid van haar hoererij. En op haar voorhoofd was een naam geschreven: VERBORGENHEID, HET GROTE BABYLON, DE MOEDER DER HOEREN EN DER GRUWELEN DER AARDE. Openbaring 17:1–5.
Ik moet een weinig afwijken. Het doel van de studie van de profetie van Tyrus is uiteindelijk om de profetische geschiedenis van de Verenigde Staten in overeenstemming te brengen met die van de Zevende-dags Adventistische Kerk. Wij zullen aantonen dat de regering van de Verenigde Staten de ene hoorn is op het lamachtige beest van Openbaring dertien en dat het protestantisme dat uit de Donkere Middeleeuwen is voortgekomen, de andere hoorn was. De hoorn van het protestantisme werd Milleritisch Adventisme op het moment dat de protestanten van de Verenigde Staten de boodschap van de eerste engel verwierpen. Wanneer wij dat hebben vastgesteld, zullen wij laten zien dat de geschiedenis van de protestantse hoorn en de geschiedenis van de Republikeinse hoorn parallel aan elkaar lopen en parallelle profetische kenmerken bezitten. Zij bevinden zich immers op hetzelfde beest, wat vertegenwoordigt dat beide hoorns gelijktijdig aan elkaar zijn. Ik zal één voorbeeld geven van deze parallel tussen de hoorns van kerk en staat in de Verenigde Staten. Beiden ‘vergeten’ op hun eigen wijze.
Jesaja drieëntwintig markeert het profetische punt waarop de pauselijke macht zeventig jaar lang vergeten is, en gedurende die zeventig symbolische jaren vergeten de mensen het pausdom en waarom de Donkere Middeleeuwen de Donkere Middeleeuwen worden genoemd. Het motto van de protestantse hoorn toen zij zich van de Katholieke Kerk afscheidde, was: de Bijbel en alleen de Bijbel. Zij vergaten dat de Bijbel ons meedeelt wie het pausdom werkelijk is. Zij vergaten de boodschap die verankerd ligt in het heilige document dat hun was toevertrouwd en waarvan zij beweerden de voornaamste verdedigers te zijn.
“Zij die verward raken in hun begrip van het woord, die nalaten de betekenis van antichrist te verstaan, zullen zich ongetwijfeld aan de zijde van de antichrist scharen. Er is nu voor ons geen tijd om ons met de wereld te vereenzelvigen. Daniël staat in zijn lot en op zijn plaats. De profetieën van Daniël en van Johannes moeten worden begrepen. Zij leggen elkaar uit. Zij geven de wereld waarheden die ieder mens behoort te verstaan. Deze profetieën moeten in de wereld tot getuigenis zijn. Door hun vervulling in deze laatste dagen zullen zij zichzelf verklaren.” Kress Collection, 105.
Evenzo was de Republikeinse hoorn, die de regering van de Verenigde Staten vertegenwoordigt, bestemd om door het volk en voor het volk te zijn; maar ook de burgers van de Verenigde Staten zijn het heilige document vergeten dat hun was toevertrouwd. Dat heilige document is de Grondwet van de Verenigde Staten, en het beginsel van de regering die bedoeld was om er voor het volk te zijn, was de scheiding van kerk en staat. Zij zijn de boodschap van de Grondwet die hun was toevertrouwd en waarvan zij zich als verdedigers uitgaven, vergeten.
“En laat men bedenken dat het Rome tot roem strekt dat het nooit verandert. De beginselen van Gregorius VII en Innocentius III zijn nog steeds de beginselen van de Rooms-Katholieke Kerk. En indien zij slechts de macht had, zou zij die thans met evenveel kracht in praktijk brengen als in voorbije eeuwen. Protestanten weten nauwelijks wat zij doen wanneer zij voorstellen de hulp van Rome te aanvaarden in het werk van de verheffing van de zondag. Terwijl zij erop uit zijn hun doel te verwezenlijken, is Rome erop bedacht haar macht te herstellen, haar verloren opperheerschappij te herwinnen. Wordt eenmaal in de Verenigde Staten het beginsel gevestigd dat de kerk de macht van de staat mag aanwenden of beheersen; dat godsdienstige gebruiken door wereldlijke wetten mogen worden afgedwongen; kortom, dat het gezag van kerk en staat het geweten moet overheersen, dan is de triomf van Rome in dit land verzekerd.”
„Gods woord heeft gewaarschuwd voor het naderende gevaar; wordt daaraan geen gehoor gegeven, dan zal de protestantse wereld pas beseffen wat de bedoelingen van Rome werkelijk zijn wanneer het te laat is om aan de strik te ontkomen. Zij groeit in stilte uit tot macht. Haar leerstellingen oefenen hun invloed uit in wetgevende zalen, in de kerken en in de harten der mensen. Zij stapelt haar verheven en massieve bouwwerken op, in welker verborgen vertrekken haar vroegere vervolgingen zullen worden herhaald. Heimelijk en ongemerkt versterkt zij haar krachten om haar eigen doeleinden te bevorderen wanneer de tijd zal zijn gekomen om toe te slaan. Alles wat zij verlangt is een gunstige uitgangspositie, en die wordt haar reeds verschaft. Wij zullen weldra zien en voelen wat het oogmerk van het roomse element is. Wie het woord van God zal geloven en gehoorzamen, zal daardoor smaad en vervolging op zich laden.” The Great Controversy, 581.
Indien u enig woordenboek kunt vinden dat vóór 1950 is gepubliceerd, en u “scharlakenrode vrouw” of een variant van die uitdrukking uit Openbaring zeventien opzoekt, dan duidt elk van die woordenboeken van vóór 1950 aan dat de rooms-katholieke kerk de hoer van Openbaring zeventien is. De Verenigde Staten, het tweehoornige beest uit de aarde van Openbaring dertien, vergeten hun verleden, hetzij de hoorn van het protestantisme, hetzij de hoorn van het republicanisme. Beide instellingen zijn voortgekomen uit het protest tegen de religieuze tirannie van het pausdom en de politieke tirannie van de koningen die haar ondersteunden, of, zoals de Bijbel zegt, de koningen die met haar “hoererij bedreven”. Voordat wij Jesaja drieëntwintig behandelen, zullen wij kort een overzicht geven van de andere tien keren dat Jesaja een ‘onheilsprofetie’ aanduidt, want alle elf de “lasten” zijn precies dat.
Jesaja dertien is de godsspraak over Babylon in de „laatste dagen”. Babylon, hoewel het in de laatste dagen beheerst en geleid wordt door de Katholieke Kerk, bestaat uit drie machten die de wereld in hoofdstuk zestien van Openbaring naar Armageddon voeren. In de profetie van hoofdstuk dertien over het oordeel tegen het moderne Babylon worden drie machten voorgesteld: Babylon, Lucifer en Assyrië, die het beest (Assyrië), de draak (Lucifer) en de valse profeet (Babylon) vertegenwoordigen. Assyrië en Babylon zijn de twee verwoestende machten die God gebruikte om het oude Israël te straffen, en Assyrië kwam eerst, waarbij het de noordelijke tien stammen in gevangenschap voerde, en daarna nam Babylon de zuidelijke twee stammen van Juda mee.
Israël is een verstrooid schaap; de leeuwen hebben het verdreven: eerst heeft de koning van Assyrië het verslonden, en ten slotte heeft deze Nebukadnezar, de koning van Babel, zijn beenderen verbrijzeld. Daarom, zo zegt de HEERE der heirscharen, de God van Israël: Zie, Ik zal de koning van Babel en zijn land straffen, zoals Ik de koning van Assyrië gestraft heb. Jeremia 50:17, 18.
Eerst voerde Assyrië de noordelijke tien stammen van Israël in gevangenschap weg, en daarna voerde Babylon de zuidelijke twee stammen van Juda in gevangenschap weg. Beide gevangenschappen waren een vervulling van de „zeven tijden” van Leviticus zesentwintig. De „zeven tijden” van Leviticus was de allereerste „tijdprofetie” die William Miller ontdekte, en zij maakt duidelijk dat, toen Assyrië de noordelijke stammen gevangen nam, dit het begin markeerde van een verstrooiing die tweeduizend vijfhonderdtwintig jaar voortduurde. Die periode begon met hun gevangenschap in 723 v.Chr. en eindigde in de „tijd van het einde” in 1798. De zuidelijke stammen werden door Babylon weggevoerd in 677 v.Chr., waarmee de „zeven tijden” tegen Juda begonnen, die eindigden op hetzelfde punt als de profetie van de 2300 jaar van Daniël acht vers veertien, op 22 oktober 1844. Assyrië en Babylon vervulden hetzelfde doel van bestraffing wegens de opstandigheid van Gods volk, maar de bestraffing werd eerst door Assyrië en daarna door Babylon voltrokken.
In de profetische verhouding van de drie machten in hoofdstuk dertien is Babylon het beeld van Assyrië, want het kwam later, maar verrichtte hetzelfde werk tegen Gods volk.
In hoofdstuk vijftien is de godsspraak tegen Moab gericht tegen de protestantse kerken.
„Deze beschrijving van Moab stelt de kerken voor die aan Moab gelijk zijn geworden. Zij hebben niet op hun post van plicht gestaan als trouwe wachters. Zij hebben niet met de hemelse wezens samengewerkt door hun door God gegeven vermogen te gebruiken om de wil van God te doen, de machten der duisternis terug te dringen en elke kracht te gebruiken die God hun heeft gegeven om waarheid en gerechtigheid in onze wereld te bevorderen. Zij hebben kennis van de waarheid, maar zij hebben niet in praktijk gebracht wat zij weten.” Seventh-day Adventist Bible Commentary, deel 4, 1159.
De gevallen protestantse kerk is de kerk die met de Heer bleef wandelen toen de rest van het protestantisme bij de boodschap van de tweede engel op de vlucht sloeg. Moab is het adventisme, de gevallen protestantse hoorn.
Hoofdstuk zeventien gaat over Damascus, en het wordt aangeduid als een stad die wordt weggenomen. Een stad is een symbool van een koninkrijk, en het koninkrijk dat in de „laatste dagen” wordt weggenomen, zijn de Verenigde Staten.
Hoofdstuk negentien is de profetie van het oordeel over Egypte, dat de Verenigde Naties en de gehele wereld vertegenwoordigt.
De volgende drie onheilsprofetieën in hoofdstuk eenentwintig zijn gericht tegen het verschrikkelijke woestijnland van het zuiden, Duma en Arabië. Deze drie onheilsprofetieën duiden de islam aan, in overeenstemming met de drie weeën van Openbaring 8:13.
De onheilsprofetie in hoofdstuk tweeëntwintig beeldt de scheiding uit van de Laodiceaanse adventisten en de Filadelfische adventisten ten tijde van de zondagswet.
En dan vinden wij in hoofdstuk dertig de last van de dieren van het zuiden, hetgeen een tweede illustratie is van de opstand van Laodiceaanse Adventisten. Door alle lasten van Jesaja samen te brengen, wordt in feite vrijwel iedere profetische speler in de „laatste dagen” aangesproken. Ik kies Jesaja drieëntwintig om aan te tonen dat de geschiedenis van de Verenigde Staten, als het zesde koninkrijk van de Bijbelse profetie, zich uitstrekt van 1798 tot aan de zondagswet.
Omdat „elk van de oude profeten minder voor hun eigen tijd sprak dan voor de onze, zodat hun profeteren voor ons van kracht is”, richt elke profetische uitspraak zich op de gebeurtenissen aan het einde van de wereld. Deze waarheid, in samenhang met het feit dat „alle boeken van de Bijbel samenkomen en eindigen” in het boek Openbaring, vestigt het boek Openbaring als het referentiepunt voor het op elkaar afstemmen van het profetische getuigenis betreffende de gebeurtenissen aan het einde van de wereld.
In het zeventiende hoofdstuk van Openbaring zien wij de grote hoer die hoererij bedrijft met de koningen der aarde en haar uiteindelijke oordeel.
En er kwam een van de zeven engelen die de zeven schalen hadden, en hij sprak met mij, zeggende tot mij: Kom hier; ik zal u tonen het oordeel over de grote hoer, die zit op vele wateren; met wie de koningen der aarde hoererij hebben bedreven, en de bewoners der aarde dronken zijn geworden van de wijn van haar hoererij. Openbaring 17:1, 2.
De profeten spreken elkaar nooit tegen.
En de geesten der profeten zijn aan de profeten onderworpen. Want God is geen God van wanorde, maar van vrede, zoals in alle gemeenten der heiligen. 1 Korinthiërs 14:32, 33.
Aan het einde van de wereld wordt „het oordeel over de grote hoer, die op vele wateren zit,” de grote hoer „met wie de koningen der aarde hoererij bedreven hebben,” de grote hoer die „de bewoners der aarde” dronken heeft gemaakt „van de wijn van haar hoererij,” door Jesaja voorgesteld als de „hoer” die vergeten is gedurende „de dagen van één koning,” of zeventig profetische jaren. Wanneer de zeventig jaren ten einde zijn, zal Tyrus „hoererij bedrijven met alle koninkrijken der wereld.” De hoer van Jesaja is de grote hoer van Johannes. De hoer van Jesaja en de hoer van Johannes stellen de Rooms-Katholieke Kerk voor, want een vrouw is in Gods Woord een symbool van een kerk.
Vrouwen, weest aan uw eigen mannen onderdanig, als aan de Heere. Want de man is het hoofd van de vrouw, gelijk ook Christus het Hoofd van de gemeente is; en Hij is de Behouder van het lichaam. Daarom, gelijk de gemeente aan Christus onderdanig is, zo behoren ook de vrouwen in alles aan hun eigen mannen onderdanig te zijn. Mannen, hebt uw vrouwen lief, gelijk ook Christus de gemeente liefgehad heeft en Zichzelf voor haar heeft overgegeven; opdat Hij haar heiligen zou, haar reinigende met het waterbad door het woord, opdat Hij haar Zichzelf heerlijk zou voorstellen, een gemeente zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, maar opdat zij heilig en onberispelijk zou zijn. Zo zijn ook de mannen verplicht hun eigen vrouwen lief te hebben als hun eigen lichamen. Wie zijn vrouw liefheeft, heeft zichzelf lief. Want niemand heeft ooit zijn eigen vlees gehaat, maar hij voedt en koestert het, gelijk ook de Heere de gemeente. Want wij zijn leden van Zijn lichaam, van Zijn vlees en van Zijn beenderen. Daarom zal een man zijn vader en moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen, en die twee zullen tot één vlees zijn. Deze verborgenheid is groot; doch ik spreek met het oog op Christus en de gemeente. Intussen moet ook ieder van u in het bijzonder zijn eigen vrouw zó liefhebben als zichzelf; en de vrouw moet ontzag hebben voor haar man. Efeziërs 5:22–33.
De apostel Paulus maakt duidelijk dat de kerk van Christus profetisch wordt voorgesteld als een vrouw. Daarom is een vrouw in de profetie een kerk, maar de kerk van Christus is „heilig en zonder smet”. Een onheilige kerk wordt voorgesteld als een onheilige vrouw; zo duidt Jesaja haar aan als een hoer en Johannes als een ontuchtige vrouw. Zij stellen het pausdom voor als een hoer, en Gods kerk is een maagd.
Want ik ijver over u met een goddelijke ijver; want ik heb u aan één man verloofd, opdat ik u als een reine maagd aan Christus zou voorstellen. 2 Korinthe 11:2.
Gods kerk wordt niet alleen voorgesteld als een maagd, maar zij is ook verloofd met slechts één echtgenoot. Tyrus en de grote hoer van Johannes bedrijven hoererij met de koningen der aarde. De katholieke kerk heeft betrekkingen met verscheidene mannen, niet met één. Daniël maakt ons duidelijk dat de koningen koninkrijken zijn.
Dit is de droom; en wij zullen de uitlegging ervan voor de koning bekendmaken. Gij, o koning, zijt een koning der koningen; want de God des hemels heeft u een koninkrijk, macht, sterkte en heerlijkheid gegeven. En overal waar mensenkinderen wonen, de dieren des velds en de vogels des hemels, heeft Hij die in uw hand gegeven, en Hij heeft u tot heerser over die allen gemaakt. Gij zijt dat hoofd van goud. En na u zal een ander koninkrijk opkomen, geringer dan het uwe, en nog een derde koninkrijk van koper, dat over de gehele aarde heerschappij zal voeren. En het vierde koninkrijk zal sterk zijn als ijzer; want evenals ijzer alles verbreekt en verplettert, zo zal het, als ijzer dat al deze dingen verbreekt, verbrijzelen en vergruizen. Daniël 2:36–40.
In Daniël twee worden de koninkrijken van de bijbelse profetie geïdentificeerd en verklaard. Terwijl Daniël de droom aan Nebukadnezar uitlegt, deelt hij Nebukadnezar mee dat hij het gouden hoofd is. Het gouden hoofd is een koning, maar een koning vertegenwoordigt een koninkrijk. De Rooms-Katholieke Kerk is de grote hoer die aan het einde van zeventig profetische jaren hoererij bedrijft met alle koningen der aarde. De koningen staan symbolisch voor mannen, en Tyrus is een onreine vrouw. Een vrouw is een kerk, een hoer is een onheilige kerk; een man is een koning en een koning is een koninkrijk. Een vrouw is een kerk en een koning is een staat. De onwettige verhouding van deze twee entiteiten stelt geestelijke hoererij voor.
De Grondwet van de Verenigde Staten is een goddelijk document dat de noodzaak verankert om deze twee entiteiten gescheiden te houden. Hoewel wij nog niet klaar zijn met het identificeren van Tyrus als de Rooms-Katholieke Kerk, lijkt het op dit punt passend een ander symbool in Jesaja drieëntwintig te behandelen dat de symboliek van man en vrouw—kerk en staat—verklaart.
Zie, het land der Chaldeeën; dit volk bestond niet, totdat de Assyriër het bestemde voor hen die in de woestijn wonen; zij richtten zijn torens op, zij bouwden zijn paleizen; en hij bracht het tot verderf. Jesaja 23:13.
In het vers stichtte de Assyriër het land der Chaldeeën en richtte zowel „torens” als „paleizen” op. De Assyriër is een symbool van Nimrod, en de Chaldeeën vertegenwoordigen de godsdienstige leiders van Babylons mysterie-religies. Een „toren” is een symbool van een kerk. Toen Jezus de gelijkenis van de wijngaard uiteenzette, geeft Zuster White als volgt commentaar op de gelijkenis:
“In de gelijkenis stelde de heer des huizes God voor, de wijngaard het Joodse volk, en de omheining de goddelijke wet die hun bescherming was. De toren was een symbool van de tempel.” De Wens der Eeuwen, 596.
De Assyriër stichtte het land der Chaldeeën, die een kerk (toren) en een „paleis” oprichtten. Een „paleis” vertegenwoordigt een „koning”, die op zijn beurt een koninkrijk vertegenwoordigt. Een koninkrijk wordt ook voorgesteld als een stad.
En zij zeiden: Komaan, laten wij voor ons een stad bouwen en een toren, waarvan de top tot aan de hemel reikt; en laten wij ons een naam maken, opdat wij niet over de gehele aardbodem verstrooid worden. Genesis 11:4.
De „toren” en het „paleis” die de Assyriër heeft gesticht, zijn de „stad” en de „toren” die Nimrod bouwde.
En hun dode lichamen zullen liggen op de straat van de grote stad, die geestelijk genoemd wordt Sodom en Egypte, waar ook onze Heere gekruisigd werd. Openbaring 11:8.
De inspiratie deelt ons mee dat de „grote stad” in Openbaring elf het koninkrijk Frankrijk gedurende de periode van de Franse Revolutie vertegenwoordigt.
‘De grote stad’ in welker straten de getuigen gedood worden en waar hun dode lichamen liggen, is ‘geestelijk’ Egypte. Van alle volken die in de Bijbelse geschiedenis voorkomen, heeft Egypte het stoutmoedigst het bestaan van de levende God ontkend en zich tegen Zijn geboden verzet. Geen vorst heeft ooit een openlijker en vermeteler opstand tegen het gezag des hemels gewaagd dan de koning van Egypte. Toen Mozes hem in de naam des Heeren de boodschap bracht, antwoordde Farao hoogmoedig: ‘Wie is Jehovah, dat ik naar Zijn stem zou horen om Israël te laten gaan? Ik ken Jehovah niet, en bovendien zal ik Israël niet laten gaan.’ Exodus 5:2, A.R.V. Dit is atheïsme, en het volk dat door Egypte wordt voorgesteld, zou een soortgelijke ontkenning van de aanspraken van de levende God laten horen en eenzelfde geest van ongeloof en uitdaging openbaren. ‘De grote stad’ wordt ook, ‘geestelijk,’ met Sodom vergeleken. De verdorvenheid van Sodom in het overtreden van de wet Gods openbaarde zich in het bijzonder in losbandigheid. En ook deze zonde zou een overwegend kenmerk zijn van het volk dat aan de kenmerken van deze Schriftplaats zou beantwoorden.
“Volgens de woorden van de profeet zou dan, kort vóór het jaar 1798, een macht van satanische oorsprong en aard opstaan om oorlog te voeren tegen de Bijbel. En in het land waar het getuigenis van Gods twee getuigen aldus tot zwijgen gebracht zou worden, zou het atheïsme van de farao en de losbandigheid van Sodom openbaar worden.
„Deze profetie heeft een uiterst nauwkeurige en treffende vervulling gevonden in de geschiedenis van Frankrijk. Tijdens de Revolutie, in 1793, ‘hoorde de wereld voor het eerst een vergadering van mannen, geboren en opgevoed in de beschaving, en die zich het recht aanmatigden om een van de voortreffelijkste Europese naties te regeren, hun verenigde stem verheffen om de plechtigste waarheid te ontkennen die de ziel van de mens ontvangt, en eenstemmig het geloof in en de aanbidding van een Godheid af te zweren.’ —Sir Walter Scott, Life of Napoleon, vol. 1, hfdst. 17. ‘Frankrijk is de enige natie ter wereld betreffende welke het authentieke verslag is bewaard gebleven dat zij als natie haar hand ophief in openlijke opstand tegen de Schepper van het heelal. Er zijn en waren volop godslasteraars, volop ongelovigen, in Engeland, Duitsland, Spanje en elders; maar Frankrijk staat in de wereldgeschiedenis op zichzelf als de enige staat die, bij decreet van haar Wetgevende Vergadering, uitsprak dat er geen God was, en waarvan de gehele bevolking van de hoofdstad, en elders een overgrote meerderheid, zowel vrouwen als mannen, dansten en zongen van vreugde bij het aanvaarden van die bekendmaking.’ —Blackwood’s Magazine, november 1870.” The Great Controversy, 269.
De „grote stad” in Openbaring elf was de natie Frankrijk, die een „decreet van haar Wetgevende Vergadering” uitvaardigde waarin werd verklaard dat er geen God was. Het decreet was een uitdrukking van atheïsme, zoals vertegenwoordigd door de opstand van Farao. Een grote stad is een koninkrijk, of een „natie” of een „staat”. In Openbaring elf bestaat Frankrijk uit twee symbolen—Egypte en Sodom.
Ons wordt meegedeeld: “Dit is atheïsme, en het volk dat door Egypte wordt voorgesteld, zou een soortgelijke ontkenning van de aanspraken van de levende God uiten en eenzelfde geest van ongeloof en verzet openbaren. ‘De grote stad’ wordt ook, ‘geestelijk’, met Sodom vergeleken. De verdorvenheid van Sodom in het overtreden van de wet van God kwam in het bijzonder tot uiting in losbandigheid.”
De grote stad of natie Frankrijk wordt symbolisch voorgesteld door een natie (Egypte) en een stad (Sodom). Egypte „zou stem geven”, en het spreken van een natie duidt op staatskunde, niet op kerkelijke heerschappij. Egypte was de staat en Sodom was de kerk; dit is de voorstelling die in hoofdstuk elf van Openbaring wordt aangetroffen.
Het ‘spreken’ van de natie is de handeling van haar wetgevende en rechterlijke autoriteiten.” The Great Controversy, 442.
In Openbaring elf zet Johannes de gebeurtenissen van de Franse Revolutie uiteen in profetische symboliek. De feitelijke Revolutie leverde overvloedig historisch bewijs voor de geldigheid van Johannes’ voorspellingen in dit hoofdstuk. Johannes voorspelde, vervolgens vervulde de Franse Revolutie de voorspelling, en daarna—zowel de voorspelling als de historische vervulling van de voorspelling identificeren en weerspiegelen gebeurtenissen aan het einde van de wereld, wanneer opnieuw een verdorven staat wordt verenigd met een verdorven kerk. Uiteraard volgt op dat onheilige huwelijk een bloedbad. Ook het koninkrijk van God is een grote stad.
En hij voerde mij weg in de geest op een grote en hoge berg en toonde mij de grote stad, het heilige Jeruzalem, nederdalende uit de hemel van God. Openbaring 21:10.
„De komst van de bruidegom, die hier onder de aandacht wordt gebracht, vindt plaats vóór het huwelijk. Het huwelijk stelt de ontvangst door Christus van Zijn koninkrijk voor. De Heilige Stad, het Nieuwe Jeruzalem, dat de hoofdstad en de vertegenwoordiger van het koninkrijk is, wordt genoemd ‘de bruid, de vrouw van het Lam’. De engel zei tot Johannes: ‘Kom hier, ik zal u tonen de bruid, de vrouw van het Lam.’ ‘En hij voerde mij weg in de geest,’ zegt de profeet, ‘en toonde mij die grote stad, het heilige Jeruzalem, nederdalende uit de hemel van God.’ Openbaring 21:9, 10.” De Grote Strijd, 426.
Nimrods opstand wordt uitgebeeld door zijn bouw van een toren en een stad, hetgeen de vereniging van kerk en staat aan het einde van de wereld typeert, want alle profeten spraken over het einde van de wereld. Nimrods opstand was tevens een voortzetting van de opstand van Lucifer, wiens verlangen het was de heerschappij te verkrijgen over zowel Gods kerk als Gods staat.
Hoe zijt gij uit de hemel gevallen, o Lucifer, zoon van de dageraad! hoe zijt gij ter aarde neergehouwen, gij die de volken verzwakte! Want gij hebt in uw hart gezegd: Ik zal opstijgen naar de hemel, ik zal mijn troon verheffen boven de sterren Gods; ook zal ik zitten op de berg der samenkomst, aan de zijden van het noorden; ik zal opstijgen boven de hoogten der wolken; ik zal de Allerhoogste gelijk zijn. Jesaja 14:12–14.
Wanneer Jesaja Lucifers verborgen hartsverlangens onthult om „de Allerhoogste gelijk” te zijn, wijst hij erop dat Lucifer ernaar streeft plaats te nemen op twee duidelijk verschillende zetels. Hij wenst zijn „troon boven de sterren Gods” te „verheffen” en ook te „zitten op de berg der samenkomst, aan de zijden van het noorden.”
De troon is een symbool van het gezag van de koning — of van het staatsgezag — en „de zijden van het noorden” is Gods kerk.
Een lied, een psalm, voor de zonen van Korach. Groot is de HEERE en zeer te prijzen in de stad van onze God, op de berg van Zijn heiligheid. Schoon van ligging, een vreugde voor de ganse aarde, is de berg Sion, aan de zijden van het noorden, de stad van de grote Koning. God is in haar paleizen bekend als een toevlucht. Psalm 48:1–3.
Jeruzalem is „de stad van de grote Koning” en markeert aldus de politieke troon van God; Jeruzalem is ook „de berg van zijn heiligheid”, „aan de zijden van het noorden”, en markeert aldus de godsdienstige troon van God. Van den beginne af wordt Satans opstand en oorlogvoering voorgesteld binnen de context van zijn verlangen om te heersen over zowel Gods kerk als Gods staat. Satan gaf vervolgens leiding aan de opstand van Nimrod, en het land dat hij voor de Chaldeeën stichtte, wordt voorgesteld als een land waar Nimrod zowel een toren als een stad bouwde—kerk en staat.
Daarom duidt de profetie, wanneer de hoer van Jesaja en de grote hoer van Johannes hoererij bedrijven met de koningen der aarde, erop dat er aan het einde van zeventig profetische jaren een onheilige verhouding ontstaat tussen de Rooms-Katholieke Kerk en de koningen der aarde.
De profetische lijn van Jesaja beschrijft in hoofdstuk drieëntwintig het oordeel over de hoer Tyrus, en Johannes beschrijft hetzelfde oordeel met het symbool van een scharlakenrode vrouw, die wordt aangeduid als „Babylon, de grote”. Een derde getuige van hetzelfde oordeel over diezelfde hoer luidt als volgt:
‘De vrouw (Babylon) uit Openbaring 17 wordt beschreven als “bekleed met purper en scharlaken, en getooid met goud en kostbare stenen en parels, en zij had een gouden beker in haar hand, vol gruwelen en onreinheid: ... en op haar voorhoofd was een naam geschreven: Verborgenheid, het grote Babylon, de moeder van de hoeren.” De profeet zegt: “Ik zag de vrouw, dronken van het bloed van de heiligen en van het bloed van de martelaren van Jezus.” Verder wordt van Babylon verklaard dat het is “die grote stad, die heerschappij voert over de koningen der aarde.” Openbaring 17:4–6, 18. De macht die zovele eeuwen lang despotische heerschappij heeft uitgeoefend over de vorsten van de christenheid, is Rome.’ The Great Controversy, 382.
Tyrus is de rooms-katholieke kerk in de „laatste dagen”. In die tijd zal het pausdom uitgaan en haar verleidelijke liederen zingen voor de koningen der aarde, en aldus de koningen brengen tot de daad van hoererij, die profetisch de vereniging van kerk en staat is.
En het zal geschieden te dien dage, dat Tyrus zeventig jaren vergeten zal worden, overeenkomstig de dagen van één koning; na het einde van zeventig jaren zal het Tyrus vergaan als een hoer. Jesaja 23:15.
Een koning is in de Bijbelse profetie een koninkrijk, dus Tyrus zal worden vergeten gedurende de tijd waarin een profetisch koninkrijk zeventig jaar regeert.
En het zal geschieden te dien dage, dat Tyrus zeventig jaren vergeten zal worden, overeenkomstig de dagen van één koning; na het einde van zeventig jaren zal het Tyrus vergaan als een hoer. Neem een harp, trek rond door de stad, gij vergeten hoer; maak zoete melodie, zing vele liederen, opdat men u gedenke. En het zal geschieden na het einde van zeventig jaren, dat de HEERE Tyrus zal bezoeken, en zij zal wederkeren tot haar hoerenloon, en zij zal hoererij bedrijven met alle koninkrijken der wereld op de aardbodem. Jesaja 23:15–17.
Gedurende de dagen van één koninkrijk dat gedurende zeventig profetische jaren heerst, zal de rooms-katholieke kerk vergeten worden. Aan het einde van de zeventig jaren zal de pauselijke macht „lieflijke melodieën maken, vele liederen zingen”. Profetisch stelt een „lied” een „ervaring” voor.
“Op de kristallen zee vóór de troon, die glazen zee als met vuur vermengd,—zo luisterrijk is zij door de heerlijkheid van God,—is de schare vergaderd die ‘de overwinning behaald hadden over het beest, en over zijn beeld, en over zijn merkteken, en over het getal van zijn naam.’ Met het Lam op de berg Sion, ‘hebbende de citers Gods,’ staan zij, de honderd vierenveertigduizend die uit de mensen verlost waren; en er wordt gehoord, als het geluid van vele wateren en als het geluid van een zware donderslag, ‘de stem van citerbespelers, spelende op hun citers.’ En zij zingen ‘een nieuw lied’ voor de troon, een lied dat niemand kan leren dan de honderd vierenveertigduizend. Het is het lied van Mozes en het Lam—een lied van verlossing. Niemand dan de honderd vierenveertigduizend kan dat lied leren; want het is het lied van hun ervaring—een ervaring zoals geen andere schare ooit heeft gehad. ‘Dezen zijn het die het Lam volgen, waar Het ook heengaat.’ Dezen, die van de aarde, uit de levenden, zijn opgenomen, worden gerekend als ‘de eerstelingen voor God en het Lam.’ Openbaring 15:2, 3; 14:1-5. ‘Dezen zijn het die uit de grote verdrukking komen;’ zij zijn gegaan door de tijd van benauwdheid zoals er niet geweest is sinds er een volk was; zij hebben de angst van de tijd van Jakobs benauwdheid doorstaan; zij hebben zonder middelaar gestaan gedurende de laatste uitstorting van Gods oordelen. Maar zij zijn verlost, want zij hebben ‘hun lange klederen gewassen, en hebben hun lange klederen wit gemaakt in het bloed des Lams.’ ‘En in hun mond is geen bedrog gevonden; want zij zijn onberispelijk’ voor Gods troon. ‘Daarom zijn zij voor de troon van God, en dienen Hem dag en nacht in Zijn tempel; en Hij Die op de troon zit, zal onder hen wonen.’ Zij hebben de aarde verwoest gezien door hongersnood en pestilentie, de zon die macht had de mensen met grote hitte te verzengen, en zijzelf hebben lijden, honger en dorst verdragen. Maar ‘zij zullen niet meer hongeren en zullen niet meer dorsten, en de zon zal op hen niet vallen, noch enige hitte. Want het Lam, Dat in het midden van de troon is, zal hen weiden en zal hun een Leidsman zijn tot levende fonteinen der wateren; en God zal alle tranen van hun ogen afwissen.’ Openbaring 7:14-17.” De Grote Strijd, 648.
“‘In Zijn tempel spreekt eenieder van Zijn heerlijkheid’ (Psalm 29:9), en het lied dat de verlosten zullen zingen — het lied van hun ervaring — zal de heerlijkheid van God verkondigen: ‘Groot en wonderbaar zijn Uw werken, o Here God, de Almachtige; rechtvaardig en waarachtig zijn Uw wegen, Gij Koning der eeuwen. Wie zou U niet vrezen, o Here, en Uw naam niet verheerlijken? want Gij alleen zijt heilig.’ Openbaring 15:3, 4, R.V.” Education, 308.
Aan het einde van zeventig profetische jaren zal het pausdom „lieflijk spelen, vele liederen zingen, opdat” zij „herdacht moogt worden.” Aan het einde van het koninkrijk dat zeventig profetische jaren heerst, zal de Rooms-Katholieke Kerk de wereld herinneren aan de ervaring van haar vroegere geschiedenis. In die geschiedenis regeerde zij als de morele autoriteit in een verhouding tussen haar en de koningen van Europa. Die geschiedenis wordt terecht aangeduid als de Donkere Middeleeuwen, en alle duisternis die op enigerlei wijze in verband kan worden gebracht met de geschiedenis waarin het pausdom over de koningen van Europa heerste, kan worden toegeschreven aan de zeer fundamentele handeling die alle daaropvolgende duisternis voortbracht. Die handeling was de vereniging van kerk en staat, de vereniging van de koningen van Europa en de Katholieke Kerk. In een bijbels huwelijk behoort de man over de vrouw te heersen, maar de hoererij die in die geschiedenis plaatsvond, was een omkering van de ware orde van de verhouding tussen man en vrouw.
Aan het einde van zeventig jaar zal er een grote crisis zijn, wanneer het koninkrijk van de Bijbelse profetie dat de wereld regeert gedurende de tijdsperiode waarin het pausdom profetisch vergeten is, tot een einde komt. De wereldwijde crisis die wordt veroorzaakt door de ineenstorting van dat koninkrijk opent de deur voor de Katholieke Kerk om de wereld te gaan voorhouden dat, om de benauwde tijden die door de ineenstorting van dat koninkrijk zijn veroorzaakt te kunnen doorstaan, de wereld zich moet onderwerpen aan het morele gezag van de Rooms-Katholieke Kerk, zoals geïllustreerd in de geschiedenis van de Duistere Middeleeuwen.
Wanneer het koninkrijk ten einde loopt en het pausdom het lied van haar vroegere ervaring zingt, een ervaring die historici als duisternis bestempelen; hoe zou die duistere geschiedenis dan ooit een boodschap kunnen zijn die het pausdom met de koningen der aarde zou delen en die hen ertoe zou bewegen hoererij met haar te bedrijven? Waarom zou in een grote crisis de ervaring van de voorbije eeuwen, (haar lied) haar ervaring voordat zij profetisch werd vergeten, de logica verschaffen voor de koningen der aarde om de ervaring van duisternis als de oplossing voor hun grote crisis te aanvaarden?
“Een grote groep, zelfs onder hen die het rooms-katholicisme geenszins gunstig gezind zijn, beseft nauwelijks het gevaar van haar macht en invloed. Velen voeren aan dat de intellectuele en morele duisternis die gedurende de Middeleeuwen heerste, de verbreiding van haar dogma’s, bijgeloof en onderdrukking in de hand werkte, en dat de grotere ontwikkeling van de moderne tijd, de algemene verspreiding van kennis en de toenemende verdraagzaamheid in godsdienstzaken een herleving van onverdraagzaamheid en tirannie uitsluiten. Alleen al de gedachte dat een dergelijke toestand in deze verlichte tijd zou bestaan, wordt bespot. Het is waar dat groot licht, intellectueel, moreel en godsdienstig, over dit geslacht schijnt. Op de open bladzijden van Gods heilig Woord is licht uit de hemel over de wereld uitgestraald. Maar men dient te bedenken dat, naarmate het geschonken licht groter is, ook de duisternis groter is van hen die het verdraaien en verwerpen.
„Een biddende studie van de Bijbel zou protestanten het ware karakter van het pausdom doen zien en hen ertoe brengen het te verafschuwen en te mijden; maar velen zijn zo wijs in eigen oog, dat zij geen behoefte voelen om God ootmoedig te zoeken, opdat zij tot de waarheid geleid mogen worden. Hoewel zij zich beroemen op hun verlichting, zijn zij onkundig zowel van de Schriften als van de kracht Gods. Zij moeten over enig middel beschikken om hun geweten tot zwijgen te brengen, en zij zoeken datgene wat het minst geestelijk en vernederend is. Wat zij verlangen, is een methode om God te vergeten die doorgaat voor een methode om Hem te gedenken. Het pausdom is bij uitstek geschikt om aan de behoeften van al dezen tegemoet te komen. Het is toegerust voor twee klassen van mensen, die nagenoeg de gehele wereld omvatten—hen die door hun verdiensten behouden willen worden, en hen die in hun zonden behouden willen worden. Hier ligt het geheim van zijn macht.”
„Er is aangetoond dat een tijd van grote intellectuele duisternis gunstig is geweest voor het welslagen van het pausdom. Nog zal worden aangetoond dat een tijd van groot intellectueel licht evenzeer gunstig is voor zijn welslagen. In vroegere eeuwen, toen de mensen zonder Gods Woord en zonder de kennis der waarheid waren, waren hun ogen verblind, en duizenden werden verstrikt, zonder het net te zien dat voor hun voeten was uitgespreid. In deze generatie zijn er velen wier ogen verblind raken door de schittering van menselijke bespiegelingen, ‘de ten onrechte zo genoemde wetenschap;’ zij onderscheiden het net niet en lopen erin even gewillig als waren zij geblinddoekt. God heeft beschikt dat de intellectuele vermogens van de mens beschouwd zouden worden als een gave van zijn Schepper en aangewend zouden worden in de dienst van waarheid en gerechtigheid; maar wanneer hoogmoed en eerzucht worden gekoesterd, en mensen hun eigen theorieën boven het Woord van God verheffen, dan kan intelligentie grotere schade aanrichten dan onwetendheid. Zo zal de valse wetenschap van de tegenwoordige tijd, die het geloof in de Bijbel ondermijnt, even succesvol blijken in het bereiden van de weg voor de aanvaarding van het pausdom, met zijn aantrekkelijke vormen, als het onthouden van kennis was in het banen van de weg voor zijn machtsvergroting in de Donkere Middeleeuwen.” De Grote Strijd, 572.
„Rooms-katholieken erkennen dat de verandering van de sabbat door hun kerk is aangebracht, en zij voeren juist deze verandering aan als bewijs van de opperste autoriteit van de kerk. Zij verklaren dat protestanten, door de eerste dag van de week als sabbat te onderhouden, haar macht erkennen om in goddelijke zaken wetgevende bevoegdheid uit te oefenen. De Roomse kerk heeft haar aanspraak op onfeilbaarheid niet prijsgegeven; en wanneer de wereld en de protestantse kerken een onechte sabbat, door haar ingesteld, aanvaarden, terwijl zij de sabbat van Jehovah verwerpen, erkennen zij daarmee in feite deze aanspraak. Zij mogen zich op gezag beroepen voor deze verandering, maar de drogreden van hun redenering is gemakkelijk te onderkennen. De papist is scherpzinnig genoeg om te zien dat protestanten zichzelf misleiden en gewillig hun ogen sluiten voor de feiten van de zaak. Naarmate de zondaginstelling meer ingang vindt, verheugt hij zich, in de overtuiging dat zij uiteindelijk de gehele protestantse wereld onder de banier van Rome zal brengen.”
“De verandering van de sabbat is het teken of merkteken van het gezag van de Roomse kerk. Degenen die, terwijl zij de aanspraken van het vierde gebod begrijpen, ervoor kiezen de valse sabbat te onderhouden in plaats van de ware, betonen daardoor eer aan die macht door welke alleen zij geboden wordt. Het merkteken van het beest is de pauselijke sabbat, die door de wereld is aangenomen in de plaats van de dag die door God is ingesteld.
“Maar de tijd om het merkteken van het beest te ontvangen, zoals in de profetie aangewezen, is nog niet gekomen. De tijd van beproeving is nog niet aangebroken. Er zijn ware christenen in elke kerk, ook in de rooms-katholieke gemeenschap. Niemand wordt veroordeeld voordat hij het licht heeft ontvangen en de verplichting van het vierde gebod heeft ingezien. Maar wanneer het besluit zal uitgaan dat de valse sabbat afdwingt, en wanneer de luide roep van de derde engel de mensen zal waarschuwen tegen de aanbidding van het beest en van zijn beeld, zal de scheidslijn tussen het valse en het ware duidelijk getrokken worden. Dan zullen zij die in overtreding blijven volharden het merkteken van het beest ontvangen op hun voorhoofd of in hun hand.”
„Met snelle schreden naderen wij deze periode. Wanneer protestantse kerken zich met de wereldlijke macht zullen verenigen om een valse godsdienst te handhaven, ter wille van de bestrijding waarvan hun voorouders de hevigste vervolging hebben verduurd, dan zal de pauselijke sabbat worden afgedwongen door het verenigde gezag van kerk en staat. Er zal een nationale afval zijn, die slechts zal eindigen in nationale ondergang.” Bible Training School, 2 februari 1913.
Wij hebben nu vijf van de symbolen aangeroerd die wij trachten te identificeren voordat wij het hoofdstuk zelf volledig behandelen. Een stad is in de Bijbelse profetie een koninkrijk, en in Jesaja drieëntwintig zijn er twee koninkrijken die nauw verwant zijn, maar duidelijk van elkaar verschillen. Het eerste is de „kronende stad” en het andere is de „koopmansstad”. In de laatste dagen is de macht die de drievoudige verbintenis van de draak, het beest en de valse profeet beheerst, het pausdom. Het is het koninkrijk dat de kroon heeft.
“Nu wij de laatste crisis naderen, is het van vitaal belang dat er harmonie en eenheid bestaan onder de werktuigen van de Heer. De wereld is vervuld van storm en oorlog en tweedracht. Toch zullen de mensen zich onder één hoofd — de pauselijke macht — verenigen om God te weerstaan in de persoon van Zijn getuigen. Deze vereniging wordt samengehouden door de grote afvallige. Terwijl hij ernaar streeft zijn werktuigen te verenigen in de strijd tegen de waarheid, zal hij werken om haar voorstanders te verdelen en te verstrooien. Jaloezie, kwaad vermoeden, kwaadsprekerij worden door hem aangestookt om onenigheid en verdeeldheid te veroorzaken.” Testimonies, deel 7, 182.
Het koninkrijk met de kroon is Tyrus, wat betekent: „een rots.” In dit hoofdstuk vertegenwoordigt Tyrus het pausdom, dat eropuit is Christus na te bootsen, want het pausdom is antichrist. Het woord „anti” in antichrist betekent „in de plaats van.” Het pausdom tracht Christus op elk niveau na te bootsen, en de naam Tyrus betekent rots, want het pausdom is een vervalsing van de „Rots der eeuwen.”
Wie heeft dit besluit genomen tegen Tyrus, de kronende stad, welker kooplieden vorsten zijn, welker handelaars de aanzienlijken der aarde zijn? De HEERE der heirscharen heeft het voorgenomen, om de trots van alle heerlijkheid te ontwijden en al de aanzienlijken der aarde in verachting te brengen. Trek door uw land als een rivier, o dochter van Tarsis: er is geen kracht meer. Hij strekte Zijn hand uit over de zee, Hij deed de koninkrijken beven; de HEERE heeft een bevel gegeven tegen de koopmansstad, om haar vestingen te verwoesten. Jesaja 23:8–11.
Wij zijn voornemens aan de hand van vele getuigen aan te tonen dat “het schudden van de koninkrijken” door God wordt volbracht, door middel van de islam. De islam is de macht die de volken vertoornt en gebruikt wordt om de volken te schudden. Op dit punt stellen wij vast dat de Heere besloten heeft “alle aanzienlijken der aarde” in verachting te brengen, namelijk de “kooplieden” en “handelaars” wier “vestingen” verwoest moeten worden. De koopstad en de kronende stad “hebben de ontevredenheid des hemels opgewekt”, en de Heere heeft Zich voorgenomen hun “vestingen” te vernietigen, en dat vertegenwoordigt de economie. De ineenstorting van de economie vindt plaats vóór de zondagwet in de Verenigde Staten, want vóór de zondagwet eisen de burgers van de Verenigde Staten dat zij worden teruggebracht “tot goddelijke gunst en tijdelijke voorspoed”. Hun betoog is dat de oordelen van God niet zullen ophouden totdat de zondag “strikt wordt gehandhaafd”. Verscheidene bijbelse getuigen stemmen ermee in dat wij op de rand staan van een geweldige ineenstorting van de wereldeconomie. Die ineenstorting vindt plaats vóór de zondagwet, evenals de ineenstorting van 1837 plaatsvond vóór 22 oktober 1844.
‘En dan zal de grote verleider de mensen doen geloven dat zij die God dienen, deze rampen veroorzaken. De groep die het ongenoegen van de hemel heeft opgewekt, zal al haar moeilijkheden wijten aan hen wier gehoorzaamheid aan Gods geboden voor de overtreders een voortdurende bestraffing is. Er zal worden verklaard dat mensen God beledigen door de schending van de zondagssabbat; dat deze zonde rampspoeden heeft teweeggebracht die niet zullen ophouden totdat de zondagsviering streng zal worden afgedwongen; en dat zij die de aanspraken van het vierde gebod voorhouden en daarmee de eerbied voor de zondag tenietdoen, onruststokers van het volk zijn, die het herstel van goddelijke gunst en tijdelijke voorspoed verhinderen. Zo zal de beschuldiging die oudtijds tegen de dienstknecht van God werd ingebracht, worden herhaald, en wel op gronden die even goed gegrond zijn: “En het geschiedde, toen Achab Elía zag, dat Achab tot hem zeide: Zijt gij het, gij beroerder van Israël? En hij antwoordde: Ik heb Israël niet beroerd; maar gij en het huis uws vaders, doordat gij de geboden des HEEREN hebt verlaten en de Baäls zijt nagevolgd.” 1 Koningen 18:17, 18. Wanneer de toorn van het volk door valse beschuldigingen zal worden opgewekt, zullen zij tegenover Gods boodschappers een handelwijze volgen die zeer gelijk is aan die welke het afvallige Israël tegenover Elía volgde.’ The Great Controversy, 590.
Elia die de profeten van Baäl en de priesters van het bos op de berg Karmel confronteert, vertegenwoordigt de zondagswet. De boodschap voor de kerk was: „kiest u heden wie gij dienen zult.” Wanneer deze geschiedenis bij de zondagswet wordt herhaald, luidt de vraag: „welke dag zult u kiezen, want de dag die u kiest, geeft aan wie u dient.” Vóór de berg Karmel waren er drie en een half jaar van ernstige droogte. Vóór de zondagswet is er een reeks zondagswetten, maar zij zijn niet „streng gehandhaafd” geweest. Het beginsel dat met een zondagswet verbonden is, luidt dat nationale afvalligheid wordt gevolgd door nationale ondergang. Het voorbeeld daarvan is Constantijn, die in het jaar 321 een zondagswet uitvaardigde, en kort daarna begonnen de eerste vier bazuinen van Openbaring hoofdstuk acht het West-Romeinse Rijk ten einde te brengen tegen het jaar 476. Het verhaal van Constantijn is belangrijk, want het omvatte een geleidelijke verheffing van de zondag, en tegelijkertijd geleidelijke beperkingen van de sabbat van de zevende dag. Die voortschrijdende geschiedenis bereikte haar conclusie toen de burgers werden gedwongen de zondag te onderhouden of vervolgd te worden wegens het houden van de sabbat. Dat is ook de conclusie van de escalerende zondagswetgeving in de Verenigde Staten. Een beginsel dat met de handhaving van zondagsverering verbonden is, luidt: „nationale afvalligheid wordt gevolgd door nationale ondergang.” Dit beginsel betekent dat escalerende handhavingen van de zondagswet een escalatie van Gods oordelen voortbrengen, nog vóór de eigenlijke zondagswet van Openbaring dertien vers elf. Elke verordening zal een overeenkomstige ondergang teweegbrengen. De oordelen waarvan de burgers de sabbathouders beschuldigen dat zij die veroorzaken, worden in werkelijkheid voortgebracht door de escalerende handhaving van zondagswetgeving. Wij hebben een passage uit De Grote Strijd opgenomen, die ik Zondagsprogressie heb genoemd. Ik zou u aanbevelen die nogmaals te lezen. Zij bevindt zich in de categorie getiteld De Geest der Profetie.
„God heeft geopenbaard wat er in de laatste dagen zal plaatsvinden, opdat Zijn volk voorbereid moge zijn om stand te houden tegen de storm van tegenstand en toorn. Zij die gewaarschuwd zijn voor de gebeurtenissen die voor hen liggen, behoren niet in kalme verwachting van de komende storm neer te zitten en zich te troosten met de gedachte dat de Heere Zijn getrouwen zal beschutten in de dag der benauwdheid. Wij moeten zijn als mensen die op hun Heere wachten, niet in ledige verwachting, maar in ernstige arbeid, met onwankelbaar geloof. Het is nu geen tijd om onze gedachten in beslag te laten nemen door zaken van ondergeschikt belang. Terwijl de mensen slapen, treft Satan actief maatregelen opdat het volk des Heeren geen barmhartigheid of gerechtigheid zal ontvangen. De zondagsbeweging baant zich thans in het duister een weg. De leiders verbergen de ware inzet, en velen die zich bij de beweging aansluiten, zien zelf niet waarheen de onderstroom zich beweegt. Haar belijdenissen zijn zachtmoedig en schijnbaar christelijk, maar wanneer zij zal spreken, zal zij de geest van de draak openbaren. Het is onze plicht alles te doen wat in ons vermogen ligt om het dreigende gevaar af te wenden. Wij behoren ons in te spannen vooroordelen te ontwapenen door onszelf in een juist licht voor het volk te plaatsen. Wij moeten hun de werkelijke twistvraag voorleggen en zo het krachtigste protest inbrengen tegen maatregelen die de vrijheid van geweten beperken. Wij behoren de Schriften te onderzoeken en in staat te zijn rekenschap te geven van de reden van ons geloof. De profeet zegt: ‘De goddelozen zullen goddeloos handelen; en geen van de goddelozen zal het verstaan; maar de verstandigen zullen het verstaan.’” Testimonies, deel 5, 452.
Het is moeilijk de beweging voor zondagswetgeving te onderkennen, want zij baant zich een weg in „duisternis”, en het pausdom is „heimelijk en ongemerkt” „zijn krachten aan het versterken om zijn eigen doeleinden te bevorderen.” Het is een feit dat het werk om in het verborgene zondagswetgeving tot stand te brengen een centrale kwestie is in het beproevingsproces van de honderd vierenveertigduizend. „Geen van de goddelozen zal het verstaan”, volgens Daniël en zuster White. De „goddelozen” in Daniël zijn Mattheüs’ „dwaze maagden”, die zuster White identificeert als Laodicenzen. De wijzen zullen de gebeurtenissen die nu plaatsvinden verstaan, ook al schijnt de geschiedenis om ons heen Gods woord tegen te spreken. Geloven wij Gods woord of wat er om ons heen gebeurt? Toch zijn wij van tevoren gewaarschuwd dat het einde zou zijn als de dagen van Noach.
„De wereld, vol van uitspattingen, vol van goddeloos vermaak, slaapt, slaapt in vleselijke gerustheid. Mensen schuiven de komst van de Heere ver voor zich uit. Zij lachen om waarschuwingen. De hoogmoedige grootspraak wordt geuit: ‘Alle dingen blijven zoals zij waren van het begin der schepping af.’ ‘Morgen zal zijn als deze dag, ja, nog veel overvloediger.’ 2 Petrus 3:4; Jesaja 56:12. Wij zullen ons nog dieper aan genotzucht overgeven. Maar Christus zegt: ‘Zie, Ik kom als een dief.’ Openbaring 16:15. Juist op het ogenblik dat de wereld spottend vraagt: ‘Waar is de belofte van Zijn komst?’ gaan de tekenen in vervulling. Terwijl zij roepen: ‘Vrede en veiligheid’, komt een plotseling verderf. Wanneer de spotter, de verwerper van de waarheid, overmoedig is geworden; wanneer de dagelijkse gang van het werk in de verschillende winstgevende bedrijfstakken voortgaat zonder acht te slaan op beginsel; wanneer de student begerig kennis zoekt van alles behalve van zijn Bijbel, komt Christus als een dief.
„Alles in de wereld verkeert in beroering. De tekenen der tijden zijn onheilspellend. Komende gebeurtenissen werpen hun schaduwen vooruit. De Geest van God trekt Zich van de aarde terug, en rampspoed volgt op rampspoed, op zee en op het land. Er zijn stormen, aardbevingen, branden, overstromingen, moorden van elke graad. Wie kan de toekomst lezen? Waar is zekerheid? Er is in niets wat menselijk of aards is, enige waarborg. Snel scharen de mensen zich onder het vaandel dat zij hebben gekozen. Rusteloos wachten zij en slaan zij de bewegingen van hun leiders gade. Er zijn er die wachten, toezien en arbeiden voor de verschijning van onze Heer. Een andere klasse voegt zich in het gelid onder het bevel van de eerste grote afvallige. Weinigen geloven met hart en ziel dat er een hel is te ontvluchten en een hemel te winnen.״
„De crisis sluipt geleidelijk over ons heen. De zon schijnt aan de hemel, legt haar gewone baan af, en de hemelen verkondigen nog steeds de heerlijkheid van God. De mensen eten en drinken nog steeds, planten en bouwen, trouwen en worden ten huwelijk gegeven. Kooplieden kopen en verkopen nog steeds. Mensen verdringen elkaar nog steeds, strijdend om de hoogste plaats. Liefhebbers van vermaak stromen nog steeds toe naar theaters, paardenrennen, gokholen. De hoogste opwinding heerst, en toch sluit het uur der genadetijd zich snel, en staat elk geval op het punt voor eeuwig beslist te worden. Satan ziet dat zijn tijd kort is. Hij heeft al zijn middelen in werking gesteld opdat de mensen bedrogen, misleid, beziggehouden en geboeid zullen worden, totdat de dag der genadetijd ten einde zal zijn en de deur der barmhartigheid voor altijd gesloten zal worden.
„Plechtig komen door de eeuwen heen de waarschuwende woorden van onze Heere vanaf de Olijfberg tot ons: ‘En wacht uzelf, opdat uw harten niet te eniger tijd bezwaard worden door roes en dronkenschap en zorgen van dit leven, en die dag u niet onverwachts overkome.’ ‘Waakt dan te allen tijde en bidt, opdat gij waardig geacht moogt worden al deze dingen die geschieden zullen te ontvlieden en te staan voor de Zoon des mensen.’” Desire of Ages, 635, 636.
In het drieëntwintigste hoofdstuk van Jesaja is Zidon de Verenigde Staten en Tyrus het pausdom. Tyrus en Zidon waren oude, gelijktijdig bestaande Fenicische steden aan de kust van de Middellandse Zee. Zij stonden bekend om hun zeehandel, rijkdom en invloed in de oude wereld. Zidon en haar „kooplieden” vulden in de passage Tarsis aan. Zidons kooplieden dreven handel in het „zaad van Sichor”, dat „de oogst van een rivier” is, en het is de vrucht „van de rivier”, en het is „haar opbrengst”, want zij is de „markt der volken”. Alle profeten spreken over het einde van de wereld, dus wie is de markt der volken aan het einde van de wereld? Dat zijn de VS.
Sihor is een rivier in Egypte (waarschijnlijk de Nijldelta) en wordt gebruikt als voorstelling van de rijkdom van de wereld, want Egypte is de wereld. De „maagdelijke dochter” van Zidon stelt de laatste generatie van de USA voor, en zij wordt verdrukt door de staat van beleg die de zondagswet vergezelt en door de nationale ondergang die onmiddellijk daarop volgt. Die maagden van Zidon worden bestraffend aangesproken door de vraag aangaande Tyrus, die zegt: „is dit uw vrolijke stad” (koninkrijk) waarin de USA zich verheugde? Is „dit het koninkrijk „welks oorsprong uit oude dagen is,” terwijl het volgens de passage door Nimrod werd gesticht, kort na de zondvloed?
God heeft besloten en „voorgenomen” om „Tyrus, de kronende stad”, te straffen. De straf over het pausdom omvat de instorting van de financiële structuur van de wereld, want „de HEERE heeft” „een bevel gegeven tegen” „Sidon” „de koopmansstad” (de Verenigde Staten). Zijn gebod „om de vestingen te verwoesten”, oftewel de economie van de Verenigde Staten, is het sabbatsgebod, want op nationale afval volgt nationale ondergang.
De bestraffing van het pausdom begint met de economische instorting van de gehele wereld als reactie op het feit dat de economie van de Verenigde Staten wordt vernietigd. Zidon heeft een „huis” dat met zijn economie verbonden is, en vertegenwoordigt aldus een financiële structuur die wordt vernietigd, want men kan er niet langer binnengaan. Geen investeringen of winsten meer uit dat „huis”, want het is verwoest. De verwoesting vindt plaats bij de zondagswet, hoewel er reeds vóór de zondagswet toenemende oordelen zijn. Wanneer de instorting toeslaat, zullen het pausdom, de Verenigde Staten met hun koopvorsten en aanzienlijke handelaars, en de schepen van Tarsis „weeklagen”.
De locatie van „Tarsis” in de passage wordt in de oudheid met rijkdom geassocieerd, en de schepen van Tarsis zijn in de Bijbel het voornaamste symbool van economische macht.
Want de schepen van de koning voeren met de dienaren van Huram naar Tarsis; eens in de drie jaar kwamen de schepen van Tarsis terug, beladen met goud, zilver, ivoor, apen en pauwen. En koning Salomo overtrof alle koningen der aarde in rijkdom en wijsheid. 2 Kronieken 9:21, 22.
Schepen vertegenwoordigen economische macht, en Tarsis is het voornaamste economische schip in de profetie van de Bijbel. De laatste generatie van Tarsis, voorgesteld door de „dochter” van Tarsis, wordt gezegd „door uw land te trekken als een rivier”, en wat zij ontdekt, is dat haar land „geen kracht meer” heeft en zich niet langer kan „verheugen” over het koninkrijk van Tyrus. De kracht waarnaar zij zochten, was de vroegere economische macht van Sidon, maar die was verdwenen, want de zee had gesproken, „zeggende: Ik heb geen weeën, noch baar ik kinderen, ook voed ik geen jongelingen op, noch breng ik maagden groot”, en aldus wordt de laatste generatie van de zee aangeduid, dat zijn de volken van de wereld die de verwoesting van de economie van de wereld bewenen; op dat moment ontwaken de mensen van de wereld tot de werkelijkheid dat zij de laatste generatie van de geschiedenis der aarde zijn, en dat het te laat is om zich op het eeuwige leven voor te bereiden.
„Geld zal spoedig zeer plotseling in waarde dalen, wanneer de werkelijkheid van de eeuwige taferelen zich voor de zintuigen van de mens opent.” Evangelism, 62.
Er zijn twee „berichten” of boodschappen die in de passage allen smart veroorzaken. Het eerste „bericht” betreft Egypte en het tweede „bericht” is Tyrus. Het bericht over Egypte staat in de verleden tijd, want Jesaja zegt: „zoals bij het bericht aangaande Egypte”, en toont daarmee aan dat God iets met Egypte had gedaan vóór Zijn verwoesting van Sidon (de USA). Wat God met Egypte deed, en wat tevens het „bericht” van Egypte vertegenwoordigt, is dat Hij Egypte verwoestte in samenhang met de eerste maal dat God in verbond trad met een uitverkoren volk. De twee berichten zijn hetzelfde „bericht”. Het bericht van Egypte is het begin en het bericht van Tyrus is het einde. De Alfa en Omega heeft het verbond met de honderd vierenveertigduizend in de laatste dagen geïllustreerd aan de hand van de beginhistorie van dat onderwerp. Het „bericht” aangaande Egypte is de verlossing bij de Rode Zee, toen Farao en zijn legermacht werden vernietigd, hetgeen een voorafschaduwing is van de uiteindelijke verlossing van Gods volk, zoals voorgesteld door het „bericht” dat de „last over Tyrus” is.
De macht die in de Bijbel wordt voorgesteld als degene die de schepen van Tarsis vernietigt, is de islam. Het onderwerp van de islam zal later aan de orde komen; daarom zullen wij dit onderwerp op een later tijdstip uitvoeriger behandelen. In de passage wordt zij voorgesteld als „Chittim”, een oud woord voor Cyprus, en de passage zegt dat de verwoesting van Sidon en Tyrus wordt geopenbaard vanuit „Chittim”. Het symbool van de islam omvat een zeer specifieke voorstelling van de vernietiging van de Verenigde Staten in de Bijbelse profetie.
Het is belangrijk de dagen en jaren te volgen waarnaar in het boek Jesaja wordt verwezen, want zij duiden vaak de profetische tijd aan van de passage die daarop volgt. Jesaja drieëntwintig volgt op de „last” over het dal van het gezicht in hoofdstuk tweeëntwintig, waaraan hoofdstuk eenentwintig voorafgaat, dat drie „lasten” bevat; en alle drie duiden zij de islam aan. Vóór dat hoofdstuk wordt in vers één van hoofdstuk twintig de setting van de profetische geschiedenis gegeven, waarin de daaropvolgende profetieën van ondergang in de volgende hoofdstukken worden aangeduid.
In het jaar dat Tartan naar Asdod kwam (toen Sargon, de koning van Assyrië, hem gezonden had) en tegen Asdod streed en het innam. Jesaja 20:1.
Het woord „Tartan” kan een naam zijn, maar is hoogstwaarschijnlijk een titel van een militaire aanvoerder. Tartan kwam naar Asdod, een stad in Egypte, en nam haar in, in de periode van de geschiedenis waarin de Assyriërs geleidelijk de heerschappij over de wereld verwierven. Assyrië was een type van Babylon. Zowel Assyrië als Babylon waren koninkrijken die uit het noorden kwamen, koninkrijken die als „leeuwen” worden aangeduid, die Gods schapen „verstrooiden”, en beide ontvangen zij dezelfde straf. Assyrië was het eerste, Babylon het laatste.
Israël is een verstrooid schaap; de leeuwen hebben het verdreven: eerst heeft de koning van Assyrië het verslonden, en ten slotte heeft deze Nebukadnezar, de koning van Babel, zijn beenderen verbrijzeld. Daarom, zo zegt de HEERE der heirscharen, de God van Israël: Zie, Ik zal de koning van Babel en zijn land straffen, zoals Ik de koning van Assyrië gestraft heb. Jeremia 50:17, 18.
Profetisch gezien zijn zij beiden de „hoogmoedige Assyriër.”
„Toen Sanherib, de hoogmoedige Assyriër, God smaadde en lasterde en Israël met vernietiging bedreigde, ‘geschiedde het in die nacht, dat de engel des Heren uittrok en in het leger der Assyriërs honderd vijf en tachtig duizend versloeg.’ Daar werden ‘alle dappere helden, de leiders en de oversten’ uit het leger van Sanherib uitgeroeid. ‘Zo keerde hij met beschaamd aangezicht naar zijn eigen land terug.’ [2 Koningen 19:35; 2 Kronieken 32:21.]” De Grote Strijd, 512.
Het jaar waarin „Tartan naar Asdod kwam” en „het innam”, vertegenwoordigt de voortschrijdende verovering van de wereld door de pauselijke macht, zoals geïllustreerd in de laatste zes verzen van Daniël elf. De geschiedenis van de zondagswetcrisis, die de „laatste dagen” van het onderzoekend oordeel is en rechtstreeks voert tot het uitvoerend oordeel (de zeven laatste plagen), vormt de historische context die wordt voorgesteld door het „jaar” waarin Tartan naar Asdod kwam. Tegen de achtergrond van die geschiedenis geeft Jesaja vervolgens drie onheilsprofetieën betreffende de islam, één betreffende het Laodiceïsche adventisme en daarna de godsspraak over Tyrus. Hoofdstuk vierentwintig is een van de klassieke voorbeelden van de zeven laatste plagen, gevolgd door hoofdstuk vijfentwintig, dat de uiteindelijke verlossing van Gods volk voorstelt, waar wij Gods volk een van de bekendste uitspraken zien doen tijdens de grote tijd van benauwdheid.
En men zal te dien dage zeggen: Zie, deze is onze God; wij hebben Hem verwacht, en Hij zal ons verlossen; deze is de HEERE; wij hebben Hem verwacht, wij zullen ons verblijden en ons verheugen in Zijn heil. Jesaja 25:9.
De honderdvierenveertigduizend zijn de wijze maagden die wachtten op de komst van hun Heer naar de bruiloft, hoewel Hij vertoefde overeenkomstig de gelijkenis van de tien maagden. Zij zijn geen Laodicenzen; zij zijn Filadelfiërs. Tot op dit punt heeft dit artikel de context geschetst.
In 1798 nam Napoleon de paus gevangen en bracht daarmee de profetische dodelijke wond toe die aan het einde van de wereld wordt genezen volgens Openbaring dertien. Op dat moment nam de Verenigde Staten haar plaats in als het zesde koninkrijk van de Bijbelse profetie volgens Daniël twee, zeven, acht en elf en Openbaring twaalf, dertien, zestien, zeventien en achttien. Vanaf dat moment zijn zowel de Republikeinse hoorn van de Verenigde Staten als de protestantse hoorn (Adventisme) vergeten wie het pausdom is. 1798 is het eerste jaar waarin de naties van de rest van de wereld de Verenigde Staten als een soevereine natie erkenden, en het is ook het jaar waarin de boodschap van de eerste engel in de geschiedenis verscheen.
Het „motto” van een protestant in die tijd was: „de Bijbel en de Bijbel alleen.” Protestanten identificeren zich als verdedigers van de Bijbel alleen, en toen het adventisme bij de komst van de tweede engel hun mantel overnam, aanvaardde het dat „motto” en werd het daarna aangeduid als „het volk van het boek.” Hun was, door de bediening van William Miller, een geheel van regels gegeven dat, indien het op juiste wijze werd toegepast, de Bijbel zou openen voor het verstand van allen die wilden horen. Millers regels voor profetische uitleg zijn datgene waarvan de inspiratie zegt dat wij het moeten bestuderen, indien wij de boodschap van de derde engel willen brengen.
Christus zei: ‘Indien iemand achter Mij wil komen, laat hij zichzelf verloochenen, zijn kruis opnemen en Mij volgen.’ Opnieuw zei Hij: ‘Ik ben het licht der wereld; wie Mij volgt, zal niet in de duisternis wandelen.’ Het licht der waarheid gaat uit als een brandende lamp, en zij die het licht liefhebben, zullen niet in de duisternis wandelen. Zij zullen de Schriften onderzoeken, opdat zij met zekerheid mogen weten dat zij luisteren naar de stem van de ware Herder, en niet naar die van een vreemde.
“Zij die zich bezighouden met de verkondiging van de boodschap van de derde engel, onderzoeken de Schriften volgens hetzelfde beginsel dat vader Miller heeft aangenomen. In het kleine boekje getiteld Views of the Prophecies and Prophetic Chronology geeft vader Miller de volgende eenvoudige, maar verstandige en belangrijke regels voor bijbelstudie en uitleg:
‘1. Elk woord moet zijn juiste betrekking hebben op het onderwerp dat in de Bijbel wordt voorgesteld; 2. De gehele Schrift is noodzakelijk en kan door ijverige toewijding en studie worden begrepen; 3. Niets wat in de Schrift is geopenbaard, kan of zal verborgen blijven voor hen die in geloof vragen, zonder te twijfelen; 4. Om de leer te verstaan, brengt men alle schriftplaatsen over het onderwerp dat men wenst te kennen bijeen; laat dan elk woord zijn juiste invloed hebben; en indien u uw theorie kunt vormen zonder een tegenspraak, kunt u niet in dwaling verkeren; 5. De Schrift moet haar eigen uitlegger zijn, aangezien zij haar eigen regel is. Indien ik afhankelijk ben van een leraar om haar voor mij uit te leggen, en hij naar haar betekenis zou gissen, of zou verlangen dat zij zó is vanwege zijn sektarische geloofsbelijdenis, of om voor wijs gehouden te worden, dan zijn zijn gissing, verlangen, geloofsbelijdenis of wijsheid mijn regel, en niet de Bijbel.’
“Het voorgaande vormt een gedeelte van deze regels; en bij onze studie van de Bijbel zullen wij er allen goed aan doen acht te slaan op de uiteengezette beginselen.
‘Oprecht geloof is gegrond op de Schriften; maar Satan bedient zich van zo veel middelen om de Schriften te verdraaien en dwaling binnen te brengen, dat grote zorgvuldigheid nodig is als men wil weten wat zij werkelijk leren. Het is een van de grote misleidingen van deze tijd om veel bij gevoel stil te staan en op eerlijkheid aanspraak te maken, terwijl men de duidelijke uitspraken van het Woord van God negeert omdat dat Woord niet overeenstemt met het gevoel. Velen hebben geen andere grondslag voor hun geloof dan emotie. Hun godsdienst bestaat in opwinding; wanneer die ophoudt, is hun geloof verdwenen. Gevoel kan kaf zijn, maar het Woord van God is de tarwe. En “wat,” zegt de profeet, “heeft het kaf met de tarwe te maken?”’
‘Niemand zal veroordeeld worden omdat hij geen acht heeft geslagen op licht en kennis die hij nooit heeft gehad en die hij niet kon verkrijgen. Maar velen weigeren de waarheid te gehoorzamen die hun door Christus’ gezanten wordt voorgehouden, omdat zij zich willen voegen naar de maatstaf van de wereld; en de waarheid die hun verstand heeft bereikt, het licht dat in de ziel heeft geschenen, zal hen in het oordeel veroordelen. In deze laatste dagen bezitten wij het opgehoopte licht dat door alle eeuwen heen heeft geschenen, en dienovereenkomstig zullen wij verantwoordelijk worden gehouden. Het pad der heiligheid ligt niet op één niveau met de wereld; het is een opgehoogde weg. Als wij op deze weg wandelen, als wij voortsnellen op de weg van de geboden des Heeren, zullen wij bevinden dat het “pad der rechtvaardigen is als het glanzende licht, dat steeds helderder straalt tot de volle dag.”’ Review and Herald, 25 november 1884.
U kunt uitvoeriger lezen over de regels van William Miller in het artikel getiteld William Miller onder de categorie Profetische Sleutels.
In „onze bestudering van de Bijbel zullen wij er allen goed aan doen acht te slaan op de beginselen die zijn uiteengezet” in de regels van „Vader Miller” voor de profetische uitleg. Aan de hoorn van het protestantisme werd het heilige document gegeven dat wij de Bijbel noemen, en tevens werd haar de verantwoordelijkheid gegeven de daarin vervatte beginselen te verdedigen en te bevorderen, en aan de protestantse hoorn werd ook een reeks regels gegeven om de betekenis en bedoeling van de heilige documenten op juiste wijze te onderscheiden.
Aan de hoorn van het republicanisme werd een heilig document gegeven dat wij de Grondwet noemen, en tevens de verantwoordelijkheid om de daarin vervatte beginselen te verdedigen en te bevorderen. Aan de republikeinse hoorn werd ook een reeks regels gegeven om de betekenis en bedoeling van het heilige document op juiste wijze te onderscheiden. De regels die gegeven werden om de Grondwet op juiste wijze te onderscheiden, zijn de Bill of Rights, en daarin wordt het voornaamste doel van de Grondwet verankerd in de eerste bepalingen van de Bill of Rights. Het Eerste Amendement, zoals opgenomen in de Bill of Rights, is de vrijheid van godsdienst, meningsuiting, spraak en de pers.
“Het Congres zal geen wet maken betreffende de vestiging van een godsdienst, of die de vrije uitoefening daarvan verbiedt; of die de vrijheid van meningsuiting, of van de pers, beknot; of het recht van het volk om zich vreedzaam te verzamelen en de Regering te verzoeken om herstel van grieven.” Grondwet van de Verenigde Staten, amend. I
De zondagswet is een openlijke aanval op het eerste artikel van de Grondwet, dat de godsdienstvrijheid waarborgt, welke bij de zondagswet wordt afgeschaft, en aldus het einde van de Grondwet markeert, het einde van de Verenigde Staten als het zesde koninkrijk van de Bijbelprofetie en het begin van de vervolging tegen hen die dan de boodschap van de derde engel met luide roep verkondigen. Degenen die de luide roep van de derde engel verkondigen en protesteren tegen de vernietiging van het Eerste Amendement en de Grondwet, worden vervolgd door hen die geacht werden de heilige regels te handhaven en toe te passen, welke het heilige document verdedigen dat zij gewijd waren te verdedigen. Dit is een illustratie van het begrijpen en toepassen van de parallelle geschiedenissen van de twee horens van het lamachtige beest uit de aarde. De stichters van de Grondwet komen overeen met vader Miller. De term vader die voor Miller wordt gebruikt, dient om een leider aan te duiden, niet een paapse priester. De Bijbel verbiedt mensen vader te noemen die belijden geestelijke leidslieden te zijn. De Millerieten zijn naar hun vader genoemd, zoals vaak het geval is. Dit onderscheid te missen, is iets te missen van wat de Elia-boodschap betekent, wanneer zij het hart van de vaderen tot de kinderen bekeert en omgekeerd.
De Verenigde Staten in Jesaja drieëntwintig zijn het zesde koninkrijk van de Bijbelse profetie en blijven dat totdat het bij de snel naderende zondagswet zijn Grondwet omverwerpt. Het zesde koninkrijk regeert zeventig profetische jaren, hetgeen de dagen van één koning zijn. Het koninkrijk (een koning is een koninkrijk) dat zeventig jaar regeerde, was Babylon. Gedurende de zeventig jaren was de hoorn van de staat de regering van Babylon en de hoorn van de kerk de Chaldeeën. Daniël, Sadrach, Mesach en Abednego vertegenwoordigen de honderd vierenveertig duizend. Beide horens en Gods volk worden in het getuigenis van Daniël voorgesteld. De zeventig jaren van gevangenschap in Babylon waren de dagen van één koning, die Jesaja gebruikt om aan te duiden dat de profetische geschiedenis van de Verenigde Staten en de geschiedenis van het Adventisme lopen van 1798 tot aan de zondagswet.
De vaststelling dat de lijn van de profetische geschiedenis voor beide horens van de Verenigde Staten ons in staat stelt het einde en het begin te beschouwen, waarbij de twee hoorngeduigen worden gebruikt om het kenmerk van de andere hoorn te identificeren. Per slot van rekening waren alle horens gelijksoortig. In Daniël waren er horens, sommige afgebroken, met horens die uit de afgebroken hoorn opkwamen. Sommige horens in Daniël waren niet even groot als de andere en kwamen later op dan de andere. Zo is het echter niet met de twee horens van de Verenigde Staten. Die twee horens lopen parallel aan elkaar door dezelfde geschiedenis en brengen dezelfde wegmerken voort, hoewel zij van elkaar verschillen wat hun doel betreft. Binnen deze geschiedenis zijn er ook voorbehouden die eveneens van belang zijn om te begrijpen.
Aan het begin van het adventisme vond er een overgang plaats van de profetische geschiedenis, voorgesteld door de gemeente van Filadelfia, naar de gemeente van Laodicea. Daarom moet er aan het einde eveneens een overgang zijn vanuit de profetische geschiedenis van Laodicea. De Openbaring van Jezus Christus omvat het licht van dit inzicht, en het maakt deel uit van hetgeen in deze tijd wordt ontzegeld.
En „na verloop van zeventig jaar” zal de paus „zingen” en de „vergeten” „hoer” in herinnering worden gebracht. Zij wordt „in herinnering gebracht” bij de zondagswet, waar de kwestie gaat tussen de aanbidding van de zon, of de aanbidding van de dag die Gods wet de mensheid opdroeg te „gedenken.”
In dit artikel hebben wij vastgesteld dat de geschiedenis van Babylons zeventigjarige heerschappij een voorafbeelding is van de geschiedenis van de Verenigde Staten vanaf 1798 tot aan de zondagswet. In een vorig artikel, en dikwijls in Habakuks Tabellen, hebben wij vastgesteld dat ook de gevangenschap in en de verlossing uit Egypte een voorafbeelding zijn van de geschiedenis van de Verenigde Staten en van Gods volk. Deze vier geschiedenissen van Babylon, Egypte, het adventisme en de Verenigde Staten zijn niet de enige lijnen die op deze lijnen kunnen worden toegepast, maar wanneer wij op deze vier lijnen de regel van de eerste vermelding toepassen, is het volstrekt verbazingwekkend. Ik zal dit artikel besluiten met één eenvoudige en gedeeltelijke illustratie van wat ik bedoel, en van wat ik voornemens ben voort te zetten wanneer wij op een later tijdstip de geschiedenis van Jesaja drieëntwintig verder behandelen.
De geschiedenis van Babylon kent aan het begin een bekeerde koning en aan het einde een goddeloze koning. Het maakt niet uit of het Biden of Trump zou zijn, want het boek Daniël leert dat God het is die heersers aanstelt en hen afzet. Wat men met zekerheid kan zeggen over zowel een Democratische als een Republikeinse leider ten tijde van de zondagwet, is dat het een goddeloze leider is. Nebukadnezar was Babylon; hij was de tiran van Babylon, bereid drie goede mannen in het vuur te werpen. Maar uiteindelijk werd hij bekeerd tot de God van Daniël. Zo was het niet met de laatste leider, Belsazar. Hij was een goddeloze koning. De Verenigde Staten beginnen in de profetie als een lam, een symbool van Christus en Zijn offer voor de mensheid. Aan het einde zullen de Verenigde Staten spreken als een draak. De verandering van Christus naar Satan in deze lijn van de geschiedenis wordt weergegeven door het verschil tussen Nebukadnezar en Belsazar.
„Belsazar had vele gelegenheden gekregen om de wil van God te kennen en te doen. Hij had gezien hoe zijn grootvader Nebukadnezar uit de samenleving der mensen verbannen werd. Hij had gezien hoe het verstand waarop de trotse monarch roemde, hem ontnomen werd door Hem die het gegeven had. Hij had gezien hoe de koning uit zijn koninkrijk verdreven werd en tot metgezel van de dieren des velds werd gemaakt. Maar Belsazars liefde voor vermaak en zelfverheerlijking wiste de lessen uit die hij nooit had mogen vergeten; en hij beging zonden die gelijk waren aan die welke opvallende oordelen over Nebukadnezar hadden gebracht. Hij verspilde de gelegenheden die hem genadig waren verleend en verzuimde gebruik te maken van de mogelijkheden die binnen zijn bereik lagen om met de waarheid bekend te worden. ‘Wat moet ik doen om zalig te worden?’ was een vraag waaraan de grote maar dwaze koning onverschillig voorbijging.” Bible Echo, 25 april 1898.
Merk op dat de goddeloze Belsazar de dwaze koning was. Hij onderging hetzelfde oordeel als zijn vader Nebukadnezar, want beide oordelen werden voorgesteld als de „zeven tijden” van Leviticus zesentwintig. Nebukadnezar was vijfentwintighonderdtwintig dagen op het veld en leefde als een beest, hetgeen zeven bijbelse jaren is; en ook het oordeel over zijn zoon Belsazar, dat op de wand geschreven werd, vertegenwoordigt eveneens vijfentwintighonderdtwintig. Het verschil was dat het oordeel over Nebukadnezar hem bekeerde en hem tot een wijze koning maakte, terwijl Belsazars oordeel over de dwaze koning kwam.
„Tot de laatste heerser van Babylon was, evenals in type tot de eerste, het vonnis van de goddelijke Wachter gekomen: ‘O koning, ... u wordt het gezegd: het koninkrijk is van u geweken.’ Daniël 4:31.” Profeten en Koningen, 533.
Het schrift aan de wand voor de laatste president is het Eerste Amendement, dat de „muur” van scheiding tussen kerk en staat aanduidt, welke de laatste dwaze koning niet begrijpt. De „zeven tijden” van Leviticus zesentwintig vertegenwoordigen een „verstrooiing van het volk” die door de koning van het noorden ten tijde van de zondagswet wordt teweeggebracht. Die verstrooiing is de nationale ondergang die op de zondagswet volgt. De zesde natie vergat de lessen van haar stichters, die de Grondwet opstelden om niet alleen tegen een verdorven kerk te beschermen, maar ook tegen de tirannieke Europese koningen met wie de verdorven vrouw het bed deelde. De stichters vertegenwoordigen hen die het pausdom en de koningen van Europa verwierpen, want zij wisten uit eigen ervaring, nadat zij waren voortgekomen uit een verstrooiing van twaalfhonderdzestig jaar pauselijke duisternis, dat bescherming tegen dat soort tirannie het middelpunt van hun nieuwe Grondwet moest vormen. Zij waren wijze vaders, zij waren lamachtig, maar zo is het niet met de laatste vader, want hij zal spreken als een draak. De Vaders kwamen voort uit een verstrooiing en de zoon keert terug in een verstrooiing. De tiran is in beide gevallen het eerste pausdom en het laatste pausdom.
Het symbool van het oordeel over Nebukadnezar, de eerste koning, en de laatste koning Belsazar was de „zeven tijden”-verstrooiing van Leviticus zesentwintig. Nebukadnezar beleefde dit, en Belsazar kreeg het als zijn grafschrift op de wand geschreven in de nacht zelf waarin hij stierf. Het symbool van de Republikeinse hoorn in haar begin was haar ontkoming aan de slavernij van de koning van het noorden, en het symbool van de Republikeinse hoorn aan haar einde is gevangenschap, teweeggebracht door de koning van het noorden. De zondagswet is de „zelfde nacht” waarin zij sterft als het zesde koninkrijk van de Bijbelprofetie. In alle vier illustraties — Belsazar, Nebukadnezar en het begin en het einde van de Republikeinse hoorn — is de vijfentwintig-twintig van Leviticus zesentwintig het symbool dat zowel aan het begin als aan het einde wordt voorgesteld. Dat vertegenwoordigt de handtekening van Alfa en Omega.
De eerste „tijdsprofetie” die William Miller ontdekte, was de vijfentwintighonderd twintig van Leviticus zesentwintig. Zij was de eerste steen in het fundament dat Jezus door het werk van Miller legde. Zij was ook de eerste fundamentele waarheid die in 1863 door het adventisme terzijde werd gesteld. Toen al Millers stenen der waarheid in het fundament waren gelegd, werden die waarheden voorgesteld op de twee tafelen van Habakuk, namelijk de pionierskaarten van 1843 en 1850. Die twee tafelen vertegenwoordigen de verbondsrelatie tussen God en Zijn bij name genoemde volk, evenals de twee tafelen van de Tien Geboden het verbond met het oude Israël vertegenwoordigden.
Aan het einde van het Laodiceïsche adventisme, wanneer het bij de zondagwet uit de mond van de Heere wordt uitgespuwd, is het schrift aan de wand die twee heilige pionierskaarten. Kaarten die zij niet kunnen lezen, want zij hebben geweigerd baat te vinden bij de waarschuwingsboodschap aan het begin van hun geschiedenis….
De financiële crisis van 1837 in de Verenigde Staten was een complexe gebeurtenis, veroorzaakt door een combinatie van economische factoren, beleidsmaatregelen en speculatieve activiteiten.
Speculatieve zeepbel: In de jaren voorafgaand aan 1837 was er een speculatieve hausse in grond en investeringen, die ten dele werd aangedreven door de westwaartse expansie van het land. Grondspeculatie, vooral aan de westelijke frontier, leidde tot opgeblazen grondprijzen en buitensporige schuldenlast.
Gemakkelijke kredietverlening en speculatieve leningen: Banken en financiële instellingen verstrekten grote hoeveelheden krediet en leningen, vaak zonder toereikend onderpand. Deze gemakkelijke toegang tot krediet droeg bij aan de speculatieve roes en vergrootte de risico’s van financiële instabiliteit.
Overmatige expansie van banken: Banken breidden hun activiteiten in hoog tempo uit en gaven daarbij vaak meer papiergeld (bankbiljetten) uit dan zij aan specie (goud en zilver) bezaten om dit te dekken. Deze praktijk, bekend als „wildcat banking”, leidde tot een overvloed aan ongereguleerde en onbetrouwbare valuta in omloop.
Jacksons Economisch Beleid: Het beleid van president Andrew Jackson speelde een rol bij het verergeren van de crisis. In 1836 vaardigde hij de Specie Circular uit, die vereiste dat openbare gronden met specie (goud en zilver) in plaats van met papiergeld werden gekocht. Dit leidde tot een stormloop om bankbiljetten in specie om te wisselen, wat financiële spanningen en bankfaillissementen veroorzaakte.
Internationale factoren: De crisis in de Verenigde Staten werd ook beïnvloed door internationale economische omstandigheden. Een neergang in de Britse economie, een belangrijke handelspartner van de Verenigde Staten, leidde tot een afname van de vraag naar Amerikaanse goederen en exportproducten. Dit had op zijn beurt gevolgen voor Amerikaanse bedrijven en droeg bij aan de economische malaise.
Paniek en bankruns: In mei 1837 leidde een reeks financiële schokken, waaronder bankfaillissementen en kredietverkrappingen, tot paniek onder investeerders en depositohouders. Deze paniek veroorzaakte een golf van bankruns en een ernstige inkrimping van het krediet.
Inkrimping van de geldhoeveelheid: Naarmate banken faalden en het krediet schaarser werd, kromp de totale geldhoeveelheid in de economie aanzienlijk. Deze inkrimping van de geldhoeveelheid verergerde de economische moeilijkheden en verdiepte de recessie. De combinatie van deze factoren leidde tot een ernstige economische neergang, gekenmerkt door bankfaillissementen, werkloosheid, verminderde consumentenbestedingen en een algemene economische depressie.
„Wij hebben niets te vrezen voor de toekomst, behalve wanneer wij zouden vergeten de weg waarlangs de Heere ons heeft geleid, en Zijn onderwijzing in onze geschiedenis van het verleden.” Life Sketches, 196.